naar de Startpagina van Bolsterturfs natuur
naar de hoofdpagina van Bolsterturfs natuur
naar Recent van Bolsterturfnaar Stoekennaar Stoekiesnaar Landschapnaar Jachtnaar Bosboeven
naar Schoorsveldnaar Fotoshownaar Videonaar Bolsterturfs Facebooknaar Bolsterturfs Twitternaar Gedichtennaar Over (bolster)turf en Bolsterturf

Stoeken

Stoeken, verkleinwoord stoekies

Stoekies (2)

Bolsterturf is turf, nee! Bolsterturf was turf gestoken uit de bovenste veenlaag. Toen ik kleine jongen was, gebruikten mijn vader en moeder alle koude dagen van het jaar een bolsterturf. Om de kachel mee aan te maken.

Stoeken, verkleinwoord stoekies, waren in het veen stapeltjes turven, zodanig opgestapeld dat de wind door de stoeken waaien kon en zo de turven goed en vlug drogen. Samen met mijn oudste broer en oudste zus, stoekte ik paar dagen van mijn leven door machinist - en mijn vader bonkend in het veengat - met lawaaidoof makende persmachine gefabriceerde turven op.

"Ie doet 't nog niet zo slecht", zei de veenbaas tegen ons drie opstoekertjes.
Toch was de beloning veur 't opstoekn van de turfn bar slecht.

Ook stak mijn vader met zijn steker ieder jaar voor eigen gebruik turf: grote bruine bolsterturven en veel kleinere zowat zwarte turven.

Turfmakers, turfgravers, turfstekers maakten of fabriceerden geen turven, maar staken turven, in Drents dialect: staakn turfn.

2005

Reeën koppie aan koppie

Bolleke in nood

Kater Bolleke

Vijf uur in de morgen: "Mrrrrauww-mrrrauwww-mrrrauwwwww-mrrrauwwwwwwwwwww!!"
Kattenkrijs buiten!?... Gaat door merg en been. Fox Erpel vliegt overeind en 't bed af, gaat tekeer als een oordeel, sprint tegen de deur aan, rent gangetje uit, woonkamer in, om vervolgens tegen de schuifpui hoog te gaan.
Ook jij schrikt wakker. "'t Is Bolleke!" roep je, "vlug! Ga helpen met Ep!"

"Klote kater!" mopper ik het bed uit.
De pui nauw open geschoven, schiet Erpel naar buiten, terras over, chalethoek om. Dan doodse stilte.
"Is hij er al?" vraag jij.
"Nee!"
"Nou zeg! Grauw niet zo!" bits je terug.
"Ik grauw helemaal niet!... Ah, hier zijn ze."
Op hun gemakje komen ze de hoek om, Erpel en Bolleke. Ik laat ze binnen. Te laat zie ik dat ze bloeden en onder de modder zitten. Nou ja, om kort te gaan: terwijl jij Bollekes kop dept, mag ik Erpel schoonwassen. Handdoeken en water kleuren rood.
"Eppie bloedt ook flink. Heeft grote schram over kop en rug".
"Van die andere kater?"
"Nee, ik denk van prikkeldraad. Een kat kan zo erg niet krabben... Had Bol dan ook niet buiten gelaten!"
"Nou ja zeg! jìj liet hem buiten, niet ik!"
"Nietes!"
"Welles! Z'n hele koppie ligt open!"
"O ja? Nou, zijn eigen schuld toch? Moet i 's nachts maar thuis blijven."
"Kom me 'ns helpen. Hij blijft niet stil zitten."
"Klote kat ook! Ik zet 'm weer buiten."
"Ik zal jou buiten zetten als je zo zeurt."
"Zo zeurt?"
"Kijk! z'n achterpootje ligt hier open."
"Valt wel mee."
"Valt helemaal niet mee! Doe niet zo ruw! Nee! Niet zó doen! Zet jij poezenmand en kattenbak maar liever in het berghok. Zo kan i niet in de kamer blijven... 't Blijft bloeden."

Om kwart over zes mocht ik weer naar bed.

zaterdag 6 januari 2007

Reeën koppie aan koppie

Droom verstoord, maar dan, heel onverwacht

Grote zilverreiger, één van de nog maar heel weinig vogels van de Strabrechtse en Lieropse Heide

De westwind woei straf en koud en trakteerde zo nu en dan een fikse regenbui, maar langs pad door wei en akker bloeiden al paardenbloemen zonnegeel. Over hei en ruigte roeiden tegen wind in moeizaam kraaien; lager cirkelden eenden op zoek naar nestgelegenheid. Hoger dan eenden en kraaien raceten windmee duiven. Ver weg zeilde 'n buizerd, en boven het Beuven flapten reigers. De meeste reigers blauwe reigers, rauw en lelijk hun schreeuwen over 't water, maar ook waren er stille witte reigers, zilverreigers, bij.

Met Fox Erpel betrad ik oevermoeras. We banjerden er dwars doorheen.

Oplettend spiedend verslapt gaandeweg toch wat de aandacht voor plant en dier. Bij mij althans, niet bij Erpel. Een boerenfox blijft altijd fanatiek.

Net toen ik zomaar wat sufte en dagdroomde van vroeger en vriendinnen, koos van voor Erpels neus onder luid kabaal van stem en vleugels een grauwe gans het luchtruim. Mijn droom verstoord, maar dan, heel onverwacht, was daar het hoempen van een roerdomp - een laag en dof hoemn... hoemn... - dat met wind mee kwam.
Hierna was er weer alleen maar lucht en water en 't ruisen van de wind in bruine pluimen, tot even verderop, waar het riet dieper boog, een zwarte zwaan tevoorschijn schoof. Statig, majestueus, de rode snavel in de wind, gleed zij door 't water, naar het scheen heel verontwaardigd over die lompe mens en dat kloten hondje die de rust in het riet kwamen verstoren.

24 maart 2004

Reeën koppie aan koppie

Notities op een vuilstort

Populieren langs Stiphoutse puinweg

16.25
Ik grasduin in de berm van een met puin bedekte landweg. De wind plukt geelbruin blad uit oude populieren die ziek zijn en hol. Links zie ik een meidoornheg en rijtjes douglas en een varkensfokkerij. Renpaarden galopperen binnen een omheining. Op het met zandzakken verzwaarde dak van hun planken stal waakt een merelman. Rechts zijn weiden tot aan de bebouwde kom van Stiphout. Sommige weiden met paarden, in andere weiden loopt jongvee. Begraven onder het gras weet ik honderdduizenden tonnen huis- en ziekenhuisafval.

16.30
Houtduiven reppen zich stadwaarts, een winterkoning en een roodborst rommelen tussen meidoornstekels en in de sparren dineert luidruchtig mezenvolk. Eksterschetter overstemt mezenkwit. De merel slaat alarm. Een sperwer mist een pimpelmees. "Von allem was auf Erden lebt verfolget eins das andre." De sperwer is een wijfje. Zij zet zich in de top van een peppel en toont mij haar dwarsgebande borst en buik en staart; daaronder stevige, gele grijpers. In heg en ruigte zwijgt alle vogelgrut bang stil. Maar daar gaat de sperwervrouw weer verderop. Achter een braamstruik verdwijnt ze richting Briketterie.

16.35
Geweergeknal dondert aan uit nabije bossen. Plezierjagers hebben zichzelf weer losgelaten op ongewapend wild. Slechts één haanfazant kukelt nauw'lijks hoorbaar een protest... Een vogel kan niet protesteren leert de wetenschap, die ook beweert dat geen dier bang is voor de dood. Maar wat weet zij meer van dood en leven dan dat leven(d) maken (maken <> verwekken) moeilijker is dan dood maken? Werkend aan de grenzen van het weten doodt zij wreder dan jagers en soldaten. Midden in het goede leven martelt zij dieren voor mijn welzijn dood en ik lig er 's nachts niet wakker van...

16.44
Een populierenblad landt tussen mijn rechteroog en -brillenglas. Het schieten heeft opgehouden, maar overal en onophoudelijk is er een tonaal geluid van Volvo. Koeien liggen lui languit te herkauwen. Paarden hinneken en hollen. Een spin troont in het midden van haar web en een pissebed kruipt in een colafles. Ik wil wachten op het mannetje met de zwarte baard, dat hier nooit meer komen zal.

16.47
Ik zit in een brede sloot op een roestig vat. Wat in dit vat gezeten heeft, zal niemand ooit nog weten. Vóór mij ritselt een restantje riet, dat wortel schoot toen voor de nu gesloopte steenfabriek leem gegraven werd. Boven mij dansen muggen die niet steken en een tor ligt aan mijn voeten.

16.50
Op het pad op rietpluimhoogte loopt een slanke bruine rat. Het beestje is wat groter dan Tarzan, 't geelwitte rattenventje van mijn dochter Leonie. Vorig jaar herfst dachten wij dat Tarzan een lintworm had. Met paar stukjes worm in een luciferdoosje bij ons gingen we naar de dierenarts. Die keek vluchtig naar de inhoud van het doosje, bestudeerde aandachtig een dik boek met foto's en tekeningen van wormen en gaf twee pillen mee. Fijngemalen en tussen schijfjes kaas kreeg Tarzan het medicijn toegediend. De stukjes worm bleven komen, maar toen wij ze ook op Tarzans piemeltje vonden wisten we dat de worm van sperma was. Toch hebben we een prima dierenarts, die goed opereren kan.

16.59
De zon hangt groot en geel en laag achter een donker goudomrande wolk. Een paartje kraaien vlerkt voorbij. Een koe springt op een andere koe. Dik zitten de logge beesten in hun winterhaar. Twee vrolijke meisjes babbelen langs, onderweg naar hun thuis op wielen. In het westen kleurt de hemel roze en oranjerood. Ook in het oosten raakt de lucht vol warme tinten. En dan is er de zilveren sikkel van bijna eerste kwartier.

17.03
Roeken en kauwen zijn kletsend op weg naar hun slaapbomen. Onder de zwarte zwermen dekt nevel het groen der weiden toe. Een vliegtuigje ronkt richting Welschap. Verder weg en heel veel hoger trekken straaljagers kilometers witte strepen door het blauw. Ik ontdek een buizerd op een paal. Een trimmer jaagt hem de sluipende nevel in.

17.06
Het tochtig rund loeit haar driften naar een stier die er niet is. Een koe heeft geen weet van wetenschap. Zij zal niet dromen van genetische manipulatie en van die mens, die tot haar komen zal met zijn koffer vol reageerbuizen vol hormonen, eicellen, zaadcellen en embryo's. Wat zal er voor haar in die koffer zitten? Sperma van een afgetrokken superstier? Een reageerbuisvrucht?
Op de middelbare school had ik nog nooit gehoord van embryotransplantatie. Toen leerde ik: paardenhengst x ezelmerrie = muilezel; paardenmerrie x ezelhengst = muildier. De mannetjes van deze kruisingen zijn onvruchtbaar. Waarom die hengsten steriel zijn, wist de lerares biologie niet. Mij interesseerde dat ook allerminst, want ik stond onvoldoende voor wiskunde en Franse taal en had een soort hoofse liefde opgevat voor de knappe, ongenaakbare Lydia H.

17.14
Ik bewonder in een weggeworpen ochtendblad het wetenschappelijk product schaap x geit en lees: schaap x geit = scheit. Is dan het schaap een ram of een ooi? Geit x schaap = gaap. Dat kan onnatuurlijk ook. Zal paard x koe pakoe zijn? Een pakoe is toch een stier? Misschien is beter: koe x paard = kord. Koep lijkt me leukere naam, of poek. Vraagt anno 2091 een leraar aan een kloon: "Wie is de vader van een boe? Hoe heet de moeder van een stin?" En wat moeten we met mens x aap? Mensapen bestaan; daar stammen wij van af, zegt de wetenschap. Mens x aap = aap x mens = aapmens. Homo sapiens x Pan satyrus? Primaat Xa x primaat Yb, dat moèt kunnen!
Zullen dergelijke schepsels vruchtbaar zijn? Zijn aapmensen straks bang voor de dood? Kunnen of mogen aapmensen protesteren tegen hun bestaan? Zijn ze in staat het verhaal te begrijpen van een sluwe slang die een schaamteloze vrouw een appel wijst?
De werkelijkheid wint van de stoutste fantasie. Ik lees een vette krantenkop: Waar sodomie faalt, slaagt de wetenschap

17.25
Gelijk gras verborgen vuil bedekt, bedekt nevel gras. Koeien en paarden hebben geen benen en poten meer. Een blauwe reiger flapt omlaag, doelgericht naar een in melkwitte waas gehulde sloot, waarin een overstort. Zijn hese, rauwe kreten doen mij denken aan heksen en vampieren.

17.28
Nevel en schemer verdringen het zicht; in boerderijen en huizen brandt al elektrisch licht. Opgeschoten jongens schelden hun driekleurfox, die snuffelt aan het rattenspoor, rothond. Een boer haalt zijn jonge paarden voor de nacht naar huis. Vliegt daar een kruising tussen een vleermuis en een uil? Zal dit kunnen: baardmannetje x parkiet? De wind ruist door karekietloos riet.

17.33
Ik kom voorbij een dure wagen met twee uitermate schaars geklede mensen. De automotor draait, zo blijft de kachel aan. Even denk ik aan natuur en milieu. - How can I help the earth fight back? - Ach, ze hebben groot gelijk, want herfstnevel maakt de avond koud. Bijna trap ik op een naakte slak.

1991

Reeën koppie aan koppie

Roodborst in Strabhei grove den

Eén en dezelfde roodborst in Strabhei grove den

Man roodborst, ik doolde over de Strabheide toen 'k hem in grove den hoorde zingen.
Zijn wijfje kon ik almaar niet vinden. Met mij luisterde zij naar het jubelend roodborstlied?

vrijdag 14 juli 2006

Reeën koppie aan koppie

Van 1 lammetje tussen meer dan 100 schapen in een kale groene wei

Van 1 lammetje tussen meer dan 100 schapen in een kale wei (1)

Het lammetje ligt in de haast helemaal kaal gevreten groene wei. Het is één lammetje tussen meer dan honderd schapen waaraan hangen decimeters lange wolslierten. Het lammetje ligt er lange tijd. Dan, eindelijk, staat het op, loopt het naar een groot schaap toe. Dit schaap stoot 't lammetje van zich weg. Ook zeven andere schapen willen het lammetje niet liefdevol verwelkomen, het verwarmen tussen hun lange slierten wol. En zij kunnen het niet te drinken geven, want zij hebben lege uiers. Dan gaat het lammetje maar weer teruste, heel alleen in de februarikou, op de kale groene vlakte.

Meer dan dik uur later ligt het lammetje wat verderop in de wei. Dan, eindelijk, komt het weer overeind, loopt het naar een groot schaap toe. Dit schaap stoot 't lammetje van zich weg. Ook negen andere schapen willen het lammetje niet liefdevol verwelkomen, het verwarmen tussen hun lange slierten wol. En zij kunnen het niet te drinken geven, want zij hebben lege uiers. Dan gaat het lammetje maar weer teruste, zo wreed allenig in de februarikou, op de kale groene vlakte.

Weer meer dan dik uur later heeft, eindelijk, het lammetje zijn moeder gevonden. Het staat tegen haar aangevlijd. Nu wordt het niet weggeduwd. Waar moeder schaap zich neerlegt op de kale groene mat, mag het bij haar liggen. En het zoekt haar spenen en haar warme schapenmelk, moedermelk.

Aan voorpoot kreupel schaap

Voor het lammetje tenslotte zijn moeder had gevonden, duwde het ook zijn koppie tegen het schaap dat je hier op foto ziet knielen. Dit schaap wilde want kon het lammetje ook niet voeden. Dit schaap leed pijn, het graasde telkens maar minuutjes, omdat het haast niet op de pootjes meer kon staan, zo mank was het, is het tot aan U of Mohammed met het grote mes die schapen lusten, zo ellendig kreupel.

maandag 6 februari 2017

Reeën koppie aan koppie

't Prulleke

Wilde konijnen voor hun schamele ondergrondse woonstee

't Prulleke ravotte met forsere broertjes en zusjes op de Mikboomweg, in namiddag van sombere lentedag. Een schepseltje van niks was het dat nooit de juiste maat bereiken zou; een zwak wezentje met klein koppie, mager lijfje en dunne lopertjes. Van top tot teen stak het in 'n grauw wolletje, vaal alsof teveel gewassen. Hoewel erg minnetjes mocht het meedoen met het dartel spel: knijntje over, krijgertje, springen en dansen. Het kreeg geen klappen, werd niet geplaagd en niemand deed gemeen.

Toen drie bruine silhouetten aanzweefden boven door bosarbeiders met motorzagen gecreëerde vlakten, zoefden de makkertjes naar huis. 't Prulleke verstopte zich bij de vuilwitte stam van
'n kwakkelende berk, in lang en dor geel gras. Ach, wat wist dit Prulleke van buizerds, baltsen en van eten en gegeten worden...

Langzaam zeilden de buizerds voorbij, schijnbaar hoger dan de oranje zon zoals die op onbewolkte avonden gezien vanaf de Mikboomweg, schuin achter de kerktoren van Gerwen laag lijkt te zijn. Ze mauwden en ze schreven ruime, ronde liefdesletters in de grijze lucht; almaar hoger zweefden ze, de eindige ozon laag tegemoet.

Bloeddorstig wachtte ik op actie, op de schim die op voorgaande dagen door me was gesignaleerd. Spelletjes, tam en lief gedoe en zinnelijk gemauw, daar was ik niet voor in de bosjes gekropen. En voor een foto is het gauw te donker.

De broertjes en zusjes bleven weg, maar 't Prulleke hield niet van verstoppertje. Het danste liever tap, het liet me bloed en schim en tijd vergeten: tap-tap-tap-left-scuff-hop-tap-tap-tap-right-scuff-hop-tap-tap-tap-left...step...stop... Bijna riep ik: "Muziek!" want een zwarte specht was opgehouden met roffelen.

Stil, onbeweeglijk stil, zat 't Prulleke op de baan, als een schietschijf, zò star, zò stram, zò stijf, vijf seconden, zeven... tien wellicht. Beide oortjes wezen recht omhoog. Net antennetjes. Hoorde het nog mauwen?

'k Heb geschreeuwd toen zij kwam aangesuisd..., maar ze was sneller dan mijn stemgeluid. Een sperwervrouw treuzelt niet als haar gezin moet eten.

Hoe kan een man genieten van zo'n kill!?

1991

Reeën koppie aan koppie

Midden in de bossen kiemt koren

Onweidelijke winterjacht 2009. jager schoot fazant. Fox Erpel was er als de kippen bij

Maandag 2 november, kwart voor vier. De noordenwind is kil en koud. Vroege nachtvorst dreigt. Kleumend zit ik onder een populier, op een dun tapijt van rottend blad, en wacht. Zal de Dame Met Het Lange Gezicht, die ik hier elke herfst ontmoet, vandaag wel komen? Ik wil een foto van haar. Daarom blijf ik wachten.
Laag in het westen, pal boven de kerk van Gerwen en dwars door de kale kruinen van nog jonge dennen heen, schijnt een krachteloze, bleke zon in een strakke, harde, helblauwe hemel. In gedachten zie ik haar, Rusticola's, silhouet tegen dit namiddaglicht. Waarom komt ze niet?

Het is stil geworden. De natuur zwijgt. Ik wacht. Het zich steeds herhalende, monotone achtergrondgeluid van auto's lijkt toegenomen. Dan, ineens, halfweg Lieshout, is er de kakelende alarmroep van een, in zijn exotische waardigheid gestoorde, op de wieken gaande haanfazant. Jachtgeweren knallen. Eén..., twee..., drie..., vier..., vijf keer. Ik pak m'n fotospullen bij elkaar en fiets richting jacht. Onderweg tel ik nog elf schoten.

Jagers met geweren staan opgesteld rond een perceeltje douglas. De haan ligt aan de voeten van één van hen. Kikdood. In het dichte, donkere sparrenwoud roept luid een mannenstem: "Haas rechts!"

Langzaam trap ik voorbij de schutters, richting oost, de vale, ondergaande zon in de rug. Bij het Wasven staat een fazanthennetje, nauwelijks kuiken af, midden op het pad. Achter mij knalt het nog drie keer. Haas dood?
Ik stap af. 't Jeugdig henfazantje loopt aarzelend een eindje de ruigte in, blijft dan staan, draait zich om, en kijkt me met levendige, olijke kraaloogjes niet begrijpend aan. Ik zet m'n fiets tegen een berk en pak m'n camera uit de draagtas. Dit vertrouwt ze toch niet. Voordat m'n koude handen de 35 mm-lens voor die van 400 mm hebben verwisseld, verdwijnt ze, rustig en bedaard en even nog omkijkend, in een met buntgras dichtgegroeide greppel.
Hier klopt iets niet. Zij kan geen wilde vogel zijn. Die gedraagt zich niet zo. Ze moet door mens of kip zijn grootgebracht.

Dat fazanten worden uitgezet valt moeilijk te bewijzen. Wel is goed aantoonbaar dat Phasianus colchicus wordt gevoerd. Midden in de bossen kiemt koren en er ligt kaf. De vogels krijgen korrels, allerhande korrels. Eerst maïs, haver, tarwe, rog of gerst en daarna... hagel.

Ver na vijven rijdt het jachtgezelschap, in landrover en oranje bestelbus, door een kolossale stilte huis- of kroegwaarts. Het gedode wild reist mee. Misschien is er een houtsnip bij.

Half zes. Aangeschoten wild crepeert in eenzaamheid. De zon is weg - ik zie geen maan en voel geen wind. In het laatste daglicht valt, loodrecht, een bruin, dood blad. Geen zoogdier kruist mijn pad. Slechts één zangvogel laat zich horen: links van mij krast een zwarte kraai zijn ongenoegen de schemer tegemoet.

1990

Reeën koppie aan koppie

Waarna een stilte stilst

Verweg haas voor verwegge Providentia-torens

Dit is een stille avond, maar waar ik in boskant wacht, op vos, ree en haas, is er wel geluid: in uit weimidden oprukkende nevel het helder wieche wieche wieche van door scheem'ring laagvliegend eendenvolk. En voor me, op grauwe maïsstoppel, liereliert, heel zachtjes, een musklein grauw vogeltje. Even ben ik ontevree, ontevree met schemer en avond, ook en vooral ontevree met mezelf, omdat ik de naam van dit grauwe liereliervogeltje niet weet. Maar dan, van verder weg dan eenden en vogeltje, ronkt 'n tractor 'mijn' boskant toe.
Wanneer twee bosuilmannen beginnen met roepen naar elkaar, almaar hoe-hoe-hoe hoeoeoeoe, hoe-hoe-hoe hoeoeoeoe, hoe-hoe-hoe hoeoeoeoe over en weer, bike ik, het wachten moe, voorbij veelege weiden en uit blinde schuur het loeien van machteloze runderen geketend aan rammelende kettingen, de torens van Huize Providentia toe. En dan fiets ik verder langs lage gebouwen, barakken zowat, volgestouwd met zieke en ongelukkige mensen, kinderen vaak nog, zie en hoor ik door open deur zwaaien en schreeuwen van een in rolstoel hangende jongen, waarna een stilte stilst.

dinsdag 16 oktober 2007

Reeën koppie aan koppie

Een smerige doodschietjagerstreek

Deze zesender reebok zette ik staande op een keukentrapje over maïsveld heen op foto

Een oude man en zijn vrouw - beiden zijn op leeftijd: hij is voor in de negentig; zij achter in de tachtig en ze wonen in de grote stad maar toeven bij zomerdag graag in hun schamel maar knus stacaravannetje op recreatiepark.
Soms maak ik in 't voorbijkomen aan hun knusse stekkie bij boerenwei en bos een praatje met hen.

"... Ja, nu twee jaar terug hoorden we een buksschot," vertelt de oude man, "we schrokken er flink van, maar omdat de helft van deze wei, deze kant, toen een hoog maïsveld was, konden we weinig zien, zagen we nergens een jager."
"Niets zagen we, tot kwartier later opeens die man met groene hoed op op tractor langs gindse maïskant kwam aanrijden," vervolgt de oude vrouw. "We zagen bovenkant tractor en dus ook dat hij groene hoed op had. Hier precies tegenover stopte hij de tractor. Bijna een half uur lang zagen en hoorden we daarna niets meer."
"Ja," verhaalt nu weer de oude man,"ik wou nog door de maïs breken, 't maïsveld was immers maar zo'n vijfendertig meters breed, met aan overzij vijfendertig meters weiland tot aan de bosrand, maar ik durfde het niet aan... Ben immers niet meer de jongste... En toen startte die jager half uur later weer de tractor, reed hij langs gindse maïskant de wei weer af."
"Ja, we weten het zeker," valt nu overnieuw de oude vrouw haar man in de rede, "hier op nog geen vijftig meters vandaan, net voorbij aan deze kant van deze wei toen een maïsveld, werd die mooie reebok doodgeschoten. De rotzak van een jager nam alle tijd om de ingewanden eruit te snijden."
"Ja...," zucht hij met droef gezicht, "toen de maïs nog niet hoog was, zagen we deze reebok, hij was een gave zesender, bijna iedere morgen en iedere avond op de wei."

woensdag 20 juli 2016

Reeën koppie aan koppie

Toen schaatste ik naar negen reeën toe

Wildstrik december 2005

Toen, die winterdag in december, was ik jongen jaar of twaalf. Toen had het drie of vier nachten gevroren, graad of zes. Dus mocht ik naar De Peel, naar een bij de Noordersloot smalle rechthoek venekoele toe, een venekoele zoals toen alle venekoelen iedere winter weer met glad en helder glanzend ijs. Onder dit venekoele-ijs het niet minder heldere water klein metertje ondiep.

"... Ja, ga jij je nieuwe schaatsen (met Sinterklaas gekregen ouderwetse nieuwe doorlopers) maar 'ns fijn inschaatsen," zei mijn vader tegen me. Toen dus, die winterdag in december, bond ik m'n nieuwe schaatsen onder. Meteen begon ik te schaatsen zo hard als ik kon. Met lange halen van armen en benen snelde ik over de smalle koele. Krakend vlogen barsten in het ijs, iets prettigs om te horen, iets wat me niet kon deren. Al gauw bereikte ik de overkant; zo verrekkes gauw kwam die overkant op me af dat ik onvoldoende remmen kon. In haast nog volle schaatsvaart sprong ik metertje hoog, koelekant op, tolde ik tussen reeën omver. De reeën, al meter of dertig weggevlucht toen ik ze goed zag, waren met z'n negenen. Ze raceten ginder berkenbosje toe. Nooit eerder, en ook nooit meer later, zag ik reeën zo snel rennen.

Ree (1)

Wildstrik 2

Toen, nu zo heel veel jaren geleden, waren zij turfstekers als mijn vader, die kerels die deze venekoelen creëerden. Goede en sterke en arm aan centen bonkige turfstekers waren zij. Nadat de laatste turf gestoken was, lagen daar voor mij en stropers Jan B. en Jurrie S. om van te genieten de venekoelen, temidden van dop- en struikhei, zonnedauw, kattenstaarten, brem- en braamstruiken en meer dan honderdduizend berken. En zo mooi! de tientallen hazen, tientallen konijnen, tientallen fazanten en honderden patrijzen, allemaal aanwezig in de ruige flora van de repen bruin laagveen met de gele zandkoppen daartussen.

Nu in deze druilregenzondag van deze in kwakkelwinter decembermaand 2015, vond ik daarnet in armzalig bos en geelgrauwe pijpenstrootjes zowat nul wild. Alleen maar paar kraaien, wat houtduiven en drie reigers zag ik vliegen. En nergens was haarwild te bekennen. Evenwel, zojuist thuisgekomen zie ik zittend voor toetsenbord en monitor weer dit Peelveld van toen, is er weer deze venekoele en zijn er overnieuw de negen reeën.
Die negen reeën, zij stonden niet wetend waarnaar ze luisterden te luisteren naar het helder-luid klik kras - klik kras-gerucht dat ik met mijn nieuwe schaatsen maakte op 't spiegelgladde ijs in de zo ongeveer tweehonderd meters lange venekoele.

Ook de dagen na dit mijn zo pardoes springen tussen de negen reeën, ging ik schaatsen, soms alleen, meesttijds met broertjes en zusjes, ook wel met m'n vriendjes in de Kommerhoek, schaatsen op zelfde venekoele en op andere venekoelen. Daarna twee weken lang alleen nog maar schaatsen op de wieken en kanalen. Op één ree na zag ik toen die winter na mijn eerste schaatsdag op deze venekoele waarbij negen reeën nergens nog een ree. Dit ree dat ik nog wel zag, een donkergrijze grote reegeit, zij lag, twee dagen na mijn toen eerste schaatsdag, op een wildwissel, in dit toen struikheideveld - nu ontgonnen heideveld, nu akkerland aan verharde weg. Zij lag daar doodstil koud in rare houding, tussen twee berkenboompjes met haar hals kapot en in een strik van ijzerdraad.
De morgen van de volgende dag ging mijn vader met me mee het veld in, lag zij er niet meer.

zondag 13 december 2015

Reeën koppie aan koppie

De jongen met de gele herder

Nog nooit had de jongen met de gele herder een meisje gekust. Sonja en ik ontmoetten hem op de boot van Lauwersoog naar Schiermonnikoog. In het restaurant, waar twee heren ons hun zitplaatsen hadden afgestaan, stonden en zaten de passagiers als kippen in een legbatterij. Al gauw verveelde ons het gekakel, gedrang en gevreet en gingen wij op zoek naar een rustig plekje. Dat vonden we op het bovendek, waar het niet naar zweet en sigarettenrook stonk.

We voerden de meeuwen brood, toen ik voelde dat iemand mij in de gaten hield. Vliegensvlug draaide ik me om en zag de blauwe glazen van een verrekijker op me gericht.
"Hee Sonja, zie je daar die jongen met die gele hond? Die keek naar ons."
"Waar?"
"Daar. Beneden. Op het dek. Die lange, blonde jongen met die gele herdershond. Hij zoekt met een verrekijker de zee af. Net keek i door dat ding naar ons."
"Oh... Ja?... Ken jij die jongen?"
"Nee, nooit gezien... Zullen we gaan vragen, of wij ook eens door zijn kijker mogen kijken?"
"Dat lijkt me leuk... Kom mee!"

Halverhoogte de smalle scheepstrap zat een goor mannetje, dat met zijn tong over zijn lippen ging en naar onze benen gluurde. Het floot toen we hem passeerden.
Benedendeks werden we verwelkomd door een vrolijke Duitser met een bierbuik en in iedere hand een blikje Heineken.
"Bitte sehr, meine Damen. Hier ist noch Platz für zwei. Bitte sehr, bitte sehr."
Zijn joviale aanbod sloegen we af, want we zochten plaats naast de blonde jongen. Ook hoefden we geen bier. Gelukkig had de man geen moeite met ons weigerachtig gedrag. Hij dronk vlug de blikjes zelf leeg.

Tussen een ruzie makend gezin, een stuk of wat Duitsers en een stel punkers door, glipten we naar plaatsen aan de reling, dicht bij de blonde jongen. Na 'n beetje dringen stonden we naast hem. Zijn hond lag op zijn schoenen. Het dier gaf ons een knipoog.
"Een mooie Mechelaar," merkte Sonja op, "hoe heet ze?"
De jongen reageerde niet. Hij observeerde de krijsende meeuwen boven het door de schroef in heftige beroering gebrachte water achter de boot dat schuimde en schitterde in de zon. Er zaten ook sterns tussen de meeuwen. Af en toe dook er een vogel steil omlaag.

Toen we voorbij een zandbank voeren waarop eidereenden dutten, vroeg Sonja: "Zijn dat bergeenden?"
De hond kwispelde, maar haar baas keek niet op of om. "Eiders," mompelde hij, "eiders... Kom Sonja."
En toen liep hij zomaar van ons weg. Bij het trapje naar de kajuit nam hij zijn Sonja in de armen en droeg haar naar beneden.
Ondanks zijn vreemde gedrag, mocht ik de jongen. Ik dacht: hij schaamt zich, of hij is verlegen. Maar ik zei: "Die eidereenden zijn dus eiders en die hond heeft i naar jou genoemd. Ze heet ook Sonja." En ik moest, hoewel ik het zonde vond dat zo'n knappe knul zomaar was weggelopen, heel hard lachen om het beteuterde gezicht van mijn vriendin.
Ze werd boos. "Wat een zak!" schold ze.
"Meinen Sie mich?" vroeg de dikke Duitser.

De volgende morgen bleek de jongen met de herder zijn intrek te hebben genomen in het zomerhuisje links van dat van ons. Toen we tegen tienen naar het enige dorp op het eiland liepen om te gaan winkelen, zat hij in de tuin in een luie stoel te lezen. We zwaaiden en riepen HALLO! maar hij las gewoon door.
"Wat is i bruin," zei ik.
"En stug," vulde Sonja aan, "zou i homo zijn?"
"Natuurlijk niet!" meende ik en ik kneep mijn ogen dicht, even maar, om beter het beeld te zien van een blonde kuif boven blauwe kijkerglazen.
We besteedden vijfendertig gulden bij de kruidenier, vijf bij de bakker en dertig bij de slager. Ook gingen we naar de drogist, de VVV en het postkantoor.
Met zere armen van het dragen van de boodschappen, sjouwden we het laatste stuk van de Molendijk af naar ons huisje. De jongen speelde met zijn hond. Hij scheen ons niet te zien.

Die middag zou het heet worden. Vijfentwintig graden in de schaduw, zei de radio. Sonja en ik huurden een tandem en fietsten naar zee. Op het druk bevolkte Westerstrand mochten voor de eerste keer die zomer onze borsten in de zon. Het felle licht en de wind zorgden ervoor, dat we pijn en verkleuring pas 's avonds gewaar werden. We lagen in gloeiend zand en aan de waterlijn; we zwommen en maakten lol met jongens die ik niet aardig vond. Er waren nogal wat honden op het strand. Een gele herdershond was er niet bij.

Ons bungalowtje had een prima douche. Eerst douchte Sonja. Daarna was het mijn beurt en spoelde ik alle zout en zand dat zich aan mij had vastgekoekt de afvoer in. Maar gedachten aan een jongen kun je niet wegspoelen. De koele, harde waterstraal prikkelde mijn rode borsten. Ik sloot mijn ogen en voelde op mijn huid de handen van de blonde jongen. Hij waste en masseerde mijn rug; hij kuste mijn schouders en nek, hij fluisterde mijn naam en toen... hoorde ik Sonja gillen.

De jongen sprong over de meidoornheg die diende als erfafscheiding. Sonja lag op het gazon met de gele herder, die naar een koekje in haar hand hapte, boven op haar. Op het moment dat de hond 't koekje naar binnen schrokte, viel de jongen in haar armen.
Te laat besefte ik, dat ik naakt voor het raam stond. Woedend rende ik terug naar de badkamer. Nog voor ik me had aangekleed, riep Sonja door de op slot gedraaide deur: "Hee Wanda! Die jongen heet Jaap, Jaap Velthuis. Hij is student en negentien en hartstikke verlegen en kussen kan i niet. Straks komt i koffie drinken."

1989

Reeën koppie aan koppie

Het verhaal van Lampe

Haas, Mierlo

Video: Haas in winderige lenteavond

"Nog is het goed wonen in de Ruwe Putten. Men went aan geraas van auto's. Maar in het najaar slaap ik een kwartier verderop. Vaak lig ik dan bij het hondenterrein onder een heipol te prakkiseren, ook wel eens in mezelf te vloeken: 'Patsamme, wat heb ik de mens gedaan dat die mij zo wreed vervolgt?'
Ja! gelukkig voor ons hazen, eind voorbij de Ruwe Putten, in omgeving Mikboomweg, wordt de laatste jaren door jagers niet meer gejaagd. Wel komen er nog vaak mensen en honden lawaaien, maar deze lawaaischoppers gaan nooit 't hondenterrein af.

Toch ben ik in de laatste maanden van het jaar vaak ongerust. Ik maak me dan zorgen om Tine. Zij is lekker dikke hazin; zij kan minder snel uit de voeten, en zij zoogde deze zomer enkele van mijn jongste kinderen. (Men zegt dat ik eenzelvig ben en een slechte vader, maar moet ik, die niet zogen kan, door mijn aanwezigheid mijn kroost verraden aan alles wat hen eten wil?)
Tine weigert koppig met me mee te gaan naar omgeving hondenterrein, omdat ze niet tegen blaffen kan. Patsamme nog aan toe! Ze wil liever in de Ruwe Putten blijven. In de Ruwe Putten waar het vandaag al vijf keer knalde. Niet dat ik 's nachts tot het uiterste bij Tine aandring. Ik ben in herfst en winter nu eenmaal graag alleen. Maar, patsamme, ik moet almaar aan de toekomst denken, aan een nieuwe lente, een nieuwe rammeltijd. Ach, ik voel me toch zo machteloos als ik denk aan Tine. Ik - de hebberigheid moge mij vergeven worden - kan alleen maar voor ons beiden bidden: 'Diana, wees genadig, gun mij haar ook het volgend jaar.'

Het leven is wreed. Het leven is moeilijk. De mensen zijn een plaag. Wie is gevaarlijker dan een man met een geweer? Wie maakt meer lawaai dan een hondenman? Altijd blaffen op het hondenveld de mensen het hardst. Africhters bassen tegen herdershonden en bouviers: 'Stellen! Vast! Kommm hierrr! Zoek! Apport! Zit! Afff!!!...' Een herrie als een keteljacht. Patsamme nog aan toe. Ik kan er niet van slapen. Ik vouw soms mijn oren dubbel. Ik steek af en toe een bol-vol-koppijn in het zand. Iets wat ik anders zeer ongaarne doe. Al slaap ik met gesloten ogen, mijn neus en oren houd ik toch het liefst maar open, want ik vertrouw die marterachtigen voor geen halve kool.

Waar geen mensen zijn vergaderen de dieren. Bij donkeravond als de blaffers en de keffers zijn vertrokken is het bos vol ander leven, vol stiller leven. Op en rond het hondenveld spelen en buurten dan konijnen. Muizen piepen overal. Behendig glijden reeën door de struiken. Ik hoor de zieke bomen kreunen. Ik ben waakzaam en ik wacht, wacht tot het onvermijdelijke gaat gebeuren, tot, plots en fel en angstaanjagend, de doodsschreeuw van een kleine knager even de stille vrede aan repen scheurt: Waar de prooi is loeren de marterachtigen. Zegt u nu niet: Waar het aas is vergaderen de gieren. Gieren rijmt wel heel mooi op dieren, maar heeft u ooit een groeistadgier gezien? Met aas moet u bij mij al helemaal niet aankomen; daarmee kunt u bij de kraaien, roeken en buizerds terecht.

Luella met de grote, donkere ogen - moge Lepus de blauwe ogen die ik hem om haar heb gegeven in de lente nog niet vergeten zijn - heeft me van gieren verteld en Luella kan het weten. Die is, alweer twee jaar geleden, in Spanje door jagers gevangen in een net en zomaar naar hier, naar mìj gebracht.
Van gieren heb ik echt mijn buik vol, of beter: had ik mijn huid vol. Toen Luella - moge Diana ook haar dit najaar sparen - en ik op een mooie maartse dag uitbliezen van een flinke stoeipartij op Croy, kwam een landman met trekker en kar mijn plannen voor die dag verpesten. (Een bunzing is een bunzing en een konijn een konijn, maar het is gewoon te gek hoeveel soorten mensen je in het veld tegenkomt.) We lagen, lekker naast elkaar, in de zon, aan de rand van akkerland en dichtbij een sparrenbosje. Luella zwamde wat over Spanje. Ze had het voor de zoveelste keer over bergen, schapen en gieren. Stomvervelend gezwets. Gelaten hoorde ik het aan. Als ik iets op haar aan te merken heb, dreigt ze altijd meteen van me weg te lopen. Dat zal me in herfst en winter een zorg zijn, doch in het voorjaar ligt dit wel even anders.
Voor een boer ga ik niet vlug lopen en zeker niet als die op een trekker zit. Daarom gebaarde ik Luella te blijven liggen.
'Dan komen de gieren,' fluisterde Luella en ze gluurde daarbij schuin omhoog. Heel even keek ook ik van de naderende boer naar de lucht. Twee zwarte kraaien roeiden tegen wind in krassend over en wat hoger zweefde een buizerd.
Boer en trekker en kar naderden. Nog kon Luella haar mondje niet houden: 'De sterkste steekt zijn lelijke kop diep in...'
De trekker reed ons voorbij en stopte. Het gromding begon opeens zwaarder en luider te grommen. Op dat moment besefte ik en sprong op. Te laat! De stinkende gier regende op ons neer. Ik kreeg de vuile brij in ogen, neus en oren en spurtte weg. Achter mij hoorde ik Luella van schrik en walging gieren. Van stoeien is die dag niets meer gekomen.
Pas twee dagen later zag ik de Spaanse schone terug, toen ze in de Vennen, op de onder zand en gras verstopte vuilnisvaalt van de mensen, met Lepus aan het dollen was.

Hè, ik dwaal af! Waar had ik het eigenlijk over? Ik had het over die stiekeme bunzings en hermelijnen; ik had het over dat moordend gajes van schemering en duisternis, dat er niet voor terugschrikt een volwassen haas de halsslagader door te bijten.
Als dat patsammese bloedtuig op rooftocht is, moet ik oppassen en het overdag veilige hondenterrein zo spoedig mogelijk weer verlaten. Nergens vind ik blijvend rust: op de akkers niet en niet in 't bos; bij daglicht niet en niet bij nacht.
Eerst wanneer het helemaal donker is - ook in de late schemering wordt er soms nog geschoten - kom ik te voorschijn vanonder mijn pol. Behoedzaam huppel ik in rechte lijn, via de dichtstbijzijnde weg waarop geen auto's kunnen komen, naar de akkers en weiden om daar te eten en rond te dolen. Altijd ga ik over het midden van pad of weg. Dit vanwege goed zicht naar alle kanten, want wie laat zich, oud en wijs geworden, nog als een dom konijn in of vanuit het struikgewas verrassen?
Heel graag zou ik in het najaar meer in de mij zo vertrouwde Ruwe Putten willen zijn. De bewoners van de woonwagens daar laten mij wel met rust. Die komen niet op akkers en weiden. Maar zodra de bladeren vallen moet ik overdag voor jagers en jachthonden op mijn hoede zijn. Altijd weer moet ik vluchten voor de mensen.
Door hagel en donder wijs geworden, verhuis ik de laatste jaren al voordat de jager die gaatjes in mijn oren knalde mij nog eens te pakken kan nemen, want zegt het spreekwoord niet: Beter een slimme held dan een dooie haas? Liever kom ik tien bunzings tegen dan één jager met een schietgeweer.

U vraagt: een slimme held?
Roeken en kauwen heb ik uiteengejaagd! Een bloeddorstig hermelijn van mijn rug geschud! Uitgehongerde buizerds tegen hekken gesmakt! Windhonden naar prikkeldraad geleid! Schroeiende hagelkorrels in mijn lijf en een koperen strik om mijn nek heb ik overleefd! Gevochten heb ik met andere rammelaars en vele hazinnen heb ik bemind! Moge de goede Ostara die de vette, zoete klaver en het heerlijk bittere duizendblad doet groeien mijn getuige zijn! Moge Zij mij straffen als ik mezelf te zeer verhef!
Maar patsamme! wat moet ik mij verantwoorden? Wat moet ik mij verantwoorden tegenover u, ik die alleen in doodsnood schreeuw en die niet met hagelkorrels schiet?
Ik zal u niet verhalen van mijn nachtelijke najaarstochten. Ik heb al teveel van uw tijd in beslag genomen. Bovendien zou het toch maar een somber verhaal worden. Een verhaal van mensenvuil en van gif. Van een groeistad die akelig dicht de bossen nadert en het eerst zo mooie, open landschap in beton en steen verandert. Als de groeistadmensen zo hun best blijven doen, kunnen ze straks ook in de Leemkuilen gaan wonen, in een nieuw, stenen huis op hun eigen, oude vuil. En ook een verhaal van bloed en pijn en tranen. Tranen om dieren die vermist worden. Tranen om kapot geschoten wild. Ik zou u brengen bij zwaar verminkte dieren. Bij hazen en bij ander wild. Bij dieren die langzaam moeten sterven, omdat de mens het schieten niet kan laten.

Moge de grote God der mensen ook de hazen genadig zijn. Geve Hij, dat de wrede jacht met gloeiende hagel voor altijd wordt gesloten en dat de groeistad niet meer richting bossen groeit, opdat mijn kinderen zullen zeggen: 'Het is goed wonen in ons moeders land.'"

Hier eindigt het verhaal van Lampe. Ik schreef het op zoals ik het las in zand en ruigte, zoals het tot mij kwam in bos en veld en zoals het zich verder spon in mijn gedachten.

1989

Reeën koppie aan koppie

De oude zesender en zijn smalree

Zesender bronstbok

Ik scharrelde door eikenrand, toen ineens ik hem zag staan op grens van wei en bos: de oude zesender. Half in lommer verscholen stond hij daar. Waar schaduw van eik hem net raakte, toverde de lentewind 'n grillige krans op zijn nog grauwe winterdos. Het fors zesender bastgewei leek in 't grelle licht een kroon tussen de lange oren.

Voor hem, in 't gras, rustte zijn smalree, 'n prachtige jonge rikke. Ik vraag me af waar hij haar opscharrelde. Misschien komt ze van Venkant. Of misschien woonde ze in Pijpenstrootjesheideveld.

Van 't zomer gaat hij achter haar aanjakkeren, almaar drijvend wijde o's en grote 8-ten schrijvend, door wei en hei en bunt, om na wilde achtervolgingen haar keer op keer te bestijgen. Daarna zal zij, negen maanden later, hun kalfje werpen, hun kalfje zogen. Misschien krijgt zij wel twee of drie kalfjes.

O, deze oude zesender is groot en sterk en vierkant. Hij duldt geen rivalen in de buurt. De schriele spitsbok en de magere gaffelbok joeg hij altijd weg. Overal in de omtrek geselde hij jonge berken en dennen. En links en rechts trapte hij mos en graspollen uit de grond. Hij is hier de koning van eikenbos en wei. Zijn gebied bakende hij af, heel duidelijk. Wee de jongere of zwakkere bok die het waagt in de buurt van zijn smalree te komen. Hij, koning zesender, is de grootste en sterkste. Hij zal aanvallen, achtervolgen en verjagen, tot de snoodaards vluchten. Maar deze heerser van bos en wei kan maar op één plaats tegelijk zijn.

De gaffel en de spitser zullen op de loer liggen, straks van 't zomer.

Jagen op een vrouwtje en om haar vechten, dat is bij reeën niet anders dan bij mensen.

16 april 2003

Reeën koppie aan koppie

Van lezen en liefde

Stukje Bargerveen zoals het was in de zestiger jaren

Op de Emmer markt liep ik Feiko tegen 't lijf. Feiko die aan één oog blind werd toen i twintig was. Iedereen sprak destijds van een ongeluk, maar izelf beweerde dattet van veel lezen kwam. Meer wilde-n-i er niet van zeggen. Maar oude vrienden hebben herinneringen op te halen. Na zeven jaar legde Feiko in café Homan uit hoetie 't licht in z'n rechteroog verloor.

" 'k Had verkering met Coba Bruins. Op 'n midzomernamiddag nam ik d'r mee naar het Bargerveen. Vóór ik 't eigenlijk besefte lagen we in de onderwal van 'n venekoele. Vlak bij 't heldere bruine water waar schrijvertjes op schreven...
't Zingen van leeuweriken was niet van de lucht. Rondom zoemden honingbijen. De bunt was lang en de heide geurde droog. Coba's kussen waren vochtig warm. Ze zoende gretig genoeg... Maar toen ik meer wou zei ze 'Viezerik!' "

Feiko bestelt twee Beerenburg

" Nu had ik pas een romannetje gelezen dat ging over een sportieve jonge dokter en een knap verpleegstertje. 't Verpleegstertje zei altijd nee als de dokter haar begeerde..., ook als ze wèl graag wou. Waarom zou Coba anders zijn?... "

Wij drinken onze Beerenburg

" Coba's lippen waren zacht maar d'r nagels hard en rood en scherp als messen. "

Ik bestel twee Beerenburg

Wij dronken zwijgend tot een vrouw bij ons aanschoof. 'k Herkende haar meteen als Coba Bruins.

1992

Reeën koppie aan koppie

Een reegeit kreeg in poelkant drie kalfjes

Foto 9 van 10. Een reegeit kreeg in poelkant drie kalfjes. Twee kalfjes werden doodgeboren, haar derde kalfje bleek gezond toekomstig buksenvoer
Foto 1 van 10. Een reegeit kreeg in poelkant drie kalfjes. Twee kalfjes werden doodgeboren, haar derde kalfje bleek gezond toekomstig buksenvoer Foto 2 van 10. Een reegeit kreeg in poelkant drie kalfjes. Twee kalfjes werden doodgeboren, haar derde kalfje bleek gezond toekomstig buksenvoer Foto 4 van 10. Een reegeit kreeg in poelkant drie kalfjes. Twee kalfjes werden doodgeboren, haar derde kalfje bleek gezond toekomstig buksenvoer Foto 5 van 10. Een reegeit kreeg in poelkant drie kalfjes. Twee kalfjes werden doodgeboren, haar derde kalfje bleek gezond toekomstig buksenvoer Foto 7 van 10. Een reegeit kreeg in poelkant drie kalfjes. Twee kalfjes werden doodgeboren, haar derde kalfje bleek gezond toekomstig buksenvoer Foto 10 van 10. Een reegeit kreeg in poelkant drie kalfjes. Twee kalfjes werden doodgeboren, haar derde kalfje bleek gezond toekomstig buksenvoer

Zo'n reegeit die haar drieling kreeg. Zij beviel helemaal alleen. Van de drie kalfjes gingen er bij de geboorte twee dood. Niemand die haar hielp toen deze kalfjes verkeerd lagen, bij hun te lang durende geboorte stikten. Na het bevallen is zij van streek, gaat zij zich beetje raar gedragen, weet zij niet hoe nu verder na haar deels miskraam. Na eerste verzorging verstopt zij het levende kalfje, tussen hoge grassen en brandnetels. Met de dode kalfjes weet zij niet wat te doen. Zij kan er niets mee dan ze zuiver likken. Zij laat ze maar liggen in poelkant, gaat eindje verderop wat rusten. Wanneer zij half uur later teruggekomen is, ligt daar alleen nog maar haar gezonde kalfje, paar meters van het water van de poel vandaan, op precies de plek nog waar zij het verstopte. Haar doodgeboren kalfjes nam een mens mee. Deze mens gaf haar dode kroost weg aan vos, kraai, havik of buizerd. Nu verzorgt zij haar kalfje overnieuw, geeft het in de frisse lentedag haar warme melk te drinken. Zo'n dier, zo'n reegeit van nog geen dertig kilo, zij is zo heel veel flinker en zo heel veel dapperder dan de meest stoere doodschietjager.

dinsdag 28 mei 2013

Reeën koppie aan koppie

Er zijn doodschieters die beren, wolven en lynxen willen

Staatsbosbeheer, De Landschappen enNatuurmonumenten
zijn ramp voor natuur en wildleven

Er zijn natuur- en jachtidioten die in Nederland tussen rasters en roosters zelfs beren, wolven en lynxen willen gaan uitzetten. Reeds verkneukelen zich doodschietjagers, want 't uitzetten van grote predatoren biedt schietkansen. Het vanaf hoogzit, vanuit jachthut of jachtauto overhoop knallen van tussen rasters opgesloten beren, wolven en lynxen vinden jagers dapperder dan het omleggen van een vos of een van huis of boerderij gedwaalde kat.

Reeds - ik fiets en denk door bos en veld - is het roedeltje wolven uitgezet geworden. 't Roedeltje heeft grote honger. Het kreeg van Staatsbosbeheer de laatste week nog niets te vreten. Maar gelukkig hebben wolven goede neuzen en kunnen ze snel rennen. En in het kleine Nederlandje vindt een roedeltje wolven in omrasterd stuk bos en onland ook zijn laatste prooi.

Kijk! reeds jaagt het roedeltje 'n sprongetje reewild tegen 't raster omhoog. De leidster van het sprongetje, een oude maar sterke geit, neemt een wanhoopssprong, blijft ongelukkig hangen op het raster. Haar smalree springt niet hoog genoeg, wordt na door 't raster teruggesmakt te zijn geworden door vijf wolven in no time uit mekaar gereten en opgevreten.

Het Staatsbosbeheer-publiek in de grote groene bus, bus zojuist daar geparkeerd op pijpenstrootjespad maar dertig meters van het raster vandaan, bergt veldkijkers en camera's in de draagtassen, laat zich na deze geslaagde kill door de boswachter-chauffeur van Staatsbosbeheer trakteren op een jachtbittertje.

"Vergeet u niet wat?" vraagt een mooie jongejuffrouw aan de in chique uniform gestoken boswachter-chauffeur, en ze wijst daarbij naar de rikke op het raster. Schuldbewust pakt chauffeur-boswachter meteen zijn buks. Hij stapt uit, schoudert het wapen, richt van bij de bus op de geit. In de knal van 't schot tuimelt de rikke terug, wat maakt dat de wolven hun vechten om het laatste stukkie smalree staken.

Overnieuw bergt het publiek veldkijkers en camera's in de draagtassen.

Enkele dagen later schieten drie doodschietjagers, huurders van het ter plekke Staatsbosbeheer jachtgenot, vanuit jachthut het roedeltje graatmagere wolven dood.

De wolvenjacht komt op televisie, de wolvenjagers echter willen niet herkenbaar in beeld. Maar de zegsman van Staatsbosbeheer weet: "Onze wolvenproef is helaas mislukt. De reeën raakten op. En we hielden geen schapen meer over voor onze Joodse en Islamitische klanten. En er is nou eenmaal niets aan te doen dat de wolf in Nederland geen natuurlijke vijanden meer heeft."

voorjaar 2016

Reeën koppie aan koppie

Soldaat versus sersjant

Ekster in top van grove den

Op 31 maart 1967 kreeg op exercitieterrein een dienstplichtig rekruut een uitbrander van zijn sersjant, die niet over hem tevreden was en hem als volgt bij zich riep:
'Boon! uittreden.'
Boon trad uit, slofte naar de sersjant, ging in de houding staan, groette sloom, en zei: 'Soldaat Boon meldt zich, s... sersjant Feeln.'
Sersjant Felen sprong in de houding, beantwoordde snel en sierlijk de groet van zijn ondergeschikte, en schreeuwde: 'Verdomme Boon, hep jij soms te veel gezope? Spreek Boon! Spreek!'
'Mien v... voetn doen zo z... zeer, sersjant.'
'Dan loop je maar op blote pote, Boon! En nu geen gekluns meer, begrepe?'
'Ja s... sersjant, maar mien v... voetn...'
'Verdomme! Af-mel-de Boon! Af-mel-de! Af-mel-de! Af-mel-de!'
'V... Verder nog iets van uw orders, s... sersjant Feeln?'
'Verdomme Boon! Nee! Eh ja. Morge marcheer jij op blote pote, Boon. Wel effe je stelte wasse voor je aantreedt.'
'S... S... Soldaat B... B... Boon m... meldt zich af, s... sersjant F... Feeln.'
Boon groette, uiterst traag en met bleekwit gezicht. In het dennenbos achter de soldaten schaterlachte een ekster. Felen, op zijn beurt, groette niet, die tierde, met alsmaar roder wordende kop, tegen de manschappen van het wachtende, door de dialoog lawaaierig geworden, peloton: 'Koppe dicht! Verdomme! Koppe dicht!...'
Boon slofte terug naar zijn vaste plaats in het achterste gelid.
Felen brulde: 'Geeft acht! Voorwaarts mars! Links-rechts-Links-rechts-Links-rechts... Hé Boon! Sinds wanneer hep jij twee linkerpote? Links-rechts-Links-rechts-Links- rechts...'

De volgende morgen, tijdens de huldiging van een grijze kolonel, trad, deze keer onuitgenodigd en een paar blote voeten tonend aan de compagnie, Boon in een korte pauze van de muziek uit. Hij marcheerde met kwieke pas naar Felen, die dichtbij de kolonel stond aangetreden. Zijn een maat te kleine glimmend gepoetste dienstschoenen stonden op de plaats rust tussen de gniffelende rekruten van het achterste gelid. Hij sprong in de houding, salueerde zoals het een goed krijgsman betaamt, en schreeuwde: 'S... Soldaat Boon meldt zich, s... sersjant F... Feeln.'
Felen schrok zichtbaar, slikte een verdomme in, en fluisterde: 'Soldaat Boon? U...'
'Mien pootn doen zonder schoenn niet zeer, s... sersjant F... Feeln.'
'Afmelde Boon! Af-mel-de!'
Boon staarde de sersjant aan en zweeg.
Toen zei Felen, die zich zichtbaar niet op zijn gemak voelde, Boon voor, met rood hoofd en heel duidelijk articulerend: 'Verder nog iets van uw orders?... Verder nog iets van uw orders?'
'Nee sersjant Feeln, v... verder is er niets van mijn orders.'
De compagnie lag dubbel, de kolonel deed boos, Boon kreeg een douw en het peloton een andere sersjant.

1991

Reeën koppie aan koppie

Een elfmeterschot maakt van een uil een bloederige bal

Bosuil

Waar bij het dorp Gerwen dor gemeentebos overgaat in rijke vegetatie van particuliere wildernis, torent aan een stevige paal die ooit boomstam was een forse uilenkast. Steenworp verderop hangt een nog groter uilenkast, net onder de kroon van een grove den. Uilenkasten drie en vier zijn kleiner en bevestigd aan de ruwgroene stammen van Hollandse eiken, de vuistgrote vlieggaten keurig op het zuidoosten. Paal, den en eiken staan binnen een cirkel met een straal van om en nabij honderd meter; het middelpunt van deze cirkel zal ongeveer op de gemeentegrens Helmond - Nuenen liggen.

De mannen die de paal plaatsten en de kasten timmerden moeten hebben gedacht aan  bos-, rans- en steenuilen, misschien ook aan torenvalken. Wie weet leest een van hen dit stukje en wil hij laten weten of er uiltjes en valkjes geboren zijn?

Aan de westelijke cirkelrand trof ik een volwassen bosuilvrouw. Of juister uitgedrukt: ik trof haar daar aan, want treffen is synoniem met raken en het raken van vogels is een eeuwenoude wrede sport ook in Nederland voorbehouden aan plezierjagers. Weliswaar mag bij ons de uilenjacht dus niet meer uitgeoefend worden, zowel jacht op als jacht met uilen is verboden, maar de uilen zelf kan men moeilijk verbieden om op jacht te gaan en die lusten al te graag een uitgezet fazantje. Over het opvreten van die fazantjes kan je als jager nergens klagen. Dit niet kunnen klagen omdat - hoe vervelend toch - het uitzetten van fazanten strikt aan vergunning gebonden is en nooit toegestaan voor schietfestijnen. En wat doe je dan als je jager bent die zijn gasten toch fazanten wenst te serveren?

Ik zag dus deze uilenvrouw. Onbeweeglijk zat zij op een eikentak argeloze uil te wezen. Dit in september in een bos met uilenkasten, tevens in fazantenjachtgebied van concurrentjagers met geweren.
Behoedzaam de voeten plaatsend lukte het mij tot op strafschopafstand haar te naderen. Toen ze opkeek, zag ik - 't was alsof in vertraagde film - in 't rond gezicht haar felgele ogen langzaam opengaan. Dadelijk verdween ze op stille vleugels richting paal.

Nooit meer zag ik in dit bos een uil. Alles wat ik van uilen nog vinden kon, waren wat bemoste braakballen. Wel kwam ik vaak plezierjagers tegen; soms hoorde ik een schot. Een elfmeterschot moet treffen; elk elfmeterschot maakt van een uil (zo ook van een fazant) een bloederige bal.

1990

Reeën koppie aan koppie

Vogelmanie

Waar in voorjaar en zomer vind je nog kwartels? Wie kent er nog het paapje? Dit vroeg ik me af, toen ik op die avond van het Eurovisiesongfestival voor de weet-ik-hoeveelste-keer luisterde naar het gekweel van een vaderdagkado: Zangvogels 2 van vogelbescherming.
Halverwege kant A van dit Zangvogels 2 zingt een paapje. Het imiteert paar keer heel knap 't kwik-me-dit van kwartels. Liever dan een zangeres op radio of tv, hoor ik zo'n vogeltje.
Opeens drukte m'n jongste dochter de stoptoets van de recorder in. Zij wilde kijken en luisteren naar het songfestival. Pa werd met zijn vogelmanie naar ander vertrek verbannen.
Ik borg het bandje weg en begaf mij naar mijn studiehok. Lichtelijk ontstemd begon ik te bladeren in 'n duur vogelboek met plaatjes, ook een vaderdaggeschenk.
Ik las twee paragrafen, die over De Kwartel en die over Het Paapje en herlas zo weer eens veel van wat ik als jongen al wist: dat beide soorten bodembroeders zijn die graag in hooiland nestelen, dat paapjes graag zingen vanuit een vrijstaande boom en dat kwartels nooit in bomen zitten. Zo'n vijfendertig jaar geleden hoefden jongens zulke wijsheid niet uit boeken te halen.

Giel van de Ven, jachtopzichter in Stiphout, herkende alle vogels in bos en veld aan hun zang of roep.
"Toen jij er nog niet was, zaten hier elke zomer in ieder hooiland kwartels," zei Giel de laatste lente dat we samen in het veld mochten zijn. En hij vervolgde: "Als ik er niet meer ben, zullen hier ook geen kwartels meer zijn. Misschien zo nu en dan nog een verdwaalde vogel."
Giels voorspelling is waarheid geworden. Op de gronden rondom de bossen die hij bewaakte, heb ik nooit meer kwartels gezien en ze maar één keer nog eventjes gehoord.
Die éne keer was op een juniochtend in '87. Toen riepen er twee haantjes in de buurtschap Papenvoort. Maar de hennetjes hielden zich stil. Zo'n hennetje heeft genoeg aan één haantje en omstreeks eind juni helemaal geen zin in vrijen. Omdat zij dan zorgen aan de kop heeft: broeden en het grootbrengen van een stuk of tien keverkleine kwarteltjes.
Ook ik hield me stil en hoorde zo - voor de laatste keer ? - de kwartelroep: 't gedempt en dof err-err meteen gevolgd door 't luider helder kwik-me-dit.
Met behulp van veldkijker zocht ik de twee haantjes. Ik tuurde mijn ogen pijnlijk, zag kwartelkleurige aarde, een muis en geelgroene maïs en na lange tijd scherp luisteren hoorde ik een spottend err-err-ziet-me-niet---err-err-ziet-me-niet---err-err-ziet-me-niet....

1992

Reeën koppie aan koppie

Van reigers en vissen

Blauwe reiger in sneeuwbui

Eind november. Buiten is het koud. 't Vriest net niet. Ik zit bij 't keukenraam en kijk naar de vijver. Kleurkarpers en goudvissen liggen bijeen op gitzwarte modderbodem. Traag glijdt het schooltje windes door tien kuub regenwater. Nog maar maand terug was dit water troebel van algengroei en wroeten in modder. Inmiddels zijn rondzwevende plantendeeltjes naar beneden gedwarreld. Bij gebrek aan zonlicht gingen de meeste algen dood.

De meeste vissen bewegen niet. Met het dalen van de temperatuur van water, daalt ook de lichaamstemperatuur van vissen. Door deze temperatuursdaling worden de levensverrichtingen verlangzaamd. Onder de tien graden Celsius is de stofwisseling van poikilothermen ('koud'bloedigen) minimaal. Veel karperachtigen liggen dan op of in de modder en wachten geduldig op warmere tijd.

Weer is een zomerseizoen voorbijgegaan, voor de vissen een zomerseizoen als alle andere zomerseizoenen: een seizoen van vechten om toegeworpen regenwormen en van slurpen aan geweekt, bruin brood. Ook een seizoen van paar maanden eitjes leggen en van bevruchten. De beide baarzen zijn vet geworden van 't opslokken van duizenden stuks jong grut.

Blauwe reigers en vissen. Beiden zie ik dagelijks en beiden zie ik graag. Maar van de vijver houd ik reigers liever weg. Ik ben zuinig op mijn vissen, heb de meesten van hen al zeven jaar. Sommigen zijn gegroeid van spriet van minder dan spreeuwensnavel-lengte tot karperkanjer.

De ronde karpers eten uit de hand. Elke lente flonkert parend karperleven door zachtgroen kroos, en heel de zomer snoepen snelle en slanke windes - flitsende oranje schimmen -  dansende muggen van de waterspiegel.

Soms mis ik een vis. Dan flitste een kattenklauw of reigersneb 'n argeloze schubbendrager uit het natte element. Zoiets gebeurt. Daar dien ik vrede mee te hebben. Ook in en bij de vijver mogen de oeroude natuurwetten 'struggle for life' en 'survival of the fittest' best gelden. Als ze voor honderd procent zouden moeten, zouden kunnen gelden, moet ik de helft van mijn vissen wegdoen en tot die beslissing kan ik niet komen. Dat ik mijn vissen verwen en een beetje help om oud te worden, wil ik wel bekennen.

Gun ik de reigers een visje? Zeker wel! zolang zij hun visje maar elders halen. Liever dan dat ze in buitenwater paling en op akkers muizen en mollen vangen, vissen ze al voordat vorst hen daartoe dwingt vissen van me weg.

Vanmorgen dreef een vieze blauwwitte olievlek op het vijverwater. Een bewijs dat reigers ook
's nachts actief zijn. Op lange stelten en met dito dolksnavel heeft er eentje in het donker achter de vissen aangezeten.

Verwijtend kijk ik naar mijn namaakreiger. Het nepding kostte me bijna vijftig gulden.
Een kennis vertelde, dat zo'n kunststof vogel echte reigers bij een kleine vijver weghoudt. Dit omdat soortgenoten geen concurrentie willen. Onzin! Sprookje! Ook een reiger staat bij honger slechts één doel voor ogen: eten. Hij wil blijven leven; hij vreet alles op wat hij aankan. Zonder daarbij rekening te houden met andere reigers. Het is bij dieren vaak niet anders dan bij mensen...

Ik telde alle vissen. Ik telde nog eens en wist het toen zeker. Ik was een wijfjeskarper kwijt.

't Was twintig minuten werk. Nu staan rondom de vijver zes palen. Van paal naar paal loopt telkens een, voor vogels goed zichtbaar, touw over de vijver. Geen wandelende touwen, nee, een strak gespannen dradenweb waar een reiger vleugels, hals en poten in verwart. Zoiets houdt reigers weg. Ook in voorgaande winters beschermde zo'n constructie mijn vissen.

Toch was dus dit najaar een reiger mij te vlug af. 'n Mooie wijfjeskarper vond, na vijf levensjaren, haar einde in een vogelmaag. Nu ik dit schrijf is zij door scherpe maagsappen al verteerd. Gelukkig hoef ik niet te leven van negentien (gisteren nog twintig) vijvervissen. Ik eet ze niet. Maar zelfs als ik dit wel zou doen, mag ik langpoot reiger niets kwalijk nemen, want... 'struggle for life' en 'survival of the fittest'. De vis moet hem gegund. Ik wil ook deze reiger veel succes toewensen in de harde en bittere strijd om het bestaan en mijn hoop uitbannen, dat hij door een vijverbezitter-vissenvriend naar het reigerwalhalla wordt geholpen. Waarom moet hij gedood? Een paar lijntjes spannen is toch zo gedaan?

Een reiger die verzuimt om bij aanhoudende vorst naar het warme zuiden te vliegen, is beslist geen slimmerik. Toch weet zo'n domkop ook in hartje winter vis te vinden. Hij vliegt naar vijvers. Onbeholpen hokt hij op de schoorsteen - "Kijk pap, een ooievaar!" - of in de dakgoot. Soms uren aan een stuk. Misschien denkt hij aan het voorjaar, of aan de kolonie waarin hij werd geboren. Door een ijslaag heen lokken onder hem de vette vijvervissen. Hij kan ze niet bereiken: boven het ijs zijn touwen gespannen en het wak is met planken toegedekt.

'Survival of the fittest'. Een harde werkelijkheid. Mag ik, nu voor kampioen reigervangen slechtvalk honderdduizend gulden wordt betaald, een reiger laten verhongeren? Of moet ik de reigers helpen?
Bij elke vishandel kan je goedkope vis kopen, vis voor dit slank en sierlijk standbeeld van de waterkant.

1991

Reeën koppie aan koppie

Meeluisteren en noteren

Fazanthaan bij speenkruid

Het was in de komkommertijd van het laatste jaar dat ik in een winkel werkte dat buiten op de stoep, een meter of wat voor de etalage, een jachtheer en zijn jachtopzichter een gesprek voerden. Heer en knecht dus, die ik beiden als zodanig kende en die, naar alle waarschijnlijkheid toevallig, elkaar midden in de stad tegen het groene lijf waren gelopen.

Beide mannen bezaten opmerkelijk lange lijven, daarbij oogde de heer dikker en kwabbiger, de opzichter forser en peziger. Hun gelaatskleur, schoeisel en hoofddeksels verschilden nogal. De opzichter had groene laarzen aan en op zijn verweerde zongebruinde havikskop een bruine pet met gaaienveertje gezet; zijn broodheer pronkte met glimmend gepoetste bruine schoenen en een groene hoed met haanfazantenveer, in het papperig en bleek gelaat glom een neus als een aardbei. Ongetwijfeld zal dit laatste het gevolg zijn geweest van het tot zich nemen van Remy Martin V.S.O.P., waarvan ik zo'n honderd flessen aan hem gesleten heb. De opzichter behoorde niet tot mijn klantenkring. Pak en uniform leken wel van eenzelfde ruwgroene stof gemaakt, maar het uniform toonde valer dan het smetteloze herenpak.

Wanneer er geen klanten waren die bediend wilden worden, leunde ik graag in de deuropening van de zaak, want ik zag liever blauwe of grauwe luchten, bij voorkeur met wolken erin, dan in een donker hok rijen flessen die alleen maar verkocht mogen worden. Ook het observeren van winkelende of kletsende mensen vond ik niet onplezierig; als je je verveelt lijkt bewust kijken de tijd vlugger te doen gaan.

Die dinsdagmiddag bracht de lucht weinig afleiding; ze hing laag boven de stad, somber en loodgrijs en zonder vogels. Behalve wat vliegen en een vlieg etende kruisspin zat er geen leven in de zaak.

Misschien had het niet mogen gebeuren, want mijn moeder en een schooljuffrouw leerden mij dat meeluisteren nooit netjes is, maar ik richtte mijn ogen en oren op de vertegenwoordigers van de plezierjacht:
'Veel te oogsten valt er niet komend seizoen. De konijnen zijn nu al ziek en voor mijn gasten heb ik nauwelijks fazanten. Heb jij er nog in de kooi?'
'Tien hanen.'
'Tien hanen!?.. Vechten zeker als de verrekkenis, die hanen? Je moet minstens twintig hanen bijkopen...'
'Hoeveel mag het kosten?'
Een jonge vrouw, zij was luchtig gekleed voor herfstweer in juli, was zonder er weet van te hebben oorzaak dat onze jachtheer niet dadelijk toekwam aan het noemen van een geldbedrag.
Zij had iets van een verschijning. Zij stond er opeens. Bestudeerde ze de inhoud van een etalage aan de overzij? Kwam ze uit het voor een kleine stad te grote pand van V&D? Belangrijk is dit niet, want maakt het uit vanwaar zij kwam nu er nog maar is mijn herinnering aan haar? Belangrijk is het feit doldwaas flieft te zijn geweest op deze zwaar beledigde vrouw, een meisje bijna nog, wier naam ik nooit gekend hebt.
'Honderd gulden... voor 'n half uur... Wat een wijffie!..'
'De kattenvellen zijn weinig waard, meneer.'
'Verkoop jij je geschoten katten?.. Kom zo nog even langs voor die fazanten!.. D'r jas zou van kattenbont kunnen wezen...'

Ik zat op de toonbank (een stoel mocht ik van de winkelbaas niet hebben) te verzinnen hoe per ongeluk een volle fles op een dikke kop kapot kan vallen, toen zij de slijterij betrad om een likeur te kopen waarvan merk en naam me ontschoten zijn.
Parfait d'amour was het in ieder geval niet. Misschien was het wel helemaal geen likeur.

Nu zijn in dagdroom haar stem en beeltenis vaag en warrig. Dat ze mooi was en namaakbont aanhad, is zowat alles wat ik nog van haar weet.

1991

Reeën koppie aan koppie

Drollenfolderbeleid

Drollenfolder: gemeente Helmond zooi

Onlangs vernamen wij dat de Helmondse commissaris van politie, de heer Zuketto, Helmond van tweebenig gespuis zou gaan zuiveren. Even dachten wij onze, in de Stiphoutse bossen gestolen, dure autoradio terug te krijgen, want bij aangifte van de diefstal werd gesteld dat wij bericht zouden ontvangen zodra de dader(s) zou(den) zijn gepakt.
Sinds de dag dat wij de vieze, bruine drollenfolder van wethouder Jan van der Zanden in onze brievenbus vonden en de heer Zuketto zijn politiemensen opdracht gaf om oude mannetjes en huisvrouwen die hun honden onaangelijnd in de bossen laten lopen te bekeuren, weten wij dat onze radio niet zal worden gevonden. Immers, het speuren naar een radio kost geld, terwijl het grossieren in drollenbonnen een flinke duit oplevert. (Van ons is er nog geen cent bij.)

De wethouder verbiedt het laten loslopen van alle honden, ook van honden die braaf naar het baasje of vrouwtje luisteren, of die nog geen haas van een paard kunnen onderscheiden. Wij komen veel in de bossen en durven te verklaren dat 99 van de 100 honden die vóór het drollenfolderbeleid van de gemeente door de bossen sjokten, dartelden of renden geen gevaar voor wie of wat dan ook zijn. De politie zou die éne eigenaar van die éne hond die stroopt en bijt moeten bekeuren, maar zo'n beleid vreet tijd en brengt niets op. Een stroper laat zich moeilijker vangen dan een wandelaar!

De kwestie van de hondenpoep is in de Stiphoutse bossen niet ter zake doende. Dit omdat een aangelijnde hond precies evenveel drollen produceert als een onaangelijnde hond en er van een teveel aan drollen in deze duizend bunder grote bossen geen sprake is.

Het blijkt een ondoenlijke zaak de wethouder ervan te overtuigen, dat het innen van hondenbelasting aangewend voor andere doeleinden dan zaken aangaande honden onjuist is. Er moet meer geld en er moet meer ruimte komen voor honden. Honden moeten kunnen spelen en stoeien. Ze hebben niet genoeg aan miniveldjes waarop ze over hun eigen drollen struikelen en elkaars ziekten al te gemakkelijk overnemen.
Redelijk zou zijn bepaalde gebieden in de bossen aan te wijzen waar honden vrij mogen komen, bij voorbeeld het gebied ten noorden van de Gerwenseweg tussen de 1e en 2e Bosweg en het gebied ten zuiden van eerstgenoemde weg rondom de Witte Bergen.

Het verhaaltje dat honden van wandelaars wild opjagen en daarom niet onaangelijnd in de bossen mogen komen kan bezwaarlijk opgaan, want de honden van jagers mogen wel achter de bosdieren aanzitten. Als je in voorjaar en zomer met je kinderen een boswandeling maakt, kom je reewildschutters tegen met speurhonden en kogelbuksen; als je in najaar en winter door de bossen fietst, janken daar drijfhonden en knallen er hagelgeweren. Alles moet blijkbaar dood: ree, haas, konijn, fazant, houtsnip, eend, gaai, bunzing, enzovoorts. Onder andere vos en marter zijn hier al uitgeroeid!

Wat voert u voor een beleid, meneer Van der Zanden? Waarom mag een 'gewone' hond niet in de bossen rennen en de hond van een plezierjager wel? Is dit zo vanwege de jachthuur die de gemeente opstrijkt? Weet u dat de bossen arm aan wild zijn nìet door toedoen van de honden van wandelaars? Deze laatsten mogen, met hun hond aan de lijn, toekijken hoe de honden van jagers wild opjagen dat wordt neergeknald of ziek geschoten, in de bossen van een groeistad zonder centen, waar de commissaris van politie zich laat spannen voor de hondenkar van boetegeld verzamelende drollenfolderkoning Jan.

1991

Reeën koppie aan koppie

Gesprek met 't groen gezag

Fox Erpel, dank zij goede dierenartsen, nog altijd op vier rappe pootjes

Liep ik over de hei wat te dromen over rijm en ritme, stopte er een gifgroen autootje en stapte daar een man in groen uniform uit:
"U bent in overtreding, meneer..!"
"O ja?" schrok ik wakker. "Hoezo...?"
"U dient uw hond aangelijnd te hebben..!"
Wij, naast me lopend boerenfoxje Erpel en ik, keken de man eens aan. Toen zei ik:
"Wat een flauwekul..! Je moet die motorcrossers, auto-inbrekers en in schemerdonker reewildslachters eens gaan bekeuren."
Werd meneer boswachter ineens heel boos, bitste hij:
"We gaan hier niet afzeiken, hè? Als u zo doet, krijgt u meteen een bekeuring."

Erpeltje piste 'ns tegen een voorwiel van het autootje.

"Ach," zei ik, "die boete betaal ik dan toch gewoon."
Onze Staatsbosbeheeroppasser werd beetje wit in 't gebruind gelaat, wist even niets.
"Kijk," opperde ik toen, "ik snap echt niet waarom niet meer mensen hun lidmaatschap van Staatsbosbeheer al opzegden."
Zijn wit gezicht werd nu weer bruinrood, iets meer rood dan bruin, en hij liet me zijn boa-identiteitsbewijs zien.
"Het gaat om het principe," onderwees hij.
"Ja!" antwoordde ik, "en mijn principe is, dat ik gezeik over huishondjes flauwekul vind. Dit hondje is nauwelijks jaar oud en heel braaf," waarop de oppasser diep ademhaalde en groette:
"Ik wens u een prettige middag."
Wat sneller dan hij was gekomen reed hij weg, over 't zandpad door de hei.

april 2004

Reeën koppie aan koppie

Het Bargerveen: verdwenen huizen en verdronken berken

Stukje Bargerveen zoals het was in de zestiger jaren
Heidepol in het Bargerveen zoals het vroeger woest en ledig mooi natuurlijk was Bolsterturf in het Bargerveen zoals het vroeger woest en ledig mooi natuurlijk was

Met jou en Fox Erpel ben ik Paasdag uit, naar Drentes veenrestant Het Bargerveen.

Er waait een koude wind. Waterhoentjes rennen over oever van veenwijk. Meerkoeten rommelen in de wijk. Over de parkeerplaats, die tegenover de boerderij van Staatsbosbeheer in Zwartemeer, golft 'n vlucht vinken richting Duitse grens.

Waar we 't Bargerveen betreden, schrikken we: meteen kijken we tegen een bonte verzameling bulldozers en draglines aan. Staatsbosbeheer is hier tussen Zwartemeer en Weiteveen bezig met de aanleg van dijken. Dit om het veenwater vast te kunnen houden.

"Staatsbosbeheer maakt ook hier van mooie natuur grote puinzooi," mopper ik, "wanneer straks die dijken klaar zijn, verzuipen berken, pijpenstrootjes, hagedissen, hei en adders. Kijk! grote oppervlakten water werden er hier in 't grensgebied met Duitsland al gecreëerd. Zowat alles water nu. Het peil ervan wordt kunstmatig hoog gehouden. "
"Waarom moet alles water worden?" vraag je.
"Ik weet het niet," antwoord ik, "maar door de hoge dijken en alles water vind ik dit vroeger zo mooie gebied echt wel naar de kloten geholpen."

Het Bargerveen was prachtig ruig hoogveengebied. Het werd afgegraven. Hierna maar voor een deel ontgonnen. Aan Duitse kant van 't zandpad grenspad is er een strook jong sparrenbos. Verder aan Duitse zijde heel veel akkerland. In boskanten en op de akkers hoogzitten en jachthutten.

"Echt wel erg," vind jij, "je zal ree of vos zijn en wonen in dit grensgebied. Dan proberen ze in Duitsland om je dood te schieten, en in Nederland heb je alle kans om te verdrinken."

We wandelen voorbij bordjes met opschrift 'Verboden Toegang', over de met de draglines en bulldozers gemaakte dijken. In binnenkort te inunderen ruigte stoot Erpel fazanten op. Over vegetatie van heide, bunt en berken – net nog niet verdronken wildernis – vliegen watervogels: eenden en ganzen. Nergens fluit of jubelt er een wulp.

We bezoeken ook de Klazienaveense kant van het Bargerveen. Ook puinzooi daar. Op hele stukken veen alle berken, lijsterbessen en vliegdennen weggehakt.

Over officiële wandelpaadjes wandelen en sjokken wandelaars, sommigen met hond bij zich. Allemaal deze mensen volgen met gele verf aangegeven route. Reden voor ons twee om rap deze gele strepen wandelroute te verlaten, de auto op te zoeken, wat te gaan toeren, om hier en daar uit te stappen voor 'n met Erpel struintochtje in allenigheid.

Aan Duitse zijde van de grens, bij Twist, staat en draait een regiment windmolens.
Jij en ik vinden deze Duitse molens aan rand van Nederlands natuurgebied minder ramp dan Nederlands Staatsbosbeheer.

O grote schrik, terug in Drenthe missen we drie oude woningen, drie oude veenhuisjes, huisjes die werden opgericht dichtbij de oude kerk van Zwartemeer, kerk eind buiten de dorpskern, richting Weiteveen. Deze woninkjes, tweekappertje en vrijstaand huisje, stonden zeker het te verzamelen water in de weg. Ze moesten van Staatsbosbeheer verdwijnen.
We kunnen zelfs geen baksteen of dakpan meer terug vinden.

Wanneer we het Bargerveen achter ons willen laten, komen een vrouw en een man op ons toe lopen.
"Bent u hier beetje bekend?" vraagt de man.
"Dat ben ik," zeg ik.
"'Stonden hier eerst geen huizen?"
"Ja, hier waren huizen, maar die zijn dus weg," wijs ik, "de huizen liggen begraven onder die gele dam."
"O," zegt de man, terwijl hij met groot ongeloof in zijn ogen naar de dam staart, "ik heb hier vroeger veel gespeeld. Nu is alles weg? Zomaar weg? Alles weg?"
"Ja, alles wordt hier water. Mogen we straks over de dijken rondom het verzopen veen gaan wandelen. Is er binnen de dijken alleen nog plek voor meeuwen, ganzen en eenden."

Het is droevig feit: bij Zwartemeer ging en gaat prachtige natuur verloren. Weg bunt, weg heide, weg berken, weg zonnedauw, weg adders en weg hagedissen.
Van Staatsbosbeheer moet er weer hoogveen gaan groeien, hoogveen onder het ingedijkte water.

"Wanneer wij al duizenden jaren dood zijn, is er heel misschien weer echt mooi en ruig Bargerveen," opper jij.
"Zal wel niet," weet ik daarop, "immers de mensen van instanties als Staatsbosbeheer zullen ook in de toekomst niet met hun bulldozers en draglines uit de natuur weg willen blijven."

zondag 27 maart 2005

Reeën koppie aan koppie

Snerpend fluitend VIC

Graffitti varkensproefbedrijf

Waar in 't Brabants varkensdorp Sterksel veel meer dan honderdduizend varkens in schuren en stallen alsmede in een universitair varkensproefbedrijf worden gehouden, drukt zich in sloot heel dichtbij dit proefbedrijf - het VIC ofwel Varkens In Concentratiekamp (van Wageningen University) - bij mijn langskomen een voor mij op fiets bang wilde eendenwijfje. Zij kruipt tegen walkant van de sloot met helder kroosloos water. In dit heldere water ook nergens vis of kikker. Vier maar pulletjes verstoppen zich tussen moeder eend en slootkant.
Vlug fiets ik verder want een akelig snerpend hoogtonaal fluitgeluid afkomstig van de varkensmestvergasser van dit VIC maakt me misselijk. De hooggeleerde professoren van Wageningen University verpesten met hun onophoudelijk schel fluiten heel de omgeving van dorp, camping, bos en hei.

Ga je in Sterksel omgeving VIC wandelen in bos en hei, neem je het best oordopjes mee.

Hebben straks - laten wij hopen dat het nog heel lange tijd mag duren - alle Nederlandse varkensboeren een vergasser, worden ze horendol van eigen en buurboeren snerpend fluitende vergassers, steken of schieten ze elkaar overhoop.

mei 2014 - Midden juni 2014 hield het varkensproefbedrijf op met fluiten

Reeën koppie aan koppie

Kerstmis en de boom

Bolsterboom-Kerstboom 2014 

Gisteren in donker bos kerstboom pakken. Moeten thuiskomen met boom van vrouw in grote groene pot. Boom dus. Opa pot half vullen met zwart zand. Boom erin met wortels. Wat zand bij en boom in pot naar binnen. Blijven top hangen. Achter laag deurkozijn. Schieten wortels uit pot en vies zand op tapijt. Boom en pot weer buiten. Stoten opa ongelukkig met schop tegen pot en dan pot stuk. Andere rode pot halen. Uit schuur. Nu eerst pot in kamer zetten. Opa twee emmers zwart zand graven in tuin. Boom in lege pot zetten. Vrouw boom in pot vasthouden en opa met zand pot vullen. Terwijl vrouw zeuren boom zijn te klein opa grond in pot aanstampen. Dan pot schuiven naar rechts en van muur. Vrouw boom gaan versieren, en lichtjes aan snoer ophangen. Lichtjes willen niet branden. Opa moeten vloer stofzuigen stoppen en naar dorp gaan voor kopen nieuwe lichtjes. Gelukkig lichtjes niet uitverkocht en nieuwe lichtjes wel branden. Opa blij en vrouw blij. Dan fox en kater krijgen ruzie om van vrouw krijgen eten. Kater springen in boom en drie ballen kapot. Opa lachen en vrouw boos. Maar dan eindelijk als elk jaar weer vrede in huis met die kerstboom hiero.

Kerstmis 2014

Reeën koppie aan koppie

Do or die

Bord van Staatsbosbeheer, waar het groot deel van de Lieropse en Strabrechtse Heide heeft vernield
Roodborsttapuit in miniheideveldje Watervogels en een Schots Hooglandkalf, gezien vanaf De Hoenderpaal op de Lieropse Heide In venkant een zilverreiger en zijn spiegelbeeld, Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide Kraaienpaar in top van berkenboompjes, Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide Kraaienpaar in top van berkenboompjes en de maan, Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide (1) Waar Staatsbosbeheer en Waterschap groot deel van de Lieropse en Strabrechtse Heide vernielden (1)
Waar Staatsbosbeheer en Waterschap groot deel van de Lieropse en Strabrechtse Heide vernielden (2) Fox Erpel speelt in ondiep beekwater, Heeze (1) Fox Erpel speelt in ondiep beekwater, Heeze (2) Een reegeit en haar kalf in vroeg donkeravond, want aan boskant en maan en sterren achter wolkendek Een Lieropse en Strabrechtse pijpenstrootjesheideplee van Staatsbosbeheer In Heezer Herbertusbos in en aan knoeperd van een beukenstam een bierdopjes in memoriam Toon

Bijna is hij al een oude man. Hij fietst met zijn vrouw - zij is jonger dan hij en heeft mooier want slanker en sierlijker zongebruinde benen - over de zand- en grindpaden van de Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide. Fietsen onder strakblauwe hemelboog, waaronder blonde wollewolken varen, zulk fietsen vinden hij en zij reuzefijn. Maar gloeiend koperrood brandt en blakert de hete zon, op de dagjesmensen en op de vogelaars op de tussen pijpenstrootjes niet verboden te betreden paden, en ook op die daar magere schapen in 'hun' door Staatsbosbeheer met schrikstroomdraden omrasterde pijpenstrootjessavanne.
"Misschien zijn de daarginder hoogste wolken al wel boven slik en wad en Waddenzee," wijst zij.
"Ja," zegt hij en kijkt omhoog, kijkt vervolgens weer naar 't kuddetje schapen waarnaar hij keek, dit kuddetje van vijftien dat doolt door ontelbaar veel onvreetbaar geelwitte pijpenstrootjes. En dan moppert hij: "Kijk! we zien hier alleen maar schapen tussen pijpenstrootjes. Nergens hier is er wild, nergens een ree, konijn, haas, korhoen, fazant of patrijs. Waarom crëeert Staatsbosbeheer voor wild en vogels geen groene onkruidweitjes en geen akkertjes met aardappelen, bieten, boekweit, rogge en haver?"
Zij glimlacht, antwoordt niet maar wijst: "Kijk! zo mooi wit die zilverreiger."

De hond van de bijna al een oude man en zijn vrouw, 'n dertien jaar oude boerenfox met flinke scheut rottweilerbloed, mag ook mee uit fietsen. Zo'n fox wil nog rennen en springen, maar kan niet meer urenlang draven naast de rechtertrapper van de fiets. Die gaat voortaan mee in aan fiets gekoppeld hondenkarretje, een in weer en wind van fel oranje tot vaal oranje verbleekt karretje.
Bij haast elk watertje of water stoppen de bijna al een oude man en zijn vrouw, sprint Fox 't karretje uit, rent hij sloot, ven, poel of plas toe, plonst hij, vaak zomaar pardoes, in helder of in modderwater want deze fox houdt van modder en van water, om erin te badderen, te pootjebaden, te zwemmen en te spelen.

Nog is het zomervakantie en wàt voor een zomervakantie! In de bloedhete dag trekken veel mensen over de Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide. Ja! dit is een vakantie met vakantieweer zoals 't mooiste vakantieweer op Kreta, Cyprus en Rhodos, deze drie eilanden toen er nog geen Afrikaanse bootvluchtelingen waren happy islands in the Mediterranean sunshine, deze voor de nu bijna al een oude man en zijn vrouw destijds op vakantie elk jaar opnieuw blijde eilanden.

Zomaar ineens fietst de bijna al een oude man ook door zijn verleden, gaat hij met haar, zijn beeldschone jonge vrouw, weer aan boord van die gezellige oude vissersboot met mooiruige Griekse bemanning, bier en ouzo, laten hij en zij zich varen naar die baai tussen rotsen, een baai per fiets en per boot eind voorbij Tochni en Kalavasos, een baai omkringd met Rhodosrotsen van scherp splintergesteente.
En nu duikt hij weer bootreling af, deze blauwe en kristalheldere Mediterranean bay in. Helemaal tot aan de bodem van de baai duikt hij, raakt hij 't zeebodemzand, zet zich krachtig af, zwemt steil omhoog zon en zeespiegel toe, tot... dat ook van de reling gesprongen bezopen Zweedse wijf hem onder water raakt, hem terug naar dieper water duwt, hij zeewater slikken moet, er haast te laat weer is de lucht met zuurstof. En dan kruipt hij, dizzy van de klap en binnengekregen zout water, op die lage rots, kruipt hij zich scherpe rotssplinters in handen, knieën en voeten.
Terug zwemmend naar de boot voelt hij nauwelijks de pijn van de splinters. Na door twee ruige Grieken aan boord gehesen, is die splinterpijn er wel. Zijn vrouw verwijdert met naald en nagels veel splinters, met zorgzaam lieve hand.

Het is zeker om de mooie nazomerdag, dat zo veel mensen willen zijn op de paden van de Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide. Deze mensen gaan soms eindje door links of rechts 't dieppaars van struikheibloei, vaker gaan ze door beiderzijds pijpenstrootjes licht witgeel tot donkerbruin, of ze gaan door ontboste, ontgagelde en ontheide zandwoestijntjes grijs, zwartig-grijs, gelig-bruin of geel.
De fietsers en ruiters, en zo ook het wandelvolk, zijn in goede hum. Dit zal wezen omdat alle natuur, ook jaren terug machinaal bewerkte natuur, mooi is om te zien, om in te toeven. Bijna allemaal groeten ze de bijna al een oude man en zijn vrouw, in het achterop komen of in het voorbijgaan. Jonge en oudere vrouwen lachen hem, deze bijna al een oude man, toe. Jonge en oudere mannen ziet hij kijken naar de blote billen en benen van zijn vrouw. Soms maar komt er een sjaggie iemand tegemoet of achterop, of komen er saggerijnen man en vrouw tegemoet of achterop, een mens of twee mensen dan die hun monden niet in groet wensen open te doen.

Een haast te smal om beekje te mogen heten beekje - is het De Rul? is het De Peelrijt? - meandert door de Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide. Paar jaar terug meanderde dit beekje door grassen allerhande tinten groen, roze dophei, rode zonnedauw, paarse struikhei, donkergroene gagel en lichter groen riet en biezen. En zo prachtig toen ook: 't teder teergroen van zilverwitstammige berken. Nu hebben Staatsbosbeheer en Waterschap paar jaar lang 't beekje en zijn omgeving duchtig toegetakeld, zijn de roze dophei en de rode zonnedauw er niet meer en is haast overal alle frisgroen overwoekerd door pijpenstrootjes.

Zo'n honderd meter richting Lierop 't beekje voorbij, wijst de vrouw van de bijna al een oude man: "Kijk, daar op 't pad, daar bij dat lapje struikhei, staat een man met kijker."
Van dichterbij blijkt deze man met kijker te zijn man jaar of vijftig. En nu spotten de bijna al een oude man en zijn vrouw ook 't vogeltje op zijtak van door Staatsbosbeheer met zaag of cirkelzaag toegetakeld boomskeletje.
Vlug haalt de bijna al een oude man, hij is achtenzestig jaar oud, voelt zich meesttijds veertig jaar jong of jonger nog, echter nu al paar dagen met rugpijn in de linker onderrug vijftig jaar oud, zijn rechtervoet van de trapper, plaatst deze voet op 't padzand.
Aanzetten van camera is snel gedaan, uitschuiven van de zoomlens duurt al te lang, maar het vogeltje blijft zitten waar het zit, daar op dat kapot zijtakje van dit boomgeraamtetje, op zo'n dikke dertig meter.
Snel richten, camera zo stil mogelijk houden - Fox zit stil! - en hebbes, een foto van een vogeltje is gemaakt. Seconde later is het vogeltje weggevlogen. Vijftien meter van het restant boomskeletje landt het niet terug te vinden in de hei.
Intussen raakte de vrouw van de bijna al een oude man in gesprek met de man met de kijker. Allebei willen ze nu graag de foto van 't vogeltje zien, in het beeldschermpje van de camera.
"Ik meen dat dit vogeltje een roodborsttapuit is, maar moeilijk te zien, want de foto is niet al te scherp," zegt de vrouw van de bijna al een oude man.
"Misschien is het wel een paapje," zegt de bijna al een oude man.
"Is het een paapje," weet de man met veldkijker, "heeft het net als een tapuit een witte oogstreep, een roodborsttapuit mist deze witte streep. Ook door de kijker zag ik niet deze witte streep. Kan je de foto iets groter maken?"
De foto van het vogeltje vergroot weergegeven, zegt de man met de kijker: "Het is een roodborsttapuit."
Beter, veel beter dan de bijna al een oude man en zijn vrouw kent deze man, deze vogelaar - hij heeft zich niet als een fanatiek vogelaar gekleed -  de kleine vogels die wonen in hei en pijpenstrootjes. Wel een kwartier verhaalt hij over zijn heide- en pijpenstrootjesvogeltjes.

Waar de vogelaar vogelkenner wil wachten op het opnieuw zich vertonen van de roodborsttapuit, fietsen de bijna al een oude man en zijn vrouw met Fox naar verderop.
"Kijk! daarginds een auto... Daar midden in de pijpenstrootjes," wijst zij.
"Waar?" vraagt hij. En dan wijst zij nog eens: "Daar!"
Door voor de vijfde en vierde keer deze nazomerdag uit hun fietstassen gepakte veldkijkers - 7x50 en 20x50 - wordt de daarginder tussen pijpenstrootjes, daarginder in die verwegge pijpenstrootjes half verzonken auto een groene auto.
Nu weet de bijna al een oude man: "Het is een auto van Staatsbosbeheer. Zal wel van bekeurkneus zijn. Die staat daar zeker ergens met zìjn kijker te loeren of er mensen zich bevinden in Verboden Toegang-bordjesgebied."
"Ja maar, zo raar, ik zie geen boswachter. Waar kan die dan zijn?" vraagt zij.
"Ik heb geen idee, maar de pijpenstrootjes hier zijn veilig zo... Kom, laten we Fox uit z'n karretje, kan hij hier tijdje ravotten want mijn rug doet zeer."

Deze bijna al een oude man, hij gaat zitten op een aan padkant houten bankje met groot rond gat, gat alsof van een ouderwetse houten plee, in de zitplank ervan. Zijn vrouw zet zich naast hem, ook naast het ronde gat.
Fox rent wat in de rondte, snuft hier en daar en daar, pist tegen een gatkantpoot van het bankje, de voorpoot met groen plaatje van Staatsbosbeheer. En dan rolt hij zich duchtig door 't rulle padzand bezij 't grindfietspad.
Al vlug verveelt de bijna al een oude man en zijn vrouw het stilzitten op het bankje, wordt plaats gemaakt voor een ouder er moe maar gelukkig uitziend echtpaar, de fietstocht voortgezet.

De bijna al een oude man en zijn vrouw peddelen voort, richting Herbertusbos, en dan nog verder, langs boskant de dorpskom van Heeze toe. Ook hier onderweg nauwelijks wild en nauwelijks vogels te bekennen, alleen maar door de veldkijkers daarginder één ree, dichterbij een blauwe reiger, wat groepjes houtduiven en paar paartjes zwarte kraaien. Wel ook drie vliegtuigen - straaljagers met bommen en raketten - dicht bijeen voortjagend tussen de blonde wolken onder de blauwe hemelboog. En wel zien de bijna al een oude man en zijn vrouw paarden en pony's, die staan allemaal in de hete dag te staan, in hun groene prikkel- en stroomdraad omzoomde weiden. En hier staat een groepje mensen te keuvelen bij een ondiepe modderplas, geen modderplas voor Fox. En daar staat een jongen met een zwartharig meisje te kussen in geelgroen bermgras.

Nu gaat het over verharde weg. De bijna al een oude man en zijn vrouw kiezen de kortste weg dorpshart toe, maar daar krijgen ze spijt van, spijt van omdat het feest, omdat het cultuurfeest, omdat het negendaagse Brabantse cultuurfeestweek in Heeze is.
Is het feest in Heeze, dan de te smalle Heezer Dorpsstraat verstopt met auto's, de cafés, cafetaria's en restaurants overvol met hongerige en dorstige en lawaaiige mensen, zo ook de terrassen en terrasjes ervan overvol.

Niets aan te doen. De bijna al een oude man en zijn vrouw houden niet van cultuurfeest vieren waar in en bij pijpenstrootjes en kapot getimberjact bos door de jagers van Staatsbosbeheer en Stichting Brabants Landschap reeën en andere dieren heel onnodig worden kapotgeschoten.

Voorbij een in elkaar geflanst sober straattheater met tribune van trapsgewijs neergepote kale stoelen, op 't straatdeel voor de stoelen misschien straks in de avond al een cultuurtoneelvoorstelling, immers een voorstelling dan in een negendaagse Heezer cultuurfeestweek, gaat de fietstocht van de bijna al een oude man en zijn vrouw naar nog verderop, via snelste route richting het kasteel van Heeze.
"Die stoelen hier langs de straat zijn voor notabelen", meent de vrouw van de bijna al een oude man. En daarom, omdat zij dit zegt, ach toch! spuugt de bijna al een oude man op een stoelzitting in de voorste rij van de tribune, wat hem flink moppers en een heel boos gezicht oplevert, maar mag het een bijna al een oude man kwalijk genomen worden, dat hij met of zonder lage rugpijn grote hekel heeft aan notabelen van gemeente, jachthutten-en-hoogzitten-Staatsbosbeheer en idem Stichting Brabants Landschap?

De bijna al een oude man en zijn vrouw fietsen voorbij de lege plek waar tot voor kort een meer dan achthonderd jaar oude beuk troonde - de kleine blaadjes van deze oude beuk, zij vonden ze altijd zo heel mooi.
"Ze zeggen dan de oude beuk is omgewaaid, maar ze zeggen wel meer," moppert hij.
Zij wijst naar een blauwe reiger op kale slootkant, antwoordt "Zo mooi zijn spiegelbeeld in dit slootwater."

Hoewel Fox in zijn karretje al 'n tijdje zachies hinderlijk piepte, zijn de bijna al een oude man en zijn vrouw blij en tevree. Ze fietsen voorbij het stenen huisje op gene zijde van de kasteelgracht, het huisje waar Friese dikkop VVD'er Wiegel al enige jaren niet meer woont. Ze komen bij een beek, de visloze nu in hete nazomer wel met helder water maar haast droogstaande beek Sterkselse Aa, deze Aa hier voortkabbelend voorbij de Middeleeuwse ijskelder bij kasteel Heeze.
De beek in zijn beekdal, hij meandert lief en stil door de nazomer. Er toeven geen andere mensen in 't beekbos, ook niet op de beekoevers. Wel rommelt een gezinnetje roodborst door 't groen van bomen en struiken. De bijna al een oude man en zijn vrouw zien de vogeltjes soms even.
'n Roodborstlied krijgen ze niet te horen: een moe van jonkies grootbrengen papa roodborst zingt eind augustus niet meer zoals hij als vrijgezel zingt in lentetijd.
Slakken, schrijvertjes, waterspinnen, libellen, waterjuffers, pissebedden, vlinders, muggen en vliegen zijn beetje maar present op beekoever. Een allene rode regenworm kruipt over 't geel nat zand van de waterlijn.
Fox zijn karretje uit stort zich halsoverkop in de beek, is druk met pootjebaden, met stokken apporteren en laatst maar niet minst met het afsnuffelen van beide oevers. En terwijl zijn vrouw vanaf stomp van gecirkelzaagde boom geniet van Fox, bos en beek, gaat de bijna al een oude man langs beekkant scharrelen, en ook struinen door het Herbertusbos.
Nu vergeet hij weer zijn rugpijn, hij schopt zijn lompe klompen uit, hij doet ook zijn sokken uit, draagt klompen en sokken naar de overkant. Hij gaat eens kijken bij het monument Heezer IJskelder. Helaas voor hem, de ijskelder blijkt niet toegankelijk: een stevig ijzeren hekwerk blokt alle toegang. Maar gelukkig! in beekomgeving is er veel ander moois en interessants, ook door de zoeker van zijn camera. Na kleine kilometer omlopen terug bij vrouw en Fox, heeft hij zelfs foto's gemaakt van een in en aan knoeperd van een beukenstam bierdopjes in memoriam Toon.

Ree (1)

Fox Erpel, zie zijn genezen achterpoot, luiert op tweezitsbank, en voet van vrouw Een ree rent over kaalslag op de Lieropse en Strabrechtse pijpenstrootjesheide

Het is avond geworden. De vrouw van de bijna al een oude man en Fox bleven liever thuis. Zij zit op de tweezitsbank bij de televisie; Fox slaapt, droomt soms hardop, droomt zoals hij iedere avond dromen kan, fijn of akelig dromen kan, dromen heel dicht bij haar, het goede en lieve vrouwtje.

De bijna al een oude man fietst alleen door de avond, overnieuw over de grote stille Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide. De pijpenstrootjes, ze zijn ook bij avond zo mooi geel, geelwit, geelbruin en bruin van kleur. Deze miljoenen pijpenstrootjes, ze buigen beetje en ze zwaaien heen en weer, in dit deze augustusavond lieflijk warm windje.
Ja? nu is hij helemaal alleen op de grote en stille Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide? De auto van Staatsbosbeheer staat niet meer op zandweggetje geparkeerd. En wandelaars, fietsers of ruiters komt hij nergens tegen; ook komen geen wandelaars, fietsers of ruiters hem achterop.
Nee! hij is toch niet alleen op de pijpenstrootjesheide. Er zijn wat vogels druk: graspiepers rommelen in en op pijpenstrootjes; roodborsttapuiten tronen op en duiken in struikhei; zwarte kraaien vliegen en takken, telkens getwee en soms tevreden krassend, van en naar en op kale takken van kale bomen, soms zitten of landen deze in scheem'ring grifzwarte vogels in de groene toppen van gezonde jonge berken; van je wieche wieche wieche snelt een vlucht wilde eenden over; nog niet vergaste ganzen flappen lager en langzamer voorbij, en ook zijn er drie erg trage reigers, een nog trager dan de reigers buizerd plus drie flitsend snelle boomvalken in de lucht.
En wel zijn er weer de Kempische heideschapen, de Schotse hooglandrunderen, de Blonde d’Acquitaine koeien en de Black Angus koeien en de kleine Przewalskipaarden. En dan ziet hij ook, op hoog zandpad met ruimschoots uitkijk over een daarginder ven met rietzoom en biezen, twee jongemannen staan. Deze jongemannen, allebei in voornaam groenig vogelaarsuniform gestoken, staan om de beurt te turen door een zo'n halve meter lange telescoop op stevig statief.
Waarnaar turen deze jongemannen? Hij weet het niet; hij denkt dat ze wachten, kijken misschien al, naar op daarginder streep slordig kale venoever een kwak of roerdomp.

Maar wat is dit? Nu fietst 'n klaphekje gepasseerd deze bijna al een oude man over een vlakgrijze zandvlakte, over een kaal stuk door Staatsbosbeheer en Waterschap ontheide en ontboste Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide, over een uitgestrekt perceel van naaldbos, heide, berken en gagel ontdane Lieropse en Strabrechtse Pijpenstrootjesheide. Hij dwarst de kaalslag, hij fietst helemaal tot aan daarginds de afzetting van vijf hoog schrikstroomdraden. En verder nog fietst hij, over 'n door schapen, paarden en koevee hard en vlak getreden smal paadje naast de prikkeldraden, helemaal tot aan een rietveld toe, tot in zoom van dit rietveld toe fietst hij. Maar nu kan hij niet meer verder fietsen, moet hij lopen met fiets aan de hand, te voet gaan langs de schrikstroomdraden, want almaar drassiger wordt het paadje. Klompen uit, sokken uit, klompen weer aan waadt hij door 't water, lopen zijn klompen vol venwater. Al te gauw komt dit water tot halfweg de onderste schrikstroomdraad. Toch loopt hij verder, want hij weet: straks dit rietveld voorbij zal het terrein weer droger worden, kurkdroog zijn.

De bijna al een oude man is blij verrast wanneer een ree het rietveld uit sprint, langs de andere kant van de schrikstroomdraden daarginder een gespaard dennenbosje toesnelt. Net bijtijds kan hij werpschot plaatsen, één vlugge foto maken.

De aanhouder wint. Nu is de bijna al een oude man rietkraag en biezenveld gapasseerd, weet hij daarginds het zandpad. Water uit de klompen gegoten, bedjes van pijpenstrootjes in de klompen gemaakt en sokken weer aan, fietst hij vlug verder langs de schrikstroomdraden. Gauw al bereikt hij het zandpad, maar toch kan hij het pad niet op. De vijfhoog schrikstroomdraden zijn in de weg. En hij heeft van vroeger nare ondervinding met schrikstroom.
Hij heft zijn fiets, laat die weer zakken want een helse pijnscheut flitst door zijn linkeronderrug. Dat heeft hij al paar dagen, deze flitsende pijnscheuten in de rug. Deze felle pijn die hij voorbije hete zomers ook paar dagen lang goed voelde. Het is een scherpe pijn, een pijn die hij niet voelt als hij zit of staat, beetje maar voelt als hij fietst of langzaam loopt, een pijn die hij des te meer voelt als hij gaat zitten of op gaat staan van gezeten hebben. Het is een pijn die pas over zal gaan zodra het warme weer koeler weer wordt, de hete zomer zal zijn voorbijgegaan.
Voortgaan langs de langs 't pad schrikstroomdraden, tot waar hij driekwart kilometer verderop een klaphekje weet, doet hij liever niet, want te groot is de kans om dan een in auto bekeurkneus van Staatsbosbeheer tegen te komen. Daarom spiedt hij met zijn nachtkijker in de rondte. Reeds schemert het, maar gelukkig, ook door de kijker nergens een auto te bekennen, en nergens een mens te zien.

Deze bijna al een oude man, plotsklaps overvalt hem weer een flard herinnering, herinnert hij zich weer dat levensgevaarlijke schrikstroomgordijn langs dat van lengte kilometers mijnenveld, is daar weer eventjes die school die hij overleefde toen hij achttien, negentien, twintig jaar jong was: een flard herinnering aan der Fluss Oder en aan tanks en aan helikopters en aan meegaan met de Engelse soldaten, naar dat IJzeren Gordijn tussen toen het Oost en West. Nu hoort hij weer die geweerschoten in de nacht en dit schreeuwen en gillen van mensen daar aan de overkant.
Zo heel gauw was hij dit voorval toen vergeten, al vergeten zodra terug in het veilig Sennelager voor hem daar weer waren de schietbaan, de stormbaan, de sport, de herten, de wilde zwijnen, de Duitse soldatenmeiden en de kloten kroegen.

En nu zet de bijna al een oude man weer eens zijn tanden op elkaar, knijpt hij de ogen tot spleetjes, sist hij na meer dan veertig jaren overnieuw DO OR DIE, vat hij zijn zware, want gelijk hijzelf van net na in Europa de laatste grote oorlog, fiets op, tilt die in enen over de schrikstroomdraden. Bij het beetje maar onzacht landen van de fiets flitst een helse schicht door zijn rug. En nu doet hij zijn bosgroen hemd uit, drapeert het over de bovenste schrikstroomdraad, duwt, nee trekt deze draad krachtig naar benee, hij heft zijn rechterbeen hoog, hoger nog, en dan is hijzelf ook - vraag hem niet hoe precies, want dat weet hij niet - zonder schrikstroomschok te hebben gekregen over de vijf hoog draden gekomen, voelt hij nauwelijks nog die laatste felle pijnscheut door de rug, zijn ook alle nascheuten gauw weggeëbd, zijn daar dik uur later, voorbij reeën en vleermuizen in het vredig avonddonker, vrouw en Fox en pruimenpannenkoeken en koele witte moezelwijn.

zaterdag 29 augustus 2015

naar Facebook naar YouTube naar Twitter

naar de hoofdpagina van Bolsterturfs natuurnaar Recent van Bolsterturfnaar Stoekennaar Stoekiesnaar Landschapnaar Jachtnaar Bosboeven
naar Schoorsveldnaar Fotoshownaar Videonaar Bolsterturfs Facebooknaar Bolsterturfs Twitternaar Gedichtennaar Over (bolster)turf en Bolsterturf