naar Bolsterturfs natuur

Vlindertje naar muziek Gedichten op sneeuwwit

Ruben in bladhoop van Amerikaanse eik

Gedichten

naar de index van de Gedichten (1)  Vlag van Nederland  Vlag van Duitsland  Vlag van Engeland  Vlag van Frankrijk  naar de index van de Gedichten (2)

Herfstdag

De tuinders werkten in de bruine hoven,
De wereld was verlaten van gerucht
En het oneindig najaar spande erboven
De paarlen sfeer van een gelaten lucht.

Zo was het hier, zo moest het elders wezen:
Herfst, land en mensen in een stil verband,
Waarboven, in berusting uitgerezen,
Een overal gelijke hemel spant.

Wat dan te doen in grijs landschap, grijze luchten,
Uit de oudste dromen van de ziel gemaakt,
Wat met dit hart te doen, welks diepste zuchten
Al haast niet meer naar deze dingen haakt?

J. C. Bloem

=

Ballade

Wat baat het bloed dat nutteloos moest vloeien?
Wat baat het hart dat nutteloos verdort?
o laat mij in uw witste vuur vergloeien,
dat ik voor aarde en tijd onzichtbaar word.

Of laat mij zijn als deze vogels in de populieren,
hoog, zonder naam en onbemind,
maar wiegend op het lied der bergrivieren
en wiegend op den wind.

Want van het koningsbloed moet ik steeds zingen,
en van het roode hart van dezen eglantier,
en van de zon en 't vuur en van de spiegelingen
van zon en vuur op de rivier.

En van een vrouw die onder de violen
te slapen ligt in Godes schemering,
en van een man die immer maar moet dolen
door deze stralende herinnering:

Het zwellend lentewelven van haar leden,
het avondzoete huivren van haar schoot
en dan - de nachtenzware wanhoop der gebeden:
de witte Engel van den dood.

Ach, waar ik treed heeft koningsbloed gevloten;
de laatste paradijzen werden mij ontroofd.
Een vrome hand streelt dit deemoedig hoofd
dat eenzaam is en in zichzelf besloten.

Pieter G. Buckinx

=

Kleuterklas

De kleuterklas gaat in het herfstweer wandelen.
De blaren rillen aan de schrale boom.
En die het ziet, hij weet niet hoe te handelen,
van vroeger dromen of een toekomstdroom.

De kinderen - hij hoort hen zo schril zingen,
zo blij hartbrekend dat hij 't hart vasthoudt
bij de gedachte aan de veranderingen.
De blaren zijn zo bevend en zo oud.

De kinderen gaan de wereld tegemoet
en oude blaren dwarrelen voor hun voet.
Zij dringen, lachend schoppen zij ertegen.

Slepend wordt eenmaal ook de lichtste voet.
Op alle welkom volgt de afscheidsgroet
en in herfstmist schemeren de wegen.

Anthonie Donker

=

Dien avond en die rooze

'k Heb menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
- wie zal dit kwaad genezen? -
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, oschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ‘t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
't en ware ik 't al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u
dien avond - en - die rooze!

Guido Gezelle

=

De blâren vallen zacht...

De blâren vallen zacht...
Ik kan alleen betreuren,
Dat ik niet eens verwacht,
Wat eens nog kan gebeuren...
De blâren vallen zacht...

Willem Kloos

=

Vanavond toen ik naar het raam

Vanavond toen ik naar het raam
gevlucht was voor de lege kamer
die wrokte tegen je afwezigheid,
stroomde je warmte onverhoeds
en machtig door me heen.

Roerloos gelukkig leunden
de bomen tegen de hemel aan.
Er hing een stilte van
verzadiging over de aarde.

Toen vielen traag en plechtig
de eerste regendruppels
en uit mijn ogen sprongen
plotseling de tranen, warm
en verlossend als het water
dat Mozes uit de rotsen sloeg.

Hanny Michaelis

=

boom

al mijn armen zijn takken geworden
en mijn benen samen een stam
mijn voeten groeiden tot wortels
mijn huid is van hout en zeer brandbaar
ik kan niet meer uit de weg

ik ben de stem van de wind
ik sta stil en heel dicht bij het licht
ik sterf stilstaand en eindeloos pijnlijk
groots val ik om en sterf verder

Mischa de Vreede
(voor Roland Holst)

=

In de herfst

Hol en leeg van verlangen
en de gele amberen bomen
de groene en barnstenen stammen.

Het licht hangt stil in de blaren.

Mijn hart is te veel geopend,
te veel in het licht gevangen
in der wolken licht varen…
En pijndoend, schrijnend dromen
weg van mijzelf te komen
En eigenlijk zo wanhopend.

Maria Vasalis

=

een landweg vol plassen en hard zwart zand

een landweg vol plassen en hard zwart zand
oud ijs nog rottend in de sloten
het licht witter dan ooit
de horizon ver en ternauwernood
te onderscheiden
verwachting en verveling
vochten om overhand
en deelden het terrein
maar hoe sterk de verwachting
ze bleef binnen huid en schedel
want ook de angst hardvochtig
stelt voorschriften en wetten

Koos Schuur

=

Ik trek mijn jas uit en mijn woorden ook

Ik trek mijn jas uit en mijn woorden ook.
Ik spuug mijn stem in het glas op het nachtkastje.
De avond heeft de verkeerde kleur, denk ik
terwijl het bad volloopt met tomatensoep.

Door het beton hoor ik mijn stem hoesten.
"Gezondheid", probeer ik bijna.
Ik steek mijn schoenen in brand
zodat ze niet vertellen waar ze zijn geweest.

Hester van Beers

=

Elegie

Het jonge groen baadt in de middagzon
en alle vogels fluiten. 't Is bijna mei.

Het jaar ging als een zucht aan mij voorbij.
Ik heb geleefd, en niet geschreven.

Hoeveel gedroomd, gewonnen, weer verspild,
- en niets van wat ik alle dagen heb gewild.

Hans sleutelaar

=

Als

Als ze een landschap was

ze zou bewegen in de wind
stilte opzoeken
in het gegil van krekels
ze zou de zon om water vragen

wolken om genade
bladeren om een voetstap
de aarde om een vore
en een vlieg

ze zou het licht verschuiven
donker omschudden
vogels zouden stilstaan
als penselen in de lucht

En achter haar uitgestrekt
zou de stad blijven ademen

Gerry van der Linden

=

Een winterdag

Er stond een meisje met een heel klein handje
kruimels te strooien voor een mus of wat,
scherp oplettend wie al iets had gehad.
En de haaibaaien gaf ze dan een standje.

Het was een langgerekte monoloog.
De telkens weerkerende felle krijs
van soms een meeuw bracht haar niet van de wijs,
ze had die rustverstoorders scherp in het oog.

In het heelal hield zij de zaken bij.
Soms deed ze een paar passen. De sneeuw kraakte.
Met een schel stemmetje prees ze en laakte.
En met dat kleine handje voerde zij.

Han G. Hoekstra

=

Immervoort en nimmerpoos

Opgetoerd en stripbeloerd
fieber ik een inktselploert,
en brouw het fabelsoort
waaraan geen einder gloort,
want toefselwalm geeft luierroos.
Immervoort en nimmerpoos.

De fantadoos, die trillers boort,
Smiespert grollig maar gesmoord.
En ik fieber dan een lang morso
van doening en van vermiso,
Maar prutsel pal, want toef is voos.
Immervoort en nimmerpoos.

Marten Toonder

=

Humorloos Gedicht

Waar winter schaduw aanblaast op het lijf
verstijft de ademtocht tot kleine rook,
van wellust geel, de appels van het oog,
na-oogst van brakke hoop, beslaan met rijp.

O minnaars, door dit najaar ondermijnd
zijn wel geschraagd door zwart, waarachtig hout
maar staan als stammen, van hun kroon ontzet
met smalle handjes, spin- en bladernaakt

en loven, liefkozen en spelen wel en
wentelen en strelen, eindeloos verstekt
het tedere instinct, dat, winters al verpopt
verstopt, hergeven paradijs verbeidt:

maar ai, dat appeltje, getroond maar ongeplukt,
geluk? behouden aan de hoogste twijg, ge-
neigd tot eerste windvlaag het verrukt,
naar willekeur der zinnen, tot vergetelheid?

Fritzi ten Harmsen van der Beek

=

De verlaten tuin

Een enkel woord heeft mij den ouden tuin gewezen
Daar aan den stroom waar 'k jaren heb geleefd.
En met het oude land is ook het beeld gerezen
Van wie mij sinds verlaten heeft.

En denk weer aan ons eenzaam loopen,
Een elk verstrikt in eigen rouw,
En nimmer voor elkanders bijzijn open
Een somber man, een trieste vrouw.

't Vervallen smeedwerk uit vervlogen jaren
Trok onze aandacht door zijn schoone lijn.
Wat wij sinds lang verloren waren
Scheen in dien tuin gevlucht te zijn.

Wij zijn de paden langs getreden
Allengs ontkomen aan een wrangen tijd,
Wij vonden rozen uit een ver verleden
Het woekrend wilgenhout ten spijt.

Van d'oude woning restten slechts de puinen
- Geen handwerk is den tijd bestand. -
Maar 't oud geboomte hief zijn kruinen
Met koekoeksroep en zonnebrand.

Kortstondig hield ons dit verbond omgeven
Als nooit nog samen en bevrijd -
Nu bant ons elk een ander leven
Uit dezen tuin en dezen tijd.

Clara Eggink

=

Het meisje

Ben ik na jaren nog het kind gebleven
dat zich, door lente's toverlicht verblind,
liet vangen door de speelse voorjaarswind
als hoog boven haar hoofd de wolken dreven?

Ben ik nog steeds het argeloze kind
dat zich aan zon en wind kan overgeven?
Is het dezelfde band waarmee dit leven
mij aan een wereld vol geheimen bindt?

Weer laat ik de voorjaarswind mij vangen.
Weer dwaal ik als een kind door lente's land,
verblind van licht, met overbloosde wangen.

Maar 'k heb mijn onbevangenheid verpand -
diep in mij laait de vlam van het verlangen:
een vuur dat niet in kinderen ontbrandt.

Hanny Michaelis

=

Evacuatie der gekken

De zonderlingen waren voortgewandeld
de weg af van 't voormalig gekkenhuis,
in 't kregel landschap staande, per abuis
door 't krijgsgewoel genadiglijk behandeld.

Van het beschoten dorp, met de oleander
en gevelpieken tussen melig gruis,
was enkel het voormalig gekkenhuis
van bleke kleur en aanzien niet veranderd.

De groep, naar geest en lichaam krom,
zag zich opeens weerspiegeld in een water
en keek, als trage dieren, langzaam om.

Zo stonden zij, rondom een oude frater,
uitdrukkingloos 't gezicht, zo bang, zo stom,
bij de verwoesting, in de oorlogskrater.

Cola Debrot

=

Ophelia

Het diep-blauw water lag aan haren voet
Bewegingloos, en gaf haar beelt'nis weer,
En zij, zichzelve aanschouwend in het meer,
Leed dubb'le smarten in haar krank gemoed.

Vol weemoed wuift zij nog een laatsten groet
Aan de aard' die godd'lijk bloeide in 't lenteweer,
Dan bukte zij zich stil ter aarde neer
En koos zich bloemen, prijkende aan den vloed.

Toen gleed zij langzaam in de donk're baren,
Die wijd zich spreidden om haar leên te omknellen
En koest'rend haar verlokkend lichaam kusten;

Zacht zonk zij dieper, slechts de gouden haren
Dreven met bloemen boven op de wellen, -
Doodstil lag zij in 't vochtig graf te rusten.

Edward B. Koster

=

Onweer

De donder jaagt met knetterende zwepen
Een felle witte vogelstoet naar huis
Over de Schelde, maar ze talmen even,
Waar een vis uit het groezelig water stuift.

Twee meisjes roepen met klinkende stemmen,
Gelouterd en geschaduwd door het vuur;
Nooit zal ik ze na dit moment herkennen,
Deze profielen, angeliek en puur.

En groter gaat het wilde waaien heersen,
Het water wordt een zandwoestijn gelijk;
Een schorre vogel houdt niet op te krijsen,
Als 't lood der regens op de golven strijkt.

Hans Warren

=

Bladblazer

Mijn buurman heeft een bladblazer,
ik bomen.
Mijn buurman heeft een vrije dag,
ik nachtdienst.
De bladeren van mijn bomen houden
geen rekening met mijn buurman.
Mijn buurman niet met mij.

TeJo

=

Monument voor Bart Visse

Zij streelt piano
Pinkwuivend naar de afwezige,
Pedaalt de kamer vol
Met lichtgroen water
Voor Mozartvissen
Wieren van Debussy
En elektrieke lichtjes
Van Bart Visse
De eksentrieke komponist
Die zij persoonlijk kent.

Zij speelt zich naakt
En slikt zichzelve in
Maar duikt weer op
Bij elk hachelijk akkoord.
Schelle vissen knabbelen onderwijl
Haar knoetje los:
'Moet je niet doen,'
Zingt zij lacherig,
'Met onderwijs
Wordt hier niets bereikt.'

Zij was nog nooit zo jarig,
Zwemt naar het plafond,
Wieren aan haar tenen
Belletjes in haar mond
En nestelt zonder blozen
In de geschubde hand
Van 't spierwit opperwezen.

Bij wijze van versiering
Is zij vannacht tot engel uitgeroepen
Boven de laveloze lamp,
Wel wat verdierlijkt
Aan de ene kant
Doch een heel eenvoudig monument
Den onbekenden komponist
Die zij heel persoonlijk kent.

J. J. Klant

=

Het lied van Heer Halewyn

Heer Halewyn zong een liedekijn,
Al die dat hoorde wou bi hem zijn.

En dat vernam een koningskind,
Die was zoo schoon en zoo bemind.

Zi ging voor haren vader staen:
‘Och vader, mag ik naer Halewijn gaen?’

‘Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!‘

Zy ging voor hare moeder staen:
‘Och moeder, mag ik naer Halewyn gaen?’

‘Och neen, gy dochter, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!’

Zy ging voor hare zuster staen:
‘Och zuster, mag ik naer Halewyn gaen?’

‘Och neen, gy zuster, neen, gy niet:
Die derwaert gaen, en keeren niet!’

Zy ging voor haren broeder staen:
‘Och broeder, mag ik naer Halewyn gaen?’

‘’t Is my al eens, waer dat gy gaet,
Als gy uw eer maer wel bewaerd
En gy uw kroon naer rechten draegt!’

Toen is zy op haer kamer gegaen
En deed haer beste kleeren aen.

Wat deed zy aen haere lyve?
Een hemdeken fynder als zyde.

Wat deed zy aen? Haer schoon korslyf:
Van gouden banden stond het styf.

Wat deed zy aen? Haren rooden rok:
Van steke tot steke een gouden knop.

Wat deed zy aen? Haren keirle:
Van steke tot steke een peirle.

Wat deed zy aen haer schoon blond hair?
Een krone van goud en die woog zwaer.

Zy ging al in haer vaders stal
En koos daer ‘t besten ros van al.

Zy zette zich schrylings op het ros:
Al zingend en klingend reed zy doort bosch.

Als zy te midden ‘t bosch mogt zyn,
Daer vond zy myn heer Halewyn.

Hy bondt syn peerd aen eenen boom,
De joncvrouw was vol anxt en schroom.

‘Gegroet’, sei hy, ‘gy schoone maegd,
Gegroet’, sei hy, ‘bruyn oogen claer,
Comt, zit hier neer, onbindt u hair.’

Soo menich hair dat si onbondt,
Soo menich traentjen haer ontron.

Zy reden met malkander voort
En op de weg viel menig woord.

Zy kwamen al aen een galgenveld;
Daer hing zoo menig vrouwenbeeld.

Alsdan heeft hy tot haer gezeid:
‘Mits gy de schoonste maget zyt,
Zoo kiest uw dood! het is noch tyd.’

‘Wel, als ik dan hier kiezen zal,
Zoo kieze ik dan het zweerd voor al.

Maer trekt eerst uit uw opperst kleed.
Want maegdenbloed dat spreidt zoo breed,
Zoot u bespreide, het ware my leed.’

Eer dat zyn kleed getogen was,
Zyn hoofd lag voor zyn voeten ras;
Zyn tong nog deze woorden sprak:

‘Gaet ginder in het koren
En blaest daer op mynen horen,
Dat al myn vrienden het hooren!’

‘Al in het koren en gaen ik niet,
Op uwen horen en blaes ik niet..’

‘Gaet ginder onder de galge
En haelt daer een pot met zalve
En strykt dat aen myn rooden hals!’

‘Al onder de galge gaen ik niet,
Uw rooden hals en strijk ik niet,
Moordenaers raed en doen ik niet.’

Zy nam het hoofd al by het haer,
En waschtet in een bronne klaer.

Zy zette haer schrylings op het ros,
Al zingend en klingend reed zy doort bosch.

En als zy was ter halver baen,
Kwam Halewyns moeder daer gegaen:
‘Schoon maegd, zaegt gy myn zoon niet gaen?’

‘Uw zoon heer Halewyn is gaen jagen,
G’en ziet hem weer uw levens dagen.

Uw zoon heer Halewyn is dood
Ik heb zijn hoofd in mynen schoot
Van bloed is myne voorschoot rood.’

Toen ze aen haers vaders poorte kwam,
Zy blaesde den horen als een man.

En als de vader dit vernam,
‘t Verheugde hem dat zy weder kwam.

Daer wierd gehouden een banket,
Het hoofd werd op de tafel gezet.

?

=

Mijn moeder is een roodborstje

Mijn moeder is een roodborstje
zij wipt dikwijls even langs.
Op de borrelsteen pikt zij
wat in het groene mos. Ik
bespied haar vanachter
het gordijn en let op wie
haar kan bespringen.

Zij weet dat ik over haar waak.

Nu vliegt zij naar de bloempot.
Haar etensplek. De meesjes
kregen een andere plaats.
Eksters die snerpend kwetteren
klap ik met mijn handen weg.
Zij blijft rustig zitten.

Zij weet dat ik over haar waak.

Nog even, dan vliegt zij
naar mijn dochter in de grote stad.
Op haar balkon hipt het roodborstje
vrolijk rond en nipt van het voer.
Als dank fluit zij een lied.

"Mam, ze zingt als een nachtegaal, het
is (net) oma, die vroeger voor ons zong.
Als jij de rozenstruiken knipt rond
haar graf en ik bloemen neerleg op haar
steen is zij er ook altijd.

Je weet toch mam, dat zij over ons waakt."

Rim Sartori

=

Een rijk van dwangh en duurt niet langh

Als de most, te nau bedwongen,
Leyt en worstelt, leyt en sucht,
Sonder adem, sonder lucht,
Siet, dan doet hy vreemde sprongen;
Siet, dan riekt de gansche vloer
Nae de dampen van de moer:
Alle banden, alle duygen,
Die het vry, het edel nat
Hielden in het enge vat,
Moeten wijcken, moeten buygen
Voor de krachten van den wijn,
Hoe geweldigh datse zijn.

Als een Koningh vrye lieden,
Op een ongewonen voet,
Uyt een trotsen overmoet,
Al te vinnigh wil gebieden;
Daer en is geen twijfel aen,
Of ’t en moet’er qualick gaen.
Strenge Prinsen, harde Vorsten,
Die met al te nauwen bant
Drucken op het gansche lant,
Doen het al in stucken borsten;
Want een rijck van enckel dwangh
Duert gemeenlijck niet te langh.

Jacob Cats

=

Men moet

Men moet altijd enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,

maar men moet wel een beetje verloren zijn –
van het reddeloze soort –
anders zou men alleen maar gelukkig zijn,

toch moet men ook gelukkig zijn,
zo maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,

anders zou men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig
altijd.

Toon Tellegen

=

Narcis

Aan de boord ener beke
Zie ik leliën dromend staan,
Wijl golfjens om haar stengels
Schuimend gaan.

Een rei als van nymfen,
Die zich beuren uit de beek,
Een rei als van sneeuwwitte bruidjens
Zo kuis, zo bleek.

En in heur midden heft zich
Een enkele narcis,
die kwijnt op zijn stengelke
Van droevenis.

De leliën smachten van minne,
Voor die geluwe narcis;
Zij geuren haar zoetste geuren,
Zo zwoel...zo fris.

En de goedgele blomme nijgt zich
Steeds verder naar de vliet,
Tot hij in de zilvren spiegel
Zijn beeldtnis ziet.

Zo kou en zo kil in het water...
Zijn zoenen prangt
De bloem op het beeld, waar minnend
Hij over hangt.

En de leliën lispelen droeve,
Dat nog steeds met des jongelings lust
De bloeme zijne beeldtnis
Op 't water kust...

Louis Couperus

=

De nachtegalen

Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht,
't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

J. C. Bloem

=

Het zelfbedrog

wanneer men nooit sterft
altijd in de tuin zit
’s ochtends ’s avonds aan tafel aanschuift
gekscheert achter de deur in de gang
altijd de ereplaats bezet
nooit meer beeft nooit meer bang
dan heeft men pas verbijstering en bedwang
van de overlevenden beërft de dode
de mangel aan schaamte en tranen
hij die alles weigert en vergeet
is de ware puritein de geboren asceet
verstoken van wortels en grond
is het zijn verpozing alles te slopen
met het laatste gebaar de kus op de mond
met een foef koopt en verkoopt hij dat wat hij vond

Lucebert

=

muur om je heen

muur om je heen
als je je afvraagt
wat liefde is
ben je dan bang
om het antwoord te weten?

als je wil weten
wat het is
'houden van'
sloop dan de muur
om je hart, als je kan

als je wil weten
hoe het voelt
'thuis zijn bij elkaar'
laat dan je domme
koppigheid varen

maar zoek in je ziel
naar de kiem van je bestaan
daar kan je naar die ander gaan
en samen stalen strelen

AnneRose

=

Beginnend profeet

Hij zei het is soms bijna niet meer uit te maken
of ik een priester pelgrim of een pelikaan ben
zo moeilijk kan ik kiezen
tussen krijsen prediken en kwaken
en er is nog geen klank ontbrand
of de lamme monden de lede ogen
de buitenmate
vervlakte en vervloekte vaten
vullen zich met de nagalm
de malende kaken van de massa
maken mijn vuur tot walm
maar zei hij ook het is wel zeker
dat ik geen andere woorden heb
dan voor de liefde en ach (met een glimlach)
de liefde
ik heb er geen woorden voor.

Ellen Warmond

=

Koud landschap

Een late najaarsdag, sneeuw in de lucht,
belofte van veel sneeuw. Een lage wei
waar 't water blank om korte wilgen stond
tot aan de zwarte koppen. Vlokken vlogen
neer, neer, al sneller langs de naakte twijgen
en tegen 't witte water, wit en weg.
Zo, wit en weg, zo, schuinsaf door de takken
weinige, ruige vlokken op de vlucht,
als vagebonden in een winters bos
't spoor bijster.

Augusta Peaux

=

Polderlandse arkadia

Over het bij vlekken zongeplengde dak
hangt de beuk zijn loof van dieper rood
Raamkozijnen glimmen groen en vatten
terracotta bloemepotten
daarin geraniën groeien van het esmeralden blad
met doffe kring
naar meekraplakken bloemen
Op de dijkweide weidt zijn zwijnen
een zwijneweider wijl hij op een schelp gebrande aarde
okarino speelt
De klanken wuiven licht zo wuiven ook de beukeblâren
alsof zij in hun wuiven roerloos waren
Wie met een luit in het hart door 't land gaat
en in het water van zijn ogen stuwt het worden van een zang
perst hij niet op zijn lippen uw-Amarillis-schone naam

Paul van Ostaijen

=

Slaap en dood

Twee broeders heersen over 't wereldrond;
't Zijn Slaap en Dood, de zonen van de nacht;
De een droomrig schoon, met trekken vriendlijk zacht
En de ander somber; nooit verried zijn mond
't Geheim, dat zelfs de broeder niet doorgrondt,
Hem 't meest gelijk in wezen en in macht.
En de een spreekt 's morgens: "Frisse lust en kracht
Schonk ik wat leeft. Maar broeder, doe mij kond,
Wat gij, gevreesd door heel de schepping doet?
'k Heb in de schemering uw vlucht bespied,
Tot ik u zag verdwijnen bij de vloed
Aan 's werelds eind, de zoom van mijn gebied;
Welk land voert gij uw kindren te gemoet?" -
Maar de ander luistert stil en antwoordt niet.

Frederik Leonardus Hemkes

=

De bie en de roos

Een bietje vloog een roosje toe:
‘Lief bloemtje, kijk eens: blij te moe
Snel ik naar u op lichte vlerk,
Opdat ik aan mijn honig werk.’

‘Wees welkom, bietje, sprak de bloem;
Uw vlijt verdient, dat elk haar roem’.
Put uit mijn schoot al wat ge kunt:
Het is van harte u vergund.’

En zie, voor 't einde van de dag
Viel 't roosje neer; maar, als 't daar lag,
Herdacht het stil de honigschat,
Eens in haar geurge schoot bevat,
Die mogelijk in ziekte en pijn
De mens tot laafnis zoude zijn.

Prudens van Duyse

=

Een duinpan

Een duinpan was onze bedding.
Daar had het glimmende helm
geklapwiegd, ons in slaap gesust.
Daar werden wij wakker, wreven
het zand uit de ogen, zagen
een vogel hoog boven ons bidden,
wisten ons prooi van wat dwingt.

In de verte morde de donder.
Een komen en gaan van krijsende
meeuwen. Een hond sloeg aan. De
auto's op de snelweg raasden.
Niets werd gestild.

En door de regen terug naar
huis. Verdreven. De kust
was onveilig geworden.

Neeltje Maria Min

=

Le pont de Caulaincourt

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het vergaan verleden
stuwt en stijgt het hijgend heden,
boven het gefluisterd Amen,
vlamt de pakkende reclame,
boven 't somber R.I.P.
waarschuwt luid: ‘Si vous toussez....’

't Leven spreidt zijn vleugels wijd
boven dood en eeuwigheid,
spant in vergetrokken togen
zijn versteende brede bogen
tot een veld van koorts'ge strijd;
tussen plecht'ge marmerzerken
zuilen zwaar de zwarte werken,
die het volle leven dragen,
over doden heengeslagen.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het Memento Mori
juicht de dag in volle glorie,
tussen zware wagenvrachten
jagen mensen, joelen, jachten,
snorren taxis, toet'ren, tett'ren,
zoemen stemmen, schreeuwen, schett'ren,
logge camions dond'ren, bonken,
monden lachen, ogen lonken,
wielen went'len, knarsen, kreunen,
autobussen dav'ren, dreunen;
in één jacht, één drift gedreven
bruist en kookt het lillend leven;
in de branding opgenomen
van één stroom en tegenstromen
van een durend af en aan
blijft de drom van mensen gaan.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven weidse sepulturen
slaat de zweepslag van de uren,
boven vroom geknielde liên,
walmt de wierook - de benzien!

O, de dood is zoet in 't g'loven
aan 't bestaan van een: hierboven,
want een ‘boven’ is gegeven,
want hierboven is het leven
vol mysterie, heil en hoop
in 'de grootste' bioscoop,
die, als eind'lijk nacht gaat dekken,
nog de doden tracht te wekken
met zijn kleurdoorvonkte banen
van elektrische reclame,
vol van zon en duizend sterren:
‘Changement de Propriétaire!’

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven heil'ge eeuwigheid
lalt en bralt de nieuwe tijd,
strijdt en stuwt het kermend heden,
met zijn vloek en zijn gebeden,
met, als laatste elegie:
‘L'au-delà?’ - ‘Oui, mais Ribby....!’

Dop Bles

=

Schuil maar veilig

Schuil maar veilig als de stormwind
woest je levensschip bedreigt.
Vlucht naar Mij als ’t wilde water
tot de wank’le reling stijgt.
Ik bescherm je met Mijn schaduw
in de diepten van de nacht.
Je mag rusten als de dag jou
niets dan angsten heeft gebracht!

Bid maar innig als je scheepje
in de dichte mist verdwaalt,
nergens licht valt te ontwaren
en de avond langzaam daalt.
Richt je blik dan naar de hemel,
naar de schaduw van Mijn hand
en Ik leid je door de golven
veilig naar de overkant!

Roep maar kind, wanneer de vrees jou
in het duister overspoelt
en de zee met haar gevaren
om je scheepje ziedend woelt.
Laat Mijn almacht je omringen,
dan breng Ik je veilig thuis
door de schaduw van Mijn handen
naar de kust, het vaderhuis!

Frits Deubel

=

Rood

Later dan, als ze me vraagt,
wie is nu toch die vrouw
(ze heeft het over jou)
die je zo in je hart draagt.
Dan zeg ik, ieder leeft in perioden,
en zij, dat was mijn rode.

Diep rode passie, die ons heeft verslind,
Liefde die ons voortstuwde en deed zweven
Wachtend op groen om eindelijk door te gaan met leven
Rood bloedend hart dat niet genoeg werd bemind.

En dan verzin ik voor haar een kleinigheid,
als ze wil weten wat voor kleur zij heeft.
Blauw, schat, zoals je ogen, of nee, groen van al wat leeft.
En denk ik in mezelf: welke kleur heeft spijt?

P. Forret

=

De oude naaister

Zij, die de nauwe kronkelstraat bewonen,
Zien dag aan dag haar oud gezicht voor ’t raam.
Een lachje komt haar grauw gelaat verschoonen,
Roept men, een hartelijken groet, haar naam.

Haar naam! O hoeveel oude en jonge monden
Hebben hem lief of achteloos gezegd,
Aan hem gedacht, of, heugenis van zonden,
Ter vliering des vergeten weggelegd.

Wat is zij oud! het zenuwachtig beven
Der vingers doet de naald al trager gaan,
Zoo heeft zij eens gesidderd voor het leven,
En siddert nòg, en wéét zich eenzaam

En bitter is haar denken als het geuren
Van de geraniums voor ’t heldre glas,
Die trotsch hun felle roode bloemen beuren,
Alsof het licht alleen hùn erfdeel was.

En zij gedenkt: zij groeide steeds in ’t duister.
Wanneer de lente over de aarde scheen,
Benijdde zij elk meisje lach en luister,
Die liefde lokte en won …. zij bleef alleen.

Zij wist van liefde slechts wat and’ren praatten,
Wat boeken zeggen (en zij vond het mooi)
En hunkerde …. en haar gedachten haatten,
Wanneer zij naaide aan luchtgen bruiloftstooi.

Ach, zij mocht helpen anderen te cieren,
Met pronk te smukken liefdes heiligdom.
Wanneer zou zij heur èigen hoogtijd vieren?
Zich tooien voor heur laten bruidegom?

Zij naaide en wist heur wassen wangen welken,
In ieders oogen las ze medelij,
Als men haar plaagde of, als om haar te helpen,
Vriendljke woorden van haar goedheid zei.

Want zij wàs goed; alleen haar arme leven
Verging zoo schuchter, dat het niemand zag.
En zij dorst zich niet zalig overgeven
In liefdes weelgen vollen zonnedag.

Maar in – den avond stond ze stil te droomen
In ’t hofje, al wachtend, of haar niemand nam.
Ze zag de jongens met hun meisjes komen,
Maar geen die vragend tot heur vragen kwam.

Dan neeg de nacht, en haar verschroeide oogen
Zagen vervaard zijn grondloos duister in.
Zij wòu niet weenen, en met onbewogen
Gelaat droeg zij haar leed dags luister in.

En ’t leven ging, en nam heur jonge krachten.
Zij naaide haar vriendinnen ’t bruiloftskleed,
En zachte kinderkleertjes, zonder klachten
Schikte ze ook hen de doodenwâ gereed.

Nu draagt ze moe den last der lange jaren,
En hunkert naar den diepen laatsten rust.
Doods hand zal goedig langs haar oogen waren,
Hij is de eerste minnaar die haar kust.

Zij zal hem in heur witte wade ontvangen,
Heur witte haar rondom het hoofd als krans
De smalle handen (moede van verlangen
Gevouwen), in doorschijnend witten glans,

(En heur gedachten zijn als ’t bitter geuren
Van de geraniums in ’t zonnelicht)
Hij zal haar mond zijn lippen waardig keuren,
En kussen lachend haar moede oogen dicht.

Maar nòg niet, nòg, die om haar henen wonen
Zien dag op dag haar oud gezicht voor ’t raam.
En zien haar oud gezicht berustend schoon en
Zij noemen troostend haren ouden naam.

Willem de Mérode

=

Ik ben een arme man

Ik ben een arme man
en ik verdien
mijn dagelijks brood
in schande.

Ik haal
dat is mij opgedragen
met emmers
water uit de regenput
en voel mij schuldig
omdat ik modder
op de bodem zie.
En zo begint de dag
nog voor het kwaad ontwaakt is.

Een hand voor mij
is witter dan een bloem
en het is waar dat woorden
mij vreesachtig maken.

Ik leef zo.
Ik ben zo.

Mijn dag verstrijkt
in regelmaat van schande.
Ik ben een arme man
en alle leven doet mij zeer.

Jan Arends

=

Altijd lente in de ogen van

Voor bakvissen is hij een zegen (want
fietsen moet je leren), de prille lentejongens
aangespoeld met het opgewarmde getij.
Zeezout parelt op hun adonislijven.

Koningen van de zuidelijke windstreken
heten ze en weten ieder seizoen
het vissersdorp voor zich in te
nemen. Ze spreken in een onbegrijpelijke

taal, maar hun bedoelingen zijn
universeel. Hun blikken spreken
boekdelen, de hand onder de gordel
blijft galant, ook al smaakt de buit

naar gure mosselstreken. Het zijn versiertrucs
van de hoogste plank, na de nacht
wist hij alle sporen om de beeldvorming
niet te verstoren. In badplaatsen kennen ze

hem als Juan of Julio, de boulevard
is zijn renbaan. Thuis treft hij enkel
sleur aan, een vrouw en een schildpad
en een hoop verrotte lijken in de kast.

Jolies Heij

=

Het hoekhuis

de ochtend was nog jong en stil
straten lagen er nog verlaten bij
de telefoon maakte een einde aan de rust

het was amper vijf minuten rijden
de motor zoemde zacht
in het wit gestoken staarde ik vol met gedachten naar buiten

het huis stond op de hoek
de in blauw gestoken mannen knikten bedroefd
een hoofdknik gericht op de open deur

ik mocht eerst, ik was groot
de trap was stijl en gebogen
aan de leuning kleefde bloed

daar lag zij naast haar bed gemept
haar hoofd onherkenbaar verminkt
het bloemetjes behang met rode vegen besmuikt

het laken gespreid, de riemen vast
de trap was steiler dan ik had gedacht
de straat was stil, een klep valt dicht

de motor zoemt, het hoekhuis verdwijnt
ik kijk naar buiten, en zie niet het bloed op mijn wit

Hielke Houtsma

=

Quando ver venit meum

Nimmermeer. Er is geen weerkomst van een eens gemist getij.
Iedere dag is als de vorige onherroepelijk voorbij.

Altijd zullen lenten keeren, altijd zullen herfsten gaan.
Tusschen ongeborenen en dooden flitst het veeg bestaan.

En wat blijft den machteloozen tusschen straks en nu en toen?
't Onaanvaardbare te aanvaarden en het zwijgen ertoe doen.

J. C. Bloem

=

Verloren

Ik lees een boek, ik schrijf een brief,
Ik kom bij jou, wij praten.
Die dingen zijn mij even lief;
Ik kan ze ook wel laten.

Het voorjaar buiten is altijd zoel,
Maar niet dat wilde wonder
Toen ik weg wou gaan, alleen en koel;
Nu kan ik ook wel zonder.

Ik meende aan 't strand te zijn geboren,
Mijn huis te hebben in het duin.
Dat alles is al lang verloren,
Nu voer ik meeuwen in mijn tuin.

Clara Eggink

=

Zomer

Ik zat waar zon op 't warme water scheen
En gele bloemen bloeiden aan de kant;
Het grazend vee ging door de weiden heen,
De zomerlucht hing walmend over 't land.

De wilgen waren zilverbleek en stil
Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

De schuwe vissen, in 't koeldonker diep,
Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
Waar d'aarde zich, in beeld, nog schoner schiep,
Dromend de zomerdroom van eigen pracht.

En over 't hooiland, waar een wagen stond
Met vers-groen gras te geuren in de zon,
En verder waar het drachtig korenblond
Met brede golving boog ten horizon,

Tot waar een scheem'rend bos zich flauw verhief,
De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
Uw schone ziel verlangend tegemoet.

Frans Bastiaanse

=

Nachtelijke overval

Ik had op de bodem mijns harten
Een graf voor mijn liefde gemaakt.
Ik had voor mijn dwaze gedachten
Het graf van mij dode bewaakt.

O droom, die ik heden droomde,
Wat hebt gij mij nú gedaan?
Gij liet de gedachten binnen,
Die nooit mochten binnengaan!

Gedachten, o valse gedachten!
Toen zijt gij verraderlijk zacht
In ’t duister naar binnen geslopen,
Gelijk een dief in de nacht!

Ik sliep; en toen ik ontwaakte,
Hoe breng ik mijn hart weer tot rust!
Toen hadden die stoute gedachten
Mijn liefde wakker gekust.

Jacqueline E. van der Waals

=

Dryade

Ik heb de linde heilig doen verklaren,
die ik gedurig voor een vrouw aanzie.
Ver genoeg weg wordt het verschil nihil:
de stam het lichaam, klederen de blaren
en goud haar de bloesem bovendien.

Liet zich het juiste ogenblik uitsparen
van de verandering, dan zou ik zien
hoe zij tot stand komt uit haar effigie
en dat fotograferen en bewaren.

Daarvan een film opnemen, het proces
was dan hanteerbaar, ik kon eigenmachtig
bedoelde phase zoveel widescreen geven,

dat zij spontaan de boom ging overleven,
de schijn ontsnapte en zichzelf deelachtig,
mij tegemoet liep uit die blinde bres.

Gerrit Achterberg

=

Aangename herinnering

'k Ben tegenwoordig bij mij zelf. - Ik zit alleen:
Daar 't schoonste veldtapijt gespreid ligt voor mijne ogen;
Daar 't kabblend beekje ruist; daar vurige gebeên
Zo menigmaal, God lof! mijn harte en mond ontvlogen;

Daar bloempje en grasje juicht en op zijn Schepper wijst,
Daar ik het miertje aanzag en 's Makers grootheid voelde
Daar 't alles eensgezind de goede Vader prijst,
Die 't heil van engel, mens en worm in 't stof bedoelde.

'k Ben tegenwoordig bij mij zelf. Ik zit alleen,
En zie rondom, op God - op mensen. - Zaligheden
U voel ik, arme in 't stof, in 't donkre hier beneên! -
Mijn vrienden helpen mij, zij letten op mijn treden.

Zij wenen voor - ik volg, mijn harte wordt geroerd!
Zij bidden - en ik bid! hun juichstem laat zich horen.
Ik zing al staamlend na - en word mij zelf ontvoerd!
God kende mij! - hij heeft mij vrienden uitgekoren! -

Mijn ziel blijft eeuwiglijk gebonden aan hun ziel,
Dit denkbeeld zal mij, zelfs in leed, tot danken wekken.
En, zo ik door de dood al uit hunne armen viel!
God leeft! der vrinden vrind, zal hun ten vrind verstrekken.

Margriet van Essen

=

Onweer in het moeras

Naast het vlakke gladde meer
blauw en roze als een maansteen
staat het rechte bosch van riet,
elke halm een groene speer,
elke speer staat slank alleen
met een dun vernis van licht.
Licht en schaduw bewegen niet.

In de hemel hangen zware
violet gekleurde wolken.
Niets verraadt de gele schare
vogels, die het riet bevolken.

Dan splijt met een verblindend licht
de hemel open en slaat dicht
met een donderende slag ...
Als in een donkre smederij
spatten uit het rieten bosch
vonkenregens vogels los
een zwerm van duizend vurige vlerken
stuift geel omhoog in 't sombere zwerk en
een ziedend hoog gezang breekt vrij.

Mijn hart werd plotsling wit en heet,
't was of ik zelf werd omgesmeed.
Ik heb het angstig ondergaan
ik kwam er sterk en nieuw vandaan.

Maria Vasalis

=

Maanlicht

Geklommen was de maan naar boven,
Had wolken stil uiteengeschoven,
Uit sneeuwengrot leek zij te turen,
En zilversneeuw in 't rond te sturen.

't Was of de warme zomeraarde
Het koelend zilver gretig gaarde;
Al meer en meer had ze opgevangen,
Tot al het zilver was omvangen.

Een koel, blank kleed dat verre strekte
En velden wijd en weien dekte;
Blanktrossige bomen daar geheven
Leken in zilvermeer te leven.

Zilver was 't al. De duinen lagen,
Als reuzen door de slaap verslagen,
In glimmend pantser breed ter neder.
Een zeemeeuw sloeg de zilverveder,

Dreef door het zilver van de heemlen,
En bleekte weg in 't zilverscheemlen
Boven de zee van licht doorglommen,
Waar kleine slaaprige golfjes zwommen.

Marie Boddaert

=

Eendjes voeren

De laatste tijd had mams een manie
van maar naar het park te gaan.
Elke middag trok mijn mammie
mij m'n warmste kleertjes aan.
Want, zei mammie, in de winter
geven wij de eendjes brood.
Anders gaan die lieve eendjes
allemaal van honger dood.

Onderweg liep zij steeds vlugger,
ik hield haar maar met moeite bij.
Ik kwam in het park buiten adem,
maar mama was opgelucht en blij.
Ze gaf mij het plastic zakje,
waar het eendebrood in zat.
En dan liep ik naar het wak toe,
terwijl mammie op het bankje zat.

Terwijl ik de eendjes brood moest voeren,
praatte zij met een meneer.
Die meneer was blijkbaar grappig
en hij was er telkens weer,
net als de zwaan en bij het voeren
stond dat beest altijd vooraan.
Vaak begon hij kwaad te blazen,
ook al had ik niks gedaan.

Eénmaal heeft de zwaan gebeten,
m'n handje deed toen wel erg zeer.
Ik hoorde mams juist schaterlachen
om die grappige meneer.
Toen moest ik nog veel harder huilen,
maar mammie had geen oog voor mij.
Terwijl ik naar het bankje holde,
maakte mams haar handen vrij.

Die meneer heet nou Oom Stefan
en we wonen in zijn huis.
Soms voel ik me heel verdrietig,
maar we blijven 's middags thuis.
Zondagsmiddags komt m'n pappie
die wil met mij naar het park toegaan.
En dan durf ik niet te zeggen,
dat ik bang ben voor de zwaan.

Hans Dorrestijn

=

Lenteliedje

Daar zweeft de lieve Lente weer
Bezielend door de dreven;
Zij daalt als uit de hemel neer
En roept weer de aard ten leven;
Zij tooit alom de dorre baan
Met bloemen en met kruiden,
En waait van uit het zuiden
Ons zoete geuren aan.

"Daar komt de lieve Lente weer!"
Zo juichen veld en akker;
Ze is gul en vriendelijk als weleer
En zingt de vooglen wakker.
De Lente is daar! de liefde kweelt!
De schepping lacht ons tegen!
De hemel drupt van zegen,
Die hart en zinnen streelt!

Daar zweeft de lieve Lente weer
Bezielend door de dreven;
Het zaad viel om te sterven neer,
Riep zij het niet in leven.
Zij strooit de bloesems op 't geboomt,
Zij kust de knoppen open...
En doet weer vaster hopen
Waar stil de ziel van droomt.

G. H. J. E. Boswel

=

Geboorte

Reeds was in haar het afscheidnemen
Begonnen tusschen haar hart en het kind,
Misschien zou ze in ’t licht als een vreemde
Aanschouwen, die ze in ’t donker had bemind.
Zij dacht aan het wonder, dat ze open
Zou wezen en wijd voor leven en dood.
Zij bewoog zich niet meer; maar haar hopen
Op het kind en God was één en was groot.
Later; haar handen nat van tranen
Verhieven zich met zooveel majesteit
Als engelen, naar het kind gaande
Dat aan hun witte vleugelen had geschreid.

Willem de Mérode

=

reeën

ik vroeg of je nog van me hield
en je zweeg lange tijd
tot je 'kijk', zei, 'beneden'

daar stonden in langzaam
en laaghangend licht
twee reeën een ogenblik stil,
toen vluchtten zij snel en gewichtloos
het struikgewas in

hier en daar werden bladeren geel
dat was wat je daarna zou zeggen
'september, de herfst komt er aan'

Miriam Van hee

=

Vrede

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en 'vrede' knarsend, 'vrede, vrede'.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillend in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door het huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Leo Vroman

=

Februari

De berken staan grauwwit
als dunne aspergeachtige damesbenen
voor het eerst zonder nylons.
Het kreupelhout schuurt knisperig
als een huig-r langs onze kleren;
het kreupelhout waaraan als nevel
de sluiers van door en door luchtig geklede
voor te lompe liefde voortvluchtige,
altijd een beetje te licht lachende minnaressen
zijn blijven hangen.

Het is niet meteen duidelijk of we mekaar
zo stevig vastpakken uit kou of uit liefde
maar misschien is dat hetzelfde.
Want koud is het hier
als in een soort kathedraal, het soort,
diepvriesreligie dat 2000 jaar lang Christus
koel heeft bewaard. En de zon schijnt
als het lichtje in een koelkast.

En de mist 's avonds lijkt op het soort vaagheid
dat ontstaat in het hoofd van een seniele god
die niets meer, laat staan een landschap,
kan onthouden. Kijk maar waar ie nou weer
Leuven anno 1975 heeft verloren gelegd.

Herman de Coninck

=

Windliedjie

Waar slaap my liefde, my liefde vannag
sterre wat wieg in die denne en winde
sterre wat wieg en sterre wat wag
waar slaap my liefde, my liefde vannag?

Denneboom donker, rooipad en naglied,
naglied van diere en duistere winde
Waar slaap my liefde, wie stil sy verdriet
en sal ek my liefde, my liefde weer vinde?

Winterwind, lei my deur bittere nagte
tot uit die duister ek saggies kan staar
hoedat hy sluimer, en sluimerend my smarte
eindelik diep in my hart laat bedaar!

Ingrid Jonker

=

Sponsae aeternae

Ik weet dat gij mij nog verschijnen zult,
Zo zeker als de bloemen wederkomen:
Der dingen dove dek hebt gij genomen,
Het donkre leven dat de steden vult,

De winterwind die klaagt door dorre bomen,
Ten sluier die uw eeuwge glimlach hult...
Ik zou gelukkig zijn, als slechts geduld
De slaap kon vinden om van u te dromen.

Een prins, te vroeg ontwaakt in wintermorgen,
Dwaalt als een vreemde door zijn kille huis
Tussen de trage slaven die bezorgen
Huns here dag met onbeheerd gedruis, -

Zo moet ik waken tot gij wederkomt
En u nog eens in mensenaanschijn momt.

P. C. Boutens

=

Sneeuwbui

Het nieuwe jaar begint met zachte vlokken
die zachtjes dalen en onwillig landen.
Het aarden wordt hun dooi, of ze zich branden
aan warme aardkorst, hete huizenblokken.

De aarde drinkt de sneeuw met grote slokken
en raakt verkild tot in haar ingewanden.
De vlokken winnen door hun massa. Wanden
van groen worden van spikkelwit doortrokken.

De grondverf dekt. Dimensies dijen uit.
En kijk, daar is de kerstkaart, rijstepap.
Een hond danst lachend - met een wolvensnuit
door zindelijk wit Hollands poollandschap.

Een Alptraum van één dag. De witte bruid
lost zachtjes schreiend op in grijze drab.

Patty Scholten

=

Verordening

Neem u in acht: daar is de Winter weer,
de naakte boom, de vogel zonder eten,
de noodklok aan het toegevroren veer,
de grauwe waakhond bibbrend aan zijn keten.

Spreek in uw linnenkast het breigoed aan,
bevecht met aspirien den greep van 't Noorden,
want wee u, 't ergste komt nog achteraan:
een bundel van Urbanus van de Voorde.

Richard Minne

=

Het edele leven

Mijn leven is een lichte boot,
Die over diepe waters vaart -
De kiel is klein, de blik is groot,
Die om den einder waart.

Door 't blijde en het bleeke licht
Van 's levens vreugd en 's levens leed,
Richt ik haar steven naar den plicht,
Dien de bewuste weet.

Schoon is de vreemde spiegel, die
Mij draagt en wiegt, waarin ik bei:
Den hemel en den bodem zie -
Ik zie in beide mij.

En door dien wijden spiegel ijlt
De schoonheid immer met mij mee,
Haar kring van blanke beelden zeilt
Nevens mij door de zee.

En als mijn hand te water gaat
En 'k spelend aan dien spiegel kom,
Is 't of zij parels achterlaat -
Ik zie niet naar hen om.

En telkens vliedt tot aan de kim
Uit mijne hand een levend lied -
Achter mij volgt de stille schim
Van 't leed, dat niemand ziet.

En beeld en leed en lach verdwijnt,
En dwerelt als het schuim mij na -
Tot in een glimlach aan het eind
Ik met hen onderga.

Carel Steven Adema van Scheltema

=

God rolt de zonnen door zijn handen…

God rolt de zonnen door zijn handen
zoals de boer het zaad.
De ruimte kent geen randen
en eindloos staat
de sterrentuin te branden.

Als dauwdrop aan der aarde bloeme’
weerspiegel ik het al.
Ik hoor de sferen zoemen
Gans 't sterrendal
probeert Uw naam te noemen.

't Geheim blijft tot de nacht behoren,
waarin ik ben ontstaan,
tot, opgeslorpt, in schijn verloren
in 't licht vergaan
in U ik word herboren!

Felix Timmermans

=

'k Ben eenzaam droef

'k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teer avond-dalen...
Door 't open venster hoor 'k de donzen val
van klamme bloemen in kristallen schalen...

- En 'k weet niet of ik haar beminnen zal,
in 't stil en licht bewegen harer leden,
en hare goedheid in mijn vreemd bestaan...

'k Ben droef, en 'k hoor haar stille voeten gaan,
en haar zacht neuren, in de tuin, beneden.

Karel van de Woestijne

=

Bij het lijkje van een kind

't Kruipend rupsje, moe gekropen,
Afgetobd in de enge cel,
Brak zijn kluisje fladdrend open,
Klapwiekte uit zijn dorre schel.

Zie, daar wiegt het, zie, daar zweeft het,
Aardse damp en druk ontvlucht;
Hoger vliegt het, hoger leeft het,
Zat gespeeld in lager lucht.

Voedster, droog de natte wangen,
Tuur niet op de dode pop,
Blijf niet aan het webje hangen:
't Vlindertje is niet weer te vangen:
's Hemels englen vingen 't op.

Henricus Franciscus (Caroluszoon) Tollens

=

Weet gij?

"Numquid nosti semitas nubium?"

Weet gij waar de wind geboren,
waar de dauw geboren wordt?
Weet gij kunstig op te sporen
wat hierbij, hierboven is?

Weet gij wat de sterren zijn, en
wat de zon, de mane? Wat
in de bergen, in de mijnen
ligt, en in de zee bevat?

Weet gij iets klaar uit te leggen
van al ‘t geen me u vragen kan?
Antwoordt dan en wilt mij zeggen:
Dichten... wat is dichten dan?

Guido Gezelle

=

Het minnen is een zeldzaam spel

Het minnen is een zeldzaam spel,
Het brengt de mensen in gekwel,
het is een los en loze vond',
het is een wezen zonder grond.

Al wat men aan de vrijers raadt
dat dunkt de jonkers enkel kwaad,
doch wat hun afgeraden werd
daarhenen wil hun grillig hert.

En wat men zo een linker biedt,
dat wil hij toch zijn leven niet;
en wat hem niet gebeuren mag,
daar haakt hij naar de ganse dag.

Roept iemand zo'n verliefde kwant,
gewis die wijkt hem van de hand,
en schoon hem iemand henen zendt,
hij is straks weder daar omtrent.

In 't korte, 't is een vreemde pijn
in Venus' hof verdoold te zijn.

Jacob Cats

=

Wiegeliedje voor de geliefde

Dat trage zich toevouwen je oogleden,
te dragen het loom fluweel van onze nacht.
Onze dag is geweest als bange blanke vazen, die waren blij
de bloemen van ons liefdespel te scharen rei aan rei.
Nu zal je slapen, mijn teergeliefde kind,
want morgen moet je de ogen openen: 'n zeer fris blad dat beeft in morgenwind.
Nu zal je slapen, mijn zachte kind, in de kuil van je haren;
straks is het dag, dan moeten wij weer tuilen lezen gaan
Morgen zal er uit het Oosten 'n koning komen,
met nieuwe bruidskleren voor ons beiden;
hem zullen wij, arm in arm, als kinderen in het woud, verbeiden.
Knijp nu je ogen dicht, mijn luie luipaard
en strek je heupen naar je lust. Ach du... du.

Paul van Ostaijen

=

Holland

Grauw is uw hemel en stormig uw strand,
Naakt zijn uw duinen en effen uw velden,
U schiep natuur met een stiefmoeders hand, –
Toch heb ik innig u lief, o mijn Land!

Al wat gij zijt, is der Vaderen werk;
Uit een moeras wrocht de vlijt van die helden,
Beide de zee en de dwing’land te sterk
Vrijheid een tempel en Godsvrucht een kerk.

Blijf, wat gij waart, toen ge blonkt als een bloem:
Zorg, dat Europa de zetel der orde,
Dat de verdrukte zijn wijkplaats u noem’,
Land mijner Vad’ren, mijn lust en mijn roem!

En wat de donkere toekomst bewaart,
Wat uit haar zwangere wolken ook worde,
Lauw’ren behoren aan ’t vlekloze zwaard,
Land, eens het vrijst’ en gezegendst’ der aard.

E. J. Potgieter

=

Berusting

In dit spel van wind en water
Schouw ik peinzend héél den dag.
'k Vraag niet meer naar toen en later.
Ik draag wat er komen mag.

Jacob Israël de Haan

=

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauwen damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!

O saaie brij-moeras, O erf van overschoenen,
Van kikkers, baggerlui, schoenlappers, moddergoön,
Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,
Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen
Tot modder; 'k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê.
Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,
Gij - niet op mijn verzoek - ontwoekerd aan de zee.

Petrus Augustus de Génestet

=

Twee zonnen

Wanneer ik ga slapen ligt de zee nog steeds beneden
en altijd is de zon me voor.
Ik sta bij een uitsnede
van donker water en later ben ik bij de boten
met zeilen wit zo licht als opgeluchte stemmen
en tussen de schaterende meeuwen weleens opgetogen.
Maar in de ring die ik kreeg sta ik scheef
naast een datum. En ik zie hem in de verte
gaan, met een zon. Slordig herhaald in het raam.
Hij noemde me Bloem. Ook wel Lente, Sexy, Liefste,
Liefde, Lief en de laatste tijd steeds vaker
Lieverniet, Neelater, Alsjeblieft.

Maria Barnas

=

Schemering

Aan het vensterken, in den avondschijn,
zat Mooi Blondje heel alleen.
In het donker vertrek, door het ruitjen klein,
Viel een straal van het avondlicht heen.

En daar toverde nu dat mystisch licht
Vonken goud op Mooi Blondjes haar,
Dat omstraalde heur fijn en teer gezicht,
Of 't een englenkopje waar.

En dat kopje boog zich langs het raamkozijn
En zag door de kleine ruiten:
Daar rezen, in zilveren nevelschijn,
De dampen op de akkers buiten.

En wie er nu stille naar binnentoog,
Door niemand gezien in het duister,
En over Mooi Blondje zich henenboog? ...
Stil, stoor niet dat zoet gefluister.

Van B.

=

Winternacht

Als 't buldrend windenheir, ontslagen van zijn banden,
Het zeevlak overgiert bij duistren winternacht,
En 't hulploos vaartuig zweept naar de ongastvrije stranden,
Waar slechts verderf en dood de veege manschap wacht:
Wanneer met elken stond de nood al hooger steigert,
En, bruisend, golf bij golf in 't lekke scheepshol dringt,
De mast verbrijzeld stort, de pomp haar diensten weigert,
En alles kermt en bidt en handenwringt, -
Dan is het grootsch en schoon voor fier gestemde harten,
Gelaten, onvervaard bij 't woeden der natuur,
En dood en doodsgevaar op d'Oceaan te tarten....
Maar ik zit liever thuis bij 't vuur.

Jacob van Lennep

=

Wit hing en stil de dauw over de weiden

1
Wit hing en stil de dauw over de weiden. -
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim,
Stond, hoog, in 't west wit licht boven de kim. -
Niets werk'lijks was er meer, niets dan wij beiden.

En op die heuvel, op die bank van ons,
Boven de dauw, zaten we als op een eiland;
En 't wit doorschijnend licht, het witte weiland
Leek stilte; en de stilte was als dons.

Boven de wereld zaten we; en we schrokken,
Als om ons in besliste vaart een tor
Een kromme draad trok van donker gesnor,
Wegbuigend in dempende nevelvlokken.

Jouw haar, rood in de schem'ring, aaide ik glad:
Mijn ziel was in mijn lippen en mijn handen,
En deed mijn handen en mijn lippen branden
Op jou, die ik het diepst heb liefgehad.

2
Je haar was vochtig: toen je door de weiden,
Verlangend, mijn verlangen stillen kwam,
Had 't nevelvolk - nachtvlinders om een vlam -
Van 't roodstralende blond niet kunnen scheiden:

En kleine dropjes lagen, wit en koel,
Over je haar, net dunne zilv'ren koordjes:
'T rood lichtte erdoor, zoals door kleine woordjes
Heen licht 't vergeefs verborgen groot gevoel.

En 'k aaide 't met mijn handen en mijn lippen
Tot gouden spiegel, en mijn dromend oog
Zag een wit lichtplekje, als ik 't hoofd bewoog,
Net als een duif langs zonnig koornveld glippen.

En 't scheen, alsof in 't schimmig westen hing
Een geest, die stil keek over vroegere aarde;
En 't scheen, ik was al oud, heel oud, en staarde
Terug naar dit - heiligste herinnering.

3
En 't scheen, ik was aan 't einde van mijn leven,
En jij was dood, mijn liefde, lang lang dood.
En 'k dacht: Dat zachte haar, hoe is 't zo rood
In schemering van dag en tijd gebleven?

En 't wit werd grijs; en 't grijs zonk naar de kim. -
De werk'lijkheid hield op, toen, voor ons beiden:
Je ging. - Wegnev'len zag 'k je over de weiden,
Onwereldlijk, onwezenlijk, een schim.

Adwaita

=

School

Wie vroeger vier jaar oud was, ging
naar school. Zo lag het feit.
En raakte dan, een droevig ding,
zijn moe een beetje kwijt.

Nu kent het schoolkind dat niet meer.
Zijn moe blijft aan zijn zij
en krijgt hij zelfs nog ongeveer
zo'n moe of tien erbij.

Een rekenmoe, een stencilmoe,
een moe voor overblijf,
een moeder voor het kerstgedoe
en voor het schoongeschrijf.

Een fluormoe, een moe voor zang,
een knutselmoeder toe,
een moeder in de overgang,
die is klaarovermoe.

Die moeders zijn voor school gewis,
een hele grote bof.
Want juffrouw Els zit thuis, die is
met zwangerschapsverlof.

Marjolein Kool

=

Op een weg tussen de weiden

Op een weg tussen de weiden
- geen mens te zien, alleen
wat eenden slapend weggedoken
in het gras, en de lichten
van verspreide boerderijen
wedijverend met de avondster -
raakt vrede mijn ogen aan.

Maar in mijn binnenste
wroet heimwee rusteloos
naar resten van een vroeger
leven toen iemand mij
in zijn armen terugdroeg
naar de stilte van voor
het begin, onvoorzien
overgegaan in de stilte
van na het einde.

Hanny Michaelis

=

Kringloop

Wij hebben ook vannacht weer niet geslapen,
wij hadden wel wat anders aan ons hoofd:
we leken even voor elkaar geschapen,
en alle leugens werden weer geloofd.

Toch hebben we zeer van elkaar gehouden,
het is gekomen als het is gegaan;
verder blijft alles altijd bij het oude:
de Moor kan gaan hij heeft zijn plicht gedaan.

Er stonden 's morgens mannen in de bomen
en zaagden zinvol in de takken rond.
Ik ben gegaan zoals ik ben gekomen,
maar met de smaak van sterven in mijn mond.

Jean Pierre Rawie

=

Dagen voorbij

De langzame opstanding van het koren
onder de hand van de wind.
Door zeegroen waas van jonge korenaren
zien blauwe bloemen, als door morgendauw.

O dagen, die voorbij zijt, gij ligt begraven
onder blauwe luchten en zomerblond,
onder golvend koren.

En daar staan, als grote, blanke marmerbeelden,
de stille witte wolken op uw graf;
hun ogen zijn gesloten voor hun dromen.

Dagen voorbij, die slaapt in lichte nissen
van zomerzon, heel 't landschap is uw graf
en kapellen zijn gebeiteld in het blauw
boven rode korenrozen.

Als in de verte de lucht trilt ... wie roerde uw oogleden aan?
Als de wind gaat door 't koren ... wie uwer is opgestaan?

Augusta Peaux

=

Geen schuld

Het landschap kan er niets aan doen.
De bomen dragen geen schuld.

Het heen en weer zwaaien van takken (als een nee)
zou niet geholpen hebben, hoe heftig ook,

ook het gras dat onbedachtzaam over stenen groeit
doet dit niet om dat te verbergen.

Overal is licht. Er is altijd genoeg schaars licht geweest
om de dingen onder ogen te zien, zelfs in duisternis,

en dat doen de sterren. Van bovenaf worden
hun lichtstralen zichtbaar op de aarde geworpen.

De maan die deze nacht naar een halve cirkel draait
is nergens oorzaak van. Hij weet niet beter.

Nooit droeg het landschap schuld aan wat wreedaardig
met wortels en al in onmacht uit de bodem werd gerukt.

De natuur kijkt nooit achterom naar haar eigen verdwenen
schaduwen van vroeger, met gevoelens van spijt. Achteraf.

Hannie Rouweler

=

Regendag

't Is Zaterdag, 't is Zaterdag!
De wereld wordt gewasschen...
Er komt een ware waterslag
De weiden overplassen.

Het giet, het stroomt, het spoelt, het spuit
De zwarte wolkentonnen uit.
Wat schuurt en schrobt die regenmeid!
Wat boent zij 't alles zuiver!

Geen mensch brengt ze in verlegenheid;
Want 't kost geen halven stuiver.
Ze bezemt straat en stoep en stal
Van top tot teen voor niemendal.

Elk grasje uit het groote veld,
Elk blaadje aan de boomen,
Al rilt en trilt het van geweld,
Wordt flink ter hand genomen.

Al huilen ze ook: ‘O neen, o neen’,
Ze kome' in 't bad, zoo groot als kleen.
Heeft ze alles duchtig natgeplast,

Dan krijgt ze mededoogen
En stuurt den ruigen stormengast
Om 't al weer af te drogen.
Hoor, hoor zijn hollen schaterlach:
‘Past op je lijf; 't is Zaterdag!’

Hij boldert alle straten door
En veegt de vlakten over;
De parels in het bloemenoog
Verdwijnen als bij toover.
Hij schudt de boomen door elkaar;
Geen droppel blijft in 't bladerhaar.

En bove', in schoon-gesteven pak,
Kijkt glunder en tevreden
In boez'laar wit en blauw-bont jak
De werkster naar beneden,
Knikt vroolijk: ‘Wat je ook praten mag,
Frisch wordt het na zoo'n Zaterdag.’

Margot Vos

=

De heide is maar stil

De heide is maar stil,
het overal vol licht,
en als een zilverspil
het zonnelicht;

de wolken varen weg
over het vage blauwgrijze,
heel ver liggen witte weg
op zilvere wijze.

Ik voel den wind vergaan
om mijne ooren,
ik wilde wel vergaan
in 't licht te loore.

Herman Gorter

=

De bladeren

De zonne zond haar stralen uit
om d'aarde te vergouden,
Die, al te lange tijd verwaaid,
verregend en ontverfd,
Niet meer aan blijde dagen dacht,
maar aan de winterkoude
Zich zonder klagen overgaf
en stil en willig sterft.

De stralen die op 't bladerdak
een wijle wilden rusten,
Ze gleden door de takken heen
en vonden vuil, versleurd,
De kleine groene bladerkens
die zij zo gaarne kusten
'Och, arme bruine bladerkens!
Wat is er met U gebeurd?'

Maar nauw gevoelt het bladervolk,
het slappe, natbetraande,
Verloren volk de warmte van
de gouden zonnegroet,
Of knisperend en knetterend
begint het doodgewaande
Te leven en te krullen in
den koesterende gloed.

Nu lopen alle blaadjes in
het zonlicht langs de wegen,
Nu dansen zij hun rondedans
de mensen voor de voet,
Nu ruisen zij hun vrijheidslied
de oude bomen tegen,
Die weten, dat het bladervolk
zo 't elke jare doet.

Jacqueline E. van der Waals

=

Het stille huisje

Dwalend over heide
en door lage bosjes,
denkend aan geen enkel nuttig ding,
fluitend zacht en blijde,
blij en vrij en losjes,
kwam ik plotseling
bij een huisje, doodstil en verlaten,
dat in schaduw van wat dennenbossen sliep,
waar het lang geleden
scheen en heel tevreden,
want alleen een geitje blaatte
en een koekoek riep.

In die dagen zocht ik
al maar naar een kamer,
'k had al veel gewogen en gewikt.
Hier is stilte, docht ik,
en niets is voornamer,
niets is meer geschikt.
En wijl zwijgend kijken toch niet baat en
wijl ik graag in stille dingen mij verdiep
tikte ik toen van buiten
even op de ruiten;
maar alleen het geitje blaatte
en de koekoek riep.

Ja, mijn ontevreden
tikken mocht niet baten,
't maakte zelfs de stilte dubbel diep;
't scheen sinds lang geleden
gans en al verlaten,
't was of alles sliep.
't Is maar beter stille dingen stil te laten
dacht ik, wijl ik dwalende weer verder liep,
en ik hoorde achter
mij maar nu wat zachter
hoe het geitje blaatte
en de koekoek riep.

Adriaan Roland Holst

=

Blond kindje speelt piano

Blond kindje speelt piano. Plechtig staan,
Als was 't een kerk, twee kaarsen. 'T is, als ragt
'T verleden blauw nevelend op, en tracht
Naar lichte kring van 't Nu terug te gaan.

Als kwam 't van ver, hoor 'k de oude stukjes aan,
Waar zalig Mozart's kindervroomheid lacht,
En uit berijpte grasjes, rits'lend zacht,
Zilv'ren getinkel glipt langs straal van maan.

Vroom kijkt mijn kindje naar het notenblad -
'T is plots'ling, of ik 't vaak gezochte vind,

Alsof mijn moeder daar te spelen zat,
En 'k zelf weer was gelovig luist'rend kind;

En 'k zie door tover van die oude wijs
Mijn moeder jong, en mijn kindje oud en grijs.

Adwaita

=

De hooikeerder

Door revoluties weggemaaid
staat hier de hooikeermachine.
Hij was mooi blauw en rood, bestreed
het gele lekker ruikende hooi.

Nu weggedragen op vleugels
van stormvogel roest wordt hij meer
en meer stof van de schuur. Antieke
vriendelijke machine; huisdier.

Terwijl hij zo machtig roffelde
achter de paardebil, charge
op charge uitvoerde, in galop
voortrazend over het weiland.

H. H. ter Balkt

=

Baders hartewens

Dwars door de tuinen
Van roos en ranken
Zich ’t pad te banen,
Dan door de lanen
Van zand en dennen
Vluchtig te rennen
Tot waar de kruinen
Van hoge duinen
In ’t blauwe blanken
En zo te naderen
Met zwellende aderen
In laatste loop
De harde golven
En, overdolven,
Hun koele doop.

Albert Verwey

=

Harmonie

De maan blinkt door den zwarten bouwval henen
En laat haar zilver glijden langs de duin,
Door de Ourthe omkabbeld en gekroond met puin:
Getrotste grootheid in bemoste steenen.

Hoe smelt het bruine licht in 't lichte bruin! ...
Hoe ruischt de stroom! Het woud, in nacht verdwenen,
Schijnt aan den nachtegaal het oor te leenen,
En nijgt eerbiedig looverdos en kruin.

En gij, Mathilde! uw lied rijst naar den hoogen ...
De ziele der natuur in u gevaren,
Uit zich door u in deze zalige uur!

In elke star meen ik uw blik te ontwaren,
En duizend starren tintlen in uw oogen ...
Ik min Natuur in u, ú in Natuur! —

Jacques Perk

=

Ik denk altoos aan u, als aan die droomen

Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
Waarin, een ganschen, langen, zaalgen nacht,
Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
Zóó onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen

Des bleeken uchtends, nog de tranen stroomen
Uit halfgelokene oogen, tot we ons zacht
En zwijgend heffen met de stille klacht,
Dat schoone droomen niet weerommekomen…

Want álles ligt in eeuw'gen slaap bevangen,
In de' eeuw'gen nacht, waarop geen morgen daagt -

En héel dit leven is een wond're, bange,
Ontzétbre dróom, dien eens de nacht weêr vaagt -

Maar ín dien droom een droom, vol licht en zangen,
Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd…

Willem Kloos

=

De bomen waren stil

De bomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.

De mannen werkten wat
rondom in de aard,
als groeven ze een schat,
maar kalm en bedaard.

Over de aarde was
waarschijnlijk alles zo,
de wereld, en 't mensgewas
ze leven nauw.

Ik liep het aan te zien
bang en tevreden,
mijn voeten als goede liên
liepen beneden.

Herman Gorter

=

Op doorreis door Vlaanderen

Ach mijn vrouw wil naar Zuid-Frankrijk
voor vakantie en vertier.
Daarom rijdt ze nu door Vlaanderen
en ik ben haar passagier.
Meid, waarom zo ver gereden,
waarom blijven we niet hier,
waarom blijven we niet in Vlaanderen
met zijn duizend soorten bier?

Hier zijn middeleeuwse steden,
majesteitelijk en fier,
hier schiep Breughel zijn taferelen
van het landvolk aan de zwier,
hier schiep Rubens vrouwenbillen
die getuigen van plezier,
in het landschap van Stan Ockers
en van Peerke Pollentier.

Weet je soms nog witter bloemen
dan de hagelwitte vlier,
zijn er ergens hogere bomen
dan de Vlaamse populier?
Smalle huizen op de velden:
ieder huis de pionier
van een nooit voltooide hoofdstraat
in een nooit gebouwd kwartier.

Vlaanderen, Vlaanderen door welk noodlot,
door welk wonderlijk bestier
word je steeds voorbij gereden,
worden al je mooie steden,
Brugge, Antwerp, Gent en Lier,
tot op heden steeds gemeden,
waarom blijft er niemand hier?

Willem Wilmink

=

Schemering is het doodgaan

Schemering is het doodgaan en vertrekkend
begeven van dingen die zijn gegleden
mee met de dag, en steunden als vertrouwdheden,
en waren als scheidingen, wegen behekkend.

Plekkend beschenen witte heerlijkheden
van dag de morgen, en onbevreesd zich trekkend
was daaraan op, 't hart dat nu is zich rekkend
uit wanhopig naar de vreemde leegheden

van de avond en zijn gemaskerd gezicht, -
maar de dingen die hem zullen behoren
houden hun ogen nog zo vragend gericht;
en de verledenheden hebben verloren
hun glans, en liggen van al hun bekoren
leeggelopen, met een verdrietig gezicht.

Henriëtte Roland Holst - van der Schalk

=

Oude eik

Hij staat voor ons huis
altijd naar binnen te kijken,
de oude eik met de ogen waar
vroeger takken zaten.

Ik kijk wel eens terug
en dan lijkt hij contact te willen
maken, hij te zwaaien en
het spijt hem dat het niet lukt.

Hij heeft als geen ander uitzicht
op de weg, scholieren op omafietsen
die in lachende rijen door de laan rijden
en bij regen onder hem schuilen.

Herinneren ze hem aan
de jaren van de eerste ringen,
de soepele takken, het frisse blad?
Zou hij willen ruilen?

Bas Rompa

=

Zelfkant

Ik houd het meest van de halfland'lijkheid:
Van vage weidewinden die met lijnen
Vol wasgoed spelen; van fabrieksterreinen
Waar tussen arm'lijk gras de lorrie rijdt,

Bevracht met het geheim der dokspoorlijnen.
Want 'k weet, er is waar men het leven slijt
En toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid
Te vinden dan in bergen of ravijnen.

De walm van stoomtram en van blekerij
Of van de ovens waar men schelpen brandt
Is meer dan thijmgeur aanstichter van dromen,

En 't zwarte kalf in 't weitje aan de rand
Wordt door een onverhoopt gedicht bevrijd
En in één beeld met sintels opgenomen.

Simon Vestdijk

=

De spin

Die zilveren deinende schoot,
mijn liefste, dit maagdelijk gave net,
dit gruwelijk schone huwelijksbed,
dit vangzeil van de dood -
ik heb het gesponnen tussen de bomen
en tussen de zon en de aarde
en al waar ik ontwaarde
je zoet-zoemende dolersdromen.
Ik vang je op in mijn wiegelend bed
O wond in mijn maagdelijk net
O liefste verloren in mijn schoot
O worsteling in liefdesnood -
ik wikkel je in mijn zijden geweld
ik houd je met duizend armen omkneld
ik verstik je in een cocon van gloed
ik drink je zachte blanke bloed
dat rinnend gulpt en schreit -

en volgedronken op het kruis
van mijn geschonden dodenhuis
ik lig gebroken en bevrijd.

Anna Blaman

=

Een verbena

Een bloem bloeit aan de wegen
bleek in een zon van jaren her,
rood - haar laaft de regen
die viel in een zomer, al ver.

Spokende zomergnomen
mengen de beker en breken het brood;
haar drenken verre dromen,
zij bloeit zo bleek, zo rood.

Augusta Peaux

=

's Ochtends

's Ochtends zie ik het leven
naast mijn bed.
Ik verwelkom haar.
Ze zegt: ik ben geen bezoeker.
Ik denk: in welke tijd praat ik met haar?
Ik sta op, zij staat op.
Ik loop, zij loopt.
Wil ze uitgelaten worden? Ze zegt: ik ben geen hond.
Niet om over mezelf te vertellen ben ik bij jou,
maar om geleefd te worden.
In de drukte raak ik haar kwijt, maar als ik terugkeer,
zie ik haar
naast mijn bed.
Was het prettig voor haar? Dat ze even alleen was?
Ik blader door haar om haar te lezen.
Ze zegt: ik ben geen woorden.
Ben je dan slaap?
Ik hoor het woord
'misschien',
doe het licht uit,
laat mijn lichaam bij haar
en vertrek.

Rodaan Al Galidi

=

Najaarslaan

Ik keek in de gouden heerlijkheid
Van een najaarslaan,
Het was of ik de goudene deuren wijd
Zag openstaan,
Het werd mij, toen ik binnen ging,
Of ik door gouden gewelven liep:
Ik aarzelde even, ik ademde diep,
Diep van verwondering.
Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout
Doet wat verboden is;
Ik sprak: 'Zijn voor mij die gewelven gebouwd?
Ben ik zo rijk, dat van louter goud
De gang mijner woning is?'
Toen sprak ik: 'Deze gouden grot
Is immers geen mensenpaleis.'
Ik sprak: 'Het is een betoverd slot,
Dat lang op sprookjeswijs
Geslapen heeft en stil gewacht,
Op één, die de poorten ontdekken zou,
De dode gewelven wekken zou
Van 't huis, dat ieder mensenhuis
Te boven gaat in pracht.'
Ik sprak: 'Hoe ben ik zo rijk, zo rijk!
Hoe ben ik zo rijk, mijn God!
Welke aardse woning is gelijk
Aan dit, mijn sprookjesslot?'
Trots, of ik een prinsesje waar,
Ging ik door 't goud;
Aan beide zijden stond daar,
Schragend de gangen, hoog en zwaar,
De zuilen opgebouwd.
Waar gouden de portalen zijn,
Hoe zullen daar de zalen zijn!
Ik zag aan 't einde van mijn pad
een kleine ronde poort,
Als blauw saffier in goud gevat,
En haastig, vol verlangen trad
Ik door de gangen voort.
Ik sprak: 'Als bij mijn aankomst wijd
Die poorten openstaan,
In welk een grote heerlijkheid
Zal ik dàn binnengaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn,
De zalen in te gaan!'

Jacqueline E. van der Waals

=

Zelfverandering

Ik ben te veel een mensch geweest,
Een mensch, die gilde en klaagde en schreide,
Die dronk zijn glas en vierde feest
En diep-gevoelde dingen zeide.

Nú ben 'k een delikaat artiest,
Verliefde van zijn fantasieën,
Maar die zich 't allerliefst verliest
In zijn kokette melancholieën...

Melancholie - om wie? om wat?...
Ik weet niets meer, kan niets meer voelen
Dan zoet gespeel met dit en dat
Van rijmen, zachte, klare, koele.

Willem Kloos

=

Erato

De purpren avond was in 't west verdwenen
En glanzend zilver droomde op donkere aarde,
Toen is de blonde Muze mij verschenen...
Mijn ziel werd vuur 'toen haar mijn oog ontwaarde.

Geknield strekte ik mijn armen naar haar henen, -
'k Omhelsde louter lucht - ik viel aan 't weenen:
Haar blik was eindloos-teêr, toen ze op mij staarde, -
'k Gevoelde een kus op 't voorhoofd, - ze openbaarde:

"Een hooge liefde zal uw hart doordringen:
Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden,
Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,

En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden,
En naar een vrouw gedachte en smachten leiden,
En mijmrend leven van herinneringen." -

Jacques Perk

=

Bij 't verwachten der Liefste

Ik weet het dat ge mijn zijt -- mijn alleen --
Ik weet het -- en ik peins het wonder na
en kan het niet bevatten -- hoe ik peins.
Mijn is uw lach en de opslag uwer oogen,
mijn is uw ziel -- uw gansche, diepe ziel.

Zal ik het straks begrijpen, als ge komt,
als hij uw hand mij zoo vertrouwend reikt,
het hoofdje half gebogen, als in weemoed?
Zal ik het lezen in een langen blik,
het hooren in de daling uwer stem?

Ik weet het wèl - het zal mij droevig zijn
als wie gevangen 't verre zonlicht ziet,
en tranen zullen komen, daar mijn ziel
't geheimnis onzer liefde niet begrijpt.

Frederik van Eeden

=

Een zomeravond

De poëzie komt over me als een droom
Vol sterren en een lijfelijke nacht
Van duister, waar me een hel gelaat van licht
En vriendlijke oogen--enkel dat gelaat,
Want ál de rest is nevel zonder vorm.
En heel den nacht nijg ik me er heen en houd
Stille gemeenschap tot de morgen daagt.--
Dan lig ik stil met half geloken wimpers
Te staren, waar ik telkens nog den lach
Dier ogen meen te zien en 't blonde haar
Half over 't voorhoofd--dan zijgt zijwaarts af
Mijn hoofd in 't kussen en ik slaap in 't licht.

Albert Verwey

=

Nog hoorbaar, heel heel ver, is de avondtrein

Nog hoorbaar, heel heel ver, is de avondtrein -
Blauw naast groen korenveld een boer aan 't werk.
Hei. Boven bos de toren van een kerk.
Rust, overal; 't diepst op de spoorweglijn.

'T is of de vijf telegraafdraden zijn
Een notenbalk; de sleutel - ginds, die berk;
De noten zwaluwen, zwart op 't rode zwerk;
De vlaggetjes hun staarten, lang en fijn.

En Mendelssohnse melodieën zingen
Op 't beukenpodium de gietelingen;
De nachtegaal vangt zijn nocturnes aan:

Dat hij bij 't hoogtepunt van zijn gezangen
Goed uit zal halen, komt herinn'rend hangen,
Als scheef point-d'orgue, 't boogje van de maan.

Adwaita

=

Voor H.

Midden in Mei, toen 't zomer worden zou,
had ik een droom vol oud en schoon verdriet;
die 'k eens zeer liefhad, kwam in 't donkerblauw
gewaad en lachte: "Waarom lach je niet?"

Meer niet, -- zoo is 't in droomen. -- 'k Voelde flauw
dat 't lang was, sinds 'k door haar het lachen liet.
Maar sterk mijn droefheid, sterk mijn eigen trouw,
en diep de pijn, dat zij mij lachen ried.

Toen bleef door 't droomspel van den ganschen nacht
die oude smart mij bij, haar bitterheid
heb ik in veel gepeinzen overdacht.

Ontwakend, heb ik mij verbaasd, hoe wreed
de ziel onwetend in zichzelven snijdt
en 't eigen teeder weefsel diep ontleedt.

Frederik van Eeden

=

Kalliope

En driewerf kruiste ik de armen, driewerf drukte
lk niets, en niet de blonde Muze er in,
En tot mij sprak de stralende godin,
Toen zij ten kus zich naar mijn voorhoofd bukte:

"Ik zond de vrouw tot u, die u verrukte...
Ik zeide u 't aan: gij mindet met een min,
Zóo vol aanbidding, zóo vol vromen zin,
Dat ze u aan al, wat haar niet was, ontrukte.

Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar!
Ge aanzaagt... ge aanbadt - u trok, wat is verheven:
U daagde een schoonheids-ideaal in haar.

Toen zaagt ge weêr, naar wat ge aanbadt, gedreven:
Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar;
't Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!"

Jacques Perk

=

Ik fint

Je werkt er jaren aan en dan komt iedereen vertellen wat hij fint.
Ik fint het spel wat zwak, ik fint de bomen te decorachtig, ik fint
dat van dat wak wat slap, ik fint juist dat bevrorene zo prachtig,
ik fint dat meisje onwaarschijnlijk, ik fint het net de onderwereld,
zo mythologisch, ik fint die scène bij de bushalte vervelend
ik fint ik fint ik fint, o wee het is al kwart voor acht!
Ik fint - nou ja ik zeg nog wel eens wat ik fint, ik
moet nou rennen want me kint...

Judith Herzberg

=

Weglopen

Ik loop de weg steeds verder weg.
Nu ben ik zonder huis.
En ieder woord dat is gezegd
duwt me vooruit.

De avond doet gordijnen dicht.
De wind trekt aan mijn haar.
Het regent wat op mijn gezicht.
Of huil ik nou? - Wat raar!

Er komt een fietser op de dijk.
Wat doet die hier zo laat?
Ik wil niet kijken maar ik kijk
tot vader voor me staat.

Ik wil niks zeggen maar ik praat.
Zijn hand ligt op mijn haar.
Kom, zegt hij, kom, het is al laat.
Stil nu maar.

Nu gaan we samen op de fiets
Ik denk aan niets.

Johanna Kruit

=

Verwoesting

De dag verbleekt de wilde vlam
die als een ijl, doorschijnend spook,
verwonderd op de wereld kwam
in 't weefsel van haar dichte rook.

Heugt haar de aanbidding vreze-diep,
die tot haar innigst wezen klom
toen haar de jonge mensheid riep?
- hoe blijft zij verre en woorden-stom.

Wie wijst haar nu op 't wereldrond
te midden van der volkren haat,
de mensenziel, de mensenmond
die zoekend tot haar wezen gaat?

Spreidt zij vernieling om zich heen
in 't heden, dat haar kluister brak,
blakert zij godgewijde steen,
verteert zij 't lage rieten dak,

haar onbegrepen aangezicht
blijft onbevangen, zonder schuld,
als zocht zij éénheid met het licht
dat als een kelk haar klaar omhult.

Zal niet door deze dagen gaan
de aanklacht van het zuiver vuur,
geketend ter onzaalger uur
aan woede en haat en blinde waan?

Augusta Peaux

=

De straatzanger

De blinde bedelt langs de stille straat,
en met een stem, die beeft van koude en honger,
zingt hij een liedje van verwelkte bloemen.
Doordringend klinkt de klagende romance.
De man is oud en grijs. Onordlijk fladdren
zijn dunne lokken op de vale jaskraag.
De hond, met wie hij elke bete broods deelt,
zijn trouwe metgezel in wel en wee, ziet
de schaarse wandlaar aan met smekende ogen,
totdat een aalmoes valt in 't blikken bakje,
dat hij voorzichtig met zijn tanden vasthoudt;
en beiden huivren in de gure wind.

Hélène Swarth

=

Liedje

Ik liep laatst door de heide
Langs berken en langs brem.
Toen klonk er aan mijn zijde
Een kleine, ijle stem.

Aanhoudend en doordringend
Zoo blij en mateloos
Alsof een hart hier zingend
Zijn hoogste vreugde koos.

O koolmees in het loover,
O heikruid in de zon,
Uw lieflijkheid, uw toover
Die mij niet helpen kon.

Clara Eggink

=

Wijding aan mijn vader

O Gij, die kommrend sterven moest, en Vàder waart,
en mij liet leven, en me téder léerde leven
met uw zacht spreken, en met uw strelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;

- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,

en zingt soms, onverschillig, en zijn zangen glijden
wijd-suizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...

Zó vaart mijn leve' in vrede en waan van dood begeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

Karel van de Woestijne

=

De Bult spreekt

Hier is de bult, de rammelkast,
de knobbelvent, de leuke gast,
de dwerg die 't hoofd omhoog moet steken
als hij zijn zonen toe wil spreken.

De knotwilg met den gekken stam,
waar boven op een reuzenzwam
genesteld is voor al mijn dagen
en die geen mensch er af kan jagen.

Hij huist daar reeds zoo lang mij heugt,
hij was de duivel mijner jeugd,
die 't al verpest heeft en bedorven
en glorie tot mijn schâ verworven.

Hij heeft mijn trouwdag meegevierd
en alles naar zijn zin bestierd,
mijn rok ontsierd, mijn bruid doen blozen
en gal gespuwd op hare rozen.

Zoo deed en doet hij moord op moord,
al zit hij stil en spreekt geen woord
en ziet noch hoort, noch maakt gebaren:
hij vreet mij op met huid en haren.

Gij die reeds alles hebt misdaan
wat doembaar is in één bestaan;
gij kerels met uw zwart geweten,
die slapen kunt noch rustig eten

en schichtig door het donker waart:
komt op, geeft hier wat u bezwaart,
ik zal het torsen zonder klagen
als gij zoo lang dat ding wilt dragen.

Willem Elsschot

=

De zon bestrooit den blauwen vijverplas

De zon bestrooit den blauwen vijverplas
Met gansch een vloed topazen en robijnen,
De zoele wind, alvorens weg te kwijnen,
Beweegt de bloemen van het oevergras.

Een zachte golving van gebroken lijnen
Zweeft in den vijver, trouw als spiegelglas,
Waar muggen zwermen tusschen ’t struikgewas
En gouden wolkjes komen en verdwijnen.

De roode stralen vloeien, drop bij drop,
Langs grijze wilg en bruinen beukentop,
Op ’t siddrend loof der popels en der elzen.

Traag zinkt de zon in ’t purper wolkengraf,
Alsof haar avondkus de wijding gaf
Aan aarde en hemel die elkaar omhelzen.

Hélène Swarth

=

De wandelaar

Mijn eenzaam leven wandelt in de straten,
Langs een landschap of tusschen kamerwanden.
Er stroomt geen bloed meer door mijn doode handen,
Stil heeft mijn hart de daden sterven laten.

Kloosterling uit den tijd der Carolingen,
Zit ik met ernstig Vlaamsch gelaat voor 't raam;
Zie menschen op een zonnig grasveld gaan,
En hoor matrozen langs de kaden zingen.

Kunstenaar uit den tijd der Renaissance,
Teeken ik 's nachts den glimlach van een vrouw,
Of buig me over een spiegel en beschouw
Van de eigen oogen het ontzaglijk glanzen.

Een dichter uit den tijd van Baudelaire,
- Daags tusschen boeken, 's nachts in een café -
Vloek ik mijn liefde en dans als Salomé.
De wereld heeft haar weelde en haar misère.

Toeschouwer ben ik uit een hoogen toren,
Een ruimte scheidt mij van de wereld af,
Die 'k kleiner zie en als van heel ver-af,
En die ik niet aanraken kan en hooren.

Toen zich mijn handen tot geen daad meer hieven,
Zagen mijn oogen kalm de dingen aan:
Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan,
Stil mozaïkspel zonder perspectieven.

Martinus Nijhoff

=

Bijna

Misschien morgen, vandaag
stonden alle dingen stil,
de wind kon er niets aan
doen, nergens kwam beweging
in. Ik zat en keek, werd
stilte zelf, een hoge boom,
overal dicht van groen,
geen blad bewoog.

Ik had kunnen sterven,
denk ik nu, zonder dat
ik het merkte, zelfs ver
van mijzelf, in een heelal
van ander geluk, vrede die
niemand iets ontneemt, licht
dat geen schaduw ziet,
toekomst zonder herinnering.

Toch kwam ik later nog
terug en er bleek iets
verschoven te zijn: een wolk,
een gevoel van vaag verdriet,
een ogenblik bijna, een stem
die onbelemmerd spreken kon.
Maar alles zweeg. Ver weg
danste een vlinder in de zon.

Gabriël Smit

=

‘t Er viel ne keer

(Herinnering aan Beethoven's Septuor)

‘t Er viel ‘ne keer een bladtjen op
het water
‘t Er lag ‘ne keer een bladtjen op
het water
En vloeien op het bladtje dei
dat water
En vloeien dei het bladtjen op
het water
En wentelen winkelwentelen
in ‘t water
Want ‘t bladtje was geworden lijk
het water
Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als
het water
Zoo lijzig en zoo leutig als
het water
Zoo rap was ‘t en gezwindig als
het water
Zoo rompelend en zoo rimpelend
als water
Zoo lag ‘t gevallen bladtjen op
het water
En m' ha' gezeid het bladtjen ende
‘et water
‘t En was niet ‘t een een bladtje en ‘t an-
der water
Maar water was het bladtje en ‘t blad-
tje water
En ‘t viel ne keer een bladtjen op
het water
Als ‘t water liep het bladtje liep.
Als ‘t water
Bleef staan, het bladtje stond daar op
het water
En rees het water ‘t bladtje rees
en ‘t water
En daalde niet of ‘t bladtje daalde
en ‘t water
En dei niet of het bladtje dei't
in ‘t water
Zoo viel der eens een bladtjen op
het water
En blauw was ‘t aan den Hemel end'
in ‘t water
En blauw en blank en groene blonk
het water
En ‘t bladtje loech en lachen dei
het water
Maar ‘t bladtje en wa' geen bladtje neen
en ‘t water
En was nie' meer als ‘t bladtjen ook
geen water
Mijn ziele was dat bladtjen: en
dat water?-
Het klinken van twee harpen wa'
dat water
En blinkend in de blauwte en in
dat water
Zoo lag ik in den Hemel van
dat water
Den blauwen blijden Hemel van
dat water!
En ‘t viel ne keer een bladtjen op
het water
En ‘t lag ne keer een bladtjen op
het water.

Guido Gezelle

=

Kupris in 't woud

Het woud, geworteld in de dorre blâren,
Spreidt lommer met zijn loovers over 't mos,
En zijner bronzen armen tempeltrots
Wijdt honderd esmeralden zode-altaren:

Om steen en stronken waaiert zich de varen,
Zefier kust geuren uit de rozen los,
En door het heilig, hemel-schragend bosch
Schijnt wellust-ademend een god te waren:

't Is Kupris, wie de mirt en roze kransen,
Wie maneschijn van leest en boezem licht,
Wier lokkend oog in 't hart verlangen lacht, -

En zeven duiven zwermen in heur glanzen, -
De zode zwelt, waar zij heur schrede richt...
Wee mij! ik zie Mathilde in Kupris' pracht!...

Jacques Perk

=

Herfstgeuren

Een fluitende wind en
gekraak van takken.
Dwarrelbladeren weven
bronskleurige tapijten.
Geknakte rietstengels langs
de modderige sloot.
Een lichte nevel
klam en vochtig.

Glijvlucht over
glibberige grond
door geelgroene
bruine bladmoes.

Overal geflierefluit van jewelst

Grauwe ganzen gakken.
Klapwiekende dansers
in V – formatie,
vliegen allen zuidwaarts
naar de horizon.

Een achtergebleven lijster
hangt dood in een struik,
een buizerd loert ernaar
op zijn veel te dunne tak.

Rim Sartori

=

Zomeravond

O zomeravond, smachtend neergevlijd
op 't gele veld, in 't Westen goudgetint...
Teerkreunend ruisen van de avondwind,
die langs de vlakte in zware weemoed glijdt...
O melodie uit lang verleden tijd,
waarvan ik zin noch woorden wedervind...

O rust, o stilte, blauwige avonddoom!
Doorzichtig ligt ge op verre velden neer...
Zo schouwt mijn geest de beelden van weleer
door 't wazig scheemren van een weke droom.
't Verleden rimpelt, onbepaald en loom,
- verzonken stad in 't stilgevallen meer.

Verheerlijkt glinstren! onbereikbre trans!
O vloeiend zilverlicht zo hoog verbreid...
De zwoele nacht doortrilt uw majesteit,
de aarde is een matte weerschijn van uw glans;
zacht om mijn slapen vloeit uw stralenkrans;
mijn zwellend harte vult de onmeetlijkheid.

Prosper van Langendonck

=

Duiven

Klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
slaan hun vlerken, de ene op de aâr;
klap-klap-klap,
en henenschuiven
doen ze, van mijn dak mij daar.

Klap-klap-klap,
ze spelevaren,
rinkelroeiende, altemaal;
klap-klap-klap,
van harentaren,
ommenton, in énen haal.

Klap-klap-klap,
zij zijn daar weder;
hoort ge vlug hun vlerken slaan?
klap-klap-klap,
ze vallen neder,
betende op mijn dak, voortaan.

Klap-klap-klap,
de veren stuiven,
want hun baaike, groef en fijn,
klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
boetende, in de zonne, zijn.

Guido Gezelle

=

Doodsangst

Niet in de winter, wanneer dagen duister
Als nachten zijn, wier zwaarte mij verdrukt,
Maar in de zomer, als de bloei, de luister
Van dag en nacht, het bevend hart verrukt.

Niet in de winter als deuren en ruiten
Kreunen bij 't woedend waaien van de wind
Maar in de zomer, als vogels hoog fluiten
De dag laat eindigt en weer vroeg begint,

Vrees ik de Dood, haat ik hem machteloos,
Ik heb het leven zó lief en het gaat
Buiten mijn macht genaadloos naar één eind.

O, Vriend, lach niet meer. Maar een korte poos
Eer de wrede Dood ons beiden verslaat
En onze Vriendschap in het niet verdwijnt.

Jacob Israël de Haan

=

Links bovenaan met frisse moed

Links bovenaan met frisse moed
op de witte papieren bergen
afdalend naar het dal van de dwergen
met het groene meer,
op sandalen,
met je huisjesboten en vissen
op snelle verende herteschreden
met de schreeuw van de angst
in de pens,
dalende,
stijgende,
en wéér dalend
naar de vlakke straatwegen
mens.

G. Kouwenaar

=

Herfstwandeling

Reeds vroeg ontstegen aan het bed
waarin ook zij wel heeft gelegen
wier doen en laten mij toen tegen-
woordig vaak nog aan het denken zet,

ging ik de herfst in. Allerwegen
stond boomskelet na boomskelet
van alle allerliefsten het
verkoolde geraamte in de regen.

Wat is dat toch ontzettend met
relaties die hun einde kregen;
al was je ze ook zeer genegen

je hebt er jaren van gezwegen
en dan opeens kom je ze tegen
terwijl je op iets anders let.

Jean Pierre Rawie

=

Winter

De sterren wintertintelen
en de maan
doorschijnt de melkwegnacht.
Het kraakt van sneeuw op de aarde
waar ik ga,
een nieteling, een adem wit,
een ademdamp van liefde en poëzie.

Ida Gerhardt

=

Strandlijn

Als je te ver gaat verdrink je
blijf je op het land dan ben je
een lafaard
meer mijn aard
is daarom de strandlijn
waar de steeds verse dood
geduldig ontbloot.
Doorzichtige Strandlijn!

Een lege spiegel scheidt
ontmoeting van afscheid
een hand verjongt in mijn hand
groeit terug in het zand
lippen zeggen het weer
dan dicht dan niet meer
maar nooit definitief
- en dit is mij lief -
probeert zij meer te zijn
dan een bewegende lijn
die wat zij scheidt
steeds weer herleidt.
Doorzichtige Strandlijn!

J. Bernlef

=

Vaarwel

Vaarwel te zeggen is zo moeilijk niet,
maar in het vliegtuig stijgen en vertrekken,
de groene aarde onder zich ontdekken
en dan pas weten wat men achterliet.

Stilzitten en vibreren, en beseffen
de armoe van dit vliegend avontuur
nu ik jou bij het eind niet aan zal treffen;
vijfhonderd kilometer in het uur.

De aarde valt reeds twintigduizend voet
beneden mij: rivieren, rotsen, wouden;
de wereldbol wordt naakt en vereenvoudigd,
het leven lijkt al eeuwen uitgewoed.

Vreemd dat jij ergens tussen hout en steen
naar huis gaat op diezelfde lege aarde,
leger dan ooit, een uitgebloeide gaarde;
jij daar ik hier en nu voor goed alleen.

Willem Brandt

=

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Hans Andreus

=

De akker

Ik zal die zondagmiddag met mijn vader
op wandel door het land niet licht vergeten
al is het vijftig jaar en méér geleden,
zo dicht bij hem als bijna nooit meer later.

Wij kwamen bij een akkerstuk, door bossen
die aan vier kanten stonden, ingesloten, -
door varens een verwoestend spoor gestoten
dan verend verder over vedermossen.

Wij vonden er een hof. Het hoge koren
met ritselingen rijpgestookt van boven
stond in de palle juli onbewogen
tegen mijn open ogen en mijn oren.

Ik zág niets anders, hóórde niets dan droge
verdorde zoemgeluiden van insecten
onzichtbaar kevertjes en rode plekken
papavers door veel bijen aangevlogen.

Een wereld die bestond en aan den lijve
ervaarbaar vaderlijk, een nieuwe aarde
met ademing en aanvangen van klaarte
waarin ik wilde blijven en verblijven.

Anton van Wilderode

=

De vriendinnen

't Begon op een zomernacht, bijna toevallig:
Terwijl zij zich aan het venster koelde,
Droomde haar lieveling bang en woelde
Zich bloot. Zij vond haar, omziend, bevallig:

De handen naast 't hoofd geperst in 't kussen,
't Dek afgegleden, de knieën hoog
En zelve in zachte boog. Zij wilde kussen,
Zacht, dat ze niet ontwaakte, maar ze bewoog

Toch, en kreunde als in een droom gevallen,
Ontstellender nog; zij heeft haar toen gewekt,
En de leden die zij lijden zag in felle
Angst met haar groter lichaam toegedekt.

't Was niet haar schuld, zij had het niet bedoeld.
Wanhopige verrukkingen ontstonden.
Zij wist niet meer hoe ze vroeger bestonden,
Zo dicht bijeen. Had geen dit ooit gevoeld?
Nu werden ze anderen in één hevige stonde.

Zij voelden zich ineengevlijd, een kus, en
Tegelijk geschokt in bevredigd snikken.
Vergeefs hielden zij een sluier tussen
Beiden, in te overstelpende ogenblikken.

In 't licht, vervreemd, zag zij haar lievling weer:
Zij lag achterover en sloeg haar gade,
Die overeind stond, mijmerend na de
Eerste nacht, de armen hoog, 't hoofdje
beschouwend neer.

Jan Jacob Slauerhoff

=

De ledematen van uw lichaam

De ledematen van uw lichaam vloeien over
in al mijn leden, als de boom zijn lover
laat zinken op de milde zomerlucht.

Uw slaap die gij zo zacht in mij verspreidt,
is schemerig en lichtgeveerd en wijd
gelijk een zinderende duivenvlucht.

Van al het zoetste dat de huid ervaart,
niets dat de toets en teerheid evenaart
waarmee de lichamen elkaar beminnen.

Van al het prachtig-bloesemende op aarde,
niets dat het hart zo flonkerend verklaarde
als 't wederzijds verstrengelen der zinnen.

Christine D'Haen

=

Adieu

Ik ben niet meer met u alleen
en op de peluw is er geen
o lieveling, die lot en leed
zoo onafwendbaar zeker weet.

Geef mij uw mond en zie mij aan:
lang voor de zon, lang voor de maan
verzinken in de wereldmist
zijn onze namen uitgewischt.

En wat mijn hand te streelen vond
zal liggen in den wintergrond
en wat mijn stem aan u bescheen
is weggedaan en vindt niet een.

Geen slapeling die 't wonder weet
dat uwe zachtheid aan mij deed,
de vlam die door de nachten sloeg
wordt morgenrood en 't is genoeg.

Zie, sterren reizen langs het raam,
het water stroomt, een knaap ving aan
en zong adieu - dit lied heeft uit
mijn kleine, kleine zomerbruid.

Jan Engelman

=

Verdrietig kind, verdrietig gedicht

Ik ben de herfst.
Ik ben de regen.
Ik ben de storm.

Zoek mij maar op,
ik sta in alle gedichten.

Houd mij maar vast,
ik heb het koud en ik ben moe,
en nog zoveel bladeren aan de bomen,
nog zoveel bladeren overal.

Toon Tellegen

=

Je onbedekt huis

Haast van hout zoals hij daar
in de verte mijn voetstap, zijn
Startpaginaschot afwacht. Boven op de dijk.

Omgeklapt trekt hij bliksemschichten
over het veld, zwiept hij zich
veilig naar zijn draaikolk van gras.

Haas ik wil je niet jagen, ik wil
je onbedekte huis met je delen, ik
wil lezen wat je schreef op de akker.

Ik wil je grijsgouden vacht voelen
maar bedrog en vernieling persen
zich tussen hand en haas, telkens.

Anna Enquist

=

Bij avondschemer is hij uitgedragen...

Bij avondschemer is hij uitgedragen
haastig en stil als werd hij weggeroofd;
de zachtste klok snikte driemaal gedoofd
alsof driemaal een deur dichtviel met doffe slagen.

Achter zijn uitvaart staan de zuivere dagen
des zomers puilende van groen gereed
om met zacht gras, traag als het menselijk leed,
de plek te dempen die zijn naam zal dragen.

Anton van Wilderode

=

Thuiskomen

zullen ze wat zeggen
en wat zullen ze zeggen
als ik de deur door kom
wat zie je er uit
je bent ver weg geweest
of zullen ze niets zeggen
en alleen maar kijken
of niets zeggen zelfs niet kijken
maar doorgaan met doen
net of er niets gebeurd is

hier ben ik dan
hun vriendelijke vreemdeling
ik spreek de taal der mensen
hoe is het weer
het is weer ja
het is weer nee
het is weer mooi weer
buiten

Mischa de Vreede

=

Bloemenknoppen

ze had
een jurk
met bloemknoppen aan
en toen ze
in de zon
ging staan
zijn al die knopjes
één voor één
open
gegaan

Riet Wille

=

Smeltwater

Ik heb een kamertje voor jou gebouwd
de muren wit gesausd de ramen geblindeerd

de deur blijft altijd van het slot en als het giet
hangt er een zeil om het water op te vangen
er is geen dak mijn lief

en ook geen bed want slapen mag je niet
ik wil je stem steeds horen die mij vertelt
dat gisteren je hart gesmolten is.

Cilja Zuyderwyk

=

Ansicht

Korte berichten
aan hen die thuisbleven en
zich nu afvragen.
De zee is hier als
een lam. Een bries blaast er soms
wat krulletjes op.
Ik wandel tussen
de inwoners van dit land
het hoge kustpad.
Tegen de avond
zie ik een aalscholver lang
duiken bij de pier.
Plotseling, in de
koelte van de schemering,
zijn er geluiden.
Van dichtbij hoor ik
montere stemmen roepen:
meisjes in kano's.
Iets later gaan aan
de overkant van de baai
de lichten branden.
Stratenpatronen
liggen flonkerend gespreid
tegen de heuvels.

Jan Zitman

=

Vroegh in den dageraet

Vroegh in den dageraet, de schoone gaet ontbinden
Den Gouden blonden tros, Citroenich van coleur,
Gezeten inde Lucht, recht buyten d'achter deur,
Daer groene Wijngaert loof oyt louwen muer beminde.

Dan beven Amoureus de lieffelijckste Winden,
In 'tgheele zijdich hayr, en groeten met een geur
Haer Goddelijck aenschijn, op dat sy dese keur
Behielt, van dagelijcx haer daer te laten vinden.

Gheluckigh is de Kam, verguldt van Elpen been,
Die dese vlechten streelt, dit waerdich synd' alleen;
Gheluckiger het snoer, dat in haer dicke tuyten

Mijn Ziele mee verbint, en om 'thooft gaet besluyten,
Hoe wel ick 'tliever zie wilt golvich na syn jonst,
Het schoone van natuur passeert doch alle const.

Gerbrandt Adriaensz. Brederode

'tKan verkeeren.

=

Agatha

Ik ben ergens halverwege als ik naar je kijk met deze ogen.
Mijn testament kan wachten, er is tijd - misschien

heb ik nog drieëndertig jaar, misschien te weinig dagen
om jouw beeltenis te maken.Het kan me niet veel schelen

zolang jij er bent, mijn leven lang, Agatha - met je naam
vol aah’s om te fluisteren in de nacht, met je handen

en je lippen en het eeuwige geheim van wat er in je omgaat
als je naar me kijkt en lacht terwijl ik laag op laag breng,

heen en weer been, zoekend naar je ware kleuren.
Met jou zal ik nooit ergens anders zijn dan halverwege,

in het midden van de wereld. Mijn werk is mijn wapen
tegen de tijd; mijn schild ben jij.

Ingmar Heytze

=

Slapend meisje in de trein

de trein slaapt nog niet
de avond slaapt niet
het meisje niet (ik)

over de goudzoekende akkers
de hoge snuisterij van de bomen
de kieviten roepend met naakte lip

waar voert de trein me heen?
naar de liefde die komt als een zieke duif?
de tak die gebroken tegen het raam tikt?
naar het tochten van mijn gordijnen?

de trein waar voert de trein

of ben ik al thuis
als het jurkje dat ineens in het gras ploft
en de jongen met de lieve hondenkop

de trein de trein waar voert de trein
naar de natte appelnacht
die danst over de elastieken brug
en dan de dag op nieuwe rode schoenen!

Jabik Veenbaas

=

Heesterbuurt

als daar - die adelaar - zijn vleugels van cement
zou uitslaan en de voortuin zou verlaten
en hoog boven de auto's vliegen

als daar - dat lavalampje in de vensterbank -
ging borrelen en stulpen en uitstromen
over de grijze tegels van de straat

als daar - die luipaardlampenkap - als die
zijn poten zou strekken, zijn kop oprichten
door de kleine ruiten breken

wat zou de zwarte krantenman dan doen?

hij zou hoog op een olifant tronen
en heersen over de Meidoornstraat

Edith de Gilde

=

Het land der mensen

Ik lig in een landschap van heuvels alleen
met bloemen en water en gras;
de tijd liet me los en liep ijlings heen,
nu ben ik een mosbed, een zwervende steen
of een vlijmscherpe splinter van glas.

Het water beneden maalt binnen zijn boord,
de bloem legt haar bloemenhart bloot;
als de wind herbegint is het grasvlak gestoord
met een snelle golf die vloeit blinkende voort
als de voorgolf, ineens, van de dood.

Met de laatste mens is het laatste gesprek
op het zwijgen der dingen gestrand;
nattuur graaft zich onder herfstelijk dek,
de bomen staan naakt met een twijgenhek
voor een zeekim van zilver en zand.

Ik lig in de schoot van de heuvels alleen
en het licht van de zomer verdooft;
het water spoelt koud op zijn bodem van steen
en mijn hart, als van hoorn of elpenbeen,
stuwt zijn laatste bloed naar mijn hoofd.

Anton van Wilderode

=

De gave

ik liep nog één keer door de stad
om alles weg te geven

mijn benen liet ik aan een bedelaar
die zijn hand ophield in een schemerig park

mijn vingers gunde ik aan een vogel
die er zijn jongen mee voerde

mijn kleumend hart schonk ik aan jou
een vreemde, bloederige gave!

toen was ik niets meer dan een lang verlaten,
een ongenaakbaarheid, maar ik werd ook

het onstilbaar verlangen van de late bedelaar,
het vogeljong dat reikhalzend uitvloog
en jouw meisjesogen die dorstig dongen
naar de broze blijdschap van een nieuwe dag

Jabik Veenbaas

=

Iris

Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van wanhoop en wee:
Mijn gewaad is doorweven met parels, die beven,
Als dauw aan de roos, die ontlook,
Wen de dagbruid zich baadt en voor 't schuchter gelaat
Een waaier van vlammen ontplook.

Met tranen in 't oog uit de diepte omhoog,
Buig ik ten kus naar beneden:
Mijn lichtende haren befloersen de baren
En mijn tranen lachen tevreden:
Want diep in zee, splijt de bedding in twee
Als mijn kus de golven doet gloren...
En de aarde is gekloofd en het lokkige hoofd
Van Zefier doemt lachend naar voren.
Hij lacht... en zijn zucht jaagt, mij arme, in de lucht,
En een boog van tintlende kleuren
Is mijn spoor, als ik wijk naar het droomerig rijk,
Waar ik eenzaam om Zefier kan treuren.
Hij mint me als ik hem..., maar zijn lach, zijn stem,
Zijn kus... is een zucht: wij zwerven
Omhoog, omlaag; wij willen gestaâg,
Maar wij kunnen nòch kussen, nòch sterven. -
De sterveling ziet mijn aanschijn niet,
Als ik uitschrei, hoog boven de wolken,
En de regenvlagen met ritselend klagen
Mijn onsterflijken weedom vertolken.
Dan drenkt mijn smart het dorstende hart
Van de bloem, die smacht naar mijn leed,
En met dankenden blik naar mij opziet, als ik
Van weedom het weenen vergeet.
En dán verschijn ik door 't nevelgordijn,
Dat mijn Zefier verscheurt, als hij vliegt -
Somber gekromd... tot de zonneschijn komt
En op 't rag mijner wieken zich wiegt.
Dan zegt op aarde, wie mij ontwaarde:
"De goudene Iris lacht!" ...
En stil oversprei ik de vale vallei
Met een gloed van zonnig smaragd. -

Mijn handen rusten op de uiterste kusten
Der aarde, als, in roerloos peinzen,
- Eén bonte gedachte - ik mijn liefde verwachte...
Die mij achter de zon zal doen deinzen.
'k Zie 's nachts door mijn armen de sterren zwermen
En het donzige wolkengewemel,
En de maan, die mij haat en zich koestert en baadt
In den zilveren lach van den hemel. -
Mijn pauwepronk... is de dos, dien mij schonk
De zon, om den sterfling te sparen,
Wien mijn lichtlooze blik zou bleken van schrik
En mijn droeve gestalte vervaren.
Nu omspan ik den trans met mijne armen van glans,
Tot mij lokt Zefier's wapprend gewaad,
Der lonkende zon mij verlaat. -

Ik ben geboren uit zonnegloren
En een vochtige zucht van de zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen,
Gezwollen van 't wereldsche wee. -
Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam
Het leven verlangende slijt,
En die in tranen zijn vreugde zag tanen...
Doch liefelijk lacht, als hij lijdt!

Jacques Perk

=

De Herfst blaast op den horen

De Herfst blaast op den horen,
en 't wierookt in het hout;
de vruchten gloren.
De stilten weven gobelijnen
van gouddraad over 't woud,
met reeën, die verbaasd verschijnen
uit varens en frambozenhout,
en sierlijk weer verdwijnen...
De schoonheid droomt van boom tot boom,
doch alle schoonheid zal verdwijnen,
want alle schoonheid is slechts droom,
maar Gij zijt d' Eeuwigheid!
Heb dank dat Gij mijn weemoed wijdt
en zegen ook zijn vruchten.
Een ganzendriehoek in de luchten;
nu komt de wintertijd.
Ik hoor U door mijn hart en door de rieten zuchten.
Ik ben bereid.

Felix Timmermans

=

De lente

Reeds is het statig eiber-paar gekomen,
't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
de zoele lente luwt door 't zonnig bosch
en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.

Violengeur stijgt op uit vochtig mos,
een bronzen gloed verjongt de dorre boomen,
en primula's en dotterbloemen zoomen
de groene wei met gouden voorjaarsdos.

Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht!
wat scheen uw toeven lang! - is 't niet mijn leven
dat door uw donzen adem wordt gewekt?

Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt,
des weerziens zaligheid mij niet meer geven
en grimmig grijnst dan d'eindelooze nacht.

Frederik van Eeden

=

Vreemd, dat boom en tak zoo stil staan

Vreemd, dat boom en tak zoo stil staan
In het gouden licht vandaag,
Dat de bladertjes zoo stil gaan,
't Een na 't ander, naar omlaag.

Dat het zonlicht zoo voorzichtig
Door de ijlheid straalt van 't lof,
En het groene blad doorzichtig
En veel eed'ler maakt van stof,

Dat het windje in de twijgen
Zoo behoedzaam gaat te werk
En alleen wat blaadjes zijgen
Doet op 't pad en 't bloemenperk,

Zonder 't wazig diep te raken
Waar de groene schemer blauwt,
Of den goudglans schuw te maken
In het ijlbebladerd hout,

Of te roeren aan den vijver,
Waar zeer statiglijk en traag
Twee voorname zwanen drijven
Met hun spiegelbeeld omlaag,

En wat late najaarsrozen,
Als bewasemend amethist,
Al den weemoed van hun broze
Schoonheid heffen in den mist.

Jacqueline E. van der Waals

=

Wij gingen uit stelen

Wij gingen uit stelen en begonnen meteen
met de dag. Van zonsopgang tot een handvol
peperdure minuten na middernacht.

Wij verzamelden geneeskrachtige kruiden
zoals de zangerige lus van de bergweg,
de speeltuinen en de boomgaard waarin
het boerse linnen te bleken lag.

Wij droogden wat we met honderd listigheden
verworven hadden en stampten het fijn
met de vijzel van alwetendheid tot woorden
die door niemand konden worden uitgelegd.

Eddy van Vliet

=

Scheepje onder Jezus' hoede

Dit is afschuwelijk: die zwarte eenzaamheid,
dit weggeslagen zijn van ied're kust,
dit drijven op de stroom van tijd naar eeuwigheid,
dit worstelen vóór de eindelijke rust.

Ik ben een drenkeling, wiens schip te pletter sloeg
en klem me vast aan nog een wrakstuk hout,
waarom? Ik wou toch dat de zee mij niet meer droeg
en dat ik zonk - ik krijg het al zo koud ­

o God, waar is het schip met 's Vaders Zoon aan boord?
Waar is de kruisvlag, wapp'rend in de top?
Wanneer Gij spreekt, al is het maar een enkel woord,
dan vecht ik door. - Maar nu geef ik het op.

- "Het is niet ver meer naar het veilig strand,
nog éven, kind, dan trek Ik je aan land."

Nel Benschop

=

Annunciatie

Ik hoorde uw voetstap naadren op het pad,
Ik wachtte, en zag u na een korte pooze.
- Hoe geurden 't dennenboschje en de rozen! -
Toen gij mijn open woning binnentradt.

Gij waart dien avond, toen gij tot mij kwaamt,
O Dood, niet overmoedig, niet vermetel,
En toen gij plaats naamt in mijn zachten zetel,
Gelijk een knaap zoo schuchter en beschaamd.
"Ik kom misschien wat laat en ongelegen?
Maar God heeft mij gezonden met een last."
Ik sprak: "Wie tot mij komt van Zijnetwege
Is mij ten allen tijde een lieve gast."
Ik bood u spijze, ik dronk met u den wijn.
Toen spraakt gij vragend, en uw oogen zagen
De mijne niet, naar de uwe opgeslagen,
Maar staarden peinzend in den avondschijn:
"Ik weet, dat ge u een woning hebt gebouwd,
Die gij zoo juist van plan waart te betrekken?
Dat gij de taak, door God u toevertrouwd
Ten laatste aan uzelve zoudt ontdekken,
Als gij uw eigen leven leven zoudt?" ...
Maar met een glimlach sprak ik snel en stil:
"Kwaamt gij, o Dood, mij van mijn plannen spreken?
Spreek en verkondig mij des Meesters wil."
Toen stondt gij op, toen gaaft gij mij het teeken,
Waarmede gij de uwen wijdt, o Dood. -

Ik deed u even later uitgeleide,
Ik zag u duister in het avondrood
Verdwijnen in de duisternis der heide.
En keerde huiswaarts langs het kiezelpad,
Ik sprak niet "goede Dood", ik sprak niet "booze",
En 'k had het leven nooit zoo lief gehad.

Jacqueline E. van der Waals

=

Schemering in 't woud

Hier moet ik peinzend gaan en stil, -
het afgeleefde loof kwijnt aan de twijgen,
ik voel den loomen schemer stijgen -
en stijgen, stil.

Wat glanst het bleeke Westen koud!
een matte lach uit droeve wolkenbrauwen
doet flauw den teed'ren nevel blauwen
in 't gélend woud. -

Ik zie den bleeken stervenswenk.
Ik voel het doffe duister in mij dringen
en verre stemmen hoor ik zingen
al wat ik denk. -

Waar zijt ge, Dood? - zoo gij rondom
op wieken van de schemering komt rijzen,
nu doet uw nadering niet ijzen, -
ik wacht u - kom!

Frederik van Eeden

=

Uit uw hemel zonder grenzen

Uit uw hemel zonder grenzen
komt Gij tastend aan het licht
met een naam en een gezicht
even weerloos als wij mensen.

Als een kind zijt Gij gekomen
als een schaduw die verblindt
onnaspeurbaar als de wind
die voorbijgaat in de bomen.

Als een vuur zijt Gij verschenen
als een ster gaat Gij ons voor
in den vreemde wijst uw spoor
in de dood zijt Gij verdwenen.

Als een bron zijt Gij begraven
als een mens in de woestijn.
Zal er ooit een ander zijn
ooit nog vrede hier op aarde?

Als een woord zijt Gij gegeven
als een nacht van hoop en vrees
als een pijn die ons geneest
als een nieuw begin van leven.

Huub Oosterhuis

=

Voor jou

Heel lang geleden heb ik jou
bedacht
zo had ik altijd iets
waar ik naartoe kon leven
en toen jij zei
'hier ben ik'
was ik niet verbaasd
je was precies zoals ik had verwacht
maar nú pas weet ik
dat ik je niet verzonnen heb

Johanna Kruit

=

Avond in de stad

De groote stem der stad verstomt
en de nachtwind die in mijn venster komt
brengt een vaag en wonderlijk suizen
als zuchten der slapende huizen.

Mijn lamp brandt stil en suizelt zacht
en peinst zijn gepeinzen den langen nacht.
Ik staar in het heldere branden,
mijn katje speelt met mijn handen.

Hoe waren de dagen die verre zijn
toen mijn hart ontwaakte in den zonneschijn?
toen de geuren mij wekten der linde?
toen de kelken knikten der winde?

Waar heb ik de roze het eerst gegroet,
de bleeke, die groeit aan der duinen voet?
Mijn katje speelt in de schaduwen
der gordijnen, met ritslende klauwen.

Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek,
een meidoorn bloeit in den kamer-hoek,
zie, bleekroode rozen omringen
mij rings, en dichte seringen...

Maar een schaduw valt en alle wijkt. -
Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt
in de donkere diepte neder,
zijn staart slingert heen en weder.

Nu komen van over de zwarte stad,
nu stijgen op uit het wiegelend nat
van de kille, duistere grachten,
de kille, zwarte gedachten.

Ze zweven zwijgend door 't venster heen,
op iedere schouder zet zich één,
op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen,
ze drukken met klemmend benauwen.

En dof hoort mijn oor het vaag gerucht
der nachtwind die weeklagend zucht,
de angstige droomen der huizen.
Mijn lamp blijft peinzend suizen.

Frederik van Eeden

=

Sta op, mijn lief, de zon schijnt door de bomen

Sta op, mijn lief, de zon schijnt door de bomen,
De vogels vliegen al om voedsel uit,
De visser achter 't huis sleept in de schuit
Zijn net, gevuld met vissen, uit de stroom en

De stalknecht legt op 't voorplein reeds de tomen
Zijn paarden aan, - sta op, mijn lief, mijn bruid,
De aarde is voor ons ook nieuw en schoon en luid,
Sta op, mijn lief, nu is geen tijd voor dromen.

Kom mee, mijn enigst dat aan 't veld ontbrak.
De reiger stijgt, de ooievaar op het dak
Vliegt hene en weer, de hele hof doorruist

De wind, gezeefd door stralen; 't water bruist
Bij 't vallen om de bocht en schuimt en blinkt,
Warm wordt de lucht die dauw en droppen drinkt.

Albert Verwey

=

Mijn moeder is mijn naam vergeten

Mijn moeder is mijn naam vergeten.
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Neeltje Maria Min

=

Mei

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht,
In een oud stadje, langs de watergracht -
In huis was 't donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels van mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zoo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In 't boschje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald' over de bruggen, op den wal
Van 't water, langzaam gaande, overal
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
Van eigen blijheid om de avondrust.
En menig moe man, die zijn avondmaal
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,
Talmde een pooze wijl de jongen floot.

... ...
... ...

Ik groef een graf waar golven komen toe-
Dekken het zand en legde haar daar neer,
Daarover zand: de golven komen weer
En dalen weer met lachen of geschrei -
Daar ligt bedolven mijne kleine Mei.

Herman Gorter

=

Halfnaakte Nubische

En zij staat zich in het licht te drenken:
Als een levend vaatwerk zijn haar malse
Borsten en haar tepels zijn de halzen
Om een koele laafnis weg te schenken;

Rond haar middel ligt het kleed geslagen
Als om een boeket van bloemenweelde;
Daaruit rijst het rijkelijk gesteelde:
Knop en vrucht zijn evenzeer voldragen.

Lachend en zichzelf in wasdom wetend,
Biedt zij zich de zonnegod als vrucht,
En haar bronzen boezem deint en zucht
Met zijn poriën van 't zonlicht etend;
Zij is oovral in haar lichaam thuis
En daarom zo onuitspreeklijk kuis.

Bertus Aafjes

=

Vrouw en kind

Ik met mijn pijp, die zachtjes paft;
de wake van een hond, die blaft;
op straat een snelle stap, die keert
naar wat men zonder angst begeert
of men het leven haat of mint:
de vrouw die wacht, en 't slapend kind;
ik met mijn pijp en stillen lach
om 't loonend einde van den dag,
die, was hij luide en kommervol
gelijk een stroom die dreigend zwol,
toch weer gemond is in de zee
van avond, rook en vree.

Raymond Herreman

=

Ongerept

Je kent mij jaren en je kent mij niet;
Je hebt geen denkbeeld over mijn emplooi,
Over mijn vreugden, over mijn verdriet.
Je weet alleen hoe ongelooflijk mooi
Mijn lichaam is, als het zich aan je biedt
Zonder vertoon van opschik, zonder tooi,
Die je bij iedre vrouw weer anders ziet:
De poovre pronk van vogels in een kooi.

Als ik mijzelf in 't spiegelglas bekijk,
Weet ik, hoe ver en buiten het bereik
Van je geweld mijn lichaam is gebleven.

Ik ga wat achteruit en glimlach even;
De jaren vallen weg; ik zie het kind,
Het meisje weer, dat ongerept bemint.

Cita Golterman-van Dijk

=

Arcadia

Langzaam kleedt zij zich uit in het lover,
Rilt verrukt en verlangt een rover,
Denkt aan nimfen en faunen.

Nimfen die zich genotvol over-
Gaven aan faunen, naakt onder lover,
Begrijnsd door oude alraunen.

't Rimpelend water spiegelt haar week:
Met haar voetjes in de ondiepe beek
Voeren de golfjes guerrilla.

Op een steen zit haar echtgenoot,
Ziet haar spelen, ergert zich dood
En zuigt op zijn manilla.

Jan Jacob Slauerhoff

=

Laura

Manhaftig ging Jan Bogaart heen,
Met hangend hoofd keert hij terug.
Een last, onzichtbaar, buigt zijn rug.
Twee voeten is een mens allen.

Jan Bogaart heeft zijn paard verkocht.
Nadat ze jaren samen zwoegden,
De straffe grond tot akker ploegden,
Deelde hij Laura's laatste tocht.

Zijn portefeuille is gevuld.
(En geld voorspelt een berg plezier.)
In plaats van die paar gram papier,
Lijkt het of hij een grafzerk zeult.

Geweten ranselt zijn gedachten:
Bogaart, je paard dat achterbleef...
Je wrijft de hand die handel dreef,
Bogaart, smet valt niet te verzachten!

Van populieren sneeuwen zaden
Een blank tapijt van wollig pluis.
't Is hem een lijkwaad naar zijn huis.
Diep in zijn hart kronkelt een made.

O vrouw, ik wil naar bed toegaan
En dat de duivel mij vannacht
Nog haalt, want Laura wordt geslacht,
Voor worstprijs heb 'k haar weggedaan.

Het vaag patroon van het behang
Groeit tot een akelig tafereel:
Men houdt een mes tegen zijn keel,
Onder een bloedstollend gezang.

En harteloze handelaars,
Met petjes op hun platte kop,
Hangen hem in een rode strop
Van worst die glibbert uit hun aars.

Op dat moment vervaagt een vlek,
Een donkere vlek, het spookschavot;
De strop zweeft, als 'n aureool, zot
Boven een bruine paardenek.

Het is zijn paardje dat hem redt...
Zie eens, hij wordt sentimenteel.
Nu, en? Hij snuit, maar stapt dan heel
Wat opgewekter uit zijn bed.

Vrouw, luister, waar 'k ook zoeken moet,
Wat ze ook kost, ik breng haar hier.
Laura, mijn paard, mijn dapper dier,
Jan Bogaart haalt je terug, voorgoed!

Mensje van Keulen

=

Bladeren van tijd

Toen veegde de bezem
van de tijd de bladeren
van alle geleefde levens bijeen.

De wind joeg ze op
en bracht ze op zijn holle rug
buiten ruimte en tijd,
waar ze tot sterren werden.

In helderheid van geest
zag ik mijn ware gelaat
en werd het zien
zonder nog iets te zien,
het licht dat alles verlicht
maar van zichzelf niet weet.

De bladeren van de tijd verkleurden
en in de bloesem van het Al
openbaarde zich mijn goddelijke natuur.
Het was mijn stervensuur
van een nooit meer sterven.

Marcel Messing

=

De nacht gloort koud als gepolijst zwart marmer

De nacht gloort koud als gepolijst zwart marmer,
De sterren, wier geheim geen droom meer teelt,
maken mij nog een lieve illuzie armer
met het precieze van hun roerloos beeld.
O mathematische Orde, niets verheelt
gij van den waan dat hoedt ons een Beschermer;
mijn bloed vloeit niet meer inniger en warmer,
als toen 'k mij, zalig, dacht door 't licht gestreeld,
dat op mij, stillen knaap, uw diepten stortten.
- Dat slechts de dood ons weedom kan bekorten
weet nu de man, wiens laatste heildroom vlood.
O sterren, macht van ruiten en trapezen,
uw strakke lijning is het die mijn wezen
onwrikbaar spreekt van 't eeuwge van den nood...

Urbain van de Voorde

=

En of het zo door kan gaan

Het verschil tussen wachten en verwachten leerde je
van een kat die twee keer van huis liep en maar één keer terugkwam.
Je denkt aan de zuurstoffles die je opa kunstmatig in coma hield.
Of het zo door kon gaan, vroeg je tante steeds, en op Google Maps
heeft zijn fiets nog drie jaar voor de deur gestaan. Daarna was er
S, de man die zei niet verder te willen en daarom al die tijd gebleven is.
’s Nachts vertel je hem over de keer dat iemand je uitschold
voor ‘hoer’ omdat je stilstond op een zebrapad. Alles wat hij zegt
is dat ‘lopen’ in het Russisch twee werkwoordsvormen heeft,
afhankelijk van of men een bestemming heeft of niet.

Else Kemps

=

Wintergepeinzen

Dat ook ons hart rusten kon
lijk 's winters velden doen,
die liggen daar onder Gods hemel wijd
de waarde te vieren
van eenzaamheid.

Ze weten heimelijk meer dan wij
die trappen over hun wijs gezicht;
ze weten: in voren van diep geduld
wordt het mirakel
van 't zaad vervuld.

Wij mensen met ons gulzig hart,
wat is er aan ons te doen?
Wij persen uit alle getijen 't genot,
wij werden niet waardig
de zoom'ren van God.

Dat ook ons hart rusten kon
lijk 's winters de velden doen.
Wij zouden verstild, voor 't wonder bereid
de liefde erkennen
als God nader schrijdt.

Alice Nahon

=

Inzicht

Het gras is groen, de rozen kaal
mijn uitzicht is maar minimaal
en ook mijn uitzicht in het leven
is met de grond gelijk gebleven

Eens stond ik op de Bèlvédère
het geluk schitterde van verre
maar daarna kreeg ik ongeluk
mijn huwelijk liep volkomen stuk

Nu wandel ik in Judy's tuinen
het oude leed wat op te ruimen
het gras is groen, de rozen kaal
mijn uitzicht is maar minimaal

Kees Winkler

=

De Noordzee

De Noordzee doet zijn gore golven dreunen
En laat ze op 't strand in lange lijnen breken.
Zijn voorjaarswater marmren groene streken
En schuim en zwart waaronder schelpen kreunen.

Zie van 't balkon mij naar de einder leunen
Met ogen die sinds lang zo wijd niet keken:
Een droom in 't hart is me eer ik 't wist ontweken
En 't oog wil buiten me op iets komends steunen.

Hoe ben ik altijd weer vervuld, verlaten:
Vervuld van liefde, en hoop en schoon geloven;
Verlaten als mijn dromen mij begeven.

Maar dan komt, o Natuur, langs alle straten,
Uw kracht, uw groei, uw dreiging, uw beloven -
Hoe klopt mijn hart van nieuw, van eeuwig leven.

Albert Verwey

=

Eenzaamheid

De mens is eenzaam tot en met zijn dood.
Nooit is één liefde, nooit één vriendschap klaar
en, zelfs geboren uit eenzelfde schoot,
zijn wij nog vreemden voor elkaar.

Wat weet ik van mijn zuster en mijn vader,
wat van mijn moeder en mijn eigen kind?
En is mijn vrouw mij altijd zoveel nader
dan de arme meid voor 't eerst bemind?

Nooit kan een hart een ander overwinnen;
van lief tot minnaar en van mens tot mens
kunnen wij nooit geheel volmaakt beminnen;
er is altijd een kloof, een grens.

't Is niet eens zeker dat de dood verenen
kan wat het leven onmeedogend scheidt,
en er bestaat niet, van Parijs tot Wenen,
één koffiehuis 'In de Eenzaamheid'!

Jan van Nijlen

=

De erfvijand

Hij stapt eenzelvig op de werf
en kerft met heet gekras mijn naam;
hij tikt vermanend aan het raam:
dan zijn er mensen op het erf.
De zwarte kraai, die Gerhardt heet,
die wreed men beide vlerken sneed,
die diep mij in de vinger beet
toen ik zijn kooi los deed.

Ida Gerhardt

=

Namen

Het blijkt steeds moeilijker
de namen van mijn vrienden te onthouden
die in het jappenkamp gestorven zijn.
Het is ook al zo lang geleden, en
men wordt vergeetachtig, te moe, te oud.
Maar ik herinner mij bijvoorbeeld M.,
naast mij in de dysenterie-barak, die
precies stierf op de vreemde ochtend van
de zogenaamde vrede en bevrijding.
En L., een veel te lange stille man:
ook dood, hij was buitengewoon uitgehongerd.
Dan was er nog een oudere kampgenoot,
hoe heette hij ook weer, de enige
die in mijn hong een wekkertje bezat
dat op een morgen plotsling zomaar stil stond,
op tijd met zijn te uitgeputte hart.

En zo voort, en zo voort, enz.

Het viel tenslotte niet meer bij te houden.
Maar niet vergeet ik, en dit weet ik zeker,
dat zij beschreven staan in 't hemels boek
van Gods erbarmen

en dat ik later, als ik mij nu schaam
voor mijn geheugen, hen begroeten zal
en kennen en omarmen naam voor naam.

Willem Brandt

=

Echo

hier echoot nog de draf van starke peerden
op weg naor 't laand, een vrogge zummerdag
as de natuur nog stil te slaopen lag
en mörgenmist een flauwe zun trotseerde

de logge lieven leverden heur slag
zij zoltten met heur zwiet de zwaore eerde
tot zwalvies 's aovends deur het dörp hen scheerden
laangs klompgeklep en klaore kienderlach

de klaanken van het olde dörpse leven
bestörven op de lippen van de tied
zweeft daor nog hoog boven de Drentse dreven

drieft dan in doodse stilte vot van hier
een laote liester zingt een ofscheidslied:
een requiem veur een souvenir

Suze Sanders

=

Jezus die door de wereld ging

Jezus, die door de wereld ging,
was in een landstad aangekomen
en had zijn ongemerkten weg
over het marktplein heen genomen

En zag een hond stroef als een wolf,
plat op de stenen, onbewogen,
wiens leven heengeweken was,
wiens Jozef uit de put getogen.

En om het kreng verrot en vocht
stonden de mensen stil en keken
en waren bits: een gierenzwerm,
die op een aas is neergestreken.

En een: de walg van dit gezicht
benevelt en verwart het hoofd
met troebelingen als een kaars
roetwalmend door de wind gedoofd.

Een ander: van dit gistend vod
en vuil het enigste gewin
is duisternissen voor het oog
en schrik en afschuw voor de zin.

Zo zong een ieder daar zijn lied
maar allen in denzelfden toon
en overstelpten met verwijt
en spraken bitterheid en hoon.

Jezus zag naar het liggend dier
en sprak en zeide enkel dit
en was beschamend rondom:
de tanden zijn als paarlen wit.

J. H. Leopold

=

Ver als de horizon ben je

ver als de horizon ben je
in de glazen kist van het weer geborgen
beukend op de blikken deksels
van het najaar
ik zie de bliksem langs je lichaam trillen
en de regen loopt onrustig door je ogen

ik kan de afstand die mij van je scheidt
in lichtjaren tellen
en in de meter van het geluid
zoemen de seconden

mijn handen opnieuw in gebruik gesteld
sluiten het onweer in je borsten buiten

alleen de regen is thuis
op de platte daken van de nachten
zonder duizelingen

Simon Vinkenoog

=

Concentratiekamp

Niets dan de stem van een kind op den weg
is genoeg om volkomen gevangen te zijn.
Achter het prikkeldraad wuiven de heesters;
wat verder staan boomen, en rein
In de lucht van den zomer klinkt eensklaps daarachter
het heldere, hooge geluid
Van 't kind, dat pleizier heeft, en 't weet niet hoezeer het
voor allen de vrijheid beduidt.

Dit lijkt op het heldere schellen der huisbel
na schooltijd, als 't Zaterdag is:
Dan komen ze stoeiende vragen aan vader,
waar morgen, direct na de Mis
De wandeling heengaat. Ze maken hun plannen;
het huis is te klein voor 't geluk
En luid breekt de geestdrift der schoone verwachting
den ernst der studeerkamer stuk.

Wat baat het, van kindren en vrijheid te droomen
terwijl men toch vruchteloos tuurt
Om achter de heesters een glimp te betrappen
van 't leven? - Gevangenschap duurt
Niet korter, wanneer men zijn eigen geluk zoekt, -
wij zijn meer dan zeshonderd man.
Een kind op den weg heeft gelachen, wij hoorden 't
en elk werd er eenzamer van.

Anton van Duinkerken

=

De moerbeitoppen ruischten

'De moerbeitoppen ruischten;'
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in den stillen,
Den stillen nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

Den morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zoo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.

Nicolaas Beets

=

Waar gaat haar licht nog om...

Waar gaat haar licht nog om? Ik weet niet meer
hoe het bewegen in haar voortbeweegt,
of er nog hemel in haar ogen staat
en zonnewarmte in haar open mond;
of zij nog woorden tot de avond zegt
om zich te redden voor het zwarte vuur
dat achter haar bewustzijn woeden ging
wanneer de dag verviel tot blinkend puin.

Ik ga de nachten binnen zonder dat
ik het gemartel van haar leven hoor
rumoeren in de blinde atmosfeer:
snikken en kreunen halfgesmoord, het dof
gehamer van haar vuisten op de muur,
voetstappen op de koude grond, een gil
die openwaait en kantelt als een vlam,
gordijnen, ramen losgerukt, de wind
die uit de einder toestroomt als een zee,
en eindelijk het neergestorte lijf,
een trillende ruïne, waar de mond
dwaas en vergeefs in openstaat, een put
die droog en dorstig zelf naar water snakt.

Soms in de nanacht houd ik mijn gezicht
tegen de stilte van de tijd omhoog
en luister of haar leven nog geschiedt,
maar nooit dringt er iets anders tot mij door
dan blanke wind, van haar bleef mij geen spoor.

Maurits Mok

=

Meisjes

Ja, zo vanaf mijn zestiende heb ik
rabiaat achter de meisjes aangezeten.
'k Wist wel niet wat 'k moest doen als 'k er een ving,
maar 't waren zulke fabelachtige wezens.

Godinnen van een geheimzinnig rijk,
waar je af en toe een glimp van op mocht vangen.
Dan sloot de voorhang weer en bleef je alleen.
Maar overal in je hoorde je ze zingen.

Fluisteren ook vooral. En giechelen. Zag
je er dan zó gek uit? Je speelde toch
'n aardig partijtje in D F C-a.

Ongrijpbaar cirkelen ze om je heen.
Die 't dichtste bij leek, bleek plots 't verste af.
't Was nog verwarrender dan algebra.

C. Buddingh'

=

Afscheid

Zul je voorzichtig zijn?

Ik weet wel dat je maar een
boodschap doet
hier om de hoek
en dat je niet gekleed bent voor
een lange reis.

Je kus is licht,
je blik gerust
en vredig zijn je hand en voet.

Maar achter deze hoek
een werelddeel,
achter dit ogenblik
een zee van tijd.

Zul je voorzichtig zijn?

Adriaan Morriën

=

Kamelen

Langs het stervend goud der horizon
Gaan op slanke wereldwijze benen
De kamelen, plotseling verschenen,
Naar het wachtend water van de bron.

En hun hals reikt ver vooruit naar 't doel,
En hun neuzen staan gevleugeld open,
Dédaigneus en adellijk. Zo lopen
Joodse rabbi's soms door 't stadsgewoel.

Dorstig dravend en door niets belet,
Laten zij nochtans hun haast niet blijken,
Zouden liever aan hun dorst bezwijken
Dan de maat verliezen van hun tred,
En zij zweven door het avondgoud
Als muziek - die enkel wordt aanschouwd.

Bertus Aafjes

=

De zon

De zon. De wereld is goud en geel
en alle zonnestralen komen heel
de stille lucht door als engelen.
Haar voetjes hangen te bengelen,
meisjesmondjes blazen gouden fluitjes,
gelipte mondjes lachen goudgeluidjes,
lachmuntjes kletterend op dit marmer,
ik zit en warm m' er.

Kijk ze nu loopen wendend om me heen,
't lijkt wel een herfst op den witten steen,
een herfst van dorre en gele kraakbladen,
engelen in wevegoudwaden,
zwevende guldvliezen,
neigende zonbiezen,
fluitende gouden zonnegeluiden,
ze leiden elkaar van uit het zuiden,
ze loopen over mijn marmersteen
in goudmuiltjes heen.
En 't lijkt of ze nu wel overal zijn,
de wereld is vol met een geelen goudwijn.

Herman Gorter

=

Gezelliana

Als 't nood doet, janverdomme,
zullen wij als Gezelle,
van den blauwvoet en de blomme
vertellen;
van Maria en Ons Heer,
en nog veel dingen meer,
kleine en grote;
maar anders gegoten,
anders gehamerd en gevijld;
van den ketter en den blootvoet,
van den kromme,
scheef geschoold en dweers gestijld;
- als 't nood doet,
janverdomme.

Richard Minne

=

Gedragslijn

Ons voegt een adieu waar een bescheiden
Maanlicht in meedoet zonder ironie.
Laat de laatste woorden ongesproken;
Laten we niet zinspelen op 't scheiden.
Doe alsof je oogen zijn geloken
Als ik steelsgewijze naar je zie.

Zonder pathos gaan wij uit elkander
Waar het tuinpad eindigt in het gras.
Glimlach luchtig, tegen beter weten...
Spoedig vinden we elk wel weer een ander.
Doe alsof je nu al bent vergeten
Hoe dit alles bitter ernstig was.

Eens, na jaren, zien we elkander weder
En gaan groetend aan elkaar voorbij.
Maar dit afscheid leeft dan nog in droomen:
't Leek banaal, 't was zoo verzwegen teeder.
Doe alsof je wist dat dit moest komen...
Ga nu, snel, want anders spreken wij.

Victor E. van Vriesland

=

Strofen op lente en herfst

Geluk, ik houd u gansch in eenen lach gevangen,
omdat de dag zoo klaar mag zijn,
de zon is in de kap der boomen opgehangen
als 't bleekgeel licht van witten wijn.

Geluk, ik heb u vaak aan de einders willen zoeken,
moeizaam moerassen doorgewaad,
en nu, op wandel met wat verze' uit oude boeken,
toont ge onverwachts uw lief gelaat.

Geluk, als straks de zon weer naar de kim zal nijgen,
vergaat uw groene en gulden schijn?
O ongeloovig hart, leer bidden of leer zwijgen,
leer mild in leed en vreugde zijn.

Maurice Roelants

=

Bleek dat hij haar helemaal niet kende

Bleek dat hij haar helemaal niet
kende. Wist ineens niet meer
of hij in dit grand hotel van de vermoorde onschuld
ooit eerder logeerde.

Was zij als afwezige wel bij te benen,
met prioriteiten uit het ongerijmde
waande hij zich in Atlantis, doof en blind -
waar stilte leegte dekt en zwart straalt wit
en niets rest dan ons te laten drijven tot het komen gaat
als het gaan begint.

Zo zou hij ook geen weg geweten hebben
met z'n eigen leven
als hij niet verzekerd was geweest
van haar aanwezigheid als geest zijnde.

Hans Verhagen

=

Fantoom

Het is een woord voor pijn die geen
bestaansrecht heeft; je lijdt aan
een afwezigheid, je snakt met hart
en huid naar wat er eerst nog was.

Wat afgesneden is dringt zich bedrieglijk
op, je strekt je armen blind naar
de verzaagde voet, een leegte,
het verdwenen kind. Het is een naam

voor wat zich voordoet in de zestien
meter van de ziel: een spookbeeld snelt
de doelmond in en doet alle verlies
teniet, maakt alles goed.

Anna Enquist

=

Bericht aan de reizigers

Bestijg den trein nooit zonder uw valies met droomen,
Dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.

Zit rustig en geduldig naast het open raam:
Gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.

Zoek in 't verleden weer uw frissche kinderoogen,
Kijk nonchalant en scherp, droomrig en opgetogen.

Al wat ge groeien ziet op 't zwarte voorjaarsland,
Wees overtuigd: het werd alleen voor u geplant.

Laat handelsreizigers over de filmcensuur
Hun woordje zeggen: God glimlacht en kiest zijn uur.

Groet minzaam de stationschefs achter hun groen hekken,
Want zonder hun signaal zou nooit één trein vertrekken.

En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente
Van uwe lust en hoop en zuurbetaalde centen,

Blijf kalm en open uw valies; put uit zijn voorraad
En ge ondervindt dat nooit een enkel uur te loor gaat

En arriveert de trein in een vreemdsoortig oord,
Waarvan ge in uw bestaan den naam nooit hebt gehoord,

Dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen
Betekent voor de dolaards en de ware wijzen...

Wees vooral niet verbaasd dat, langs gewone boomen,
Een doodgewone trein u voert naar 't hart van Rome.

Jan van Nijlen

=

Heks heks

Tover jij?
je leeft zo eenvoudig
als duizend anderen
binnen een tent van frans katoen
met je borsten in twee kleine voorkamers
binnen een huisje van dunne kleren
zo klein zo klein
dat je benen de straat op moeten

je droomt zo bescheiden in je ogen
je werkt zo eenvoudig met je schouders
als duizend en een vrouwen
waarom moet mijn stem dan buigen
of een prinses voorbijkomt?

ik geef mij over
er komt een onmetelijke
vredige luchtvloot over

bekèn het maar je
(heks heks)
doet het, nietwaar,
toveren.

Jan G. Elburg

=

Misbruik

Ziet men aan de dorenstruiken
't Geurig roosje niet ontluiken,
Lentes uitgezochte roem?
Ook de distel, ook de netel,
Heeft haar plaats om Floraas zetel,
Ieder braamsteng draagt haar bloem.

Ach, in alles is genieten;
Slechts het misbruik schept verdrieten.
Waarom grijpt ge woest in 't rond?
Laat uw ogen dankbaar weiden
Waar de schoonheên zich verspreiden;
't Is niet al voor hand of mond.

Ieder zintuig heeft zijn waarde;
Ieder heeft zijn deel op aarde:
Riek het bloempje; smaak de vrucht;
Zie Natuur haar kleed schakeren;
Hoor het boskoor kwinkeleren;
Voel de zoele kus der lucht!

Waan niet, als een God der Goden!
Alles onder uw geboden;
Dienstbaar aan uw grilligheden!
Stervling, stel uw zwelgzucht palen;
Waar Gods weldaân op u dalen,
Wees met wat Hij schenkt tevreden.

Willem Bilderdijk

=

Hoe meer zielen

Ik heb een ziel
die precies in mij past -

ik doe alles met mijn ziel
klop op mijn ziel en stof hem af
schaaf aan mijn ziel en blaas de krullen weg
boor gaten in mijn ziel en vul ze weer op
met nuchtere gedachten.

Ik wou dat ik meer zielen had
en van een andere soort
oneffen zielen kromme zielen
zielen als spartelende zilvervisjes
als meisjes in een winterjas
zwarte zielen.

Maar mijn ene ziel-
een tamelijk vierkante effen en solide ziel -
vult reeds alle beschikbare ruimte
en krimpt geen millimeter
zolang ik leef.

Toon Tellegen

=

Minne

Het zoetste van de minne is haar storm;
Haar diepste afgrond is haar schoonste vorm;
In haar verdwalen komt ze omtrent;
Wie om haar hongert eet succulent;
Haar wantrouwen is zekerheid;
Haar pijnlijkste wond is gezondheid;
Om haar wegkwijnen is langer leven;
Haar verbergen is vinden en beven;
Om haar wegteren is gezond;
Haar verhelen doet alles kond;
Wat zij achterhoudt zijn haar giften;
Woordeloos zijn haar mooiste gedichten;
Haar gevangenis houdt open deur;
Haar hardste slagen zijn haar zoet labeur;
Haar plundertocht beurt buit en dromen;
Haar weggaan is steeds dichter komen;
Haar diepste stilte is haar hoogste klank;
Haar grootste verbolgenheid is haar liefste dank;
Haar ergste bedreiging is volledige trouw;
Haar droefheid is loutering van alle rouw;
Haar rijkdom zijn al haar gebreken.

Men kan nog meer over minne spreken:
Haar hoogste trouw doet laag zinken;
Haar hoogste wezen doet wreed verdrinken;
Haar grote rijkdom verbeurt have en goed;
Haar bevoorrechten geven blijk van tegenspoed;
Haar troost maakt de wonden groot;
Wie met haar omgaat sterft menige dood;
Haar voeden is honger; haar kennen is dolen;
Verleiding is de wijsheid van haar scholen;
Haar strelingen zijn woeste stormen;
Haar manieren kennen geen normen;
Als ze zich toont dan wil ze verhelen;
Als ze iets schenkt dan wil ze weer stelen;
Haar beloften worden niet bewaarheid;
Haar tooi is volledige naaktheid;
Haar waarheid is een en al bedriegen;
Haar erewoord komt velen voor als liegen;

Daar kunnen velen en ook ik
van getuigen op ieder ogenblik:
Dikwijls heeft de minne ons geleid
En ons daarbij deerlijk misleid,
In de waan dat we haar bezaten;
Sinds ze voor het eerst de spot met me dreef
En ik eindelijk hoogte van haar kreeg,
heb ik haar niet alles meer toegelaten;
Haar eeuwig dreigen en haar beloven,
daarmee word ik nooit meer bedrogen.
Het laat me koud of ze goed of slecht is;
Ik wil voor haar zijn al wat ze zelf is.

Hadewych

=

De genezing

Zij stond voor den grooten spiegel
En lachte haar beeltnis aan;
Zij had haar zijden kleedsel,
En haar parelsnoer aangedaan.

Zij waande zich genezen;
Haar wang was weder rood;
Zoo helder glansden hare oogen,
Zij vreesde niet meer den dood.

Och, jong verkwijnend harte,
Dat zich zoo gaarne bedroog:
't Was koorts, die gloeide op haar' wangen,
't Was de dood, die blonk in haar oog!

Rosalie Loveling

=

De boomen dorren in het laat seizoen

De boomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter.
Wat is dat alles stil, doodstil... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.

Ach, 'k had zoo heel graag heel, héél veel willen doen,
Wat Verzen en wat Liefde, - want wie mint er
Te sterven zonder dees? Maar wie ook wint er
Ter wereld iets door klagen of door woên?

Ik ga dan stil, tevreden en gedwee,
En neem geen ding uit al dat Leven meê
Dan dees gedachte, gonzende in mij om:

Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:
De doode bloemen keeren niet weêrom,
Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.

Willem Kloos

=

Thalassa

De nacht was in de eikebossen
Tussen de heuv'len klaar en koel;
En statig stapten onze rossen
Naar 't oosten en 't verlangde doel.

Toen woei een windje in onze oren
Een vreemd gemurmel, ver en veeg . . .
En briesend sprong mijn ros naar voren,
In onbevolen draf en steeg,

En stond ter kruine. Onbewogen,
Onder de koperrode maan,
Aanschouwden onze ontroerde ogen,
Onmetelijk, de Oceaan!

Geerten Gossaert

=

Vier naakte vragen uitgeschud op een papier

Vier naakte vragen uitgeschud op een papier
Dat als een zakdoek toegevouwen
Naar je werd opgestuurd -

Liefste, besta je nog? mis je mijn brieven,
Las je mijn verzen en mag ik
Altijd van je houden?

Mijn noden zijn zo dood-
Eenvoudig, het zijn die van een denkend dier.

Elly de Waard

=

Het buitenmeisje

Zij vroegen of ze tevreden was,
In de stad tevreden en daar?
Het jonge meisje knikte ja,
Ze waren zo goed voor haar!

Zij knikte ja, zij zweeg en ging
In de kelderkeuken staan,
En zag omhoog door 't vensterraam
Op straat de voeten gaan.

Toen dacht zij aan het groene veld,
En aan haar ouders hut:
Daarover waait hoog de populier,
En de vlierboom staat aan den put.

Het geitje op 't grasplein, ginds de verre kerk,
En de lucht oneindig blauw, -
Haar moeder haspelt aan 't open raam,
En haar vader zit op 't getouw.

De wiedsters in 't veld en de leeuwrik omhoog,
- O lag zij bij hen in het vlas! -
En zat zij te peinzen, toen vroegen zij haar,
Of zij tevreden was?

Zij waren zo goed en zo vriendlijk met haar,
Zij kon niet zeggen: "Neen."
Maar 's avonds als zij slapen ging,
Toen weende zij alleen.

Virginie Loveling

=

Vondelingskens

'k Vond z'in Vlaanderen, waar geen hand
Zegent d'idealen...;
Waar men, als een vreemde, bant
D'eigen zoete tale.

'k Vond ze, waar geen zachte stem
Door m'n zuchten streelde...;
'k Vond ze ver, heel ver van hem,
Ver van alle weelde.

In 't vertellen van wat wind...,
't Rits'len van de hagen...,
In de kijkers van een kind...,
't Scheem'ren van de dagen...

'k Vond z'in 't eigen stil gedacht...,
In wat bloemen-zegen...;
'k Vond ze, spelend langs de gracht
Van verlaten wegen...

Zoudt ge weelde vragen toch
Van die schaam'le dingskens...?
't Zijn geen rijke kind'ren..., och,
't Zijn maar vondelingskens...

Alice Nahon

=

Het koningsgraf

Met een gezicht uit zuiver goud geslagen,
Zoals herinnering mij heeft gebeeld
Naar al de nachten dat wij samen lagen
En lach en traan hebben gedeeld,

En mond aan mond en oog in oog verzonken
De adem en het licht hebben gemengd,
En van die volle liefdesbeker dronken
Ons aan elkanders hart hebben verzengd; -

Naar die herinnering, in goud gedreven,
Lig ik onder het masker van mijn dood
Te zuchten en onzichtbaar voort te leven
In hunkring naar de diepten van uw schoot,
En 'k tast het duister van mijn koningsgraf
Met lichteloze gouden blikken af.

Bertus Aafjes

=

Eben Haëzer

Besloten zaterdagavond bij ons thuis,
Mistvoeten liepen sluipend langs de schuur.
Er was geen ziel meer buiten op dat uur;
de blauwe boerderij een dichte kluis.

Daar woonden wij bijeen met man en muis.
Door koestalraampjes viel een richel vuur
uit goudlampen op deel, eeuwig van duur
en stil van lijnkoeken en hooi in huis.

Mijn vader celebreerde er de mis:
de koeien voeren, plechtig bij de koppen.
Hun tong krult om zijn handen als een vis.

Een schim, diagonaal tot in de nokken.
Godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken.
Zijn aderen beginnen te verkalken.

Gerrit Achterberg

=

Michael van W.

Wat ze ook willen, die dolle honden in mijn kop hebben altijd honger,
altijd dorst. Niet over praten. Het daglicht weet ze te verjagen,
voor even – maar zodra ik ga liggen begint het gedonder,
ze krabben me steeds uit mijn slaap, piepend om teven
of vlees, willen naar buiten gelaten.

Hoe noemt u dat? Bestaat er een woord voor de man die ik word
als ik me, buiten bereik, aan een straatkat vergrijp, kunt u
dat vatten met gekte of moord, lijnt mij dat aan? Ze luisteren niet.
Ze draaien, ze dreigen – ik ken ze bij naam, hun vlekken

en happende kaken – maar hier wil ik niet over praten, niet nu
het licht is. Niet bang zijn. Hier voel ik me veilig. Weet u
dat er een boek bestaat met dezelfde naam?

Voorop staat een man en zijn mond, zijn bek – je ziet
dat hij gromt, zijn tanden ontbloot en achter hem
de volle maan, precies zo schijnheilig.

Zoals hij, behaard als een hond – zo zou ik het doen als ik kon.
Op hem zou ik lijken. Dit dolle dat mij drijft dan
buitenkant, dit hongerige aan te wijzen.

Ester Naomi Perquin

=

Hoor eens ik haat je

Hoor eens ik haat je,
ik schreef dat je lief was en licht -
en nog wat onzin over je gezicht
maar nu haat ik je, god wat haat ik je.

Die neus, dat hoofd, die paardenbek,
die ogen en die gierennek
dat kraagje en dat bloemkooloor
met al je slierten haar er voor.

Hoor eens ik wou graag zijn
jou, maar het kon niet zijn,
het licht is uit, ik zie je alsnog
zoals je werkelijk bent.

O ja, ik haat je,
ik haat je zo vreselijk,
ik wou het helemaal niet zeggen -
maar ik moest het even kwijt.

Ingmar Heytze

=

'k Zag steeds een bleke Christus

'k Zag steeds een bleke Christus, aan zijn kruis,
voor al de zonden van het mensdom lijden
en in 't gejoel van 't woedend volksgespuis,
nog stervend zijne beulen benedijden.

Maar 'k zie hem thans, door 't buldrend stormgedruis,
in volle luister op de watren schrijden,
de sjacheraar verjagen uit Gods huis,
de dode wekken en de slaaf bevrijden.

Hoe heerlijk daagt de grote Liefdegod,
vergeving zaaiend met zijn milde handen
en Liefde prijzend als het hoogst gebod.

'k Voel ze alverterend in mijn harte branden,
de àlleliefde, die geen schepsel uitsluit, géén,
maar zie 't Heelal door Uwe blik alleen.

Prosper van Langendonck

=

Zie ik hou van je

Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht-
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar dat kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees'lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen -
Maar ik kan het toch niet zeggen.

Herman Gorter

=

Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen

Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen,
Want waar mijn ogen langs de wanden dwalen
Schemert uw lach daarheen. Ontelbre malen
Hoor ik in 't klokgetik uw voeten treên.

En langzaam nadert gij, zo ver, zo kleen...
'k Zie dat een brede neevlenkring met valen
Lichtlozen sluier u omhult; dan dalen
Zachtjes uw lichte schreden naar mij heen.

Uw adem vaart mij aan! gij zijt verschenen,
Ik zie uw ogen in mijn ogen gaan;
'k Hoor in de wind, die langs mijn ruiten henen

En door de schouwe klaagt, uw woorden aan,
Zó vrees'lijk droef en teer, dat 'k u zie staan,
Met bukkend hoofd, om in mijn arm te wenen.

Lodewijk van Deyssel

=

Met de rozen

Ik heb met de rozen gewed
dat hij op tijd zou zijn
dat ze hem nog zouden zien.
Ze bloeien heel lang dit jaar.

Ik heb met de kastanje gewed
dat zijn bladeren niet zouden vallen
dat ze niet zouden vergelen
en dat ik met hem kastanjes zou zoeken
en dat hij kwam.

Met de hei met de haag met de bleke steeds blekere zon.

Ik heb met de sneeuw gewed
want daar gaat het toch om
dat mijn voetstap
geen spoor achterlaat waarvan mensen
zeggen dat meisje is altijd alleen;

ik heb met de sneeuw gewed
dat hij weer terug zou zijn
dat er sneeuw moet zijn
voor wie wil kussen
voor wie wil bezitten.

Stil zei de maan wees stil
je bent hem al bijna vergeten.

Ankie Peypers

=

De pottenbakker

De meester zegt: "geef aan de schaal
De bocht van 't brood; waartoe een fraai bokáal,
Als toch de drinknap in heur holle hand
Lessching genoeg voor elken dorst omspant?
Vergun tot eenig sieraad Uwe kruik
De gulle welving van een gladden buik.
Zwaar is het leven, ernstig; bloed en zweet
Proeft ge aan haar gaven als ge drinkt en eet;
Zorg gij dat, in een soobren vorm geprangd,
Het simpelst vat die bittre vrucht ontvangt."

Maar zoo ik voor mijn venster zit en werk,
En in de lijst van 't raam mij veld en zwerk
Verrukken door hun machtig schilderij, -
De madelieven flikkren in de wei,
Zwaluwen slieren arabesken snel
Van wolk naar wolk, uiteen vouwt de kapel
't Mystieke 'wonder van zijn teekenschrift,
Met diamantstift op saffier gegrift, -
Dan beeft mijn vinger, wijl de draaischijf snort,
Het blinkend nat over den leemklomp stort,
En onbewust druk ik de weeke klei
Tot kelken, lijk de bloemen van de wei,
En rank en pooprend zwelt omhoog de tuit,
Of daar een vogel opwaarts. wiekt en fluit;
In 't zwierig lijnspel dat ik mijmrend trek
Fladdren de vlinders met hun stom gesprek,
Terwijl ik eindlijk op mijn fijn penseel
Den blauwen schemer van den hemel steel;
En eerst als gaaf het kunstwerk voor mij staat,
Ach, denk ik aan den meester en zijn raad.

Aart van der Leeuw

=

Het naadren van de avond komt mijn wangen rozer malen

Het naadren van de avond komt mijn wangen rozer malen
en doet een leeuwrik zingen in het hart, dat u verbeidt.
Ik vouw mijn bleke handen als een tere, vlezen schale
op mijn bevruchte schoot, waarin g'uw liefde hebt geleid.

En in mijn warme flanken voel ik stil uw kind bewegen.
Een zwoele, troeble vreugde maakt mijn jonge leden lam.
Ik voel uw mannenmacht zo al-verterend op mij wegen
en huiver van geluk als een door wind gewekte vlam.

Het naadren van uw stappen komt mijn handen weer ontvouwen
en feller klopt het bloed, dat stadig onze liefde voedt.
Gij weet het niet, o man, dat wijl ik u in d' ogen schouwe,
een andre liefde in mij me dubbel van u houden doet.

Julia Tulkens

=

Angst

Ik ben voor bijna alles bang geweest:
voor ’t donker, voor figuren op het kleed
voor stilte, voor de schorre kreet
van de avondlijke venter, voor een feest,
voor kijken in de tram en voor mezelf.
Dat zijn nu angsten, die ik wel vertrouw
Er is één ding gekomen, dat ik boven alles vrees
en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf
onder een vracht van rede, tot het wederkeert:
dat is het nuchtere gezicht van mijn mevrouw
wanneer zij ’s morgens in de kamer treedt
samen met het ontluisterd licht en dat ik weet
wat ze zal zeggen: nog geen brief, juffrouw.

Maria Vasalis

=

kom

en ontneem de kamer
de stilte van inge-
houden tranen.
breek mijn borst
open en leg je hand
om mijn hart want
de regen huist er.
kom, stoor je niet
aan niet storen;
klop op mijn deur,
ik wil je binnen

Agnès Snitker

=

Goedemorgen, hemelse mevrouw Ping

is U de zachte nacht bevallen, hebben de on-
deugende, geheimzinnige planten naar behoren

gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige
zuigelingen aan de builenpest bezweken?

Hebt U de interessante nerveuze godvruchtige
vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel

bekeken, druk telefonerend van: hallo, met piet
kom je op mijn tak - o de sierlijke levendige

vogels, allemaal allemaal voor de brave poes,
die veelbeproefde droevige moeder. Ja verdomd,

deze ziekte, lieve beklagenswaardige mevrouw,
is een wrede rakker en zoveel is wel duidelijk:

er valt niet tegenop te baren, waar zelfs het
begrafeniswezen, die intieme huisgenoot, die

zeer bekende schenker ook van lauwe melk,
op zijn verlengde achterpoten het ter

aarde bestellen welhaast niet meer bij kan
benen, nietwaar, dame Ping, radarbesnorde,

dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin?
Het is nu beter te zitten zonder weemoed in

de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog
teder is en de gordijnen levendig in de goede

vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke,
kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,

er loopt een belangwekkend, héél klein maar
bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen

onder de hemelsblauwe hortensia

Fritzi ten Harmsen van der Beek

=

De avond valt

de avond valt en alle kleuren doven
ik luister naar het tanend licht
en naar het woordenloos verhaal
van wind en water en van late vogels
nog raar gehoord in deze streken

ik verzaakte aan de rechten van de jager
op het aangeschoten rillend wild
de wateren zullen niet meer splijten
mijn dwingende stem een stotterend gestamel

maar verwondering blijft ongebroken
en blijdschap om eenvoudige dingen doorvoeld
nu is het wachten op wat niet meer komen zal
gekoesterd de nagelaten tekens van vervulling
ik dacht laat dit nooit overgaan
maar de avond valt en alle kleuren doven

Jan Gloudemans

=

De stilte

Min de stilte in uw wezen,
Zoekt de stilte die bezielt.
Zij die alle stilte vreezen
Hebben nooit hun hart gelezen
Hebben nooit geknield.

Draag uw kleine levenszegen
Naar het droomenlooze land,
Lijk de golve' heur oogst bewegen.
Tot zij zacht breken tegen
Het doodstille strand.

Zie den boom de paden tooien
Rondom zijnen stillen voet,
Laat uw ziel zich zoo ontplooien
En haar bloemen om zich te strooien
Uit een vroom gemoed.

Leer u aan de stilte laven
Waar het leven u geleidt:
Zij is uwe veilge haven,
Want zij de groote gave
Van de eeuwigheid.

Carel Steven Adema van Scheltema

=

gaver agave: geen

Jij rijst, ik zeg: als een agave, in 't ademend
licht der zeven eerste dagen, van vòor
de appel werd verdeeld. En ruisend
langs je heupen smelt tot glans mijn nacht.

Ik schenk je de weigerigste
bloem die ik won, gaver agave geen:
mijn lippen, gegroeid uit een bittere stilte,
van zand en wervelwind doorschroeid.

De regens openen met plotse, brede vinders
mijn spleten en mijn blinde droogte, pracht
treedt in. Een woekering, laaiende agave
die stervend éens en voor altijd haar zwijgen overwint.

Wilfried Adams

=

Geachte Muizenpoot,

Hoe gaat het met U, met mij goed. Wel is alles heel
vervelend, als ik voorover lig gebed in mijn gedachten

aan U en ben ik ook heel eenzaam. En onderga de lente
als een flauwte. Dit is mij nu zo vaak al overkomen dat

ik er de klad van in mijn wezen heb en dat tussen het
afgerukte vlees der hyacinten de verplegers van die

bloemen knielen voor vreemdelingen. (Dit heb ik zelf gezien
vanuit de trein naar Haarlem.) Zoiets zondigs en krank-

zinnigs U te schrijven, maar omdat lente en liefde een
aberratie is - en niet omgekeerd - opdat U daar niet in

zal trappen, in een vreemd land en zo eenzaam te dwalen.
(Bepalend voor het lot van zwervelingen enkel herkomst.)

Nu met mijn hart gaat het wel betr, maar de tuin is
verwoest mijn lam, verwoest. En sta ik radeloos onder

onzuiver groen in dit en komende seizoenen: mijn hoofd
en hatens toe, mijn hout tot bladeren bedorven en

schrijven wij pas mei. Dat hebt U er nu van, mij
's winters te beminnen en 's zomers te dwingen onder

raar lover humorloos en onchinees te wezen, mij, lief
hebbend evenwichtig als een oude man, genegenheid bed-

weterig doen zien ontaarden in het teer, vraatzuchtig
zeuren der libelle-achtige dames, want ik weet mijn plek.

Een teer punt. Een voordeel zo te zien, maar wezenlijker
reden om over in te zitten dan de onbenulligheden die

van onderhonden het gedachtenleven leidt tot in priëlen
van zelfbeklag: zulk lijden slecht gemotiveerd maar zinvol,

want wie, wie vreet mijn spijt? Neem dan de bomen maar, die
bloeiend blind tot vaderloos afvallige vruchten, bederf en

winterkou: en nooit een klacht! Want tot verstommens toe is
liefde hun te moede. Te moede is. Liefde mij te moede, is

liefde mij ... ...

Fritzi ten Harmsen van der Beek

=

Vertweezaming

Ik wil niet op je lippen liggen,
me niet verschansen in je oorschelp
en verdwalen in het oerwoud van je haren.

Ook niet van je neusbrug skiën, koffie
onder de beschutting van je wimpers drinken
en in je blauwe ogen pootjebaden.

Zelfs niet dansen op je wangen, duiken
van je tong en op je tanden landen
of door je speeksel waden.

Maar maak je rimpels tot de paden
waarop ik, altijd samen,
naar het einde van mijn eigen leven loop.

Hagar Peeters

=

Het uitwijkbos

Dieren die gaan sterven kennen de tijd
waarop zij het jachtveld moeten verlaten
uit te wijken naar onvindbare gaten
zonder verzet in de laatste strijd

Wij schuifelen nog langs paden en straten
hoe zeer ook geraakt aan de eeuwigheid
Wij zijn pas tot de laatste snik bereid
als welke heul ook ons niet meer wil baten.

Ieder van ons kent zijn eenzaamheid
op zoek naar een plek in het uitwijkbos
om stil te zijn met zijn innigste denken

en van de laatste lasten bevrijd
ogen te sluiten tussen boom en mos
in wachtend keren naar 't laatste wenken.

Jan H. de Groot

=

Je zoenen zijn zoeter dan...

Je zoenen zijn zoeter dan
zoeter dan honing en ik vind je
mooier en liever, liever
en aardiger nog dan de koning.
We gaan samen liggen
een eind hier vandaan
we maken van takken
van takken en blaadjes
een vloer en een dak,
dat was onze woning,
of ik was het tuintje
en jij was de tent
daar gingen wij wonen
en blijven en horen
o rep je mijn liefje
ik heb je zo graag
nu of nooit samen slapen
want we zijn er
alleen maar vandaag.

Judith Herzberg

=

Avonduur

de avond hangt zijn grauwe tapijten
verdronken in een eindeloos alfabet
van regen
zwart glimmende kevers
zoeken een uitweg
uit de dronken stad
de schemerverte vlamt in ambergloed
van oude likeuren
alleen de schaarse bomen
heffen hun naakte armen nog
als priesters zonder god

dit wordt mijn uur
het late heilige uur
dat ik mijn naam mag horen
in de lawaaien van de winden

Adriaan de Roover

=

Twee kinderen

Wat blijft er van het hooge vuur,
wat blijft er van omarmen?
Een kind - en men betaalt het duur -
om d'ouderdom te warmen.

Wanneer ik van het witte bed
't gordijn terzij kom schuiven,
zie ik ze liggen onbesmet,
haast zachter dan twee duiven:
Elisabeth en Carolien,
twee sterren in de nachten,
twee snelle schaduwen misschien
op 't zeil van Gods gedachten.
Zij halen adem als de zee
zij droomen als de dieren,
zij varen met de wolken mee
en stroomen als rivieren.

Doch wat zij zijn in 't wereldplan
of achter blauwen aether,
wordt daar mijn hart geruster van
en hùn gesluimer beter?
Tot waar zij spelen loert de dood
en niemand waakt ten volle.
Waarom - als hij een kind ontbood
dat hoepel, slee of tollen,
lichtzinnig met zijn vrinden mee,
te laat nog op wou rapen -
is het dat àndre, niet de twee
die hier zoo vredig slapen?

Zij zijn gestrengeld in elkaar
en arm in arm gevangen,
één vloed van beider blonde haar
valt neer langs beider wangen.
Elkanders broosheid zoeken zij
nog in het onbewuste
en zochten zeker heul bij mij
als ik ze wakker kuste:
bescherming bij dat wankel riet,
door waaiend lot bewogen,
en stoorloos enkel in zijn lied,
eenzelvig opgetogen -
door 't lied gedreven van den haard
der kalm-gestreelde zinnen
en weder door het lied bewaard
voor menschelijk beminnen.

Een wreede zorg is 't vader zijn
en niet te kunnen geven
dan blinde liefde, die met pijn
zich klampt aan 't heete leven.
De streng van 't vleesch bindt evenzeer
den vader als de moeder,
maar keert zijn geest in kindren weer,
de man wil te verwoeder
in zijne kindren voortbestaan
en door hùn licht behagen,
zijn eigen pad ziet hij begaan
met hunkeren en vragen.

Zooals de zwemmer, 's morgens vroeg,
zich in den stroom wil doopen
en zijne hand niet snel genoeg
het nachtkleed kan ontknoopen -
zoo ongeduldig, onverheugd,
staat hij nog eens ten drempel
van zijn voorgoed verloren jeugd
en speurt naar d'ouden stempel.
Hij hoort der stemmen hoogen schal,
het juichen en het klagen,
hij streelt der haren losse val,
om hoofd en hals geslagen.
Hij zoekt in oogen, die zoo teer
bewimperd kunnen smeeken,
hij neemt die handen, keer op keer
belijnd met eender teeken.
O diep en grondeloos geheim
van bloed en geest tezamen,
is alles waanbeeld, alles schijn,
wie geeft ùw nachtmaal namen?

Twee kinderen in het witte bed,
twee kleine, zachte lijven.
O kon ik, door geen waan besmet,
in hen 't verlangen drijven,
dat somtijds, als de demon zwijgt,
den grond der ziel doet trillen,
totdat zij van een dorsten hijgt
dat niet meer is te stillen.

Jan Engelman

=

Ik zie een man

Ik zie een man in battledress
tussen de mensen lopen.
Ik zie er nog een... hopen...
dezelfde muts, dezelfde tres,
dezelfde bronzen knopen.

In Oslo, Londen, Amsterdam,
in Brussel, Kopenhagen,
zie ik dezelfde kragen,
zie ik dezelfde mannen stram,
dezelfde stengun dragen.

Wat onderscheidt hun hart, hun land,
wat groenen van de grauwen?
Een reepje op de mouwen
met Norge, België, Nederland
bij 't leeuwtje met de klauwen.

De man aan man gebattledressed
wie houdt het leger tegen?
Waar is het doel gelegen?
De vijand Oost, de vijand West
marcheert op alle wegen.

Gelijkgeschakeld lijf aan lijf,
gelijk van broek en knopen,
ik zie Europa lopen,
ik zie de mannen dood en stijf,
ik zie de dood bij hopen.

Jan H. De Groot

=

Pastorale

de buurvrouw is dood
ze is overleden
en nu wordt ze begraven
in de stoet loopt een oud mannetje mee

maar hij kan het tempo niet bijhouden
hij blijft wat achter
en halverwege het kerkhof
bedenkt hij dat het tijd wordt

om weer om te keren:
gelijk met de stoet
arriveert hij in het dorp
bij het verlaten sterfhuis

Karel Soudijn

=

De stille weg

De stille weg
de maannachtlichte weg -
de bomen
de zo stil oudgeworden bomen -
het water
het zachtbespannen tevreeë water.

En daar achter in 't ver de neergezonken hemel
met 't sterrengefemel.

Herman Gorter

=

Vuilniszakken

Zoals ze daar ’s morgens
op de stoep tegen elkaar
aan geleund warmte zoekend
in hun plastic jassen
staan te wachten, grijs,
vormeloos, vol afgedankt
leven, tegelijk broos
en weerloos. Je zou ze
weer naar binnen willen
halen, je ouders
wachtend op de bus.

Victor Vroomskoning

=

De rave

Met zwart- en zwaren zwaai aan 't werken door de grauwe,
de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;
die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,
gelijk een dwalend spook, eilaas geen' ruste en vindt.

Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in 't zwarte; als kolen,
zoo staan heure oogen zwart, in hun' twee zwarte holen
te blinken; rouwgewaad en duister doek omvangt
het duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.

Ze is stom! Ze 'n uit geen woord en 't waaien van heur' slagers
en hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragers
stilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,
en wendt alhier aldaar heur' zwarte ravenvlucht.

Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat steden
zijt gij, met damp en doom en 's winters duisterheden,
alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Van
wat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman?

Is ziek- of zuchtigheid, uit 's noordens grauwe landen;
is sterfte wederom, is hongersnood op handen?
Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;
of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?

Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varen
alwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme baren
staan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooit
noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!

Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldieren
te zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:
ja, 's winters, als de snee' heur laken heeft gespreid,
nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.

En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,
voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,
en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,
al in één enkel woord, heur' winterboodschap: 'Spaart!'

Guido Gezelle

=

De ontdekker

Den rustigen die mij tartten te vertrekken
Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd
Rijkdommen fabelachtig te ontdekken,
Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd,

En eindlijk in triomftocht aangebracht.
Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot.
Wel waren bijna al mijn mannen dood,
Maar alle havensteden bont bevlagd.

Toen moest ik knielen voor den gouden troon.
De koning boog en wilde mij een keten
Omhangen - die ik hem met wilden hoon
Ontrukt heb en een hoovling toegemeten.

Nog heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd,
En in haar grijze oogen zag 'k mijn vrede.
Ik neeg - maar in mij brandde toch het felst
't Vuur dat mij voortdrijft buiten rust en reede.

En haastig heb ik mij weer ingescheept,
Zeker van een ontdekking, anders grootsch,
Maar ben door onweerstaanbre drift gesleept
Naar zeeën leeg en kusten steil en doodsch.

Nimmer belijd ik mijn dwaling, mijn zwak.
Voor dezen blinden muur zal 'k blijven kruisen
Tot 't eind der wereld met mijn trouwe wrak,
Waarop drie kale masten: galgen? kruisen?

Jan Jacob Slauerhoff

=

Ochtend in Hoorn

Geluiden waar de wereld mee ontwaakt
maken mij stiller nog dan ik al ben,
een hond die blaft, een kind op klompen en
een man die fluitende een schuit losmaakt.

Dat is het leven, simpel en volmaakt,
waar 't rhythme der oneindigheid in fluistert,
waaraan dit hart zo hevig is verkluisterd,
dat het verzaakt maar nooit geheel verzaakt.

Geluiden waar de wereld mee ontwaakt,
waar ik zo grensloos graag naar lig te luist'ren,
- laat mij ze horen tot het later duister,
wanneer dit hart zijn stille maatgang staakt.

Han G. Hoekstra

=

Semele's dood

Geen vrouw ziet ooit haar minnaar als hij is:
Hij is een groot en wervelend phantoom,
Een reuzenrad, waarvan haar kleine droom
Eén stand omlijst, en al het and're mist.

Zoo wentelt hij door haar gevangenis,
En knarst en slijpt over haar kleederzoom,
Maar nimmer zal in haar eenzelvig vroom
Opblikken zij hem vatten als hij is.

Alleen de god kan zich soms openbaren
In zijn geheel. Tot maat'ging niet bij machte
Komt hij dan monsterachtig aangevaren,

Brandt door haar kleed, en maalt en slijpt haar stuk,
Onwetend, zelfs als god, van al die nachten
Dat zij een deel van hem borg in 't geluk.

Simon Vestdijk

=

De zolder; echtelijke neurologie

Laten wij over versleten
ruggenwervels klauteren
naar de cortex van het huis.
Onder het zware schedeldak
liggen de beide hemisferen
zo rustig naast elkaar in
isomorfe spiegeling,
onwetend van elkanders
functioneren, doof, onver-
schillig voor elkanders taal.

Op hersenstamniveau
is er contact. Volstrekt
verschillende systemen
coördineren zich, zodat de
hypotheek betaald, kerstmis
gevierd, de deur gesloten
wordt. Ieder op eigen wijs
hanteert de klont van trouw
en veiligheid en ergernis
die huwelijk is. Lumbaal.

Anna Enquist

=

Meisjes

Een meisje rooft de dood
droogt hem in Sprookjes van Grimm
voor 'n nog onbekend poesiealbum.

Een ander kaapt
het woord 'geheimnis'
dat ik niet missen kan.

De jongste pikt een lipstick
schrijft op spiegels
wat ik vergeten wil.

Draaiend in hun hoepels
buiten bereik van smaal
vinden ze lyriek maar leip.

De loeders bouwen
een zeppelin van wind
en verwaaien.

Harry Vaandrager

=

Die ontmoeting

Ek wou al wat ek het vir jou bewaar:
die jonkheid van my lyf, 'n hart wat bly
en sterk is en gelate om te ly,
en oë wat weifelloos en helder staar.

Deur al die jare was ek wys en vroom
in stil afwagting, en jy was nie ver,
want bo ons hoofde was dieselfde ster
en in ons harte was dieselfde droom.

Ek het alreeds die gretigheid geweet
van jou gelaat, en dikwels het ek jou stem
gehoor het ligte aarseling en klem...

Toe was dit dat opeens die sagte kreet
van welkom klankloos bly: met 'n gebaar
van vae onsteltenis staan ons voor mekaar.

Elisabeth Eybers

=

Dinska Bronska

Uit een oud dorp,
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka,
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en heur haar vlas-geel;
ook waren haar oogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.
In het 'Hôtel Lapland' zat zij
bij een tafel aan het straat-raam
zij schreef 'n brief.
Een haarlok viel laag op haar roode kaak
en zij stak haar tong uit,
want zij schreef moeilijk die brief
en daaronder 'Dinska Bronska', haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar oogen langs het plafond.
Op het papier waren 'n inktvlek
en groot gestrompel van letters:
zij kocht het voor tien centiem
in de kruideniers-zaak
over het hôtel.
Er was 'n beetje inkt aan heur kaak.

O, Dinska Bronska,
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanach
der 'Red Star Line'
dat Canada grooter appels,
o, hooger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn!

O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zoo moeilijk die brief.
Je oogen zoeken vliegen op het plafond.
'Moj Boze!'
Er zit 'n tranen-veeg,
o zoo verdrietig,
van je blauwe oogen naar je mond.

O, Dinska Bronska!

Karel van den Oever

=

Ik ween om bloemen

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan,
Ik ween om liefde die niet is ontloken,
En om mijn harte dat niet werd verstaan.

Gij kwaamt, en 'k wist -- gij zijt weer heengegaan...
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
Ik zat weer roerloos nà die korten waan
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:

Zo als een vogel in den stillen nacht
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

Willem Kloos

=

De schalmei

Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter,
Behalve Wanjka die Iwan heette.

Allen konden werken:
Eén was geitenhoeder,
Eén vlocht sandalen,
Eén zelfs bouwde kerken;
Maar Iwan die Wanjka heette
Wilde niet werken.

Op een steen in de zon gezeten
Bespeelde hij zijn schalmei.

"O, mijn lieve,
Mijn lustige,
Laat mij spelen
In de schaduw van mijn
Korte rustige vallei.
Laat andren werken,
Sandalen maken of kerken.
Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei."

Jan Jacob Slauerhoff

=

De dorpelen en de gesloten vensters

Want dat ik van je heb gehouden, dat staat vast.
De rest niet - of je bestond
en als, wat dan voor kleur ogen, de ene keer groen,
dan weer grijs, eens schoot er een zwerm
zwaluwen uit omhoog. Wat voor. Van die snelle,
die niet kunnen lopen, vrijen gebeurt in de lucht.
Hoe ging het. Je werd
ziek of zo, meegenomen, er was veel te doen,
ik kreeg geloof ik een nieuw kind en vergat je
tot ik je hoorde vannacht, onmogelijk uur,
kom het is tijd. Laat alles achter, kom buiten,
ik wacht op je bij het hek.
Maar toen ik daar stond, de grendel
was los, het sloeg in de wind
tegen de balk en ik maakte het vast en liep terug,
denkend aan je, dat je daar godweet echt
had gestaan, het hek losgedaan,
dat ik van je gehouden heb en dat
het hout niet goed in de scharnieren zat.

Eva Gerlach

=

Literatuur-les

Verlaine heeft slecht geleefd
en was heel dikwijls dronken.
Hij had een lelijk gezicht,
ons heeft hij gedichten geschonken.

Het mooist is 'Sagesse',
dat schreef hij in staat van genade.
Van de rest deugt niet veel,
toen was hij met zonden beladen.

O, Paul, o, Verlaine,
Ik kots van de poëzie,
Geef mij La Fontaine
que j'aime à la folie.

Mien Proost

=

Herinnering aan Holland

Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hoge pluimen
aan de einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband,
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

H. Marsman

=

De afstand

Ik luister eenzaam naar Daventry,
terwijl ik een vlieg op het tafelblad zie.

Hoe was je vanmorgen om negen uur?
Je witte handje lei over het stuur.

Je zat in de Hudson als baby in bed,
ik had mijn gedachten opzij gezet.

En ik zag, als ik over je schouder boog,
hoe de snelheid met sprongen steeg in je oog.

Maar niets van jou heeft mijn hart geraakt;
we hebben alleen maar een ritje gemaakt.

Ik luister eenzaam naar Daventry,
terwijl ik een vlieg op het tafelblad zie.

Albert Kuyle

=

Duizend nachten en dagen

Als een koning op een nors eiland
gaat de wind heen en weer door de avond.
Ik jaag op mijn onzichtbare leven.
De vleugels van mijn ogen branden.

Zwarter worden de vogels.
Een koperen avond schalt in de bergen.
Onder de houten bomen graast de rust,
maar niemand gelooft het.

Alle struiken verbergen soldaten.
Het gruis van de regen likt aan het water.
Het koper verschaalt en gaat onder.
Alleen ik vlieg nog rond met mijn vernederde onrust.

Nooit zal ik een keer mijn lichaam ontmoeten.
Een schuldig gordijn houdt me voor eeuwig van me gescheiden.

Cees Nooteboom

=

Het proefondervindelijke gedicht

de zoeker naar de aard van een gedicht en
van des gedichts dichter
hij zal doof zijn voor het ijlingse
loven en laken van modejager & modeverguizer

de dichter hij eet de tijd op
de beleefde tijd
de toekomende tijd
hij oordeelt niet maar deelt mede
van dat waarvan hij deelgenoot is

mijn gedichten zijn gevormd
door mijn gehoor
en door de bewondering voor
en de verwantschap met
friedrich hölderlin & hans arp

de tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij
daarom de proefondervindelijke poëzie is een zee
aan de mond van al die rivieren
die wij eens namen gaven als
dada (dat geen naam is)
en
daar dan zijn wij damp
niemand meer rubriceert

Lucebert

=

Ik die bij sterren sliep en 't haar der ruimten droeg ...

'Ik die bij sterren sliep en 't haar der ruimten droeg
als zilveren gewei, en 't stuifmeel der planeten
over den melkweg blies en in de maan gezeten
langs 't grondelooze blauw der zomernachten voer,

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer
in 't doode firmament, niets dan de galm die keert
van 't sombere gewelf van mijn ontredderd hart.

ik sta alleen, geen God of maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband,
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand
in 't naamloos wel en wee der brandende woestijn.

ik voel de waatren stijgen in den nacht,
de angst rijst naar den mond en aan mijn lippen staan
vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan
in slaafsche horigheid aan het roofzuchtig bloed.

niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan
en kermen als een meeuw tusschen het zwarte wier;
die eens als zon in 't zenith heeft gestaan,
zal bijten in het zand als een krepeerend dier.'

H. Marsman

=

September

Het koren
gepikdorst
de luchten
wat slordig geveegd
de hazen verbaasd
met trillende oren
hun graanschuur
hun schuilplaats verloren

steeds groter 't verlangen
om zomers te houden
de groeiende aren
door mijn handen geglipt
de nachten steeds kouder

heimwee zo fel
naar velden
geel van tarwe en zon
schoonheid voorbij
die zoëven begon

Rein-Hilde Verbruggen

=

Fado

Ben ik traag omdat ik droef ben,
Alles vergeefsch vind en veil,
Op aarde geen hoogre behoefte ken
Dan wat schaduw onder een zonnezeil?

Of ben ik droef omdat ik traag ben,
Nooit de wijde wereld inga,
Alleen Lisboa van bij de Taag ken
En ook daar voor niemand besta,

Liever doelloos in donkere stegen
Van de armoedige Mouraria loop?
Daar kom ik vele' als mijzelve tegen
Die leven zonder liefde, lust, hoop...

Jan Jacob Slauerhoff

=

Nocturne

De maan leunt over de wolken
en ik aan de vensterbank;
in een aandacht, stil en onpeilbaar,
vergeet zij de donkere aarde
en ik de donkere wijn
voor het hemelsch, onsterfelijk vergezicht,
waarin op de zwartblauwe weide
onzichtbare engelen spelen
tusschen de heldere sterren.

Halbo C. Kool

=

Horeb

We zijn er bij gaan zitten op het mos
en deden alle twee de schoenen los.
Er klonken een paar woorden over 't weer,
die snel verzonken in de atmosfeer.

Onder het kreupelhout verschoot een vos.
Ik zag de bomen niet meer door het bos.
Het hert sprong naar ons toe, licht als een veer,
en legde zich voor St. Hubertus neer.

Hij zei: Aanbidden wij, op deze plek.
En ook het dier boog daar de ranke nek.

Belijden wij. En we beleden schuld,
getroffen door Gods kinderkatapult.

Geef Gode eer. Wijd open mond en bek,
hebben wij daar staan zingen als een gek.

Gerrit Achterberg

=

Daarom weet ik

daarom weet Ik gelukkig
te moeten zijn :
omdat ik
niets kan aanrichten
in een wereld
rondom mij,
als mijn aanwezigheid niet tot voorbeeld strekt,
als uit mij
niet de liefde
voor iedereen
spreekt.

ik moet nog zoveel leren en Ik durf het,
omdat ik zo serieus ben
als de duif
die de hele dag
in de boom voor mijn huis In haar nest zit.

tik ik even tegen het raam, kijkt ze op of om
even later broedt ze weer, zonder zich iets
van mij aan te trekken.
Ik broed niet,
ik zaai.
ook ik heb het
in een boom gevonden.
ik heb ervan geleerd.
het is onvoorstelbaar,
het leeft in mij,
in jou,
in iedereen.
niets gaat verloren.
Ik leef niet voor niets.

Simon Vinkenoog

=

Polshoogsprong

Aanloop en afstoot waren welberekend
voordat hij zich verhief tot deze reis,
glanzend wit staat zijn smalle lijf getekend
tegen een eindeloos diep zilvergrijs.

Zie: die ons snel en argeloos heeft verlaten,
wiens schaduw danste over ons gezicht,
houdt nu - subliemste aller acrobaten -
de wereld op een mast in evenwicht.

Han G. Hoekstra

=

Sterfgeval

Ze was nu wel geheel verstorven
en sprak, als van de overkant;
haar adem was alreeds bedorven;
een vreemde vrucht haar rimpelhand.
Haar etterend oog was half geloken,
haar mond verzakte tot een scheur;
de dokter heeft z'n nek gebroken
over de klompen voor de deur.
'Het sneeuwt', zei een, en keek naar buiten;
men hield een spiegel voor haar mond;
dan ging de meid de blinden sluiten
en bracht de eerste borrel rond.

Jac. van Hattum

=

Melkalbast

en geen mispel kunnen platten.
Al buiten bereik: ronding,
rondingen. Sleetse sporen
van wind, afgeweerd.

'Game.' De mispel

is haast een appelachtige;
kruis- noch aalbessen
zijn haast appelachtigen.

Straks, als het waaien begint,

hervindt het hier zijn einde:
omtrent de stenen plint.

Hans Faverey

=

Een bezoeker afgewezen

Een suite, kroost, een huisman en zijn gade:
Het lijkt precies reclame voor Verkade
Met liefde en thee, biskwie en hoger leven,
Een smal geluk, mààr 't wordt cadeau gegeven!
Wat wil je in zo'n milieu nu halen, Hein?
Het is te vroeg om met je mee te gaan.
Aanschouw de knusheid van dit samenzijn:
Het leven is niet slecht al is 't een waan!

Hier zit mijn vrouw, je moet haar vriendlijk groeten;
Haar weerga zult ge op reis niet vaak ontmoeten.
Zij is zo rustig, zo eenvoudig, eerlijk.
Zij is zo pienter en ze omhelst zo heerlijk.
Laat mij bij haar, ik apprecieer dit liefs.
't Hiernamaals mag dan veel geprezen zijn,
Het houdt toch altijd iets speculatiefs
En doodgaan doet ons ongetwijfeld pijn.

En ginds zitten mijn beide zoons te lezen;
Ze vinden 't prettig om bij mij te wezen.
Ik ben gelukkig als ze met mij spreken
Van auto's, postzegels en kleine streken.
Laat mij met hen, wij zijn al zo gewend.
Wat gij belooft, Hein, is me veel te vaag,
En of dat engeldom in 's hemels tent
Mij sympathiek zal zijn, is zéér de vraag.

Hier zijn de katten, die mijn warmte zoeken,
Mijn schrijfbehoeften, bibelots en boeken.
Hier is mijn bed, waarin ik voor de zorgen
Zo donker en zo diep lig weggeborgen.
Laat mij voorshands dit kinderlijk plezier
In wat men ijdel noemt: het aards bezit.
Want de andre wereld biedt niet veel vertier,
De hel is heet, de hemel veel te wit.

Hier zijn mijn oude vrienden die het leven
Versieren en er de gloed en kleur aan geven,
Met wie ik lachen kan en debatteren
Zonder de kans dat ze mij ruw bezeren.
Laat mij die vrienden en de vreugde om wie
Zijn hand legt onbaatzuchtig in mijn hand.
Wie garandeert mij dat ik één twee drie
Zulk goed gezelschap vindt in 't andre land?

Heer Hein, je komt te vroeg, ik ga niet mee.
We zijn nog jong, we zijn nog niet blasé.
Probeer het nog eens na een jaar of tien,
Wanneer de jongens weg zijn... dan... misschien...
Neen nooit! Al word ik corpulent en oud,
Dit leven blijft mij boven alles lief.
Als je me wilt - ik heb je nóóit vertrouwd -
Moet je me 's avonds stelen als een dief.

Jan Greshoff

=

Onbetamelijk gedicht

Dit zwijn hinnikt,
dat zwijn zuigt,
dit zwijn hikt,
dat zwijn kruipt,

dit zwijn eist,
dat zwijn hapt,
dit zwijn krijst,
dat zwijn pakt,

dit zwijn is baas,
dat zwijn is braaf,
dit zwijn is daas,
dat zwijn is slaaf.

Dit zwijn gaat,
dat zwijn blijft,
dit zwijn verraadt,
dat zwijn kijft,

dit zwijn is er niet bij,
dat zwijn zou kunnen zijn.
En wat zei jij, mijn zwijn?
'Niemand is zo zwijnig als wij.'

Hugo Claus

=

Japansche danseres

Zij was zoo tenger dat het wijd gewaad
Haar eerder hulpeloos dan grooter maakte,
Zoo kinderlijk alsof het smal gelaat
Onder de zware wrong zoopas ontwaakte.

Maar toen de fluiten gilden, trommen trilden,
Een gong bonsde, wierp zij zich in den strijd;
't Was of zij even aarzelde, even rilde,
En toen - een ruk, een zwaai, zij was bevrijd.

Als een samurai met een smallen degen
Snel schermend honderd vijanden weerstaat,
Hield zij een heir van booze geesten tegen,
Was Foedsji-puur haar dans, machtloos het kwaad.

Maar toen woest-plotsling de muziek verstomde,
Alleen de fluiten nog geklaag aanhielden,
En zich de nacht over den tempel kromde,
De luide bijval loutre stilt' vernielde,

Werd zij weer needrig, tenger, slank en vloog
Nog eenmaal op en stond dan, bijna brekend,
Alleen de armen hield zij nog omhoog,
En boog het hoofd, als om vergeving smeekend.

Jan Jacob Slauerhoff

=

Aria van de volwassene

Als zij straks thuiskomt, te laat,
Geurend van lucht en straat,
Zoek ik bij mijn strenge ontvangst
Tussen verzorging en kastijding
De sublieme balans,
En dansen wij, op spitzen van trouw,
Ik de boosheid, zij het berouw,
Ik de hardheid, zij 't smeken om hulp,
Ik vergeving, zij dank,
Tot wij in sublieme glans
Van ogenblauw, wangenrood, traan
Ons verzoenen, buigen en gaan,
Laatste stand in de pas de deux,
Laatste blik in de warme dans
Die zij later lichter dan wij
Verliefd met haar poppen danst
En wie met mij.

Alfred Kossmann

=

Het huis

Dit was aan mij gewaagd.
De haag omheen de tulpentuin,
Parfum, mahonie, Chippendale.
De woeste bloemen in het dal.

Toen de vijver dichtgevroren.
De patrijzen weerloos en schuldig
Stijgend als trage, malse Messerschmitts.
En de wijn zwaar en roerloos.

Het ijs droogde aan de heesters.
En 's nachts hoe stond ik in de erker
Kijkend naar haar laarsjes in
De door wind beschreven sneeuw;
Het laffe licht van het trapportaal.

Er groeiden weer algen door het water.
Ik waste mij 's ochtends in de waan
Om wat was, was geweest en was.
Het lover zoog aan zon en regen.

(De tuin geen krimp,
De beuken barsten niet.
De lijster beluistert het gras.)

Nic van Bruggen

=

Vader

vader kocht ooit
een verzameld werk:
een bundel gedichten
van degelijk merk.

bij wat hij mooi vond
zette hij strepen
een enkele keer
een uitroepteken.

bij tijd en wijle
herlees ik die
zeer summiere
biografie:

in een code
van strepen en stippen
steeg het water
hem naar de lippen.

Willem Wilmink

=

Aan een verloren vriend

Gij zult me in 't vreemde land wel nooit gedenken,
Ook mij ontging allengs uw verre beeld.
Nu komt dit uit der jaren schemers wenken,
Zo wazig als een droom een droom doorspeelt.

Toen 'k nog uw ogen zien, uw stem mocht horen
In 't stille stadje eens onzer jeugd ter woon,
Gingt gij mij reeds, hoe ik ook bad, verloren,
Want elk zocht in dit leven ander schoon.

U joeg een wilde drang naar wereldsteden,
Waar 't leven krampt als in een snikkend hart,
En koortsdoorschrijnd elk vliedt voor zijn verleden,
Maar in de strikken van het nu verwart.

Mij liet het leven stil en peinzend achter,
Voor altijd in gedroomde vlucht gestuit.
En 'k tuur, als op een berg een eenzaam wachter,
Over de dalen van 't verleden uit.

Wel kende ook ik dat einderwijd verlangen
Naar tochten over aardes breed gebied,
Als niet één dak onze onrust kan omvangen,
En ied're dageraad ons verder ziet.

Maar ik wist dit: slechts weinigen is gegeven,
Weinigen van ons, die ied're schijn verleidt,
Het leven naar zijn schoonsten wil te leven:
De velen raken nooit tot zaligheid.

U sloegen de onverzoenlijk- wrede vlagen
Van 's levens bitterheid en barren nood.
Toch zult ge nu zelfs niet uw keus beklagen:
Gij mocht niet anders, waar de droom gebood.

Maar mij zijt gij verloren. Lange stoeten
Van uren zijn sinds 't scheidingsuur vergaan.
En 'k wens geen weerzien: als we elkaar ontmoetten,
Zouden we, een vreemde naast een vreemde, staan.

Hoe eindloos teer klinkt mij dat woord in de oren,
Teer als aan middaglucht een ijle maan,
Die broze luiding van geluid: verloren...
Is heel dit leven niet verloren gaan?

Weet dan, verslagene, maar immer strevende,
Dat steeds mijn hart de herinnering bewaart:
Mijn vriendschap is u nog als voor een levende,
Mijn weemoed om u of ge een dode waart.

J. C. Bloem

=

Het sterkste

Sterk is - wie zal het tegenspreken?
De Steen; doch 't IJzer kan hem breken.

Sterk is het IJzer; maar het zwicht
Toch voor de laaie Vuurgloed licht.

Sterk is het Vuur, doch 't moet bezwijken
En voor de kracht des Waters wijken.

Sterk is het Water; maar, hoe sterk,
De Wolken trekken 't op in 't zwerk.

Sterk zijn de Wolken; doch de vlagen
Des Stormwinds kunnen haar verjagen.

Sterk is de Storm; maar hoe hij woed',
De Man spot met zijn overmoed.

Sterk is de Man, die wonderwerker;
Maar toch is vaak de Wijn nog sterker.

Sterk is de Wijn; maar, hoe vol kracht,
De Slaap verwint hem door zijn macht.

Dus moogt ge op Sterkte u niet verheffen:
Iets anders kan u overtreffen.

J. J. A. Gouverneur

=

Indien ik je dragen kon

Indien ik je dragen kon
over de diepe grachten
van je gesukkel en je angsten heen,
dan droeg ik je,
uren en dagen lang.

Indien ik de woorden kende
om antwoord te geven op je duizend vragen
over leven, over jezelf,
over liefhebben en gelukkig worden,
dan praatte ik met je,
uren en dagen lang.

Indien ik vrede in je hart kon planten
door gelukkig te wachten en te hopen
tot het zaad van vrede in je openbrak,
dan wachtte ik,
uren en dagenlang.

Indien ik genezen kon
wat omgaat in je hart
aan onmacht, ontevredenheid
en onverwerkt verdriet,
dan bleef ik naast je staan,
uren en dagen lang.

Maar ik ben niet groter,
niet sterker dan jij
en ik weet niet alles
en ik kan niet zoveel,
ik ben maar een vriend op je weg,
al uren en dagen lang.

En ik kan alleen maar hopen
dat je dit weet:
je hoeft nooit alleen te vechten of te huilen
als je een vriend hebt
voor uren en dagen lang.

Marcel Weemaes

=

Modern times

Zelfs een transistor
is stilte
als je hem afzet.

J. Bernlef

=

Karrekiet

Meer dan fris, 't is huivrig koud.
't Mantelkleed maar dicht geslagen!
Doch het vangt al aan te dagen;
'k Zie al enkle vonken goud.
Hadden zorgen, droeve dromen,
Mij het zoet der rust benomen,
En gezweept naar 't open land,
Aan de stille waterkant,
Groeten mij luidruchte galmen
Uit de nat bedauwde halmen,
Helder klinkt in 't jonggroen riet
Karre-karre, kiet, kiet, kiet!

Toen de lentezon de grond
Met haar zachte koestring blaakte,
Toen het minnevuur ontwaakte,
En de rietmus 't gaaike vond,
En het kunstig nestje maakte,
't Aan een drietal halmen haakte,
En dit kinderlievend paar
't Voering gaf van mos en haar,
Toen klonk hier op blijder wijzen,
Of zij God ook wilden prijzen,
Zacht verteedrend in het riet,
Karre-karre, kiet, kiet, kiet!

Maar thans tiert een gans gezin
In dit huis van droge blader,
Hoe voelt nu de man zich vader!
Twee paar jongen zijn er in.
Of hij 't ieder wil vertellen,
Zie ik thans zijn kropje zwellen,
En hij zet zijn keeltje uit
tot een wakkerder geluid.
Beestje! ik luister; - wees tevreden!
'k Deel uw kleine zaligheden.
Dreun maar schel in 't ritslend riet
Karre, karre, kiet, kiet, kiet!

Zie, de zon is opgegaan;
't Wolkt en walmt langs 't water henen;
Bloemen lachen, bloemen wenen,
't Kelkje met de dauw belaân.
Gele boterbloemen pronken;
De vergeetmijnietjes lonken,
En de waterroos ging los,
't Riet schudt de gepluimde bos.
Klink' thans over land en water
't Lied met jubelend geschater,
Ook een toon in 't scheppingslied:
Karre, karre, kiet, kiet, kiet!

B. W. A. E. Sloet tot Oldhuis

=

Hier gaat het om

Hier gaat het om
niet om het een of ander
maar dit:

Spreken een snelle eigentijdse taal
geloof hechten aan rooskleurige liefde
en veel heel veel aan stukken slaan.

Op voortvarende vogels reizen zoekend
de volheid van de regen de nacht
de bloemen overgevoelige instrumenten.

Beken het
beken het luidkeels en ruiterlijk.

Al breken de ogen
Veranker de wandelende stem.

C. B. Vaandrager

=

Te mei haddic een bloemken

Te mei haddic een bloemken
In mijn hertjen vercoren,
Dat is mi desen couden winter
Afghevroren.

Dat bloemken licht verborghen
Onder den couden snee:
Sal ic van u scheiden, goet lief,
Dat doet mi wee.

Sal ic van u scheiden, goet lief,
Dat valt mi swaer:
So settic al mijn hopen ende troost
Int niewe jaer.

Dat niewe jaer dat comet
Met vrouden an.
Ic hope dat si mijn boelken
Noch wel worden sal.

?

=

Eens in een woud liep ik en dacht in dromen

Eens in een woud liep ik en dacht in dromen
aan U, tot bij een open plek mijn pas
inhield.-Het scheen of even voor mijn komen
daar uw gestalte heengeschreden was.

Ik zag er langzaam nog het laat licht doven
zoals een lamp die men vergeten heeft.
De hoge bloemen en het loof erboven
wiegden nog waar uw kleed was heengezweefd.

En alles wat in de eeuwen is verdwenen
was in die bloemen en hun wiegeling-
het eigen leven was toen lang al henen,
nauwlijks de schaduw van een mijmering.

En toen ik eindlijk opzag uit mijn dromen
stond aan de woudzoom dier geheimenis,
hoog voor het diepe donker van de bomen,
uw vreemde zuster, die de Schemering is.

-

Uw zuster, zij die ik de Schemering noem

Uw zuster, zij, die ik de Schemering noem
en die ik liefheb; - troostte zij mij niet
eens toen ik zwak was? zong ik niet haar roem
eens in het eigen weemoed zingend lied?

Maar nu ik die verloor, en luistrend leun
tegen de steilte van den tijd, en hoor
in 't donker diep der eeuwen zeegedreun
zingen wat de aard eens zong en lang verloor,

is zij mij meer geworden dan een vrouw,
die troost en die een kind uit meêlij kust;
haar liefde werd mijn wonder en mijn trouw
geheim van wijsheid en mijn dal van rust...

en mijn bedwelming, die zij om mij wond
wanneer zij mijmrend naar mij zag, en naar
mijn mond haar langzaam openende mond
neeg in de brede schaduw van heur haar.

Adriaan Roland Holst

=

Mijn hert is als een blomgewas

Mijn hert is als een blomgewas,
dat, opgaande of toegeloken,
de stralen van de zonne vangt,
of kwijnt en pijnt en hangt gebroken!

Mijn hert gelijkt het jeugdig groen,
dat asemt in de dauw des morgens;
maar zwakt, des avonds, moe geleefd,
vol stof, vol weemoeds en vol zorgens!

Mijn hert is als een vrucht, die wast
en rijp wordt, in de schauw verholen,
aleer de hand des najaars heeft,
te vroeg, eilaas, den boom bestolen!

Mijn herte gelijkt de sterre, die
verschiet, en aan de hooge wanden
des hemels eene sparke strijkt,
die, eer 'k heraêm, houdt op van branden!

Mijn herte slacht den regenboog,
die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,
welhaast gedaan heeft rood en blauw
en groen en geluwe en peersch te schemelen!

Mijn hert... mijn herte is krank, en broos,
en onstandvastig in 't verblijden;
maar, als 't hem wel gaat éénen stond,
't kan dagen lang weêr honger lijden!

Guido Gezelle

=

Hoera! de herfst komt

De roodkoperen kont van de kunst
wordt door velen gekust,
zo komen ook op de 60watts gloeilamp
vliegen en torren af bij miriaden

denkend: waar 't licht is is 't lekker.
De schrik van de torren ontlaadt zich
in minuskule stipjes, hun altaren
die zij bouwen op het glas van de gloeilamp.

Hoera! de herfst komt! veel duister
veel lampen veel vleugelslag.
Lezer onder je gloeilamp hef je hoofd op:
de trekvogels gaan, de uiltjes komen.

H. H. ter Balkt

=

O Angenietje!

O Angenietje!
Mijn Honigh-Bietje!
Mijn vrolijckheyd, mijn vreugd!
Fonteyn van mijn geneughd!
Mijn soetste susje!
Mijn hooghste lusje!
Mijn alderwaerdste goed!
O Vrou van mijn gemoed!
Hoe langh sult ghy
U veynsen noch voor my,
Daer ick niet meer
Soeck of begeer,
Als u vermaeck en eer?

Ghy schijnd te schuwen
't Geneuchelijck huwen:
't Welck sulcken soeten saeck
Is, en soo schoon vermaeck,
Dat alle de Geesten
Van menschen en beesten,
Jae wat de Son beschijnd,
Sich daer met vlyt toe pijnd.
Vlied ghy het geen
Tot lust streckt yeder een?
Daer al wat leeft
Sich toe begeeft,
En zijn vermaeck in heeft?

Wat sal dat gelijcken?
Want eer-je kond kijcken,
Of loopen, troude jou Moer,
Daer sy niet qualijck by voer.
En benje nu wyser
Als sy, die veel gryser
En ouder is als ghy?

Wat dat komt gantsch niet by.
O schoon! slijt niet
U jaren in verdriet,
Maer uwe jeughd
Eerbaer verheughd,
Wijl ghy't verheugen meucht.

Denckt dat de jaren
Dees Geestige hayren,
(Die ghy nu kruld soo gaeu)
Haest sullen maecken graeu,
En dat dese leden,
Soo Geestigh besneden,
Dit bol, swack, jeughdigh lijf
Sal worden krom en stijf:
En ghy sult dan
Alheel niet weten van
De soetigheyd,
Daer elck van seyd,
Daer men u nu toe vleyd.

Och! wilt u besinnen,
En wederom minnen
Die u soo troulijck miend,
Soo vierigh bid en diend.
Soo sulje met kusjes,
In vrolijcke lusjes
U dagen brengen deur,
Niet wetend van getreur,
En wordje weer
In 't end oud, sieck of teer,
Met alle vlyt
In uwe strijd
Worden gediend altijd.

J. J. Starter

=

'k Ben hier geweest, 'k ben daar geweest

'k Ben hier geweest, 'k ben daar geweest,
'k ben aarde en heemlen naar geweest
en - wat heb ik gevonden?
Geen fakkel feller dan mijn licht;
geen spiegel voor mijn aangezicht;
geen zalve voor mijn zonde.

Eens bood 'k me-zelven 't lief genot
van eene tafel zonder God.
- Het zout der zee gedronken,
het zout der aard doorbeten, was
'k die bij het maal der eigen asch
heb 't eigen bloed geschonken.

Hoe lange duurde wel dat feest?
Gij zijt de laatste gast geweest,
Dood: uw verwonderde oogen,
Dood: uw volstrekt genaaiden mond
verwezen 't hoofsch-geboôn verbond
met mijne zatte logen.

Toen moést ik wel op tochten uit
naar overdrachtelijken buit,
o hongerige Jager!
En mijne huid, van vorst doorkeend
tot op de kilte van 't gebeent,
glansde geraamtlijk mager.

En - 'k ben hier geweest, en 'k ben daar geweest,
'k ben helle en hemel naar geweest.
En wat heb ik gewonnen?
Geen duister schooner dan mijn licht,
en mijn gezicht, mijn graauw gezicht,
'laas!, nog de schóonste zonne...

Karel van de Woestijne

=

Een vrouw

De hese nacht en de wagen
Van de tijd die de nacht inrijdt
En ratelt.

Uw haar, het meeuwennest.
Uw meerschuimheuvels waarin
Getand de vrucht die splijt.

De hagedissen, de stenen spechten
Wiegen in het lover,
In het woedend lover.

Hoor op de weg de hoeven van
Het paard Begeerte vluchten.
Hoor in de weiden de korhaan, de hazenschreeuw,
De klappertandende liefde.

Hugo Claus

=

Geruïneerde baronesse

'Als laatste telg van een vermoeid geslacht'
beheerst zij nog met souvereine nukken
het wrak kasteel met wildernis en stukken
priëel, weerspiegeld in de moddergracht.

Slechts Kee, de stijve meid, hoort soms haar klacht,
dat geldelijke zorgen haar bedrukken
en zij zich van de rheuma niet kan bukken.
Verweesd schat zij de resten van haar macht.

En 's avonds speelt zij met haar adeltenen
in 't krakend praalbed, mummelt van verdriet,
dat zich haar man verdronk, maar kan niet wenen.

Geen enkele winkelier geeft nog krediet,
maar liever dan van iemand geld te lenen
krepeerde zij, wat echte adel niet verbiedt.

Frans Babylon

=

Morgen

Ik dacht:
morgen zal ik je begroeten,
wakker worden en je begroeten
als de post voorbij is.
Simpelweg zeggen:
dag lieve, lieve,
dacht ik.

Ik dacht:
vingers spreiden, overgave,
in zijn open handpalm
morgen zijn,
als je aanbelt,
als je bloemen brengt.
Ik dacht:
lieve zeggen.

Maar tegen de morgen
had ik me bedacht...

Nel Noordzij

=

Jachtopziener

Ik kwam in 't park de jachtopziener tegen
en vroeg hem naar de stand van het roodwild.
Hij draaide er om heen en trok verlegen
met een schoenpunt raadsels in het grint.

Ik was hem sinds zijn aanstelling genegen
en hij mij wederkerig goedgezind.
Waarom werd ik opeens geheel ontsteld,
of hij reeds maanden iets had doodgezwegen?

Er is er dikwijls éen meer dan ik tel,
zei hij bezorgd en keek me in de ogen.
Waanzin en waarheid lagen in de zijne
voortdurend voor elkander te verschijnen.
De bomen stonden naar ons toegebogen.
Toen klonk ginds op het huis de etensbel.

Gerrit Achterberg

=

Avondwandeling

Wij hebben ons vandaag verlaat!
Pas bij de laatste brug
Waar 't voetpad tussen 't gras vergaat,
Daar keerden wij terug.

Achter ons dekt de witte damp
De schemerende landen.
Zó zijn wij thuis. Wij zien de lamp
In loveren warande. . .

Wat gingen wij vanavond ver
Het werd alleen tè laat:
Nog verder dan de gouden ster
Aan blauwe hemelstraat!

Zo saam doen twee een korte poos
Over een wijd gebied! . . .
Nog liggen wegen eindeloos
Voor morgen in 't verschiet! . . .

O konden we eens zo samen staan
Aan de allerlaatste brug,
En saam en blij er overgaan -
Wij kwamen nooit terug!

P. C. Boutens

=

Zwaar in mijn borst

Zwaar in mijn borst en week van 't vele weenen,
Was toen mijn hart, roodbloedende uit zijn wond,
Vrucht, regenpijp, door zongloed nooit beschenen,
Vermolmd de boom waar 't Noodlot haar aan bond.

Wie troost beloofde wierp, in hoon, met steenen
En bitter proefde ik 't leven in mijn mond.
O liever stil ware ik van de aard verdwenen,
Waar 'k altijd valscheid, nimmer liefde vond!

Toen vleide een stem: - "Kom mee naar Liefde's Eden!
En 'k voelde een blik, die al mijn leed verstond.

En 'k volgde, in hoop, in deemoed en gebeden,
of me, als Tobias, God een engel zond,

Langs koele waatren, ver van woel'ge steden,
Waar kruiden bloeien voor mijn hartewond.

Hélène Swarth

=

De geuren van den zomer zijn herboren

De geuren van den zomer zijn herboren,
zij brengen tijding voor wie tijding wacht,
bewegingen der ziel, binnenste koren;

mij hebben zij heugnis alléén gebracht;
het hart trilt bij de stem dier blijde boden,
maar vindt geen spraak en blijft binnenst-omnacht.

Als een speeltuig, waaruit de ziel gevloden
is, zwijgt, hoe vingertoppen vleiend teer
tot zoeten klank de stomme snaren noden,

zo drukt ge gene melodieën meer
uit mij voortaan, geurwinden, zoete roken
die mij liefkozen komt gelijk weleer

want deze snaren der ziel zijn gebroken.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Avond aan avond

Avond aan avond met de laatste
dingen voor ogen. Een gesloten kamerdeur,
een lamp, een schroeiplek in het donker,
ruimte die op dak en muren drukt,
mijn hand die schrijvend door het niets beweegt.

Avond aan avond, een kort leven lang,
en telkens nader bij de grote slaap
die mij van kruin tot zolen zal omvatten,
een gepantserde, een buiten alle raadsels
uitgeworpene. Soms lijkt de stilte hier
al op die latere.

Maurits Mok

=

Boom, roos, vis

Ik leerde boom:
een b, en dan twee
rondjes. Zo: oo.
Dan nog de m
en daar stond boom.

Ik kocht een schrift
en in het schrift
schreef ik een boek.

Boom, schreef ik,
boom, boom, boom
- op ieder blad
een boom.

Het stond zó vol
met bomen,
dat ik dacht:
dit is een boek
over een bos.

Ik leerde roos:
de r en weer
die oo en dan
de s van Sjoerd.

En ik kocht
nóg een schrift
en ik schreef
wéér een boek.

Roos schreef ik,
roos, roos, roos,
en dacht: een boek
zó vol met rozen
is een boek
over een tuin.

Dat was boek twee.

Daarna schreef ik
een boek over de zee.

Sjoerd Kuyper

=

Het huwelijk

Ik heb je alles gegeven:
een gedicht, mijn maandsalaris
en een kind; wil je nu even
kijken of het eten klaar is?

A. Marja

=

Japanse beelden

1
Rukkend aan de stilte: de steile warmte,
De ronde kou, en het wachtend luisteren.
Kamer van rijstpapier met gefilterd licht;
Buiten ritselt water over nauwkeurige keien.

O het kleine genoegen van dunhuidige zinnen,
De smalle gevoelens ven een vochtige lip!
De klagende recitant stampt op het hout,
Verlaat zonder drift de hashigakari.

Het paarse lint om het ongeverfde hout
Zorgvuldig ontstrikken. Kamferlucht,
Religieus gesnoven, verspreidt zich in de kamer.
Over de wollige doek tast men de vorm.

Het masker lijkt te ademen,
Maar zo stil is geen levend gelaat
Maar zo wit kan geen huid gloeien.
De mond wil spreken en is verstard.

2
Op een vlet glijden twee vrouwen door het riet.
Het is geen nacht, maar het lijkt wel nacht.
Zorgvuldig snijden zij de watercichorei.
Woordeloos droomt Kuniyoshi er een lucht bij.

Een hand schuift in haar kimono
En doet haar hart opspringen.
Terwijl haar lippen langzaam openvallen
Verspreidt zich warmte als een wijnvlek.

Zij wendt het hoofd met haast gesloten ogen,
En tast met de lippen naar een mond.
Leunend tegen het hek smaakt zij de tong
En zucht. Een kraanvogel vliegt voorbij.

Frans Boenders

=

De vrouw huilde, mateloos

De vrouw huilde, mateloos
de wenkbrauwen vergeefs vragend
hoe het begonnen was
de dijken braken of het water kwam hoger
de bomen zweepten met grote gebaren
de wind op
De man, een eenvoudig landmeter
keek en mat land en begreep er niets van
het rijk was uit
een volkomen herbebossing
verbrak verbindingen
schiep nieuwe lijnen tegen de horizon
dieren kwamen die niemand kende

D. Hillenius

=

Zoals regen...

zoals regen zoekt een natuurlijk versmelten
en planten hun aarde ten zeerste bevroeden

zo drijvend op een lange zijden zeewind
blies jij in mijn gebied je oevers, mistiger,
heb jij verdriet voortdurend op mij ingesproken
zoals ook regen steeds zoekt een natuurlijk versmelten.

en groeit nu dit bitter stromen rustiger, zijns ondanks, en
opgesierd met vreemde dingen van het maanspel -
het blijft mijn grondwater van dagelijks versterven
en jij en ik is dood en verder machteloos.

Cees Nooteboom

=

De nachtstorm

De nachtstorm rukt en ramt
Aan deur en vensterhaken
En rent in woeste draf
Over de donk're daken.
Ik hoor hem in het hout
Zijn tanden slaan te kraken
En 'k weet de bomen zwaar
Van angst en wanhoop waken.

Wat heeft hem zo ontzind,
Die stoergebouwde rakker,
Dat hij de stromen keert
En uitstort op de akker,
Dat hij met roeden slaat
De wit-geweende wegen
En al de wolken op
De bossen neer doet vegen?

Ik weet wel wat hem schort:
Ik moet te hemwaart komen,
Met vlindervlugge voet,
Het haar in losse stromen,
Gelijk ik kwam als kind
Wanneer hij liep te bruisen
Over het vlakke land
En stroom op stroom deed ruisen.

Hij riep mij uit het huis
Met zijn geweldig wiegen,
Waar hij de sterren als
Goud-vogelen deed vliegen,
Waar hij de wolken als
Een vlucht van lammergieren
Achter de wilde gang
Der jonge maan liet zwieren.

Ik kom, mijn dolle maat!
Ik kom, mijn sterke makker!
Wij samen zingen heel
Die slaperswereld wakker,
Klaroenen door de nacht,
Totdat de zwarte hemel
Vaneenberst in een pracht
Van morgenroodgewemel.

Margot Vos

=

Om mijn oud woonhuis peppels staan

Om mijn oud woonhuis peppels staan
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te horen
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen
'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'
met lege ogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.

J. H. Leopold

=

Het onweer

Geheimer oordeel dreigend onweer duistert
uiterste kustgebieden, en de wegen
zijn stil geworden rond het afgelegen
hart, waar een eenzame nog schuilt en luistert.

Lang, zonder woord, stond hij aan 't raam, en zonder
antwoord; toen nam zijn strakke wacht een ende,
want de Verborgene sprak aarzelende
somber en peinzend in een verren donder...

En hij, die uitzag, huivert, en naar binnen
keert hij zich waar zijn stille doode neerligt,
en wacht er de uitspraak en het openend weerlicht,
en smacht dat de voltrekking moog beginnen

over zijn schuld; hij, die aan zijner droomen
duistre vervoering haar aanhankelijk leven
ontredderd in vereenzaming gedreven
prijsgaf, hij roept, dat de vergelding kome...

En hoor, als uit een voortijd wordt de bange
omtrek bevlogen, en een groot vervolgen
kondigt zijn aantocht aan, en de wind verbolgen
vlaagt om de muren om, en een wild verlangen

grijpt dezen mensch, onder te gaan, te breken
door wat haar brak, reddeloos om te komen
onder dit noodweer van der eigen droomen
terugvlaag op hemzelven, en een smeeken

breekt door hem uit, een somber alvergetend
aanroepen van den dood, en naar het westen
strekt hij zijn handen nu van daar ten leste
de ziel de duistre voortijden ontketent

over het hart, over het hart, en buiten
roepen de zwarte boomen hun ellende
noodlottig op den wind dier naderende
weerwraak, en de regen vlaagt tegen de ruiten...

Toen heeft een oogenbliklijk allerzijden
ontladen licht hem ten gericht ontboden:
dat raam, en hij daarachter, en de doode
stonden ontdekt tot in het eind der tijden.

Adriaan Roland Holst

=

De zee

Wat een machtig en woelerig deinen
van baar op baar,
bruisend opstaand en bruisend verdwijnend
over elkaar.

De stemklank der mensen die zingen
maakt mij zo wrang;
van verouderde krachtloze dingen
spreekt mij hun zang.

Doe uw geesten mij bouwen een woning
diep in uw schoot,
waar ik zingen zal als barenkoning
tot mijne dood.

Want geen keel die aan wal uwe zangen
ooit navertelt,
en geen mensenbrein ooit zal vervangen
uw effen geweld.

Willem Elsschot

=

Ineens

Ineens was ik het vermogen
om warmte vast te houden
verloren. Nu de kinderen
het huis uit zijn, snoof ik,
ja ja. Ik kroop onder steeds
meer dekens. De kachel
loeide. De warmste van ons
tweeën kon mij niet meer
verhitten. Ik rilde en
huiverde alsof ik oog
in oog stond met de dood.

Wat ook zo was. De dood
en ik stonden op een dijk.
Tussen ons was niets dan
een aanzienlijke afstand.

Anna Enquist

=

Hemelvaart

De ronde ruimte blauwt in zonnegloed
En wijkt ver in de verte en hoog naar boven:
Mijn ziel wiekt als een leeuwriklied naar boven
Tot bóven 't licht haar lichter licht gemoet.

Zij baadt zich in den lauwen aethervloed
En hoort met hosianna's 't leven loven;
Het floers is wèg van de eeuwigheid geschoven
De Godheid troont... diep in mijn trotsch gemoed.

De hemel is mijn hart en met den voet
Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard',
En nederblikkend, is mijn glimlach zoet.

Ik zie daar onverstand en zielevoosheid...,
Genoegen lacht... ik lach... en met een vaart
Stóot ik de wereld weg in de eindeloosheid.

Jacques Perk

=

De stervende pelgrim

Wanneer in 't moordend licht, te midden der woestijnen,
De moede karavaan van wreeden dorst versmacht,
Ontschuilt ze, in 't zand gehurkt, 't alzengend zonneschijnen,
En beidt, in loomen slaap, den koelen wind der nacht.

Maar dan, met de eerste ster, herrijst ze, en staat reisvaardig:
De lendenen omgord, de kemelen belaân...
Alleen één schaamle pelgrim voelt, ontzet, wreedaardig
Der onmacht looden boei zijn lamme lende omvaân.

Wel, als in diepen droom, hoort hij van ver weerklinken
Het koperen signaal, dat 't uur der afreis meldt,
En rijst... maar valt..., rijst weêr... voelt zich zijn krachte' ontzinken...,
En zijn berusting weet zich tot den dood geveld.

En langs zich, zwart fantoom, ziet hij den stoet verdwijnen
In 't melken licht der maan, en, 't oor in 't zand geleend,
Hoort hij, een dof gerucht, der keemlen draf verdwijnen,
En heft zijne oogen op naar de eenzaamheid, en weent!

Zóó al den bangen nacht. Doch als de heuvlen vangen
Den matten mauven gloor van 't rijzend morgenlicht,
Verheft hij, eerst, naar 't oost, de stad van zijn verlangen,
Nog eenmaal, en voor 't laatst, 't aanbiddende aangezicht.

Maar dan, met zijne huik, aleer, na weinige uren,
't Delirium der dorst hem zijn verstand verdwaast,
Verhult hij zijn gelaat voor 't fel geloer der gieren,
Wier geilheid op den buit van stervende oogen aast:

De dichter, met een wijle uit woorden saamgeweven,
En rond zich als een waas van weemoed uitgespreid,
Verbergt, voor het gemeen, de waarheid van zijn leven,
Het smartelijk gelaat van eige' ellendigheid.

Geerten Gossaert

=

In het hooi

Ik lag in het hooi,
De hemel was mooi,
Mijn bed zacht en goed,
En het geurde zo zoet.

Ik keek met een zucht
Van genot naar de lucht.
Mijn geluk was als dat
Van een spinnende kat.

En ik dacht: "Zo meteen
Moet ik op, moet ik heen -
Maar ik weet nog niet, hoe
Ik dat kan, ik dat doe.

Als nu spelenderwijs
Mij de Man met de Zeis
Had gemaaid, als het gras,
Dat dit hooi eenmaal was,

Ik behoefde niet op
Meer te staan, niet rechtop
Meer door 't leven te gaan..."
- En dat lachte mij aan.

Jacqueline E. van der Waals

=

Te loopen in het jonge lentelicht

Te loopen in het jonge lentelicht,
dat nu elken dag langer openbloeit, -
naar de steilte te heffen het gezicht,
daarheen waar hoog, eenzaam een vogel roeit,

of maar naar den top van den populier,
waarin de merel zijn avondlied zingt, -
lied, waar al het geluksverlange' in klinkt,
dat nu rumoert door mensch en dier, -

zoo te loopen, vaak vol bekommering
over de wereld, het duistre gebeur

in haar; kleine, nietige enkeling
vol zwakheid en vol twijfel en getreur,

en dan op eens, vol moed weer en vol drang
te helpe' en ook nog soms, vol lentezang.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Tehuiskeer

Als een die, vreemd'ling in zijn vaderstad,
Na jarenlange reizen wederkeert,
Aarzelend zoekt, de taal van 't land verleerd,
Naar 't ouderhuis het oudbegane pad;

En vreest vervreemd wie met hem heeft verkeerd,
Of hij geen vriend meer en geen broeder had; -
Doch wedervindt zijn heelen weeldeschat,
In 't hart der zijnen heerlijk ongedeerd;-

Zoo doolde ik vreezend door mijn leven rond,
Zoekend naar 't Huis van Vrede, in 't Liefdeland,
Waar geen mijn weg wist of mijn taal verstond.

Tot gij me, o Liefste! leidde bij de hand
Naar 't huis waar 'k licht en wijn en rozen vond
En vlammengloed van grooten zielebrand.

Hélène Swarth

=

Klein drama

Een overweg bij dikke mist,
een auto met zijn mobilist.
Hij had zich eerst goed vergewist,
toen reed hij met veel gas heen.
Geluidloos reed een dieseltrein
tezelfdertijd een heel stuk lijn.
Zij bleken er gelijk te zijn.
Van marmer was de grafsteen.

?

=

Vroege voorjaarsavond

Het ongelezen boek viel naast hem neder;
Hij streek langs de ogen met een vage hand,
En keek naar buiten: 't eerste lenteweder
Betoverde het schemerende land.

Er was een waas van het aanvanklijk lover
Om het afzonderlijke, zwarte hout,
En iets als zoelte zweemde de avond over,
Maar waar de wind zijn vleugel sloeg was 't koud.

De lenten gingen en de lenten komen;
De wereld is een onverganklijk oord,
Waaraan de harten, eenmaal opgenomen,
Niet meer ontwijken dan door de éne poort.

Waarom dan zich in dromen te vergeten?
Laat het boek ongelezen. Wie, die 't deert?
Er is maar één ding, dat wij zeker weten:
Dat eens de lente ons nimmer wederkeert.

J .C. Bloem

=

De grassen

Als ik nog ouder ben, en helderder mijn ogen
door zachte tranen en zacht geluk gewassen zijn,
dan valt veel arbeid stil - dán zal ik toeven mogen
waar op de zomerwei de hoge grassen zijn.

Veel schoons heb ik aanschouwd, veel zware vreugd gedragen,
en wél was elk seizoen tot aan de rand gevuld;
maar dit vraagt klare rust, de vree van late dagen,
de stilte en de wijsheid van een rijp geduld.

Daar ligt de weide, trillend, schemerend van schrifturen
waarin door de eeuwen eend're wetten staan verteld;
ik zie hen tegen 't blauw in ongebroken uren,
getakte tekenen op een azuren veld.

Oneindig is de rijkdom der verscheidenheden
van haakjes, tittels, lijntjes in het strakke schrift,
soms zwevend overdonsd - bij het naar buiten treden
de bloeisels, grijs op grijs - met stippelende stift.

En ik zal, als een kind, dit langzaam leren lezen,
tot vast in mij geprent de ranke aren staan;
en in het donk're huis zal 's avonds óm mij wezen
de wiegeling der grassen vóór het slapen gaan.

Ida Gerhardt

=

Beatrys

... ... En eens op een ochtend in den Mei
Ging ze uit waar smart haar blijdschap riep,
Langs akker en blanke huizenrij,
Toen alles sliep.

Het was de tijd als de zonne rein
Opstijgt in de ijle klare koelt,
Als ieder schepsel groot en klein
Gods zuivre goedheid voelt.

En buiten het dorp aan der wegen sprong
Kwam door den morgen haar temoet
Een stem die met den leeuwrik zong,
Een ridder goed.

Haar leek bij de' eersten zonnestraal, -
Zoo eenzaam was het daar, - of een
Der strijdbre heilgen Gods in 't staal
Haar oog verscheen.

Zij kon niet horen wat hij sprak -
Was het een vraag, was het een groet? -
Het was als zong de wind door den tak:
Ik min u goed.

Als een gouden pijn doorsneed haar hart
Dat lied zoo wreed, dat lied zoo zoet,
Een wonder tusschen vreugd en smart:
Ik min u goed.

Zij keek, maar zag niet zijn glanzen haar
Of de lieflijkheid van zijn rooden mond:
Zij zag in oogen brandend klaar
Smart die zij niet verstond.

En keerde en vluchtte, een angstig kind;
En achter haar floot wreed en zoet
Het wanhoopslied van zon en wind:
Ik min u goed.

Zij bad en zong en werkte dien dag
Als een die spreekt en zich niet verstaat
En vond geen kracht voor blijdschapslach
Tot in den avond laat.

Haar bloed bonsde in haar oor en slaap
En de gouden pijn stak in haar hart
Om het helder oog van den slanken knaap
En zijn ongetrooste smart.

Geen van haar zustren speurde haar leed,
Geen van haar zustren sprak ze ervan,
Omdat die zelve ziet en weet,
Alleen vertroosten kan.

P. C. Boutens

=

EEN POOLS MEISJE STAANDE OP EEN STOEL
voor dr. Hans Joseph Maria Globke,
dertien jaar medewerker van Hitler,
veertien jaar medewerker van Adenauer.

Stel u voor een meisje uit Polen:
zij is naakt en zij staat op een stoel,
daar staat zij al bijna een uur.

En die stoel staat voor de appelplaats
en op de appelplaats aangetreden
staan de gevangenen van Neuengamme.

Voor het front van de stinkende
voor de hel opgeschreven mannen
uit alle delen van Europa

loopt een krachtiggevoede officier
op en neer als een god
met glimmend gepoetste laarzen.

Nou stel u dus voor: één keer dat hij langs
de stoel komt mikt hij een knipoog
naar het meisje dat naakt op de stoel staat

en het ongelooflijke gebeurt:
het meisje, de polsen gebonden op de rug,
spuugt de officier in zijn gezicht!

En deze, razend, trapt de kruk
onder het kind weg en het koord spant:
zij hangt, en duizenden zien haar sterven.

En nu komt het. Deze officier is vandaag
rechter in Bielefeld, Würzburg,
Aken, Mannheim of Münster.

"Dit is infaam", roept hier iemand,
"die ss-officier was een ander! Die heeft
nu in Bremen een net restaurant.

De rechtsgeleerde die jij bedoelt
heeft alleen de wetjes gemaakt
of de vonnissen getekend!"

"Verontschuldig dan mijn fout; maar
dan spuwde ook het meisje op de stoel
de verkeerde Duitse meneer in zijn gezicht."

J. B. Charles

=

Van uit een nieuwe wereld treedt

Van uit een nieuwe wereld treedt
een man mij aan met enge kleed,
schittrend zooals ik nimmer zag,
met 't hoofd zoo stralend als de dag.

Hij heeft geen enkel sieraad aan
van slaafschheid en geen enklen waan,
maar hij is zuiver als een man
naakt opgegroeid maar wezen kan.

Hij heeft den arm in zuivre vuist,
hij heeft het been tot zuivren voet,
en om het trotsch gelaat, gekuischt,
hangt stil en hoog een sterke gloed.

-

Van uit een nieuwe wereld treedt
een vrouw mij toe met hangend kleed,
zoo helder als ik nimmer zag,
het oog zoo stralend als de dag.

Zij heeft geen enkel sieraad aan
van schuwheid, en geen enklen waan,
maar zij is zuiver als een glas,
alsof ze zoo geboren was.

Haar arm is in een zuivren hoek,
in schoone stralen valt haar doek,
en om haar schoon gelaat, gezond,
speelt 't helderst licht van keel en mond.

Herman Gorter

=

Einde

Eenzaam en wild, koud en hartstochtelijk -
is dit de zee nog? In welk laatste teeken
van de voortijden, het onstuimig rijk
van blinkend, ledig en oneindig licht
kwamen de waatren? Eenzaam zijn de kusten:
de droomen van de volkren zijn verstreken;
gelijk een bekken, klinkend ten gericht,
luiden de wateren, gekomen zijnde
tegen de wereld; uit het steile westen,
vanaf de weringen der dooden, wordt
het voorspel van de harpen van het einde
hartstochtelijk en eenzaam, wild en koud,
ingezet. De groote stervenden komen
als zich dit ruischen op hun inkeer stort,
roepende naar de steden, en zij worden
tegen het wilde westen waargenomen
op den omgang van muren: groot en oud
en wijzende naar de geheimenis
des ondergangs. De voerders onzer woorden
hadden een naam, doch dezen hebben géén naam,
zijnde bazuinen, over al wat is
doende de schaduwen van wat geweest is,
gelijk de nacht der nachten, vóór de komst
van de gelaten uit het woord des geestes,
die zullen starend juublen boven ons:
koud en hartstochtelijk en wild en eenzaam.

Adriaan Roland Holst

=

Libera nos, domine!

De wind woei om het eenzaam huis
In 't laatste avonduur;
Toen lichtte een vreemde de klink der deur
En zat bij 't open vuur.

Ik dierf niet vragen wie hij was
En hij gaf teeken noch taal;
En ik noodde hem niet, maar hij zat aan
Naast mij aan 't avondmaal.

Mijn lippen trilden en in mijn hart
Laayde hittige haat;
Maar hij glimlachte en hief tot mij
Zijn bitterschoon gelaat.

En 'k sprak en zei: Ik ken u niet!
Wat, aan mijn haard, zoekt gij?
Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand
En brak het brood met mij.

En ik herkende...; 's morgens vroeg
Is hij weer heengegaan...
Maar 't laatste van dit bitter lied
Zal God alléén verstaan.

Geerten Gossaert

=

Gebed te Waalwijk

O Christus met Uw zacht gelaat,
Marye, die daarneven staat,
Wilt U tot ons bezinnen.
Gij, die den hemel overziet,
Van daar Uw milde oogen biedt,
Zie onze wereld binnen;
Verhef Uw eens gehoorde stem,
En Uwe hand, en ga tot hem,
Den meester in de zalen,
Die over onze dagen wikt,
Die over onzen nacht beschikt,
Van Wien wij arbeid halen.

Zeg hem het klein betaalde loon,
De dagen lang, de korte woon,
De altijd vochte muren,
De krankheid en het kinderbed,
Het schamel lichtje, neergezet
Om op het leer te turen,
Waarop mijn man te hamer gaat
En kloppende zich zelf verslaat,
Totdat hij ligt versleten.
Zeg hem, dat elk paar schoenen heeft,
Voordat het in zijn handen beeft,
Het bloed van ons gegeten.

O Jezus, kenner van den weg,
Ga tot den rijken meester, zeg:
Mijn man is gansch onkrachtig,
Zijn vel is rul, zijn oog staat geel,
Een kort geluid komt uit zijn keel,
En ik ben weder drachtig.
Gijzelve zei toch: Ga, vermeer
Ulieden als het zand zoo zeer,
En even menigvuldig;
O Jezus, lieve Jezus zoet,
Mijn âren hebben gansch geen bloed,
Mijn schoot blijft steeds geduldig.

Marye met Uw hemelkroon,
Geeft Uwe voorspraak tot den Zoon,
Dat Hij ons koom' te hooren.
Op Uwe zachte trede ga,
Dat hij met hemelsche genâ
In onze hut mag gloren.
Een beetje ruimte, en wat licht,
En op mijn armen man's gezicht
Een weinigje van blijheid,
Dat op zijn arbeid zegen zij, -
O, zoete Jezus, zeg er bij
Het loon; - en wat meer vrijheid.

De Christus met het zacht gelaat,
Marye met het rein gewaad,
In Waalwijk's woning binnen,
Zij, die de wereld overzien
En haar de milde ogen biên, -
Zij staan zich te bezinnen.

A. Van Collem

=

De bruid

De lucht, over den jongen dag,
Was helderder dan ooit.
Iets ongewoon-verblijdends lag
In weide en veld gestrooid.
De torenklok zong, wat ze kon,
De vlaggen staken uit:
De bruigom was de lentezon
En Holland was de bruid.

Ze was des morgens opgestaan,
Een ranke, frissche meid.
Ze deed haar gazen sluier aan
Van dunne dauwigheid.
Ze stak zich van den pereboom
Den bloesem in het haar,
Die witter was dan een winterdroom
Is, - wonder, wonderbaar.

Ze deed een gladden gordel om
Van zilverig allooi,
Van zuivren waterglans, - wat glom
Die ronde gordel mooi!
Toen hechtte ze als een donzen vacht
Aan haar satijnen kleed
Den schuimrand, dien de zee haar bracht.
Toen was de bruid gereed.

Een ooievaar trad op den deel,
Gewichtig, met zijn stok.
De merel was in zwart fluweel,
De zwaluw kwam in rok.
Toen keken, daar 't zóó prachtig was, -
En Holland is de bruid, -
De madeliefjes in het gras
Haar gouden oogjes uit.

De bruigom is een edel man,
De bruid is jong en sterk.
Daar komen schoone kinders van
En blijdschap bij het werk.
De bruid,- waar zag men weeker leest,
Een vriendelijker mond, -
De bruid, - die maakten zeewind meest
En ruimte zoo gezond.

Nu komt ze met haar lief gezicht
Den bruigom tegemoet.
Wat is de hemel wijd, - en licht.
Wat is het leven goed.
De wereld is een wonderbron
Van telkens nieuw geluid.
De bruigom is de lentezon
En Holland is de bruid.

Jan Prins

=

Naar alle zijden ligt nu als een tuin

Naar alle zijden ligt nu als een tuin
Dit Holland met zijn bloemenvolle gronden,
Terwijl de heuvels lijdzaam langs hen blonden,
Hoeven-doorhoekt, van 't zilverzande duin.

En daar de wind me omspeelt op blinke-kruin
Zie 'k dorpen voor me en meen de stad gevonden,
En voel de zee me omgaande al 't land omronden,
En hoor de brekers storten steil en schuin.

En eindloos hoog welft zich de nieuwe hemel,
Die elk jaar komt met voorjaarszang en -kleur,
En spel van zon en damp en wolkgewemel.

En altijd weer troont boven 't oud gebeur,
In nieuw verrukt zijn, op mijn hogen schemel,
Ik, dichter, die mijn land het schoonst land keur.

Albert Verwey

=

Aandacht voor onze koekoek

Jaren lang liet hij zich in onze bomen horen.
Het was geluid dat mijn hart bleef bekoren.
Koekoek, koekoek, koekoek weerklonk uit iedere hoek.
Hij was naar een kant en klaar nest op zoek.
Maar door de bezoedeling, de pesticiden en andere bucht.
Ging onze koekoek natuurlijk op de vlucht.
Ik miste hem iedere dag steeds meer en meer.
Waarlijk, werkelijk op een zekere keer.
Was onze koekoek daar toch wel weer.
Ik was doodgelukkig met zijn geroep.
Daarom doe ik nu een algemene oproep.
Mensen a.u b. respekteert toch de natuur.
Want op de duur breekt het op als zuur.
En wordt het hier ook voor ons onmogelijk te leven.
En zullen we eveneens de pijp aan Maarten moeten geven.
Laat ons samen werken aan ons geliefd milieu.
Zelfs Hierboven zijn ze het een beetje beu.
Wij moeten recycleren, limiteren en vooral proper zijn.
Dan wordt het hopelijk weer zoals vroeger netjes en fijn.
Onze koekoek kan dan opnieuw zijn eiers vreemd deponeren.
Om voor de toekomst zijn nakomelingen te garanderen.
Zodat ons nageslacht van onze koekoek kan blijven dromen.
En blijven gezond leven en hem horen in onze bomen.

Wivan Vandevyvere

=

En die afgrond, zoo donker daaronder

O die wereld van stralenden bloeienden schijn
en die afgrond zoo donker daaronder,
Als een hangende gaarde vol looversatijn,
met dien afgrond zoo donker daaronder!
O dat leven zoo licht voor wie vrolijk betreedt,
in triomftocht en regen van rozen,
Het betooverde land van zijn droom, als een mijn
is hem de afgrond zoo donker daaronder.
En zoo wandelde ook ik over de aarde weleer,
in den zaligen roes van mijn jeugd en
Van mijn eigene lied als van purperen wijn,
over d'afgrond zoo donker daaronder.

Maar mijn jeugd is vergaan en het lied van mijn jeugd
en de roes die mij zalig omwolkte.
En nu zie ik het leven zoo arm en zoo klein,
met dien afgrond zoo donker daaronder,
Als een kerkhof in Mei, vol van vogelgekweel
en van welige wuivende pluimen
Van seringen en, blank, madelievekens rein...
maar die afgrond zoo donker daaronder!
O zoo groen als van levend smaragd is het gras,
in geen anderen tuin als in dezen!
En waar bloeien er sneeuwbal zoo blank en jasmijn?
- maar die afgrond zoo donker daaronder!
O ik zie, als door louter kristallenen plaat,
door dien groenenden bloeienden vloer heen,
In de droefheid der groeven, waar, bleek nog van pijn,
in dien afgrond zoo donker daaronder,
En ontgoocheld zoo wreed - o die droomen zoo vroom
van de loonende hemel-extase! -
Al de dooden nu rusten van 't woelige zijn,
in dien afgrond zoo donker daaronder.
En niet juichend en luid als het fluitegeluid
van den hemelbestormenden leeuwrik,
Maar als treurig geneurie met traag gedodein,
om dien afgrond zoo donker daaronder,
Van een moeder zoo goed voor een kindje zoo krank,
in een wijzeken lijze mijn lied nu.
En toch rijst er wellicht uit den heiligenschrijn
van dien afgrond zoo donker daaronder,
Wen een wind van mysterie doorhuivert mijn haar
en mijn handen aanbiddend zich heffen,
Nog een ruischende lavende liederfontein
uit dien afgrond zoo donker daaronder.

Hélène Swarth

=

En als je mij zou vragen Wijs me de weg

En als je mij zou vragen Wijs me de Weg

dan zou ik antwoorden:

Volg de stem van je Hart,
wandel over het pad van Liefde,
vol mededogen en zachtmoedigheid.

En wanneer je je Zelf dan vindt,
dan vind je de ander.
En wanneer je je Zelf dan voelt,
dan voel je de ander.

En wanneer je dan je Zelf Volledig ervaart,
dan ervaar je het Hart van God.
En wanneer je het Hart van God gewaar bent,
dan bén je je Goddelijke Vonk.

En wanneer jij jouw Goddelijke Vonk bent,
dan zullen we samen zijn,
dan zullen we één zijn!

-

Voordat je een keuze kunt maken
zul je de ervaring moeten hebben
te weten, dat je een keuze hebt.

Vervolgens komen de lessen
om je duidelijk te maken waaruit je kiezen kunt!

Waar kun je beter leren kiezen dan op Aarde,
waar de dualiteit je telkens weer dwingt
te kiezen

om uiteindelijk de ultieme keuze tussen
Leven en Niet Leven
tussen
Zijn en Niet Zijn
te maken
op élk moment in het Nu!

Ellen de Brouwer

=

De veerpont

Hier bij de vlonder en de overhaal
het stommelen van de pont op het plankier
denk ik aan hem, die met mij de rivier

zo vaak hier zocht. - Hoe zwijgend hij genoot
bij 't gaan en keren van de kettingboot
en soms iets zeide in zijn simpele taal:

over het licht, de wolken en de wind.

Hij was mijn Vader en ik ben zijn kind.
O God, hoe heb ik hem tekort gedaan,
die met het grote veer is meegegaan.

Ida Gerhardt

=

Gesloten lelie

Nog voordat zij zich geven kon
werd ze ongewild genomen.
Bruut en ongevraagd,
drong hij binnen in haar dromen,
heeft haar zo volkomen leeggeroofd,
als een monster in de nacht
bij haar het vuur gedoofd,
haar ware "zijn" verkracht.
En al het mooie, het verlangen
dat ze vroeger heeft gekend
dwangmatig opgehangen
aan die daad van dat moment,
toen haar lichaam trilde, schokte,
met 't duivels zweet besmeurd
toen haar adem stokte,
is haar hart gescheurd...
en met ogen als planeten
heeft zij toen besloten,
dat niemand dit mag weten
en zichzelf opgesloten.

En voor alle vrienden die nog kwamen,
sloot zij deuren, heel terstond
want zij zou zich eeuwig schamen
als een van hen de sleutel vond.
Elke liefdevolle betasting,
hoe eerlijk ook bedoelt,
werd voor haar een belasting,
want ze kon niet voelen hoe het voelt,
te genieten van het echte,
het oprechte nooit vermoedde,
eens gegrepen door het slechte,
is zij altijd op haar hoede.

Onbewust gespannen leven
is de tol die zij betaalt,
omdat iemand door z'n lust gedreven,
haar gevoel heeft weggehaald.
Zal er ooit nog iemand komen,
die voor haar de zon weer schijnen laat,
en haar levenssappen vrij gaan stromen,
zodat deze lelie opengaat.

Marcel Berendsen

=

Vlam

Schuimende morgen
en mijn vuren lach
drinkt uit ontzaggelijke schalen
van lucht en aarde
den opalen dag.

H. Marsman

=

Mijn broer

Mijn broer, gij leedt
Een einde, waar geen mensch van weet.
Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik
Begrijp het slecht, en tast en schrik.

De weg met iepen liept gij langs.
De vogels riepen laat. Iets bangs
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.

Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij. 'k Sprak uw naam
En vroeg, waarheen gij gingt.
Het antwoord was:
"... Te vreeselijk om zich in te verdiepen,
"Zie: 't Gras
"Ligt weder dicht met iepen
"Omkringd."

Hendrik de Vries

=

Ignatiuslied

Treckt weer na uw' verburghen holen
O ziel vergeten Kettery!
Siet hier Ignatius Loyole
Bedwinght u met sijn Compagny.
Die wel bequaem
In Iesus naem
Op u bedriegelijck gheweld
Den Heer ons heeft gebracht te veld.

O goedheyd Goods! ghedanckt gepresen
Moet altijd uw' genade zijn.
Wy hadden toch wel moghen vreesen
Voor Luther en voor Ian Calvijn;
En had gh'ons niet
Op haer verdriet
Op haer bedroghop haer fenijn
Voorsien van sulcken Medicijn.

Dit kon men altijd in u mercken
(Ghy zijt een hulper inde nood)
G'onthieldt tot bystand uwer kercken
In't swart Regael noyt Antidoot.
Den Arriaen
Deedt ghy weerstaen
Door Athanaas. En Manes list
Bracht eenen Augustijn te quist.

De Nectors en de Euthycheten
Dwonght ghy door Leoos wijsen raed.
Eusomius wierd neer gesmeten
Van Guldemond. En een Dalmaet
Dee ons vergaen
Ioviniaen,
Die menigh Monick hadd'ontkapt;
En 't Bod- vast met de voet vertrapt.

De dolingh van de Albigoysen,
Die nu vier hondert jaer gele'en
Een pest voor Spangiaerds en Françoysen
Was heeft Dominicus vertreen.
Ja daer en sproot
Noyt uyt de goot
Vand'helsche poel bedurve leer;
Of ghy en wrocht daer teghens weer.

Dus doet gh'als noch in onse tijden
Broer Martens en Calvinus school
Met wijsheyd en met deughd bestrijden
Door Sint Ignatius Loyool.
Een Capiteyn
Die elck een pleyn
Van u daer toe geschickt kan sien
Om dit gespuys het hoofd te bien.

Het fijne volck sal 't hen niet belgen
dat ick s'hier nommen dorst gespuys.
'k En kon met Paolo niet verswelghen
Haer vyandschap op Christus Cruys.
't Welck oock te recht
Den vromen knecht
Beweeghde 'swaerd te legghen neer;
Om voor te staen sijns' meesters eer.

Ignaci! dat den Heer u seghen.
Gh'en had niet minder als gelijck.
Het swaerste moet toch 't swaerste weghen:
En d'aerd' is min als 't hemelrijck.
Bekeerd vry 't mes
In Christus les;
Al slaet de kroon van Spangien goud;
Den Hemel geeft noch rijcker soud.

Neemt knechten aen beschrijft s'een reghel
Van yver heet van rade koel.
En twijfelt niet ghy sult het seghel
Wel krijghen vande Roomsche Stoel;
Want sulcken plant
Die Godes' Hand
Gepoottet heeft sal niet vergaen:
Soo lang z'in haer gelit blijft staen.

Wel aen! wel aen het wilder gelden:
Neemt aen de wapenen des' lichts.
Geeft u te veld als vrome helden
Men twist om saken vol gewights.
't Is Goods Autaer
't Zijn zielen daer
Ghy mannelijck om vechten sult;
Verwindt met raed en met geduld.

Verwint met offer en gebeden
Verwint met lessen vroegh en laet
Verwint met asch en hayre kleden
Verwint met heusche caritaet.
En met de deughd
De teere jeughd
Te leeren in uw' wijse school
Dit is het wapen van Loyool

De krijgh geluckt u goeden Vader!
Ghy veldt den vyand van het kruys:
Maer alsm'u scheldt voor een verrader
Zoo denckt dat tusschen kat en muys
Noyt vriendschap was.
Het trou gebas
Des honds by nacht mishaeght den dief.
En 't licht was noyt den sondaer lief.

Man Goods! die nu de gulde sterren
Betreedt met voeten als een vloer.
Helpt ons gebed stilt ons van verre
Tot peys en vrede al 't rumoer
Van Christus Kerck.
Of maeckt ons sterck;
Om op uw' spoor door 't enge pad
Te komen tot de rijcke stad.

Johannes Stalpaert van der Wiele

=

Morgenlijk verwachten

De dag staat als een maal bereid.
Ik proef in 't zuivre morgenlicht
Als een nog woordeloos gedicht
Uw naë afwezigheid.

De verten zijn al luw van u,
Waar zon de laatste neev'len reeft,
Gij zijt al in het windbegin
Dat door de teêre toppen beeft...

Breng mij mijn deel van 't koel gespeel
Dat tintelwater achter wilgen doet,
Van 't luchtazuur dat als blauw vuur
Door dichte linden gloedt.

P .C. Boutens

=

De daad

Wie is het die de zwarte voren
In golvend goud verandren doet,
Wie mesten en wie maaien 't koren,
Wie is het de wereld voedt - ?
Dat zijn de paarden en de ploegers,
Dat zijn de zweeters en de zwoegers,
Dat zijn de zaaiers van het zaad -
Dat is de daad!

Wie graaft de glinsterende kolen,
Wie schept het schitterende zout,
Wie haalt uit diepe duistre holen
Het gele glanzend zachte goud - ?
Dat zijn die in het donker graven,
Dat zijn de slovers en de slaven,
Dat is de zwarte kameraad -
Dat is de daad!

Wie zijn het die de wereld tooien
Met hunne wapperende vlag,
Die roode bloesems om zich strooien
Gelijk een eeuw'gen lentedag - ?
Dat zijn de werkers en de wakers,
Dat zijn de sterken en de stakers,
Dat zijn de mannen van de straat -
Dat is de daad!

En wie die hunne vaandels vlechten
Tot éénen rozerooden band,
Die voor een nieuwe wereld vechten
En sterven voor 't beloofde land - ?
Dat zijn de muiters en de makkers,
Dat zijn de taaie rooie rakkers,
Dat zijn de sloopers van den staat -
Dat is de daad.

Carel Steven Adama van Scheltema

=

O weest mij goed, gij die mijn vrienden zijt

O weest mij goed, gij die mijn vrienden zijt
of simpel menschen, die de menschen mint;
ik ben zoo zwak, zoo droef, zoo lafgezind,
zoo zonder veerkracht in den mannenstrijd.

Ik ben als 't arm verlaten zwevend kind,
dat om zijn heengegangen moeder schreit, -
steeds zoekend dat heur stem zijn ziel verblijd' -
en haar niet vinden kan en nimmer vindt.

En 'k weet dat ik haar nimmer vinden zal,
en streef toch voort, met starren kinderzin,
trots menschervaring als geen' mensch geviel.

O weest mij goed in 't luid en ruw geschal
dier mannen, forscher in hun menschenmin
dan 't droefstil kreunen van een kinderziel.

Prosper van Langendonc

=

Ik ben u na uw sterven gaan beminnen

Ik ben u na uw sterven gaan beminnen,
Gij waart zo ver en schijnt nu zo nabij,
Uw stem klinkt van een heldere overzij
En zonder moeite laat uw hart zich winnen.

Van niets vervreemd dan van mijn moede zinnen
Verrijst gij peinzend, ofwel licht en blij,
Alnaar u raakt het vloeiend aards getij;
Haast tastbaar komt uw beeld mijn wereld binnen.

Het water dat ons scheidt is niet meer diep,
In 't morgenlicht kunt ge den bodem zien,
En 'k droom dat gij het spoedig zult doorwaden,
Want mijn voet volgt te langzaam wie mij riep;
Maar als 'k u naadren hoor, o dan misschien
Ben ik al stervend door te veel genade.

H. W. J. M. Keuls

=

Melopee

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee

Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee

Paul van Ostaijen

=

Het kind dat wij waren

Wij leven 't heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en mimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder's nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teêrste vriendlijkheden.

Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.

't Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.

Edgar du Perron

=

Het beloofde land

Daar toog een reizger door een wonder woud, -
De blijde vooglen zongen in de bomen,
De bonte bloemen spreidden zware aromen
En op de varens speelde 't zonnegoud.

Maar zang en kleur en geur van bottend hout:
Hij merkte 't nauw... Hij droomde schone dromen
Van 't land waar hij eens dacht te zullen komen,
Zijn paradijs, zijn lustoord nooit aanschouwd.

En eindelijk, na vele lange dagen,
kwam hij vermoeid aan 't einde van zijn baan
En zag hij dan wat velen vóór hem zagen:

Een dorre woestenij... Hij had verstaan
En wierp zich neer en liet niet af van klagen...
En luid vervloekte hij zijn vroegre waan.

J. G. Danser

=

Voorwoord

ik ben even weinig eksperimenteel
als een ijsschots
als een veenlaag
als de mist
al denk je het lezer
in je stoel op de grond van hout
ik ben even weinig eksmerimenteel
als het warme bed en de gedekte tafel
als het lachen en de vriendschap
ik ben heel gewoon en ik hoop dat jij gewoon bent
dat er in jouw ogen geen afkeer is
ik ben een van het publiek het gewone publiek
dat 's avonds naar buiten stroomt
overal
en hier in het bizonder
hier en nu
want als er geen hier was dan was er geen nu
ik ben nu en jij bent hier
laten wij samengaan

maar tussen haakjes
alle metafysika op een stokje
wat is dat voor onzin
niet hier en nu maar hier en later
wat er al is en nog niet is begrijp je

Sonja Prins

=

Papaver-bed

Blank, scharlaken, woest en vredig,
Franjig, strokig, effen, ledig,
Wapenig, vol walmen;
Staan zij naar de zomer luchtend,
In een windeloze uchtend,
Opgericht als palmen.

't Rusteloze vliegendom
Gromt en glinstert al alom
En beweegt zich vinnig
Om het groene tonnetje
Met het straalsgewijs zonnetje
In elks midden innig.

Even buigen ze als de last
Van een stoere hommelgast
In hun weelde wentelt,
Maar zodra de grabbelpoot
Gaat, bevracht met bijenbrood,
Staan zij weer gekenteld.

Als een vlinder uit zijn pop
Botten zij uit lob na lob,
Tuimlend langs de stengels;
Waar de zwak-gehalsden tinklen
Zilverharig en ontkrinklen,
Worden bolle bengels.

Blozend als een jongenswang,
Meisjesmond en rood als 't bang'
Ruisend karmozijne...
Op hun hoge stelen prat,
Met hun diep verholen schat,
Lonken zij als wijnen.

En zij fonklen en zij tieren
In het hete middagvieren
Van het licht getij;
Als de gonzers, neergezonken,
Hangen aan hen, zat en dronken,
In een dromerij.

Aan de witte, aan de roze,
Zwart-geharte, rode, boze,
Inkarnaat en glad;
Die maar pronken en maar krinken,
Die maar lonken, laten zinken
Bladervlag na blad...

Tonnetje naast bolle ton,
Spookt er in de late zon
Uit het ijle loof;
Steen-gelijk en opgestrekt,
Met het kroontje toegedekt,
Paars en bleek en doof.

Eer het schemert zijn zij allen,
Allen zijn zij uitgevallen,
Lijkt de grond beplast;
Maar een drom van nieuw geknopt'
Staat er naast elkaar gepropt,
Palmrecht... en toen was 't:

Of er daar toen schrijden kwam,
Tarquin de Superbe, stram,
Na het felle davren;
Purperzwaar, met peinzerstred,
Achterom het duistrend bed
Bloeiende papavren.

Jac. van Looy

=

Vitvaert van mijn Dochterken

De felle Doot, die nu geen wit magh zien,
Verschoont de grijze liên.
Zy zit om hoogh, en mickt met haren schicht
Op het onnozel wicht,
En lacht, wanneer, in 't scheien,
De droeve moeders schreien.
Zy zagh'er een, dat, wuft en onbestuurt,
De vreught was van de buurt,
En, vlugh te voet, in 't slingertouwtje sprong;
Of zoet Fiane zong,
En huppelde, in het reitje,
Om 't lieve lodderaitje;
Of dreef, gevolght van eenen wackren troep,
Den rinckelenden hoep
De straten door: of schaterde op een schop:
Of speelde met de pop
Het voorspel van de dagen,
Die d'eerste vreught verjagen:
Of onderhiel, met bickel en boncket,
De kinderlijcke wet,
En rolde en greep, op 't springend elpenbeen,
De beentjes van den steen;
En had dat zoete leven
Om gelt noch goet gegeven:
Maar wat gebeurt? terwijl het zich vermaackt,
Zoo wort het hart geraackt,
(Dat speelzieck hart) van eenen scharpen flits,
Te dootlick en te bits.
De Doot quam op de lippen,
En 't zieltje zelf ging glippen.
Toen stont helaas! de jammerende schaar
Met tranen om de baar,
En kermde noch op 't lijck van haar gespeel,
En wenschte lot en deel
Te hebben met haar kaartje,
En doot te zijn als Saertje.
De speelnoot vlocht (toen 't anders niet moght zijn)
Een krans van roosmarijn,
Ter liefde van heur beste kameraat.
O krancke troost! wat baat
De groene en goude lover?
Die staatsi gaat haast over.

Joost van den Vondel

=

Soms

Soms was uw naaktheid traag als zomeruren,
En soms ook dartel als een hert of hinde;
Soms was het enkel van een dier het pure,
Of van een ander dier het wilde, blinde;

Of van een vogelschaar het overvliegen,
Dan woog uw borst haast niets, de smetteloze;
Of van een kelk 't gewichteloze wiegen,
Zo waart gij soms, voor 't welken van de rozen.

En ik die eens een hemel zocht daarboven
Van sterrenglans en zilverlicht bestoven,
Ik werd voorgoed een aardse hemeling;
Ik vond de hemel naast mij op de aarde
Als ik u in mijn armen samengaarde,
En als op vleuglen in u overging.

Bertus Aafjes

=

Stille getuigen

Al denkt gij ook: "Wij zijn alleen!"
De sterren houden wacht,
De wind strijkt door de linden heen,
Die fluistren in de nacht;
Er zijn getuigen bij uw eed
In 't rustige avonduur,
En wat geen mens bekend is, weet
De zwijgende natuur!

En schendt gij d'eed van liefde en trouw
Dan is uw rust verstoord;
Verwijt u 't reine hemelblauw
Het breken van uw woord,
Dan huivert ge als het koeltje zacht
Door 't lindelover stoeit,
En mijdt uw oog de gouden wacht,
Die aan de hemel gloeit!

Frederik Leonardus Hemkes

=

De rozen

Ik heb ze zien bloeien
By 't uchtendontgloeien;
Nu hangen de bladen en storten in 't stof,
Tot speeltuig der stormen,
Tot aas van de wormen,
Tot schaamte van d' op haar zoo pralende Hof.

Toen zogen haar knopjens
De lavende dropjens,
Tot parels geronnen uit hemelschen daauw:
Nu missen zy kleuren,
En spreiden geen geuren,
Eer de avond de velden nog wikkelt in 't graauw.

Zoo zag ik geslachten,
Zoo schoonheid en krachten
Ontluiken en bloeien, maar luttel bestaan:
Zoo lach en verblijden
In jammer en lijden
Voor 't schemerend Westen des levens vergaan.

Zoo 't zingen en springen
Voor 't handenverwringen
Verwisseld, in min dan een vluchtigen wenk.
't Zijn alles slechts bloemen
Waarop wy hier roemen;
t Is alles een daauwdrop, een morgengeschenk.

De luister der oogen
Met nevels betogen,
Ja, zenuw- en voeding- en spierkracht verkwijnt.
Ook oordeel en reden
Bezwijkt met de leden,
En 't leven verwaassemt, vervliegt, en verdwijnt.

Willem Bilderdijk

=

Moeder

Mijn moederken, ik kan het niet verkroppen
dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten,
zooals een pop waarin een hart zou kloppen,
door 't volk bij 't heengaan in een huis vergeten.

Ik zie uw knoken door uw kaken steken
en diep uw oogen in het hoofd gedrongen.
En ik ben gansch ontroerd en kan niet spreken,
wanneer gij zegt 'kom zit aan tafel jongen'.

Ik hoor u 's avonds aan de muren vragen
of gij de vensters wel hebt toegesloten.
Gij kunt den mist niet uit uw hersens jagen.
Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten.

Daar in de verte wordt een put gegraven;
ik hoor zoo goed het ploffen van de kluiten.
En achter 't huis zie ik een schimme draven:
hij staat waarachtig reeds op haar te fluiten.

- Kom in, Mijnheer, ik stel u voor aan Moeder.
- Vrees niets, kindlief, al heeft hij naakte benen:
hij is een vriend, een goede vriend, een broeder:
hij is niet ruw, hij wandelt op de teenen.

Tot weerziens dan. Ik kom vannacht of morgen.
Gij kunt gerust een onze-vader lezen,
en zet uw muts wat recht. Hij zal wel zorgen
dat gij geen kou vat en tevreê zult wezen.

Willem Elsschot

=

Achterkamer

Ik heb een uitzicht over natte daken.
Het regent bijna altijd waar ik woon.
Ik heb nog steeds niets met bezit te maken.
Ik heb alleen een grote gramofoon.

Een gramofoon met dertig oude platen,
Die laat ik 's avonds spelen, één voor één.
Als 't stil is krijg ik neiging te gaan praten,
en 't helpt je over de verveling heen.

Ik ken ze alle dertig nu van buiten.
Slechts één bevat een zwijmelende wals.
De regen geeft zijn bijval op de ruiten.
De één blijft zuiver, de ander wordt al vals.

Dat is mijn gramofoon met dertig platen.
Steeds slechter helpt hij mij door de avond heen.
Maar waarop moet een mens zich dan verlaten?
De beste platen breken, één voor één.

Eric van der Steen

=

Somber voorjaar

Nooit is de zon zoo slordig heengegaan
Als dezen avond en haar laatste stralen
Waren zoo kleurloos nooit. En ook de maan
Die rijst heeft haast geen glans. Van nachtegalen

Zal ik niet eenmaal spreken: hun bestaan
Blijkt enkel uit de ontroerende verhalen
Van oude kinderboeken. Zie, daar gaan
Verliefden, die langs donkre wegen dwalen,

Alsof de wereld was één heerlijkheid
Van kleuren en van onverwachte weelden.
Ben ik het, of zijn het die, verblind,

Niets van de wereld zien dan 't ingebeelde
Schouwspel van hun verdriet of zaligheid?
- Er was een tijd... Ik ook was eenmaal kind.

Jan van Nijlen

=

naar buiten

ze wil nu buiten spelen
gaan lopen in een bos,
rennen door sneeuw en regen
ze laten haar niet los

ze is er wel,
ze is er niet,
ze mag er niet meer zijn

de letters in haar sprookjesboek
staan niet meer op één lijn

Ida Vos

=

Begrafenis

Hij is bepaald heel net gekist:
gekleed kostuum; op mat fluweel
doet dat heel goed, 't is rijk en eêl.
Wat zou hij trots zijn als hij 't wist.

Het glas heeft een geslepen rand.
De schuif is van licht notehout;
uit donker is de kist gebouwd,
als passend voor een man van stand.

Plechtstatig wordt de stoet geschikt.
In de rijtuigen màg gesnikt.
Krijtwit gehandschoend, in de vormen,
volgen de dragers, zwart en zacht.

Hij wordt met ongeduld verwacht
door witte maden, rode wormen.

Willem de Mérode

=

De crocus

De bol op glazen vaas
Reikt witte worteldraden
In 't water: de bloembladen
Hebben een paarsig waas.

Hemel en aard en vloed
In zo doorzichtge omgrenzing,
In groei, bloei en verflenzing,
Zijn wat de dichter doet.

Zijn lied ontluikt in 't woord.
Dat houdt zijn ziel omsloten.
Zijn zang door 't licht omvloten
Sterft als het oor hem hoort.

Albert Verwey

=

Klein air

Morgen drink ik roden wijn,
morgen zal mijn lief hier zijn.
In de warme lampeschijn
zal zij liggen, bleek en fijn.
Wilder dan een springfontein
breek ik uit, en ben weer klein
bij haar leden, zoet satijn,
diepe bedding, dieper pijn.
Morgen drink ik roden wijn,
morgen zal mijn lief hier zijn.

Jan Engelman

=

Een oud vers

Wat ik betreur te hebben niet bezeten
Is het geluk van menig burgerman:
Den vrede van het huisgezin, en van
De kinderen, die mee aan tafel eten.
En ik weet wel, dat in mijn arm gelegen
De liefste is bezwijmd van zaligheid,
Dat ik de stem ken van de eeuwigheid,
En van het hart, dat mijn hart is genegen.
Maar dit is alles niets, al deze dingen,
Gezegend, en te min; ’t is eens niet meer;
Men hoort de vogels in de bomen zingen,
De jaren gaan, de winter keert steeds weer,
De sterren staan.
Ik heb niet goed gekozen.
Wat doet een bedelaar met roode rozen?

J. W. F. Werumeus Buning

=

De witte kaproen

Vlaanderen, volg den Witten Kaproen,
Vlamingen thans als Vlamingen toen.
Zorgt voor u zelf, geen ander zal 't doen.
Slaat op den trommel!
Slaat op den trommel van dirredondijne,
Dat voor elk huis een man verschijne,
Slaat op den trommel van dirredondom,
Eer uw geluid in uw land verstom'!

Stelt nu daden boven gedruis.
Toont wie ge zijt: noch Waal noch Pruis.
Hier zijn de bezemen, veegt uw huis.
Slaat op den trommel!
Slaat op den trommel van dirredondijne,
't Mijne is het uwe, het uwe is het mijne.
Slaat op den trommel van dirredondom,
Waakt op uw erf en uw eigendom.

Gij die gelooft, gelooft in uw recht,
Gij die wilt vrij zijn, wees geen knecht,
Gij die roept: brood! vooruit en vecht!
Slaat op den trommel!
Slaat op den trommel van dirredondijne,
Vecht voor uw volk op de voorste lijne,
Slaat op den trommel van dirredondom,
Vlaming, doe wel en zie góéd om.

René de Clercq

=

De Elyzese velden

O zo zingen, verzonken in zalige rust,
zacht gestreeld door een weelde uit een wereld van lust
geschapen in 't lied, aan mijn lippen ontweld,
't niet verstaan, toch vergaan in zijn smeltend geweld.

Een herinnering komt met een droef geween,
gaat vreemd door de beemd met haar klacht van beneên;
'k heb sinds lang vergeten haar melodie,
maar nog lang stemt mijn zang ze tot één harmonie.

Laat me zwijgen, neerzijgen in zalige rust,
laat me luistren naar 't fluisteren, alle lust onbewust,
van een zang, door mijn zang in de verte gewekt,
in 't gedoom van een droom, door geen leed meer bevlekt.

En 't niet weten, 't vergeten dat hart, dat barst,
onder 't zwellen van weemoed, waar 't wee nog in knarst.

Alfred Hegenscheidt

=

Voorjaarslandschap

Nog stonden alle bomen zonder blad,
de eiken en de iepen en de beuken,
als grijze bossen op de grijze lucht
zo waren, dicht en ruig hun brede kruinen
en leken op een rij van lege kooien,
in de effen grijzig-blanke voorjaarslucht
toen daar een vogel langsvloog, donkerzwart,
heel in de verte vloog hij traag en recht
langs al die bomen, als van kooi tot kooi.

Augusta Peaux

=

Cadente Lucifero

Verre, oever tot oever, scheidde ons
't Ziltige zwin en het zwalpend tij;
Wie door den storm en den stroom geleidde ons?
'Enkel een ster, tusschen u en mij.'

Liefde met teedere handen spreidde ons
't Leger van bladeren windevrij;
Nacht met zijn vleugelen veilig ombreidde ons
Waar we sluimerden, zij aan zij;
Wakker, waakzaam als wachter, beidde ons
Enkel een ster, tusschen u en mij.

Nu, op eenzame sponde, glijde' ons
Langsaam de ledige uren voorbij...
Zeg mij, liefste, o zeg, wat scheidde ons?
'Enkel een ster, tusschen u en mij!'

Geerten Gossaert

=

Ik had met je door de weiden willen gaan

Ik had met je door de weiden willen gaan
langs de sloten de bruine pluimen van het riet
maar een dunne zon daalde al over de boomkruinen
en boerderijen en ik wist dat ik niet kon
verdragen dat onze schaduwen lang en eenzaam
over de weiden zouden gaan.
Ik ben bang zei je.

Ik had met je door de dorpen willen gaan
door de verlaten middag in de tuinen de straten
naar een café waar de zon voor ons zou spelen
in de vitrage maar ik wist dat ik niet kon
verdragen dat de stilte lang en eenzaam
tussen ons mee zou gaan.
Ik ben bang zei je.

Ik had met je willen slapen, willen gaan
met mijn ogen mijn handen mijn mond als de zon
over het vreemde landschap van je lijf
maar ik wist dat ik niet kon verdragen
dat we een leven lang eenzaam
op zouden staan.
Ik ben bang zei je.

Rutger Kopland

=

Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen

'Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen

omhoog, en geen hemelsche oogen zagen
neer op mij, vanwaar hoog're klaarte blauwt
m'in teed're zorg omwakend, en met stage
stralen heffend naar waar men waarheid schouwt.

Mij leidt geen gids, als het eigen gemoed,
mij schoort geen steun, dan d'enk'le trouwe handen
die mij opbeuren als de kracht bezwijkt;

mij sterkt geen afgezant uit beet're landen
dan soms het ruischen, als een vleugel doet,
van zachte hoop die langs mijn wangen strijkt.'

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycerine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Martinus Nijhoff

=

Invocatio

Laat mij in uwer haren mantel slapen
en leg uw donker om mijn wilde hart,
verban het licht uit mijner ogen dalen
en vouw uw venster open in den nacht.

want ik ben moe, de dag heeft mij geslagen
met vuur en wijn uit zijn verweerde bron.
mijn angst versteende tere rozenhagen:
ik ben een blindelings bezetene van zon.

omhul mijn hoofd en laat de schuwe handen,
verborgen in de schee van uw gewaad,
zich ankren mogen aan de heuvelflanken,
waardoor de hartslag van den schemer waart.

en neem mijn mond, want haar verdroogde vlammen
verzengen naar de schaduw van uw bloed,
bedauw mijn stem met schemerende glansen
en gord mijn ogen aan met zachten moed.

laat mij in uwer haren mantel slapen
en leg uw donker om mijn wilde hart,
verban het licht uit mijner ogen dalen
en vouw uw venster open in den nacht.

H. Marsman

=

Ballade van den merel

Mijn God, gij die de wereld vol van bloemen
En zon en licht en vreugde hebt gemaakt,
En mij om u dit alles op te noemen
Of ook het water tot de lippen raakt -
Is het omdat wie in een cel gezeten
De zwaluw met meer heimwee nestelen ziet,
En dat alleen wie daar zijn brood moet eten
Met muizen deelt, tot troost in zijn verdriet;
Is het daarom, dat als de ploeg den akker
Gij mij verscheurt, en maakt mij telkens wakker,
En zendt mij, als het raam des morgens blinkt
Den merel, die dat lied al eeuwen zingt?

Mijn God, gij hebt het alles zelf geschapen,
Vuur, bloemen, vogels, wijnrank en de vrouw;
Waarom, terwijl ik niets dan zacht wou slapen,
Houdt gij mij als een beest in 't halstertouw?
Waarom sta ik ter markt voor ieders oordeel,
Waar ieder mij van iederen kant beziet,
En zingt de merel, zonder leed of voordeel
Wat hij van u weet, en de menschen niet?
Zoovelen hebben niets van u gevonden!
Waarom geeft gij òns, die u loven konden,
Waarom geeft gij òns deze wereld niet.
Waarom vergeeft gij ons de wereld niet?

Mijn God, gij die de vlinders en de vrouwen
Gemaakt hebt, en het blauw vergeet-mij-niet,
Ik zocht u daarin, moet mij dàt berouwen?
Ik zocht toch enkel maar een beter lied.
Die zongen, 't scheen mij dat zij weinig prezen!
Ik heb uw dichters voor en na gelezen,
Ik zag naar hen, en zag uw rechters niet.
En ik zal altijd als de merel wezen,
Alleen, een veilig nest, dat ken ik niet.
Ik ben vanzelf de wereld ingevlogen
Ik heb gezongen en ik heb gelogen,
En waarom dat zoo was, ik weet het niet.

Tenzij dat ons geslacht, van hen die zingen,
Ter wereld altijd als de merel is
Zingend en stervend, en de stervelingen
Voorzingend hoe dat niets en alles is.
Wat komt een dichter meer of minder er op aan?
Gij hebt profeten in het vuur doen staan.
Het vuur blijft loeien, en de hagel slaat,
De sneeuw blijft dalen, en de maaier gaat,
De wereld zal ons altijd zon en steenen zijn
En gij zult ons altijd te min bezongen zijn.
Als ik iets was, een merel was ik u.
Het gaat voorbij; 't is beter dicht bij u.

Zwarte prins merel op den groenen stam,
Wat weet gij dat de wereld nimmer leert,
Tenzij dat uit uw keel de nieuwe vlam
Iederen dag een nieuwe wereld eert?
Al is het dan, dat God, die alles schiep,
Ons vroeger dan de anderen wakker riep
En sneller dan de anderen doet sterven,
Wie eenmaal tusschen leliën sliep
En Gods naam zo vol vreugde riep
Als ik in mijns liefs armen,
Wat hoeft die nog erbarmen?
Die kan de wereld derven. -

J. W. F. Werumeus Buning

=

Warmte, een woonplaats

Liefde en het besef
van liefde daartussen bouwen
mensen een warmende woonplaats

en sprekende zeggen ze: liefste
open je ogen nu langzaam en eet
ik heb het licht voor je aangesneden
of: open je ogen niet drink nu het donker
ik heb de nacht voor je omgekocht

want liefde en het besef
van liefde daaraan ontsteken
ogen en stemmen hun licht
daarin ontbloeien de lippen
daaruit ontstaat het gedicht.

Ellen Warmond

=

Die kringloop van ons lewe

Ons lewe is soos 'n boom
Waar takke in die lug troon -
Reik ons na die hoogste kroon
Om ons ideale te bekroon -
Met die glans van geluk -
Soos die blink blare wat ons pluk.

Die geur van bloeisels in die lug
Bedwelm nes die liefde waarna ons sug.
Teer soos die eerste lenteblaar
Roer dit my hart se diepste snaar -
Groei tot die wasdom van 'n diep geluk
Wanneer ek die vrugte van my liefde pluk.

En soos die herfs die blare kleur -
So bring die jare ryke geur.
'n Droom wat tot sy volheid kom,
Vou geurig oop net soos 'n blom.
En dan soos wat die blare val
Begin ek ook die jare tel.

Die winter bring 'n kaalheid mee
Wat in my hart 'n weerklank gee.
Dan staan die takke kaal gestrek
Wat in my hart 'n weëmoed wek.
Dit is verby - só gou verby -
Die droom en ideaal vir my !

Wanneer die lente weereens kom
En in die veld die liefde blom -
Verhuis ek na die beter oord -
Verbreek finaal die aardse koord.
O Heer, Almagtig, gedenk u my -
Dat ek U ewig rus sal kry.

Louise

=

De gelatene

Ik open het raam en laat het najaar binnen,
het onuitsprekelijke, het van weleer
en van altijd. Als ik één ding begeer
is het: dit tot het laatste te beminnen.

Er was in 't leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
als men zich op het wereldoude zeer
van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
hunkeren naar onverganklijke beminden,
en eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden,
en dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.

J. C. Bloem

=

Wedergeboorte

Toen, in een mist aan een oever,
dit lichaam leeg lag, brak
den grond der ziel een vuur uit
dat de wereld in vlammen stak.

Afgronden braken open,
hemelen sloten dicht;
van grond tot wolken sloeg er
een rode orkaan van licht.

Ik vluchtte, mijn handen geslagen
tegen mijn aangezicht...

Ik weet niet hoe ik weervond
een weg, die verloren was;
ik kwam aan een glinsterend water
en bloemen en zacht gras;
daar speelde God met een kind,
dat nog niet geboren was.

Ik dacht een tijding te staamlen:
'De wereld is vergaan'...
God sprak: "Wat mijn stem niet doen kon
dat heeft mijn vuur gedaan:
gij kwaamt. Ga naar het water;
uw hoofd is nog zwart van roet,
en was er van uw handen
die vegen as en bloed."

Toen vroeg het kind: "Wat is dat:
de wereld?" en God zei
blij na bedroefd herdenken:
"De wereld is voorbij."

En toen tot zichzelven: "Nu blijven
zij beiden weer bij mij."

Ik wies mij in 't glinsterende water;
God speelde met het wicht...
ik legde mij in de bloemen;
mijn ogen vielen dicht.

Toen ik ontwaakte lag ik
in licht en bloemen alleen;
vreemd en verzaligd zag ik
over een water heen.

Adriaan Roland-Holst

=

A en Ω

Het mooiste werk: Grieks in het eerste jaar.
Het Griekse alfabet staat op het bord.
'Kijk, kinderen, Ψ: dat is een kandelaar.
Maak dat de Omega gaaf getrokken wordt.'

Behoed dit eerst beginnen voor gevaar;
dat niet het werk, nauwelijks ontkiemd, verdort.
- Zie, als het buiten vroege lente wordt,
liggen de kleine Griekse bijbels klaar.

Pasen: een jongen leest met heldere stem
van Jezus, twaalf jaar, in Jeruzalem;
en hoe hij voor de schriftgeleerden las.

En elk kind in de luisterende klas
Begrijpt het vragend: 'Wist gij niet?' van Hem,
die in de dingen van zijn Vader was.

Ida Gerhardt

=

De tuin

Een morgen ben ik zeer vroeg opgestaan
En zie de bloemen, halmen, grassen staan
In een zo helder eigenaardig licht
Of zij daar nog niet lang alleen zo staan
Maar iemand juist van hen was heengegaan,
Zo, als men in gezelschap binnentreedt
In stilte, en weet dat er gesproken is
Maar niemand u wil zeggen wat het was.
Het is of er een engel op dit gras
Getreden is en juist verdwenen is
Zodat nog alles luistert naar zijn tred
En halmen, grassen staan nog in gebed.

J. W. F. Werumeus Buning

=

Lentelach

De winter weent, de lente lacht,
de kluizekens gaan open;
en 't blad, dat zich te bergen placht,
komt kraakfijn uitgekropen.

't Is al zo klein en al zo nipt,
zo netjes en zo nuchter;
en 't meesje dat er tussen wipt
het fladdert nog zo schuchter.

Een vlinderlucht waait vleiend zacht
om al die tere levens.
De winter weent, de lente lacht,
ik ween en lache tevens.

René de Clercq

=

Luchtspiegeling

Midden in deze woestenij
van zon, stenen en droog gewas
zie ik opeens mijn eigen land
- onaangetast door deze brand:
bleek water, mist over een wei,
zie ik hoe koel en zacht dat was.

IJl als de dunne, dode maan,
die overdag is blijven staan,
maar meer dan een herinnering,
begeerlijker dan enig ding
zie ik het verre water blinken,
trachten mijn ogen het te drinken.

Maria Vasalis

=

Toen klommen...

Toen klommen wolken opwaarts langs de torens
met naakte lijven, geel, gespierd en recht;
de boomen glinsterden als koopren horens
en krachtig klonk de lokroep van den specht.

Vóór ons het veld; - de huizen bleven achter -
het vee dreef, groot en zwijgend, over 't land
en aan den einder stond, geweldig wachter,
de molen, die ons wenkte met de hand.

De wind stak op. Als een gelukkig vendel
zoo schoot ons haar zijn driftige cadans;
we proefden vruchten, honig en lavendel
en alle blaadren gingen op ten dans.

De nevels rezen en de nacht werd later,
de grijze weg liep verder voor ons uit;
nu eerst weer hingen boomen in het water
maar vreemd, nog altijd talmde het geluid.

- - Vijf korte slagen. - De aarde liet, van verre,
den rozenkrans door hare vingers gaan,
een Ave prevelend voor elk der sterren,
een Pater voor de sluitkoraal, de maan.

Herman van den Bergh

=

Oogstland

De abelen babblen staag in 't wulfazure
waar witte kudden wollen wolkskens waren.
De molen draait waar huiskens zich vergaren
met zon op 't dak en langs de mellekmuren.

De molen draait. Het koren rust in gerven.
De beemde ligt ten halve kaal geschoren.
De kar voor 't hooi komt door de banevoren,
naar waar het groen goed geurend ligt te sterven.

Daarneven 't gras nog tiert, ruig wild verwarreld;
en bloemenschermkens schommlen veel erboven.
- Een kladde mussen valt recht op de schoven
op de arenkroon; - en 't rooft! en 't pikt! en 't scharrelt!

De abelen babblen staag en suizeljolen.
De klaarten achter schaduwingen jagen;
- rennend vlamschijnen, malve sluiers vage...
Het koren zwijgt. En rustloos draait de molen.

Edmond van Offel

=

Onweer

Geweldig gaan de wolken, en zeer snel.
Wit vee en mensen staan op aarde stil.
Het groen geboomte staat in bliksemlicht.
Het water geurt het meest in zulk een nacht.

Later maakt iedereen een wandeling,
de minnaar, kruidenier en zonderling,
de haas, de egel en de hagedis,
en de sering laat witte bloesems los.

De wereld is gebaad. Een Zaterdagse vrede
daalt neder ook voor wie geen Zondag kent,
en ieder schepsel, zelfs de grauwe padde,
weet dat er vrede is, na elk geweld.

J. W. F. Werumeus Buning

=

Toen ik uit het raam keek

Toen ik uit het raam keek
zag ik je lopen aan de overkant;
daarna schreef ik snel een regel van twaalf woorden neer
want dat, vond ik, was mijn taak

Toen ik weer naar buiten keek
was je al bijna bij de hoek
(de winkel waar ik Stella en Stuyvesant haal)

Er liep een jongen naast je
met een schooltas onder z'n arm -
een slome, bleke puistekop
maar wel van je leeftijd

Remco Campert

=

Dame seule

Zij voelt zich onder 't donker van de bomen
Zo eenzaam, dat zij zelf haar schouder liefkoost,
Haar handje, met de ronding ingenomen,
Die over 't zomerkleed is bloot gekomen,
Daalt af, dwaalt af; zij richt zich op en bloost,
Gaat dan weer voort een kledingstuk te zoomen.

Jan Jacob Slauerhoff

=

Begraven

De prikkende hitte en de haat
die ik in mijn geleende kleren draag
wanneer wij hem op een zomerdag
onder ervaren bomen af moeten geven,
de zwart vermomde slagers
opgestopte rompen, afgeronde ruggen
die met een geroutineerde
pas op de plaats de
stoet stil laten staan
terwijl de dragers - acht hoge
poten van een spin met hem,
dood hart,
knersend de heuvel opgaan
nauwkeurig, beschaafd, onaangedaan.

Wij staan daar, nauwelijks op eigen benen
met op hol geslagen hoop
en onbegrijpelijke haast;

de laatste tien minuten
voor een amputatie.

Judith Herzberg

=

Koorts

Hoor! Zoo is nooit gezongen! Hoor!
't Behang bewoog.
En 't haar van 't zwaar bewimperd oog.
Wat vloog
De ruimten door?

't Zal morgen zijn
Of 't niet bij nacht zoo hard met zweepen
Geslagen had. -
Zie door 't gordijn
De geesten in hun koude schepen!

De takken schaven aan de randen
Van 't venster. In de verte fluit
Het altijd helder langs de landen.
De dieren op de wanden
Verdwijnen. 't Licht gaat uit.

Hendrik de Vries

=

Venus

In d'ijskoude vroege morgen
stapt een venus op 't trottoir;
't blonde kopje zonder zorgen
als een ordeloos boudoir.

Vroege werklui stappen dreunend
op het grauwe makadam;
hevig rinkelend rijdt, en kreunend
op de rails, een vroege tram.

Verder glijdt met korte stapjes
't blondje met wat moe gelaat,
en ze hoort de vuile grapjes
van de werklui in de straat.

't Venusdiertje trad voorzichtig
uit het zalig zondenest;
't wipt de tram in en doorzichtig
nu naar huis de dorst gelest.

Gaston Burssens

=

Uitvaart

Zo'n tien jaar terug voor haar gevallen;
het duurde maar een maand of drie.
Toen kwamen drank en jaloezie
en achterklap de boel vergallen

Op zich geen grond voor nostalgie
- zo ging het vroeg of laat met allen -
maar het is vreemd nu ik de smalle
doodskist in deze aula zie.

Iets wat ik nooit geheel aanvaarde
blijkt plotseling ontstellend echt:

Dat ook door mij beminde vrouwen
verdwijnen in de natte aarde,

de handen op de borst gevouwen,
de voeten naast elkaar gelegd.

Jean Pierre Rawie

=

laatste sonnet aan mathilde

mooi is een jerry-can
maar mooier nog zijn de in het midden geribde
aluminium tanks voor een oliekachel
met de koperen tepelvormige dop
die men omgekeerd in een siertank moet plaatsen
en die daar af en toe onverwachts
een helder klokkend geluid voortbrengen
even ritmisch als een break van max roach

lieve mathilde, de schoonheid
is nog springlevend

C. Buddingh'

=

't Meisje

Daar was 'n meisje,
daar was 'n water,
daar was wat zonne
en groenig riet.

Dat water zong
met zilvre klater,
dat meisje zong
'n vrijerslied.

Dat meisje had
zo rode wangen
en brede heupen
dat ze had!

D'r haar dat berste
uit de spangen
en glom of 't vol
van zonne zat.

D'r ogen keken
maar in het water
daar sloeg ze 'n hempje
heen en weer:

dat was in lichtend
zongeschater
daar blonk de zonne
zich in weer.

Daar was 'n meisje
aan het water
daar was wat zonne
en groenig riet.

Het hempje flakkerde
in witte klater
waar 't meisje rode
armen liet.

Ze spoelde en ze
plensde zonne
ze pletste wit
ze plensde licht

en lichte pareltjes
waren begonnen
te rollen langs
haar blond gezicht.

Daar vloog 'n mugje
daar vloog 'n vogel
daar vloog 'n bijtje
tussen 't riet

en 't hempje als
'n witte vogel
klapte als 'n witte
wiedewied.

S. Bonn

=

Stervend

Waar ben je
naartoe geweest?
Waar ging je heen?
Heb je de zomer gevolgd
om de winter te zien
die zijn gezicht duwde
in de smeltende sneeuw?
Of ben je weer hier
om opnieuw te sterven?

Nou,
probeer geen
andere tijd uit
om terug te komen,
sterven brengt mij niks
en brengt ons niets.

Heb jij de zwaan gezien
deze gleed over
het water wat
roze was
omdat jij erin keek
zoekend naar mij
in beelden
die je opriep
met betoveringen.

Alsof je aan
het wachten was
op een wereld,
jouw wereld,
om vorm te geven
of was het mijn wereld
of die van ons,
tezamen.

Wat je zag
waren geen dromen
maar de kleur was
wel roze.

Zie jij
hoe het kan zijn?
Zag je
hoe het kan worden?
Of kan het
je helemaal niks schelen
als jouw wereld vergaat
of die van mij?
Of nog erger
die van ons.

Laten we werken,
tezamen, ik wil
niet alleen sterven
voor de laatste keer
… ben voor
de laatste keer hier
dus gaan we het doen.

Gaan we het doen
een wereld opbouwen
vol kleur
waarvan we
kunnen genieten?

Of ga ik sterven
voor de laatste keer,
hier, op aarde?

Derrel Niemeijer

=

Avond

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring - ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zachtgekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied're tint vervliet
In teerheid... Rust - o, wondervreemd genucht!
Want alles is bij dag zo innig niet.

Alle geluid dat nog van verre sprak,
Verstierf - de wind, de wolken, alles gaat
Al zachter en zachter - alles wordt zo stil...

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zo zwak,
Dat al zo moe is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.

Willem Kloos

=

Oorlogszomer

In diepe nis van donker loover staat
bloedige zomer met zijn licht gelaat,
gelijk in diepe zieleduisternis
een brandend leed lichtend geborgen is.

Een brandend leed zal deze zomer zijn,
in 't hart der menschheid een verholen pijn,
een alsemdronk zijn vroege morgendauw
en al zijn lommer als een floers van rouw.

En als een floers van rouw, dat wijder spreidt,
zijn wolkenschaduw over verren tijd,
tranen zijn regen en zijn avondrood:
doovende fakkel van den jongen dood.

Augusta Peaux

=

Op de kentering der tijden geboren

Op de kentering der tijden geboren
in onze oogen nog de ondergangen
van de oude werelden die verbleeken,
onze lippen geplooid ten nieuwen groet,
en in ons hart een tweedracht van verlangen
naar droomen van weleer, die wij verloren,
naar de nieuwe, wier bloesems openbreken -
zoo moeten wij door bittre jaren zwerven,
het is altijd een strijd en een ontbreken:
alles in ons beweegt zich als een vloed
en somtijds zinkt het weg, alsof wij sterven.

Als een die weggevoerd wordt op een schip
naar vreemde zeeë', in wier bewogen baren
hij meenge kolk verwacht, menige klip;
en aan d'oever, hem lang vertrouwd geweest,
staan die gespelen van zijn jonge jaren,
schoon en met edele gebaren sprekend,
- hij aâmt den geur van hun bekransde haren,
hun kleederen zijn licht als voor een feest -
maar al hun doen drijft hem een droom voorbij
omdat zijn hart zich niet meer tot hen rekent,
en een geluk hem wacht aan de overzij:
o makkers, zijn ook wij niet zóó gezind
die nog gevare' op ongemeten mijlen
scheiden van dat nieuw land waarheen wij ijlen,
en die het oude niet meer bindt?

Wij hebben de geluiden van weleer
uit ons geplukt als uit een bosch de bloemen:
zij waren schoon, maar niet in hen was meer
ons eigen hart, onze eigen wereld levend.
Toen het nu leeg en stil werd in onze ooren
rees daar omhoog uit diepste diepte een zoemen
en dit, voelden wij, zou ons gansch behooren:
een nieuwe plant van zang bloeit jong en teer
en van onzek're lippen nog, barst bevend
een binnenst lied: de stem van ons begeer.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

In h et oerwoud

Liefde's wezen is zo teer
en ons hart is het ruige bos
en wij weten haar daar in de wildernis
alléén en van alles los,
van alles, van wereld en schone schijn
om enkel te zijn wat zij is:
een vlam, een verlangen, een felle pijn,
een kreet in de duisternis.

Wie 't spoor in de bossen bijster raakt
is daar aan de dood gewijd,
en liefde zwerft argeloos en naakt
door ons donkere hart en de tijd
en wij kunnen niet redden, het leven is wreed
en het lot een verscheurend dier
en angst om zijn liefde is 's mensen leed
door al zijn dagen hier.

Augusta Peaux

=

Jongenswraak

Ze wordt van mollig tot gezet,
een roos van vlees in spijkerbroek.
Haar botten raken langzaam zoek.
Haar billen zwemmen in hun vet

Haar boezem zakt tot dun beslag.
Haar navel trekt zich langzaam terug.
Haar schouderbladen plooien zich
tot reuzel op haar onderrug.

Ze kweekte vlinders in mijn buik,
nu gaat ze zelf de pop weer in
en vreet zich tot een larve.
In haar kraagje broedt een onderkin.

Een oud recept voor zoete wraak:
haar afscheidsbrief, een goede schaar,
een voodoopop, een emmer klei,
twee lokken van dat blonde haar.

Ingmar Heytze

=

Nee

Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand
die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben
niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je
vies geworden, overal ligt zand. Ik werd ellendig
wakker. Op al mijn wegen nooit één teken maar
in dromen worden ze bij menigtes gegeven.
Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en
zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel
de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug
verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te
temmen, het joeg mij op, beloofde mij een weelderig
bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het
kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het
te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me
uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede
geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld
nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar
tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij
nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

Mieke van Zonneveld

=

Een liedje van Zebedeus

Nu komt ze van de bron
En gaat ze door de zon,
Licht, tip-top, roze en ros,
Haar gloênde harendos.

En waar de boomstam staat,
Gegroefd als 'n oud gelaat,
Spitst ze haar kin naar boven,
Waar al de lovers stoven.

'k Wou het liep al zo naakt
Wat recht is, welgemaakt,
En wandelde in de zonne...
En de rest in capuchonnen.

Jac. van Looy

=

De weg in 't woud

Indien gij weet wat leven is en lijden,
en welk een zee van weedom in een traan ligt,
laat mij die holle weg in 't woud vermijden,
verg niet, dat ik mijn schreden naar die laan richt!

Daar sluipen schimmen rond van vroeger tijden,
een geestenheir, doodsbleek in 't zilvren maanlicht.
O laat geen lach die stille plek ontwijden,
geen ruwe spot, waarvoor de zoete waan zwicht!

Zacht zingt de wind een lied van eeuwig scheiden
en, voor mijn voeten, dwarrelt van de takken
- een gouden regen - geel en rossig lover.

Vrij moge 't bos een nieuwe lente beiden!
De blaadren, die in 't slijk der wegen zakken,
zijn dood, voor eeuwig. Dan, wie treurt daarover?

Hélène Swarth

=

Memlinc

Ernstig en eenzaam staat
Tusschen de holten van
Hemel en aarde de man
Die Gods woorden verstaat,

Antwoord weet, maar nog zwijgt
Zoo lang de vraag nog klinkt,
Wacht tot de wereld verzinkt
En een ster de zon overstijgt.

Hong'rend naar eeuwigheid
Brak hij zijn leven als brood,
Proefde in dit voedsel den dood,
Deed afstand, en houdt zich bereid.

Luisterend, zwijgend, en in
Vroomheid bereid: voorwaar,
Dit is geen einde nog, maar
Een voorgoed begonnen begin.

Martinus Nijhoff

=

Avondgeluiden

Er moeten witte hoeven achter de zoom staan
van de blauwe velden langs de maan
's avonds hoort gij aan de verre steenwegen
paardehoeven
dan hoort gij alles stille waan
van verre maanfonteinen zijpelt plots water
- gij hoort plots het sijpelen
van avondlik water -
de paarden drinken haastig
en hinniken
dan hoort men weer hun draven stalwaarts

Paul van Ostaijen

=

Wandeling

Waarom heb ik mijzelve uitgelaten
en liet de hondenketting thuis?
Ik raak verdwaald in late straten
en iedre straat verwordt tot kruis:
in ieder raam staat een mismaakt
persoon te zoeken naar zijn huis.
De postbus is een rood verleden:
ik ben mijzelve kwijtgeraakt.
Gespiegeld in de naakte regen
val ik van boven naar beneden
voortdurend langs mijzelve heen.
Wellicht heeft mij de wind geschaakt
en aan een vlinder uitgeleend!
Maar neen, de klok schudt tweemaal neen:
ik ben eenvoudig zoekgeraakt.

Nes Tergast

=

Kleine nocturne

De zwarte zwalen kwamen halen
De rilde zwemen van het ven.
Nog vóór haar lage walen vralen,
Verzonk de zimze in het gren.

De rolde bunting zong zijn rode,
De maan bepeinsde zwemerwen,
Doch gondervoorde stond de Dode
En grijnsde streft het kenstergen.

Sinds groven rosterkant vernonen
De zimsterweme tendelit,
Alleen die achter zesver wonen,
Die weten nog van zwanenwit.

J. C. van Schagen

=

Poëet en melkboer

Mijn speelse muze kan me soms benauwen
als ik de melkboer 's morgens elke dag
- in koude, hitte, regen, hagelslag -
weer met zijn kruiken heen en weer zie sjouwen.

Hij is correct een dienaar van mevrouwen,
die slechts belonen met een fooi of lach;
en of hij nors of praatziek wezen mag,
op hem kan heel mijn huisgezin vertrouwen.

Al houdt hij ook zijn winzucht niet in toom
en mist zijn melk ook soms voldoende room,
mijn kinderen hebben melk het meeste nodig.

Als hij voor allen sjouwt, lig ik in bed
nog vaak te broeien op een slap sonnet,
voor mijn gezin en 't mensdom overbodig.

Frans Babylon

=

De bloeiende amandeltak

Ik sluimerde in de bloemenhof, in 't malse gras gelegen;
Toen wekte mij een zwoele geur de heugnis van weleer...
En op mijn moede wenkbrauwboog voelde ik, vertroostend, wegen
Een wichteloze vrouwenhand, zacht strelend, heen en weer.

En 'k stamelde in mijn droom: Waarom? Gunt gij dan geen vergeten?
Dit weinige, o liefste mijn, is al wat ik begeer:
Eén uur van ongestoorde slaap uw goedheid niet te weten,
Eén stonde niet van u te zijn, o liefde wreed en teer!

Maar als ik mijne blik ontlook ontwaarde ik slechts een venkel
Bezwangrend met zijn zwoele geur de broeiende atmosfeer,
En over mijne leedverwoeste trekken wiegelde enkel
Een bloeiende amandeltak zijn schaduw, heen en weer.

Geerten Gossaert

=

Najaarswandeling

Er was een woord in de wind, bij `t gaan
over de duinen - wij hadden `t gezwegen -
`t woei kil elk bloeiend leven aan,
`t was allerwegen.

En wij gingen als blinden en waren doof,
gingen als doven en waren blind,
en de dood van de zomer was in het loof
en ging ons voorbij in de wind.

En `t popelblad trilde op het wolkengrauw,
als maanlicht op dodenzerken,
en ver in het schaarhout schimden flauw
de witte geraamten der berken.

Augusta Peaux

=

Nadat we meer dan tweeënhalf jaar samen waren

Nadat we meer dan tweeënhalf jaar samen waren
en elk vertrouwen in elkaar hadden verwoest,
stonden we weer onder eenzelfde straatlantaren
te vrijen alsof alles nog beginnen moest.

Ondanks mijzelf hield ik mezelf voorbeeldig koest;
ik wilde haar zoals ze nu weer was bewaren.
Want wat er - ook door mij - geluld wordt en gesmoesd,
zij was de mijne eens en ik was eens de hare.

Zo'n zeer weemoedig herdersuur te elfder ure
was in zijn soort natuurlijk vreselijk pathetisch,
maar ach wij wisten wel dat het niet verder kon.

De vrede zou dan ook niet al te lang meer duren,
of van ons beiden zei er één weer iets of deed iets
waarop de strijd godlof weer als vanouds begon.

Jean Pierre Rawie

=

Liefde is

Ach! Hoeveel kopjes trok ik van dit zakje thee?
In hoeveel verzen heb ik jouw gezicht bezongen?
Ja, hoeveel maal verdween de zon in zee?
En hoeveel teer bleef achter in mijn longen?

Op hoeveel fietsen reed ik dagelijks naar je toe?
En hoeveel smoesjes zijn er in je opgerezen?

Zoveel, dat thans statistisch is bewezen:
'De liefde is toch zo een droef gedoe...'

Lévi Weemoedt

=

Egidius, waer bestu bleven?

Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven!

Dat was gheselscap goet ende fijn,
Het sceen teen moeste gestorven sijn.
Nu bestu du in den troon verheven,
Claerre dan der zonnen scijn:
Alle vruecht es di ghegheven.

Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven!

Nu bidt vor mi, ic moet noch sneven
Ende in der weerelt liden pijn.
Verware mijn stede di beneven!
Ic moet noch zinghen een liedekijn;
Nochtan moet emmer ghestorven sijn.

Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven!

?

=

Pond

Ik ben Van Hattum en ik weet,
dat 140 pond zo heet,
maar dat de naam direct vervalt,
als het leven wijkt uit de Gestalt.
Dan ligt, onder de naam van lijk,
die honderdveertig pond te kijk;
Gij zijt bij het défilé misschien:
alleen ik zelf zal het niet zien.

Da's vreemd: ik zie, wat Gij niet ziet;
wat Gij dán ziet, zie ik weer niet.
Enfin... de honderdveertig pond
is nog springlevend en gezond.

En ik geniet graag 's levens gunst
én om mij zelf én om de kunst;
hoe meer ik drink, hoe meer ik eet,
hoe meer gewicht Van Hattum heet.

Jac. van Hattum

=

De moeder het water

Ik ging naar moeder om haar terug te zien.
Ik zag de vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
leeg, als keek zij naar de verre overzijde
van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien

- toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken
in de kantine van het verpleeghuis, de tijd
ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid -
misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.

Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
loos stond in 't gras, alleen haar dunnen haren
bewogen nog een beetje in de wind, als voer

zij over stille waatren naar een oneindig daar en
later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.

Rutger Kopland

=

En Jezus schreef in 't zand

Jezus schreef met Zijn vinger in het zand.
Hij bukte Zich en schreef in 't zand, wij weten
niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten,
verzonken in de woorden van Zijn hand.

De schriftgeleerden, die Hem aan de tand
hadden gevoeld over een vrouw, van hete
hartstochten naar een andere man bezeten,
de schriftgeleerden stonden aan de kant.

Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet.
Ga heen en luister, luister naar het lied.
En Hij stond recht. De woorden lieten los

van hun figuur en brandden in de blos
waarmee zij heenging, als een kind zo licht.
Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.

Gerrit Achterberg

=

Tristitia ante

Op de besneeuwde hei -
de hoeve en de houtmijt zwart
en de duistre spar, sterk en geëtst
onder een ster, bewaaid en strak.

In het stalen maangeplas
ken ik de planten zonderling,
de stompe bijl en de gebroken pot
door het doorzichtig-helle ijs.

Eéns knaagt de kou tot op het been
en mijn eenzaamheid zoekt het schot
dat plots de horizon tot eeuwigheid rekt
op mijn rampzalige zwerftocht.

Tot wanneer ik het bos intreed
en de haas gemarteld vind,
onbewust en stijf
in zijn bloed op de sneeuw.

Er is niets dan hevig wit
in mij, en ik raak dat licht niet kwijt;
en er is niets zo smal en nauw
als het eigen lijf.

Maurice Gilliams

=

Lotus

De Lent' staat in het laantje
Met 'r teentjes door het hout
Jij hebt op last van pa en ma
Een kruidenier getrouwd;
Je weegt nou pruimedanten
En snijdt plockworst op een plank,
Griezelgruttend griffermeerd
De schijfies naar de bank.

Doch kom ik voor de toon
Om margarine, kaas en zout
Dan zeg je niks, maar zucht weer.
Als je vroeger deed in 't hout.
Ik slik wat weg, zeg: 'Juffrouw,
Margarine met een bon.'
Dan knik je en weegt Lotus...
Uit de beste boterton.

Willem van Iependaal

=

De terugtocht

Ik had vanavond naar het stadspark willen gaan
om voorgoed af te rekenen met het verleden,
maar 'k bracht het niet verder dan halverwege,
toen heb ik voor een venster stilgestaan
waar ik iemand piano hoorde spelen.
Achter de bomen wies een stille maan
en al het leed is van mij afgegleden.
Langzaam ben ik de weg naar huis gegaan.

Jan Vermeulen

=

Tijd

Ik droomde, dat ik langzaam leefde...
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschriklijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. 'k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen...
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
- De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd...
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

Maria Vasalis

=

Geranium

Vanuit de slechtzittende
schoolbank in een geur van stof
oud hout en pis, onder hoge ramen
in bladderend kozijn: het rood
van de geranium.

Mijn grootmoeder zwoegend boven
een tobbe in de tuin, en naast
het keurig tegelpad in rij, in het rood
waarvan mijn opa op vergaderingen
sprak: geraniums.

Thuis hadden wij er een
die nooit bloeien wilde omdat
iedereen zijn peuken doofde
in de pot. O god, de triestheid
van zijn harig-groene, knokelige
steel!

Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.

Hans Vlek

=

De moeder de vrouw

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd -
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer,

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Martinus Nijhoff

=

De stilte der natuur heeft veel geluiden

De stilte der natuur heeft veel geluiden
en is toch vol van rust voor ziel en zinnen
die druppelt zacht en ongemerkt naar binnen
tot in ons hart een zilv'ren toon gaat luiden
gelijk met haar. Als we dan weer beginnen
te denken aan wereld-dingen en ze te duiden
merken we dat een kracht, als die van kruiden
in ons gekomen is en ons kalm doet minnen.

Er zijn nu veel, die dit geluid nooit horen:
zij missen het aandachtige en het tere
als wie als kind geen moeder heeft gehad.

Maar de tijd die komt zal mensen weer leren
gelukkig te zijn onder haar akkoorden
en drijven uit hun bloed de koorts der stad.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Schoonmaak

heel voorzichtig
met haar ragebol
veegt de huisvrouw
in de oksel van het plafond

giechelend
lacht het gebouw zich in puin

Karel Soudijn

=

In de put

Diep in de put waar haar gebeente ligt,
verschijnt hij elke avond als haar slaaf
en maakt haar uit elkaar gevallen lichaam gaaf
en brengt weer trekken aan op haar gezicht.

Wanneer zij op haar voetstuk zich verheft,
kracht, aan zijn strijd ontleend, haar schouders schraagt
en hij - van schuld vervulde dwerg - vergeving vraagt
voor wat zijn hand haar aangedaan heeft, treft

hem van haar stalen mond het snijdend spreken.
Hij voelt van zijn geduld de vliezen breken
en steekt zijn mes ver in haar trotse rug.

Een held is hij. Hij heeft het kwaad bestreden.
Hij legt devoot en met zichzelf tevreden
het zware deksel op de put terug.

Neeltje Maria Min

=

Begrafenis

Op Zorgvlied gingen wij met Nico Rost
ten grave. Dunne februarizon
viel op de zerken aan weerszijden van
ons langzaam voetgestap en kleedde
al lang vergeten doden in een kale
mantel. Vaders, moeders, kinderen,
in steen beweend, rilden onder mijn huid
terwijl ik achter de nabestaanden
onder de lege hemel liep. Er kwam
een grafkuil bloot. Wij stonden stil rondom
het dode lichaam des rechtvaardigen
dat even nog boven de aarde was
dan voor onze ogen bij het stof
van de verlorenen werd ingelijfd.
Dezelfde zon
wees ons de weg terug, dezelfde namen
vroegen om warmte en gingen onder
in voetgeschuifel, koffie drinken
en afscheid nemen van de dood.

Maurits Mok

=

De spinnen

Weer hangt de stad aan duizend draden rag
en kruipen duizend spinnen langs de muren
kruipen en spinnen
en spinnen de stad
aan druilerige draden
van dralende duisternis

Eén stond hing de stad aan duizend draden rag
wijl de spinnen kropen
en gekropen sponnen
het gelag
voor de laatste maal
voor ons laatste avondmaal
van duistere geluiden duizend malen

Wie eens de spinnen spinnen zag
en aan de gesponnen draden hing
van joelende spoelen
hij voelt het lijf zich in de regen spoelen
maar weet niet of de rag zijn ogen koelen
zijn handen binden zal

Gaston Burssens

=

Bloemen

Als alle mensen eensklaps bloemen waren
zouden zij grote bloemen zijn met lange snorren.
Vermagerende vliegen, dode torren
zouden blijven haken in hun haren.
Tandestokers, steelsgewijs ontsproten,
zouden zwellen tot gedraaide tafelpoten,
katoenen knoppen zouden openscheuren
tot pluche harten die naar franje geuren,

en op de bergen zouden gipsen zuilen staan
die gipsen druiven huilen.

Op het water dreven bordkartonnen blaren,
de vlinders vielen uit elkaar tot losse vlerken
en van geur verdorden alle perken
als alle mensen eensklaps bloemen waren.

Leo Vroman

=

Fanfare-corps

De lucht scheen blinkend door de blaaren,
bleek en volmaakt als glas geslepen.
Met vaste manlijke gebaren
werden de horens aangegrepen,
en luidkeels, zonder eenig schromen
spoot de muziek tusschen de boomen;
heldhaftig, trots. Een onverbloemde
voor elk verstaanbare muziek,
die aan het ademloos publiek
ieder gevoel met name noemde.

En even plots werd dit geklater
gedempt, twee koopren kelen weenden...
- over het donkergroene water
gleden twee smalle witte eenden
geluidloos als een droombeeld voort -
De horens, smeekend en gesmoord
schenen hen dringend iets te vragen,
hen volgend met haast menschlijk klagen.

Een warm en onverwacht verdriet,
eerbied voor de gewoonste dingen,
neiging om hardop mee te zingen,
en dan te huilen om dit lied
ontstond in mijn verwend gemoed.
Ik voelde mij bedroefd en goed.

Maria Vasalis

=

Gemengd bedrijf: aardappels, knollen, graan

Gemengd bedrijf: aardappels, knollen, graan,
het varken en de kip, de koe, het paard,
de mens, het huis, de stal, het groene land,
de nacht, de dag, de kringloop van de maan,
het schommelen van de wieg, de wekroep van de haan,
drift, vruchtbeginsel, rijping, ooi en lam,
zomer en winter, appels, pruimen, jam-
slagregen, windhoos, hagel, bliksem, brand,
onkruid en schimmel, schurft, rot, kramp,
pest, mond- en klauwzeer, koepok, staar,
rat, muis, insect, de worm die knaagt,
het stervend vee, de schoot die nimmer draagt,
roddel, venijn, blindheid en starre waan-
zegen en ramp aan ziel en lijf, zo drukt
en rust Gods hand op het gemengd bedrijf.

Koos Geerds

=

Zeehond graag

Het liefst zou mevrouw Despina zeehond zijn.
Springen, poon verschalken, applaus
voor lenig spek dat overheerlijk
de kant op kletst, dik verpakt geraamte,
grootogige boksbal vol vis, lekkerbek.
Binnenin zat mevrouw Despina, veilig
in glad vel, waterafstotend vermomd
als onhoekig dier, elegant toegerust voor
poolstorm en schotsen. Lachend heft ze
haar snor boven water, poseert voor
verrekijkers, zont op een zandplaat.
Gooit het leven haar juichend de lucht in
stuitert ze op zeewaardige kussens
haar vrolijk vet maakt elke landing zacht.

Marjoleine de Vos

=

Dichter groet 's morgens de dingen

Dag kruk, dag zeikerds, dag café,
hé fiets, ha slot, ga nou eens open,
juist. Zeg voorwiel, blijf eens recht,
0 handen, hou dat stuur nou vast,
dag schots en scheve sterrenbeelden,
vlieg toch niet zo snel voorbij,
dag harde koude kinderhoofdjes
blauwgroen in mijn ribbenkast-
ha die voordeur, leeg portiek,
hoi trap, daar kom ik, stommel stommel,
antwoordapparaat vol ruis,
we zijn weer thuis. Dag twijfelaar,
wat ben je koud en leeg
zo zonder haar.

Ingmar Heytze

=

Ik heb u lief

Ik heb u lief, gij zult gelukkig zijn!
Zoo fluister ik, alleen, in staag herhalen,
En door mijn denken komt met vlagen dwalen
Van liefdes volkslied het oeroud refrein.

De meisjes zingen 't in den maneschijn
In breede slingers wandlend langs de wegen,
Zij roepen 't iedren donkren jongen tegen:
Ik heb u lief! gij zult gelukkig zijn!

Door de open ramen luwt de lindengeur,
Zoo loom en zoetjes als bemind getreur,
Dat men vertroetelt om niet te genezen.

Ik leed om u als 'k om geen ander leed,
Gij mindet mij, zooals geen ander deed,
Ik heb u lief! gij zult gelukkig wezen.

Willem de Mérode

=

Beau lieu

Bij een zondagnamiddagwandeling
liep ik de buitenplaatsen in te kijken.
Achter droomramen leefden daar de rijken,
verdronken met hun meubels en gezin.

De weeldemeisjes misten het orgaan,
onraad te merken over de bloemperken.
Ik stond een tijd voor prachtige hekwerken.
Er viel me verder niets bijzonders in.

Een merel nam een loopje op 't gazon.
De lijsterbessen hingen goud en rood.
Waarom, dacht ik, ben ik niet ook vergroot
bij deze fotoglans, diepe ondood
in technicolor, openlijk en bloot;
een toverspreuk nochtans. Maar de illusie
vervloog in rook. Ik kwam tot de conclusie
hoe makkelijk men hier brandstichten kon;
inbreken langs de pijpen naar 't balkon.

Gerrit Achterberg

=

Neijaor

As witte daogen zunder ende
dwirrelt vlokken oet de locht
tot een onbeschreven blad

deup een pen in zunneglaans
componeer een golden jaor
daans tussen de regels deur

waor zal het jaor
zien sporen laoten
dizze tied is nog zo nei
en ongriepbaor as de snei
hej hum ienmaol in de haand
is 't ok weer veurbij

maor op 't eind
vloeit alles saomen
sporen smelt tot waoter
daampend opgiet naor de zun

't komp lichtkaans ooit nog
weerum as neerslag
laoter.

Suze Sanders

=

Met volstrekte eer

Er kwamen paarden in de witte sneeuw
te Wassenaar voorbij het dorpskerkhof
de dag dat daar mijn zuster was begraven.
-Zij kende slechts één liefde: de volstrekte.-
En komende ter hoogte waar het was,
ving één paard aan te knikken met het hoofd,
beamende hetgeen zij heeft gedaan.
En al de anderen in de witte sneeuw
inhoudend waar de smalle vore was,
zij trantelden en neigden, en bewezen
de laatste eer.

Ida Gerhardt

=

Lente-morgen

Zij hield den spiegel en bewoog toen even
het hoofd in zacht gewiegel, want gedachten
die haar lippen tot een glimlach samenbrachten
waren uitgevlogen... En een beven
van verwachting had haar hart zoo zeer bevangen
dat zij nauwelijks scheen te leven anders
dan een licht-bewogen, vroeg-ontloken
voorjaarsbloem.

H. van Elro

=

Voortplanting

droogbloeier, muurbloem, prikneus, franjezwam,
en witte onschuld, nimfkruid en scharlei,
brandende liefde, wilde chichorei,
bruidssluier, levensboom en hanekam.

venushaar, gulden roede en karwij,
de brave hendrik en de tripmadam,
de springkomkommer en de borstelvlam,
vergeten blaasjeskruid en akelei.

donsnachtschade en rimpelzaadwolfsmelk,
de zwarte vlekziekte en moederkoorn,
ooievaarsbek en basterdwederik.

smak, kleinbloemdrakekop en dubbelkelk,
engbloem, de twijfelachtige andoorn,
de vreemde ereprijs, de bolderik.

Jan Kal

=

Thebe

Met leven toegerust voor beiden,
liep ik vannacht de gangen in,
die naar u leiden.
Het ondergronds geburchte droeg
een stilte, die met tegenzin
mijn tred verdroeg.

De muren stonden als verzadigd
van ruige schimmel; lucht en licht,
voorgoed beschadigd,
beten mij uit; de wil alleen
bij u te zijn in 't jongst gericht,
hield mij ter been.

Het labyrinth verliep in schroeven
van eender, blinder cirkeling.
U ten behoeve?
Ik weet niet meer hoe lang ik ging.
Hoe brachten zij, die u begroeven,
zover een ding?

Totdat mijn voeten op u stuitten:
uit een volslagen duisternis
zag ik uw ogen opensplijten;
uw handen, die ik niet kon tillen,
voelde ik langs het leven strelen,
dat in mij sloeg;
uw mond, in dood verholen, vroeg.

Een taal waarvoor geen teken is
in dit heelal,
verstond ik voor de laatste maal.

Maar had geen adem meer genoeg
en ben gevlucht in dit gedicht:
noodtrappen naar het morgenlicht,
vervaald en veel te vroeg.

Gerrit Achterberg

=

Een volk dat voor tirannen zwicht

Allen, die hier tesamen zijn,
de levenden, de doden,
de handbreed, die ons scheidt, is klein,
wij zijn tesamen ontboden
voor het gericht...

Gedenk de liefste, die hier ligt,
de broeder, vrind of vader,
maar gun Uw ogen wijder zicht,
aanzie het land en alle mens tegader,
hoor dit bericht:

Wij staan tesaam voor het gericht
voor goed of kwaad te kiezen,
een volk dat voor tirannen zwicht,
zal meer dan lijf en goed verliezen,
dan dooft het licht.

H. M. van Randwijk

=

Stadsgezicht

Een jonge dame draagt haar lippen op haar mond
en uit de straat treedt zij op het plein.
Zijn dit de lippen, die haar vader bij haar moeder vond,
in 't klein?
Of heeft zij ze genomen uit een doos?
van onder een goud-gebiesde rose roos?
De jonge dame blijft maar gaan
en haar lippen gaan nog voor.
Ik mag op straat niet dom zijn en niet blijven staan
en ga dus door.

Pierre Kemp

=

Motjes

Motjes vliegen zo leuk, zo onverwacht:
echt fladderend als een vlinder, maar dan vlugger.
Ik zie ze graag cirkelen rond mijn hoofd.
Maar 't schijnen barre zuivere-scheerwolvreters.

Stientje slaat ze ook dood. Ik kan dat niet.
Ik denk: stel dat er wezens daalden, even
superieur aan ons, als wij aan die
motjes. En dat ze ons dan ook dood mepten?

In het heelal, of 't nu uitdijt of niet,
ben ik ook maar een motje, en ik heb
niet eens van die wit-wapperende vleugels.

Desnoods koop 'k toch gewoon een ander pak?
Wanneer je alle leven ziet als één
moet je ook de consequenties willen trekken.

C. Buddingh'

=

Verslaggever

In 't oude koetshuis is het feest begonnen.
Ondergeschikten, nauwelijks te herkennen,
heren in frak, dames in baljaponnen,
ze moeten even aan elkander wennen.
Houtvesters in manchester doen de ronde.

Boswachters, koddebeiers, jachtbaronnen
dansen met keukenmeiden, pachtboerinnen.
Staatsbosbeheer heeft zich niet laten kennen
en uit zijn midden waarnemers gezonden.

Het tuinbeeld staat op tafel voor de gein.
De heer zit aan het hoofdeind van de dis.
Hem treft geen blaam in de geschiedenis.

Mijn vingertoppen zijn met inkt besmeurd.
Voordat er weer iets ongewoons gebeurt
nemen wij afscheid en de laatste trein.

Gerrit Achterberg

=

En die dag lazen wij niet verder

En op de dag dat zij niet verder lazen
Maar zwijgend in elkanders armen zonken,
En aan elkanders open lippen dronken,
Elkaar herkennend in een licht verbazen,

Op die voltooide dag in het weleer
Werd reeds in 't roet der hel hun naam geschreven
En al het leed van hun toekomstig leven,
De kwellingen en het ontluistrend zeer.

Want liefde is een eeuwenoude zonde,
Een eender als de goden willen zijn,
Dat slechts bereikt wordt voor een korte stonde
En dan voor eeuwig wordt betaald met pijn:
Waar minnenden zich gans en al verwerven
Daar staat een godheid op om weer te sterven.

Bertus Aafjes

=

De oester

Haast dier en haast nog plant ben ik de oester.
Naar mij reikt niet de kleinste kinderhand.
Maar niemand weet wat ik van binnen koester
en wat zich slapend door mijn donker plant.

Van golf tot golf gevonden en verloren,
en aangespoeld, en weer verspeeld door 't strand. -
Maar in mijn schelpen wordt de zee herboren
en d'éne korrel goud van al het zand.

Want al besta ik buiten elk verband,
ademend zonder dat ik mij verroer,
ik ben ontstoken in een teder pralen,
straks breekt het zich uit overstelpte schalen.
O, eindelijke morgen, open hand,
waarin ik dan zal liggen, parelmoer.

Harriët Laurey

=

Verlaten weg

De eenzaamheid op zonbeschenen wegen
is erger dan die in de schemer sluipt,
kom haar niet op de volle middag tegen
als zij met huiverkilte uw hart bekruipt.

Zij is en is er niet, zij is doorschenen
gelijk een spooksel van het levend licht,
maar alle leven is uit haar verdwenen
en dood staart uit haar wezenloos gezicht.

Toch houdt zij u in sterke greep gevangen
en trekt een tovercirkel om u heen
en bant u buiten menselijk verlangen
en laat u met verstorvenheid alléén.

Augusta Peaux

=

Lied

Het werd mijn droom in 's werelds kring
volkomen zorgeloos
een schelp te zijn, een suizend vuur,
een rank, een wilde roos,

onkundig van geluk en leed,
van plan en overleg,
het stuifmeel dat de wind verwoei,
lichtzinnig langs den weg,

een vlinder op een lelieblad,
de vleugels bijna dicht
en trillende een oogwenk eer
zij opgaan in het licht,

een dauwdrop en een sneeuwkristal,
een smettelooze wolk,
een zonnestraal zoo flitsend als
een wit geslepen dolk,

een vogel en een varen en
een held're beek in 't woud,
in het rivierbed een nog on-
gewonnen korrel goud,

de wierook en de myrrhe, en
het ruischend requiem,
doch schuldeloos en onbevreesd,
de lout're, pure stem -

Alleen een mensch droomt zoo vergeefs,
ontwaakt zoo moedeloos,
een vreemdeling voor schelp en vuur
en rank en wilde roos.

Anthonie Donker

=

Bijenbietertien

An een vetbal an een touwgien,
vast zich klemmend mit een klauwgien,
bengelt een genietertien:
het bonte bijenbietertien.

't Hangt zonder mujte op zien kop,
'n zwart alpinopettien op,
now vertoont het weer een toer
an een sausemangelsnoer.

Mit zien borsien, gèèl as oker,
speult het in de tuun veur joker;
zie det kleine hiepstertien
hendig deur de heesters gliên!

In dizze kale wintertied
wol ik het toch niet graag kwiet,
det peuterende pietertien:
het bonte bijenbietertien!

Gré S. Broekhuizen

=

Het kengetal

Ontzettend is het uit de verre verte
met vingers, die het schrijven aan de muur
de ander op te roepen door de wand,
de opgeschrikte.-Als zijn adem komt,
staat radeloze liefde naast de daad.
Dan vangt het wederzijdse roepen aan:
flarden uiteengerukt door een ontijdelijk
bruisen of een woelen zonder naam.
Plotseling schuift een zwarte stilte dicht.-
En aan dit eindelijke doodsravijn
aanhoor: het dolen van het eigen hart
dat ruisend stuwt en stuwt de éne naam.
Geen antwoord.
Catherine waart om Wuthering Heights.
Saul, bevend, wacht te Endor Samuel.

Ida Gerhardt

=

De wrede god

Nog voel ik soms uw borst tegen mij aan,
Uw knieën aan mijn knieën, schoot aan schoot;
Een vlinder die zijn vleugels samensloot,
Kan met zichzelf niet nauwer samengaan.

En als wij na de eenheid der voltooiing
De leden lieten zinken uit elkaar,
Dan was er niets van scheiding in 't gebaar,
Dan was 't als van een vlinder de ontplooiing.

't Moet een nog jonge god zijn, wreed en duister,
Die, of 't een vlinder was, in wrede deling
't Saamhorige verminkte in al zijn luister,
Want waar ik met u samen ben geweest,
Verkeert in felle pijn de vroegre streling;
En dat is in mijn lichaam en mijn geest.

Bertus Aafjes

=

Koorts-deun

't Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in den herfst, daar buiten.
- En wat de bloemen wégen in den herfst;
- en de óude regen lekend langs de ruiten...

Zwaai-stil staan graauwe boomen in het grijs,
de goede sidder-boomen, ritsel-weenend;
- en 't is de wind, en 't is een lamme wijs
van kreun-gezang in snakke tonen stenend...

- Nu moest me komen de oude drentel-tred;
nu moest me 't oude vreê-beeldje gaan komen,
mijn grijs goed troost-moedertje om 't diepe bed
waar zich de warme koorts een licht dierf droomen,
en 't wegend wee in leede tranen berst...

... 't Is triestig dat mijn droefheid tháns moest komen,
en loomen in 't atone van de boomen;
- 't is triestig dat het regent in den herfst...

Karel van de Woestijne

=

De regen spint zijn dunne draden

De regen spint zijn dunne draden
En droppelt langs het vensterglas;
De dag hangt loom van zwaar-beladen
Hemel, waar geen morgen was.

Ik lees een oud geworden boek,
Mijn oog tuurt op de gele bladen,
Veel schoone woorden zijn er zoek,
Ik kan den zin ervan niet raden.

Mijn leven lijkt een troebel water
Traag uitgevloeid in 't dorre zand,
Een bleeke kom in 't drooge land,
Een water stil zonder geklater.

De regen spint de trage uren;
Schijnt daar een beeld op 't grijze doek
Der lucht? mijn loome oogen turen,
De regen spint, ik vind niet, wat ik zoek.

H. W. J. M. Keuls

=

Het Kindeke van den Dood

Hoe ligt de stille heide dáár
Gelijk een bloeiend graf!
Geen klank, geen lied breekt even maar
Het doodsche zwijgen af;
't Is, of die nevel, koud en kil,
Het breede land begraven wil;
De zon schijnt vreemd en rood,-
En op de heî speelt bleek en stil
Het Kindeke van den Dood.

Er leefde een kind in 't heideland,
Een zwak en zieklijk wicht;
Dat had zijn vreugd aan elke plant,
Die bloeit bij warmte en licht;
Steeds wilde 't op de heide zijn
En hupplen in den zonneschijn,
Zijn liefsten speelgenoot;
Men noemde 't om zijn stervenspijn
Het Kindeke van den Dood.

En eenmaal, op een dag in Mei,
Was 't kind zoo moê, zoo loom;
Hem leek de breede, bruine heî
Wel 't landschap uit een droom;
De vogels zongen ginder ver,
Als zweefden ze op een gouden ster
Hoog boven zorg en nood,
En kweelden zoet en zongen er
Voor 't Kindeke van den Dood.

Het was hem, of de nacht begon,
De bange duistre nacht,
Al had nog niet de lieve zon
Haar halven loop volbracht;
Aan zon en bloesem hing zijn hart;
Het dacht niet aan zijn booze smart,
Aan bittre pijn en nood;
Te sterven was zelfs wreed en hard
Voor 't Kindeke van den Dood.

En 't bad, - dat als 't begraven lag,
Het ieder jaar in Mei,
Slechts éénen blijden, langen dag
Mocht spelen op de heî,
En, als het middaguur begon,
Mocht hupplen in de warme zon,
Tot weêr het daglicht vlood -
Het kind dat niemand heelen kon,
Het Kindeke van den Dood.

Wie kent de macht van 't schuldloos kind,
Dat stervend vraagt en hoopt?
Soms rijst, wanneer de Mei begint,
Eer 't middaguur verloopt,
Een nevel op, die koud en kil,
Het breede land begraven wil;
De zon schijnt vreemd en rood; -
Dan speelt op 't heîveld, bleek en stil
Het Kindeke van den Dood.

Dan leeft en zweeft het heel den dag
En speelt met bloem en plant;
Dan klinkt bij wijle een vreemde lach
Langs 't eenzaam heideland,
Maar als de zon in 't Westen scheidt,
En stervend nog een luister spreidt
Van glansrijk avondrood -
Dan klaagt een kinderstem, dan schreit
Het Kindeke van den Dood.

Frederik Leonardus Hemkes

=

En komp de dag

en komp de dag daj reizen gaot
laot dan in mij je ogen staon
je woorden wonen in mien mond
je aosem dwaolen deur mien haor

hol in je haanden alle kleur
van daogen dat ik daansen kun
van naachten dat ik levend weur
draog het maor met naor waarmer zun

vernim je daor waor 't zuden is
maangs flarden van de noordenwind
heur dan van ver mien stille stem
die fluustert daj de liefste bint

Suze Sanders

=

vrede

nevels stijgen op
avond daalt

vormen verliezen grenzen
die niet bestaan

bewustzijn spreidt zich uit

vrede bloeit nu
alom open
ook al sluiten
paardebloemen
hun okergele wimpers

Marcel Messing

=

Thasos

Een eiland als een ezelsruggegraat.
De geiten rukken aan het wrede gras,
de zee komt sissend langs de spitse kust.
Mij is het goed, het meest bij noordenwind.
Op deze stenen wordt de voet gehard,
hier, hoog tegen de rotsen, wet zijn kracht
op ruimte en licht, ontstegen aan het nest,
roofvogeljong, het scherp gevlerkte vers.

Ida Gerhardt

=

Sentimentele poëzij

Duizendtallen oceanen
Zijn in 't eindloos wereldmeer
Van mijn bittre weemoedstranen
Slechts een droppel en niets meer.

Honderdduizend exterogen
Doen de zwerver minder smart,
Dan het branden van mijn ogen,
En het smachten van mijn hart.

Tachtig uitgevaste leeuwen
Om het leger der hijëen,
Kunnen samen nooit zo schreeuwen,
Als ik huil om u alleen!

-

Ach, wat blijft me uw afzijn kwellen!
Scheiding, ach, een ijslijkheid ...
Doch - ik zal eens even schellen
Om Katrijn, de linnenmeid.

Diep in droefheid neergezeten,
Schrei ik om den dood en 't graf, -
Kom, Katrijn, de kamer vegen!
En veeg ook mijn tranen af!

Scheiden is niet uit te houên
Lachjens, lustjens gaan dan heen, -
Als Katrijn met Mey gaat trouwen,
Ach, dan blijf ik gants alleen!

Antony Winkler Prins

=

Viefschaftsnei

Har ik je oppakt
en op handen draogen
ik was in boeten gaon
har ik je in de snei henlegd
Zo lag je op mien laogie witte snei
ik plukte viefschaftbessen van de hulst
die heb ik in een vaosie teld
die heb ik oetstrooid
rond de lijnen van je kolde lichem
Toen waren der bessen over
en daor heb ik een kussen van maokt
onder je stieve scholders en je nek
en je dunne grieze haor
Ik heb je leeif
en daorom lig je
in de viefschaftbessen van de
greuine hulst op mien laogie witte snei.
Nou is het viefschaftsnei

Jannie Boerema

=

Scheurlucht

't Is regenlaf. Het log geluchte staakt
'Zijn slentrend traag en onbestemd gekuier,
En sloft en sleurt, al lager en al luier,
Zijn rouwsleep die den dooden heuvel raakt.

Het zijgt en zakt, totdat een zware bui er
Zich lomp uit lost, er scheur op scheur in maakt,
En weggeslingerd als een sleetsche sluier
Met honderd tippen in de boomen haakt.

Zie! Stuk voor stuk wordt nu de lucht doorreten!
De spleten splitsen zich in nieuwe spleten,
Die zelf hun scheuring dragen in hun schoot.

Uit duizend wolken, die zich wild verwarden,
Dreigt naar en na de duisterende dood,
En de aarde duikt zich in des hemels flarden.

René de Clercq

=

Woninglooze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.

Jan Jacob Slauerhoff

=

'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid

'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een'ge, dat ik kan:
'k Gooi mijn vuil water weg en vul de kan;
Maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En 'k voel me hulp'loos en vol zelfverwijt,
Als zij mijn lang verwende onpraktischheid
Verwent met wat ze tooverde in de pan.

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
Tot feeërie van wereld, kunst en weten:

Als zij me geeft mijn bordje havermout,
En 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,

Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

Adwaita

=

Baadster

Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad,
En toefde op de eerste treê; heur armen beurden
En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat
Nog van den amber der violen geurde.

Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad
De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde,
Terwijl van paerlen vloeyende en omspat,
Zij lelie was, die in den dauwe treurde!

Daar stond ze, steunende op het slanke been,
Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde,
Nu de armen hoog de dartle lokken bonden.

Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen,
Geheel omsluyerd in den korenblonde:
Antieke vaas met douden veile omwonden.

Louis Couperus

=

Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren

Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan 't waren
der schemeringen om de boomen, en der jaren
om 't vredig leven van den roereloozen dag.

En 'k was gelukkig in den schaduw van dit leven
dat naast mijn droomen als een goede vader ging...
- De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van groote vooglen hing,
iederen avonde teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre menschen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten
die rustig-zwaar in 't loof der stille boomen staan.

... Tóen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren
als schaemle bloemen in den avond, o mijn kind.
En 'k minde u. - En zoo 'k véle vrouwen heb bemind
sinds dien, met moeden geest of smeekende gebaren:
ù minde ik; want ik zag uw kinder-oogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken tróostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen tráge waren...

Karel van de Woestijne

=

Nocturne

De maan roeit brandend
langs 't wolkenrif,
en 't bosch is paars:
vergiftigd. -

Poel en half open pad
vol heete bramen,
fel en rond
in geur.

De vlakte, een fletse ruiker
en de lippen droog;
sterren vallen
als dauw.

Gestalten jagen woest:
saters in horden;
en hun grijze adem
is zichtbaar.

Nimfen, bloemwit
met groene haren,
vluchten in 't bosch,
hijgend.

In den nevel de syrinx
en op onzen mond,
week en dartel:
Pan's fluit. -

Herman van den Bergh

=

De bomen

Ik heb ze reeds zo vaak bezien
wel honderdduizend maal misschien
terwijl ik bij het venster zat
en ik echt geen lust tot dromen had.

Ik kan ze dikwijls gadeslaan
wanneer ze zwart van regen staan,
op sombergrauwe winterdag
wanneer de zon niet schijnen mag ...

En telkenjare kijk ik blij
naar heel die mooie bomenrij,
als zij met nieuw en pril gewaad
in 't wonder van de lente staat ...

en ook wanneer het zonnelicht
op al hun groene blaren ligt
en op hun kruin de merel slaat,
wiens lied tot in mijn ziele gaat ...

Eugénie Boeye-Willems

=

Volkswijze

Mager paardje, jaag maar:
De steppe is eindeloos breed,
De vliegen steken je flanken,
De steenen je zeere hoeven,
Je mag nooit stilstaan en drinken
En de zon is zoo hard en zoo heet.

Smal scheepje, vaar maar:
Eindeloos is de zee,
Al trillen je moede masten,
Al heb je zware lasten,
Toch mag je in geen haven rusten
En aan 't eind van de reis moet je ankren,
Ergens ver buiten de ree.

Arm hartje, klaag maar:
De liefde is eindeloos wreed,
Je krijgt haar niet en haat ze
Of je krijgt haar wel en dan gaat ze
Toch later weer weg en verlaat ze
Het hartje dat haar beminde;
Nooit komt er een eind aan het leed.

Jan Jacob Slauerhoff

=

Eenvoud

Ik voel m'n ziel verwant met kleine simpele dingen,
Die op ons wegen staan als bloemen van het veld...,
Verdoken in het gras, door weinigen geteld...,
Al dragen z'in in hun kelk de zoetste zegeningen.

'k Vind schoonheid overal; maar dat wat zachte perelt
Vanuit uw moeë mond, die luttel woorden vindt:
"Goênavond..., lieveke, goênacht..., m'n zielekind."
Dat maakt me zaliger dan de weelde van de wereld.

Zó groeit in m'n gedacht een vrede, niet te noemen:
M'n ziel, in schoonheidshuis, niet één mysterie vindt;
Want àl wat schoonheid is, met simpelheid begint...
En 'k noem Liefde, 't zaad van alle schoonheidsbloemen.

Alice Nahon

=

O Man van Smarte met de doornenkroon

O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een grote, bleke vlam, - wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zo schoon?

Glanzende Liefde in enen damp van hoon,
Wat zijn uw lippen stil, hoe zonder klacht
Staart ge af van 't kruis, - hoe lacht gij soms zo zacht, -
God van Mysterie, Gods bemindste zoon!

O Vlam van Passie in dit koud heelal!
Schoonheid van Smarten op deez' donkere aard!
Wonder van Liefde, dat geen sterfling weet!

Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val
Der dropplen bloeds en tot den morgen staart
Hij me aan met grote liefde en eindloos leed.

Albert Verwey

=

Eerste aanblik

En peinzend zie 'k uw zee-blauwe oogen pralen
Waarin de zachtheid kwijnt, de liefde droomt
En weet niet wat mij door mijne âren stroomt:
Ik zie naar u en kan niet ademhalen.

Een gouden waterval van zonnestralen
Heeft nooit een schooner aangezicht bezoomd...
't Is of me een engel heeft verwellekoomd,
Die met een paradijs op aard kwam dalen.

't Gevoel mij machtig tot u aangedreven
En buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen
En voel mij tusschen zijn en niet-zijn zweven.

Wat hebt gij tooveres, mij goed belezen!
Aan u en aan uwe oogen hangt mijn leven:
Een diepe rust vervult geheel mijn wezen. -

Jacques Perk

=

Fuguette

Claudien, jij speelt piano, en ik zit
In de warande, en luister naar het zingen
Uit het innige hart der stille dingen,
En luister naar de stem der nacht die bidt -

Nu is mijn hart heel stil geworden: dit
Is het stil einde van het groote dringen.
De regens die tusschen ons beide hingen,
Claudien, zijn over en de nacht is wit.

Zachtheid, zachtheid is het woord van muziek:
Het is of je op een groenen heuvel toeft,
Een fabel leest, of ziet een mozaïek -

En 't hart, ontvangend wat het hart behoeft,
Niet meer van pijn verbijsterd, niet meer ziek,
Vergeet - een glimlach lang - wat het bedroeft.

Martinus Nijhoff

=

Horizon-taal

Land ligt voor het grijpen
zee knielt met een blinkend gebaar
lucht voert een montere politiek

Wij worden uitgesproken door politieagenten
rondgezongen door vogels
voortgezegd door een boer in een daverend hooiveld.

's Avonds op een dorpsplein
achter zingende dranken
weet de taal van geen ophouden
reist ons voorbij
raakt een doel
dat wij nooit zullen bereiken.

Bert Voeten

=

Ichthus

Wist ik het leven niet
ademen in de poelen
van dood en doodsverdriet,
ik loochende dit lied:
een voze zwam, een zwoele
doodsbloei van nietsbedoelen,
ànders wist ik het niet.

Leven, vis die verschiet
tussen het donker woelen
van woekerend wier en riet,
hoe koel laat ge de koele
dood door uw kieuwen spoelen.
Leven, wìst ik het niet!

Ad den Besten

=

Oogstlied

Sikkels klinken;
Sikkels blinken;
Ruischend valt het graan.
Zie de bindsters gaâren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan!

't Heeter branden
op de landen
Meldt den middagtijd;
't Windje, moê van 't zweven,
Heeft zich schuil begeven;
En nog zwoegt de vlijt!

Blijde Maaijers;
Nijvre Zaaiers,
Die uw loon ontvingt!
Zit nu rustig neder;
Galm' het mastbosch weder,
Als gij juichend zingt.

Slaat uwe oogen
Naar den hoogen:
Alles kwam van daar!
Zachte regen daalde,
Vriend'lijk zonlicht straalde
Mild op halm en aar.

A. C. W. Staring

=

Jeldican en het woord

Over de heide
kroop Jeldican,
de staart tussenbeide
stomp vooraan.

Op gloeioren hing er een
belletjespet;
tussen twee vingeren
't zwaluwnet.

Japon aan het lijfke
van ruitestof,
blauwkousen van 't wijfke
en rinkelslof.

'Rood van den appel
in puntcipres,
peers van de pappel
te palfrines,

waar kan ik het vegen:
het fluit onder God,
het vliegt mijne wegen
fladderzot.

Kiekt het te hangen
aan bontekoord?
Hoe kan ik het vangen,
dat lieve woord' -

Iets klappert in 't warkruid,
goudbrem knikt,
het juichtpikt en hardfluit;
Jeldican schrikt.

Nooit had hij zo rijke
tralieten gehoord -
hij zát van het kijken:
was dit het woord?

Bonsbuikje laait met
gebed om geluk...
'jaaat' giert het graainet -
kippetjetuk!

O, veren te kussen!
Het woord aan zijn hart
tuitte intussen
nog ééns zo hard.

'O, schoon, o mijn heide,
pappelkes hoort!
Nooit kan ik meer scheiden
Heer, van dit woord.

Tja, nu naar het wijfke
als weduwenwind,
laat stormen het lijfke,
klapperend lint!'

Vol praat in zijn eentje
vloog Jeldican.
Koppeltje-beentje
daar kwam hij aan.

'Wijfke mijn toren,
hier is het woord!'
Zij zonder te horen,
sprak onverstoord:

'Aai, vogeltje vetbult,
nuttige zaak,
al dat het net vult
is muntemaak.'

Daar ging zij en ruilde
't voor wittebrood,
maar Jeldican huilde
en sloeg haar dood.

Leo Vroman

=

Zonenlied

Mijn vader riep mij
om een stuiter een stoter een vogel van niets

maar ik moest natuurlijk weer mee met dat meisje
de wegen beklimmen erop en eraf
de bloemen bezien en de dieren bespieden
en heer in den hemel het hemelrijk zelf

Mijn vader riep mij
om een cent om een slof om een houten sigaar

maar ik moest natuurlijk weer woorden opschrijven
die zouden beklijven na hem en na mij
en regeltjes rijmen voor ruiterverhalen
en kerel te paard voor mijn eigen verdriet

Mijn vader riep mij
om een raad om een reden een wereldse weg

maar ik moest natuurlijk weer elders en elders
met ogen en oren een hart in de hand
een ridder een ruiter een wereldverschrikker
die zelf zei hij bouwde aan reden en raad.

Koos Schuur

=

Middelbaar onderwijs

Het mooiste meisje van de klas
verschikt onwennig bij haar schouder
een bandje van haar bustehouder;
ze draagt dat rare ding maar pas.

De meester, achter brilleglas,
ziet toe, ontroerd en denkt: "Wat zou d'r
gebeuren als zij tien jaar ouder
en ik eens tien jaar jonger was?"

Ach, hij vergeet hoe hij verdorde
en hoe haar leven net begint.
In stilte wordt door hem bemind
de schone vrouw, die zij zal worden.

Dan praat ze wat, het lieve kind,
en streng roept hij haar tot de orde.

Driek van Wissen

=

Eén ding heb ik begeerd

Eén ding heb ik begeerd; één ding heb ik ontvangen:
Dat, zo de dood mijn leden zou omvaên,
Ik voor uw aangezicht, o Bron van mijn Verlangen,
Niet ledig zoude staan!

Want, als op 't strand geslagen door de drift der branding
Een kinkhoorn, draagt mijn ziel uit dit mijn leven mee
De één onzegbre vreugd, die Gij mij hebt gegeven:
Het Ruisen van de Wind: het Ritme van de Zee!

Eén ding heb ik begeerd; één ding heb ik ontvangen:
Dat, zo de dood mijn leden zou omvaên,
Ik voor uw aangezicht, o Bron van mijn Verlangen,
Niet ledig zoude staan!

Geerten Gossaert

=

jy

jy
die juiste jy
die ja-jy
die gras ruis nog van jou enkels nou net
elke keer as ek opkyk
pasrugkerende
wegstappende
geliefde
astraal gefluit nagtelik geskort
kom!
laat 'n woord dwarsdeur jou kom
laat meer as ek kom
meer as die ondermynende myne
die meinedige myne
die eindeloos ekkerende myne
laat ons
onvergloei naak
onberoerd
wat ons nooit
alleen kon wees nie word

Antjie Krog

=

In droefenis

Geen die het mensenhart begrijpt.
De mei was in de bloesembomen
toen mij de liefste werd ontnomen.
Geen die het mensenhart begrijpt:
De tranen wilden mij niet komen.

Geen die het mensenhart begrijpt:
het weer had 's nachts zijn keer genomen,
ik zag de wereld wit berijpt.
En ik liet vrij mijn tranen stromen.
Geen die het mensenhart begrijpt.

Ida Gerhardt

=

De ontslagen tuchthuisboef

Toen hij negen doode jaren
Voor zijn moord gezeten had,
Stond ie op een lichten morgen
Midden in de drukke stad.
Haastig sloop ie in een kroegje
Met z'n schrale uitgaanskas,
Waar die uren zat te turen
Of ie pas geboren was.

Dagen, maanden van te voren
Telde hij zijn tijd al af,
Tot hij de minuten telde
Van z'n laatste uurtje straf.
Nu die eindelijk was ontslagen,
Leek de wereld hem 'n hel;
In het schitterende leven
Kreeg ie heimwee naar z'n cel.

Aldoor dronk ie door elkander,
Klare, bier en brandewijn;
Gulzig rookte ie sigaren,
At komkommers op azijn.
Toen die ziek was van 't zwelgen
Toen die dol van vrijheid was,
Brulde ie een lijzig liedje,
Dat al uit de mode was.

Al de meisjes op de stoepen
Sloegen gauw de deuren dicht;
Zelfs de bazen in de kroegen
Waren bang voor z'n gezicht.
d'Eerste die hem wilde kennen
Was de diender van de wacht;
Die hem uit de modder raapte
En hem naar den bak toe bracht.

Toen ie 's morgens in de bajes
Op zijn brits te denken lag,
Was ie blij toen ie een diender
Z'n rantsoentje brengen zag.
Was ie blij dat ie zo veilig
Achter slot en grendel zat,
Dat ie weer z'n uren telde
En een onderkommen had.

Koos Speenhoff

=

De laatste brief

De wereld scheen vol lichtere geluiden
en een soldaat sliep op zijn overjas.
Hij droomde lachend dat het vrede was
omdat er in zijn droom een klok ging luiden.

Er viel een vogel die geen vogel was
niet ver van hem tussen de warme kruiden.
En hij werd niet meer wakker want het gras,
werd rood, een ieder weet wat dat beduidde.

Het regende en woei. Toen herbegon
achter de grijze lijn der horizon
het bulderen - goedmoedig - der kanonnen.

Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef,
bevrijdde zich het laatste wat hij schreef:
liefste de oorlog is nog niet begonnen.

Bertus Aafjes

=

Achter schermbloemhagen lag het landje

Achter schermbloemhagen lag het landje.
Ons avonturenparadijs! Van opgespoten zand
vormden we piramides tot de hemel, die gaaf
en telkens blauw, waakte over zijn Godenzonen.
We fluisterden geheime spreuken; sloten
verbonden, bezegeld met houtskool van
verboden vuur.
Maar op de korte duur verdrongen
draglines van gezond verstand ons
van 't Egyptisch zand en bouwden we
thuis met blokken na
wat we eens schreven in 't landschap
met tekens van een onbezorgde jeugd.

Karel Wasch

=

Hebban olla uogala nestas hagunnan

Hebban olla uogala nestas hagunnan
hinase hic enda thu
uuat unbidan uue nu

?

=

Gij zult mij allen, allen kennen

Gij zult mij allen, allen kennen,
maar 'k zal voor allen duister zijn;
want slechts wie 'k van mijn spot zal schennen
zal lichtend van mijn luister zijn.

Slechts wie na de eêlste weelde-spijzen
zal hongren naar mijn schampren smaad,
draagt eens vóor 't aangezicht der wijzen
de plooi der wijsheid in 't gelaat.

Maar hem, die mij niet heeft bekeken,
doch voor mijn hoogmoed heeft gebeên,
die zullen eens de voeten leken
van mijn geween.

Karel van de Woestijne

=

Een witte ochtend

Een witte ochtend, eerste dooi
de lucht wit-grijs, egaal gespreid
en aan de lange horizon
welt nu een witte zon.
Geen wind, beweging of geluid.
Er botten waterdruppels uit;
aan iedre tak en iedre struik
zijn knoppen licht.

Een hartstochtsloze en totale aanwezigheid
maakt zich nu kenbaar en het is
of in een diepe adempauze van de tijd,
dichtbij, een pasgeboren kind
zich stil, volmaakt en ademend bevindt.

Maria Vasalis

=

Misverstand

Zijn aangezicht droomde van ogen
zijn ogen droomden van zien
ze hebben elkaar niet bedrogen
ze konden elkander niet zien.

Zijn aangezicht dat kon spreken
sprak op een dag en vroeg licht
maar ogen kunnen niet horen
toen schreide dat arme gezicht.

Maar ogen weten van tranen
ook ogen die horen noch zien.
Ziet ge wel zegden die ogen
dit vloeien is dat zien misschien?

Nooit hebben ze elkander begrepen
het aangezicht weende zo zeer
maar de ogen zij waren tevreden
zij vloeiden van langs om meer.

Karel Jonckheere

=

Als vlerken van nachtvooglen...

Als vlerken van nachtvooglen gleed de stront,
In najaarscheemring grijzig-transparant,
Met sierlijk zwieren over 't zwarte land
En werd verzwolgen in doorploegde grond.

Zij, eens gevallen uit der koeien kont,
Gevormd van knollen uit de volle mand,
Schonk levenskrachten aan het schrale land:
't Leven der dingen wentelt eeuwig rond.

P. H. van Moerkerken

=

De tuinman en de dood

Een Perzisch edelman

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: 'Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!' -

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.

'Waarom,' zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
'Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?'

Glimlachend antwoordt hij: 'Geen dreiging was 't,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen 'k 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan.'

P. N. van Eyck

=

Eis daimona

Laat nu, in angst en pijn,
Meester, mij niet alleen...
Wien heb ik buiten U?
Immers, niet één?

't Liefste dat Jeugd gewon
Naamt ge mij, liefde en eer.
'k Zweeg, Dat de Dienaar niet
Twist' met den Heer!

Vordert Gij alles nu?
'k Zwijg. Want ook dit is recht.
Zijt Gij de Meester niet?
En ik de knecht?

Maar blijf bij mij, blijf bij mij,
Blijf bij mij, o mijn God!
Maak niet Uw woord te schand,
Maak niet Uw trouw ten spot!

Hoort... om mijne eenzaamheid
Hoont het gemeen...
Laat mij, in angst en pijn,
Meester, niet gansch alleen!

Geerten Gossaert

=

De ballade van de ter dood veroordeelden

Een zware hand legde zich op zijn schouder
En onderbrak zijn dagelijkschen gang.
Heel even ging zijn adem wat benauwder,
Toen ging hij rustig mee. Hij was niet bang.
Dat dit eens komen moest wist hij allang.
Wie, die den strijd aanbindt, schuwt de gevaren?
Menig soldaat sterft in zijn beste jaren.
maar toen het land riep, volgde hij dien drang.
Op 't Binnenhof heeft hij heel zacht gezegd:
'Heer, help de mijnen! Ik kom wel terecht!'

Er zat een jonge man in Scheveningen,
Die had gesaboteerd en opgeruid,
Wapens gesmokkeld en nog andere dingen,
Tot hij verraden werd. Toen was het uit.
En een paar cellen verder zat zijn bruid.
Zij waren altijd in elkaars gedachten,
Ze wisten beiden wat hun stond te wachten:
Een vonnis, en zes kogels tot besluit.
Iederen avond hebben zij gezegd:
'Heer, help den ander! Ik kom wel terecht!'

En in de cel daarnaast een jonge jongen,
Die eens de vreugde van zijn ouders was.
Toen hij thuis was, had hij altijd gezongen.
Zijn oogen waren klaar als zuiver glas.
Hij nam zijn leven toen het nog maar pas
Begon en wierp het in de schaal der vrijheid.
Hij offerde het met dezelfde blijheid
Waarmee hij door zijn jeugd gedarteld was.
Steeds heeft hij dit gebed voor God gelegd:
'Heer, help mijn ouders! Ik kom wel terecht!'

Allen, allen: de man met grijze haren,
Die elken avond psalmzingt in zijn cel,
De jeugdigen, en die op rijper jaren,
Gehoorzaamden het innerlijk bevel -
Zij stonden op hun post en wisten wel:
Wij zijn gering in aantal, weinig krachtig,
De vijand is barbaarsch en overmachtig,
En als hij toeslaat, treft zijn wraak ons fel
En het vergaat ons en den onzen slecht...
God sta hen bij! Wij komen wel terecht!

Prinsesse van Oranje, hoog verheven,
Die het symbool van ons verlangen zijt,
Wij weten wel: dit kost ons straks het leven,
Wij zien het licht nog slechts een korten tijd.
Maar als wij aanstonds vallen in den strijd
En eenzaam sterven op de hei in Haren,
Dan willen wij een laatsten zucht bewaren
Voor dit gebed op weg naar de eeuwigheid:
Heer, Uw soldaat, die sneuvelt in 't gevecht,
Smeekt U: help Holland! Ik kom wel terecht.

Yge Foppema

=

Wien Neêrlandsch bloed

Wien Neêrlandsch bloed door d'aderen vloeit,
Van vreemde smetten vrij,
Wiens hart voor land en koning gloeit,
Verheff' den zang als wij:
Hij stell' met ons, vereend van zin,
Met onbeklemde borst,
Het godgevallig feestlied in
Voor vaderland en vorst.

De Godheid, op haar hemeltroon,
Bezongen en vereerd,
Houdt gunstig ook naar onzen toon
Het heilig oor gekeerd:
Zij geeft het eerst, na 't zalig koor,
Dat hooger snaren spant,
Het rond en hartig lied gehoor
Voor vorst en vaderland.

Stort uit dan, broeders, eens van zin,
Dien hoogverhoorden kreet;
Hij telt bij God een deugd te min,
Die land en vorst vergeet;
Hij gloeit voor mensch en broeder niet
In de onbewogen borst,
Die koel blijft bij gebed en lied
Voor vaderland en vorst.

Ons klopt het hart, ons zwelt het bloed,
Bij 't rijzen van dien toon:
Geen ander klinkt ons vol gemoed,
Ons kloppend hart zoo schoon:
Hier smelt het eerst, het dierst belang
Van allen staat en stand
Tot één gevoel in d'eigen zang
Voor vorst en vaderland.

Bescherm, o God! bewaak den grond,
Waarop onze adem gaat;
De plek, waar onze wieg op stond,
Waar eens ons graf op staat.
Wij smeeken van uw vaderhand,
Met diep geroerde borst,
Behoud voor 't lieve vaderland,
Voor vaderland en vorst.

Bescherm hem, God! bewaak zijn troon,
Op duurzaam regt gebouwd;
Blink' altoos in ons oog zijn kroon
Nog meer door deugd dan goud!
Steun Gij den scepter, dien hij torscht,
Bestier hem in zijn hand;
Beziel, o God! bewaar den vorst,
Den vorst en 't vaderland.

Van hier, van hier wat wenschen smeedt
Voor een van beide alleen:
Voor ons gevoel, in lief en leed,
Zijn land en koning één.
Verhoor, o God! zijn aanroep niet,
Wie ooit hen scheiden dorst,
Maar hoor het één, het eigen lied
Voor vaderland en vorst.

Dring' luid, van uit ons feestgedruisch,
Die beê uw hemel in:
Bewaar den vorst, bewaar zijn huis
En ons, zijn huisgezin.
Doe nog ons laatst, ons jongst gezang
Dien eigen wensch gestand:
Bewaar, o God! den koning lang
En 't lieve vaderland.

Hendrik Tollens

=

Zwerversliefde

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -
want, o de maatlooze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.

Wij zijn maar als blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind -

En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen
binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

Veel liefde ging verloren in den wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom - voor we elkander weer vergeten -
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

Adriaan Roland Holst

=

In memoriam

De blaren vallen in de gele grachten;
Weer keert het najaar en het najaarsweer
Op de aarde, waar de donkre harten smachten
Der levenden. Hij ziet het nimmermeer.

Hoe had hij dit bemind, die duistre straten,
Die atmosfeer van mist en zaligheid,
Wanneer het avond wordt en het verlaten
Plaveisel vochtig is en vreemd en wijd.

Hij was geboren voor de stille dingen,
Waarmee wij leven - maar niet even lang -
Waarvan wij 't wezen slaken in ons zingen,
Totdat wij zinken, en met ons de zang.

Het was een herfst als nu: de herfsten keeren,
Maar niet de harten, na hun korten dag;
Wij stonden, wreed van menschelijk begeeren,
In de ademlooze kamer, waar hij lag.

En voor altijd is dit mij bijgebleven:
Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is;
Dat het een daaglijksch wonder is, te leven,
En elk ontwaken een herrijzenis.

Nu weer hervind ik mij in het gewijde
Seizoen, waar de gevallen blaren zijn
Als het veeg zonlicht van een dood getijde,
En denk: hoe lang nog leef ik in dien schijn?

Wat blijft ons over van dit lange derven,
Dat leven is? Wat, dat ik nog begeer?
Voor hem en mij een herfst, die niet kan sterven:
Zon, mist en stilte, en dan voor immermeer.

J. C. Bloem

=

Wie zijn lijden eeuwge noodzaak heeft bevonden

Wie zijn lijden eeuwge noodzaak heeft bevonden
Vraagt geen heul voor zijn gekneusde menschlijkheid,
Kan niet klagen om de smart der onverbonden,
Zonder deernis in zijn ziel geslagen wonden,
Aan wier scherpe pijn zijn deel der wereld lijdt.

Lijdt het lijden dat hem eigen is gegeven
Stil volhardend, zonder opstand, tot de dood,
Want hij weet zich zelf uit dit bewogen leven
Tot die broederschap van vrede in leed geheven,
Die het hart doorgrondt in 't diepste van zijn nood.

En wie eenmaal tot dit weten is gekomen,
Kent geduld in leed zijn menschelijke plicht.
Als hij nóg verlangt om van geluk te drôômen,
Gaat hij heen tot waar de wijde waatren stroomen,
Naar het eenzaam sterven van 't ontzaglijk licht.

Als de zon sterft, in de dood der hooge gloeden,
Leert hij sterk en groot te wezen zonder loon;
Roerloos uitziend over spiegelende vloeden,
Voelt hij stil het wereldhart in zich verbloeden
En berustend prijst hij 't zwâre leven schoon.

P. N. van Eyck

=

Lethe

'Hoe over 't brandend blind bazalt
Vind ik den weg naar Lethe? -
O alles te vergeten
Eer de avond valt!

'Ik weet dat dood en donker komen
Als dit schel daglicht is gebluscht,
Maar ik wil diepe klare rust
En zonder droomen.

'Voor wie als ik van kind tot knaap,
Van man tot grijsaard derven,
Voor die is dood en sterven
Maar verontruste slaap...

'De zoete macht tot lach of traan
Gaf mij en nam mij 't leven.
Alleen mijn oogen bleven
Kijken, mijn voeten gaan.

'Hoe vaak sindsdien waar 'k zat en ging,
Is langs mijn wakende oogen
De lange trein getogen
Van aller lust herinnering.

'Wat moet ik aldoor zien wat 'k weet?
Al 't reddeloos volbrachte,
Al 't reddeloos gedachte:
Gelijk is wat ik liet en deed!

'O eer de dood mijn leven bind'
En hen voor eeuwig bedde, -
Wat zal mijn oogen redden
Van dezen droom die immer nieuw begint?:

'O blanke ziel, o roode bloed,
O hart verdwaald daartusschen, -
Wie zal in slaap u sussen
Tezamen en voorgoed?

'Mijn voet kan vóór den avondval
Nog vele mijlen reizen,
Wil één den weg mij wijzen
Naar Lethes dal.

'Wie over 't brandend blind bazalt
Brengt mij naar Lethe? -
O alles te vergeten
Eer de avond valt!'

P. C. Boutens

=

Het lied der dwaze bijen

Een geur van hoger honing
verbitterde de bloemen,
een geur van hoger honing
verdreef ons uit de woning.

Die geur en een zacht zoemen
in het azuur bevrozen,
die geur en een zacht zoemen,
een steeds herhaald niet-noemen,

ried ons, ach roekelozen,
de tuinen op te geven,
riep ons, ach roekelozen,
naar raadselige rozen.

Ver van ons volk en leven
zijn wij naar avonturen
ver van ons volk en leven
jubelend voortgedreven.

Niemand kan van nature
zijn hartstocht onderbreken,
niemand kan van nature
in lijve de dood verduren.

Steeds heviger bezweken
steeds helderder doorschenen,
steeds heviger bezweken
naar het ontwijkend teken,

stegen wij en verdwenen,
ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
stegen wij en verdwenen
als glinsteringen henen. -

Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
huiswaarts omlaag gedwereld,
het sneeuwt, wij zijn gestorven,
het sneeuwt tussen de korven.

Martinus Nijhoff

=

De lichtbak

De bijt is in het ijs geslagen,
de lamp blijft branden bij het wak.
Een knaap heeft de lantaarn gedragen.
Straks komen naar het rimpelend vak
de stille vissen, lichtomspeeld,
die men met haken op zal halen.
Verraad, o gruwelijk evenbeeld,
gelijkenis, nauwelijks te vertalen.-
Het komt, gelokt uit bodemlagen,
het starende en stom verlangen.

Tot hen die met de lichtbak vangen.

Ida Gerhardt

=

Liefde

Die ik het meest heb liefgehad, -
't Was niet de slanke bruid, met wie ik in 't zoeter leven
Mocht dwalen op het duin en droomen in de dreven,
Wier hand mij leidde op 't rozenpad;

't Was niet de jonge en teedere vrouw,
Die, goede genius, mijn hart, mijn huis bewaakte,
Die mij het leven, ach, zoo licht en lieflijk maakte,
Met al den rijkdom harer trouw!

"Zoo was 't de moeder van uw kroost,
Die u, gelukkige, voor 't offer veler smarte,
Deed smaken, onvermengd, het reinst geluk van 't harte,
Des levens liefelijksten troost?"

Neen! - die ik 't meest heb liefgehad,
Dat was mijn kranke; 't was de moede, de uitgeteerde,
Van wie ik leven beide en hopend sterven leerde,
Toen 'k weenend aan haar sponde zat.

Petrus Augustus. de Génestet

=

Meneer Alzheimer

Meneer Alzheimer, ik wil even met u praten
Met mij gaat het nog goed, ik ben niet oud
In mijn gelei hierboven zitten nog geen gaten
Maar op een dag, en dat laat mij niet koud
Ben ik dit lied allang vergeten
Dan weet ik niet wat ik vanavond zong
Maar nu wil ik daar niets van weten
Want nu ben ik nog goed... en bij... en jong
Genoeg om even iets aan u te vragen
Mijn probleem is echt niet al te groot
Het gaat over mijn laatste dagen
Als u toeslaat, zo vlak voor mijn dood
Wilt u een beetje, een beetje selecteren
Zodat ik de mooie dingen wel onthou
Dus als ik in mijn stoel zit weg te teren
Dat ik nog even mag denken aan mijn vrouw
Met wie ik zoveel jaren heb gevreeën
Met wie ik zoveel uren heb gewoond
Dat ik nog een beetje weet hoe we het deden
Omdat mijn eigen lijf mij dat dan nooit meer toont
Ach ik wil best mijn hele boel vergeten
Ik weet zo al twaalf vrouwen op een rij
Van zeker drie zou ik de naam al niet meer weten
En de rest verzuipt ook in de grijze brij
Er is meer dan genoeg om mee te nemen
Pak mijn angsten, mijn wanhoop en verdriet
Pak ze, ik zal ze echt nooit claimen
Maar al het mooie, neem dat niet
Pak mijn geld, mijn leugens en mijn ruzies
En mijn iets te vaak verongelijkte toon
Maar laat aan mij een paar illusies
En de liefde voor mijn dochter en mijn zoon
En één ding mag u zeker pakken
Daarvoor ben ik nou eenmaal veel te laf
Misschien hoor ik daarom bij de slappe zakken
Maar ik smeek u: neem mij mijn doodsangst af
Zodat ik mooi en stil de wereld kan verlaten
Met een knipoog naar de mijnen, zonder angst
Meneer Alzheimer, valt daarover te praten?
Want voor doodgaan ben ik levenslang het bangst
Dus dat ik mooi en stil de wereld kan verlaten
Met een knipoog naar de mijnen, zonder angst
Meneer Alzheimer, valt daarover te praten?
Want voor doodgaan ben ik levenslang het bangst

Youp van 't Hek

=

In de zwarte nacht is een mensch aangetreden

In de zwarte nacht is een mensch aangetreden,
de zwarte nachtwolken vlogen,
de zwarte loofstammen bogen,
de wind ging zwaar in zwarte rouwkleeden.

't Gezicht was zoo bleek in 't zwarte haar,
de handen wrongen, de mond borg misbaar,
de nek was zwart,
een hel was 't hart,
van daar kwam het zwarte en worgde haar.

Met de wind, met de boomen en met al de wolken
is ze gekomen,
het waren rondom haar groote volken
van zwarte nachtdroomen.

Bij een groot zwart water aan zijn zoom
heeft ze heel stil gestaan,
de lang geleden geboren boom
heeft ze toen al geraân -

en de wind en de wolken hebben stil gestaan,
ze hadden het niet gedacht,
anders waren ze niet gegaan
en hadden haar niet hierheen gebracht,

en alle zijn ze blijven staan,
de wind en de boomeblaân
en het wolkevolk
en de zwarte golven in de kolk,

en de vaders en de voorouders
stonden omhoog
in stille wolken met hun schouders,
tot de voeten in zwarte toog,

en de kinderen die ze had willen baren,
kwamen rondom
tegen de boomen staan, ze waren
klein en stom,

en één ding dat ze in haar leven
altijd had gehad,
kwam nu heel hoog boven haar zweven
lichtend mat,

een groote vogel, een groote bloem,
een klinkende klok, haar groote roem,
haar stem waarmee ze was geboren,
hing nu omhoog en liet zich hooren.

En al die kinderen en die ouden
hadden het niet gedacht,
en ook niet de stem die boven de wouden
nog zong in de nacht -

die was altijd in 't leven geweest
haar eenig lam,
die blaatte nu nog als een eenzaam beest
of ze bij hem kwam,

die was het eenige vuur geweest
voor hare handen,
daar kwam ze 's avonds erg bevreesd
uit de menschelanden,

die was het droomen en lavende slaap
voor haar in 't leven geweest,
die stond nu boven, een eenzaam schaap,
een blatend beest.

Maar toen ze ging en ze sleurde mee
in een sleep,
kindren en klanken, in zwarte zee
ging alles scheep,

en 't dreef nog even, het water zwart
vonkte van diamant,
in die groote schipbreuk brak ook het hart,
alles zonk, het laatst de hand.

Herman Gorter

=

Mongooltien

Toen nao de angst het weten kwam,
en alle zunne met zich nam,
juust toen, geknakt en traonenbliend,
zag zij de glimlach van het kiend...

Die glimlach bràk deur alle smarte,
dwars deur de knelling um heur harte,
ze drukte 't an heur natte wangen;
toen pas hef ze heur kiend ontvangen.

En now 't, volwassen, op heur wacht
en as een kleuter daanst en lacht,
wet ze, trots zorgen en gemis,
dat juust dit kiend heur 't liefste is...

Gré S. Broekhuizen

=

Dertigste strofe

Naamloos en ongekend,
niet meer dan eener vrouwe zoon,
zoo moge ik slapen ergens in den schoot der aarde,
naakt in het ragge purper dezer liedren,
de flarden van 't scharlaken kleed der schande,
dat nooddruft heeft aanvaard, geluk niet afgeleid:

zoo laat mij bij u zijn herdacht,
geslaafde kenchten, in dees wreeden krijg
die leven heet,
gezweept door de almachtgen nuk
van onverbiddlijken onzichtbaren tyran:

zoo laat mij zijn herdacht,
een kind, een knaap die voor uw oogen viel,
voor wiens verbleekten glimlach uwe handen,
ontroerd van onbegrepen eerbied,
dolven een haastig en verloren graf.

P. C. Boutens

=

's Molenaars dochter

't Werd laat eer de vrijer de molen verliet;
De vlonder was wit van de rijp - Hoe 't geschiedd'? -
Of 't licht in de molen? - Men gist en men raadt -
Hij zonk in de diepte van 't zwarte verlaat.

En 's molenaars dochter zat stil en alleen,
Al zuchtend en klagend, in rouw en geween;
Drie jaar lang rouwde ze en wenste zich dood,
Totdat het haar vader ten leste verdroot.

'De knecht op de molen is vlijtig en trouw,
Is knap van persoon en hij wil je tot vrouw;
Of hij jou nu lijkt? - Maar al lijkt hij je niet,
Toch zult ge hem trouwen trots al je verdriet!'

De molenaar sprak 't en zijn woord was een wet,
Hier baatten geen tranen, geen klacht of verzet;
Al draaide de molen zijn kap met de wind,
De molenaar niet, al bezwoer hem zijn kind.

En 's Zondags reeds woei van de molen een vlag
En noodde er de gasten met iedere dag;
Kwam 's avonds de speelman, de vreugde begon -
Maar 't bruidje verviel als sneeuw voor de zon.

En zwaar op haar schouderen drukte het kruis;
Bij 't vallen van d' avond ontvlood zij 't gedruis;
Zij wrong als wanhopig de handen te saâm,
En staarde in het water en fluisterde een naam.

'Ach, neem gij terug thans mijn trouw en mijn ring,
Gij dierbre! met wie al mijn vreugde verging;
Straks, tegen mijn wil, breekt de bruiloftsdag aan:
Ach, was ik bij u en mijn lijden gedaan!'

Met rukt zij de ring af, haar heiligste goed,
En slingert hem neer in de kolk aan haar voet,
En 't siddert en trilt in de donkere schoot,
Als klopte men zacht aan de poort van de Dood.

Een vorm zweeft langs 't water in nevelgewaad,
En huivrend herkent zij een dierbaar gelaat;
Het spooksel komt nader, steekt d' arm naar haar heen -
Zij wankelt en stort in de diepte beneên.

En ginds in de molen, dáár zongen zij luid,
Dáár klonken de gasten op 't welzijn der bruid;
Drie dagen verstreken, toen zaten zij weer
In 't eigenst vertrek aan haar doodmaal ter neer.

Frederik Leonardus Hemkes

=

Lied van de Aarde

Over de landen klonk een nieuw lied.
Ik rommelde in paniek in kasten en laden.
Trommels roffelden; er scheen een groot licht,
de ratten vluchtten tussen de wortelen.
Ik trof niets van waarde.

De stilte rolt over de velden;
het grote zwijgen van de vliet.
In lage, maar grazige weiden
smul ik van het gras der ongelukkigen,
ik lust het niet.

De dagen lengen. De nachten worden langer.
Een trage passaat buigt het riet.
De dragers van het water van de waarheid
komen stapvoets nader;
over de aarde klinkt een oud lied.

Hans Verhagen

=

Aan Betsy

Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos
In hartverovrend achtelooze houding lag
Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch
Langzaam doordwaalden. 't was een vreeslijk heete dag.

Gij hield mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog
Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok
Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog
Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.

Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk
Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat
Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,
Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.

O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud
Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand
Had plots de flesch, zoordra ze leeg was, door het woud
Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.

Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,
Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, -
En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. -
Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.

Piet Paaltjens

=

De schietbeek

In 't breede lommer van de lage boomen
Glipt, glipt het beekje langs de holle boorden:
Het streelt de blonde bloemen aan zijn zoomen,
En zingt een lied vol murmelende akkoorden.

Toen kost gij, lieve, uw lust niet meer betoomen
Maar waadde' door de golfjes, die bekoorden:
Zij wijken, nu zij bij uw voetjes komen,
En kussend fluisteren zij liefdewoorden.

Hoe fronsen zich die gladde rozenvoeten
In 't rimpelend kristal.... O, laat mij beiden,
Om met een voetkus mijn vorstin te groeten!...

En 'k liet het linnen van haar voeten drinken
Het water, weenend om het wreed verscheiden,
En zag haar oog van frissche blijheid blinken. -

Jacques Perk

=

Het waren twee koninghs kindren

Het waren twee koninghs kindren,
Sy hadden malkander soo lief;
Sy konden by malkander niet komen,
Het water was veel te diep.

Wat stack sy op drie keerssen,
Drie keerssen van twaelf int pont,
Om daer mee te behouden
's Konincks soone van jaren jonck.

Met een quam daer een besje,
Een oude fenynde bes,
En die blies uyt de keersen
Daer verdroncker dien jongen helt.

`Och moeder,' seyde sy, 'moeder
Mijn hoofje doet mijnder soo wee,
Mocht ik `er een kort half uurtje
Spanceeren al langhs de zee.'

`Och dochter,' seydese, `dochter!
Alleen en meught ghy niet gaen:
Weckt op uw jongste suster,
En laet die met u gaen.'

`Mijn alder jongste suster
Dat is also kleynen kint;
Sy pluckt maer al de roosjes
Die sy op haer wegen vint;

Sy pluckt maer al de roosjes,
En die bladertjes laet sy staen,
Dan seggen maer al de lieden,
Dat hebben konincx kinderen gedaen.'

De moeder gingh na de kercke,
De dochter gingh haren gangh:
Zy gingh maer also verre
Daer sy haer vaders visser vant.

`Och visscher,' seydese, `visscher,
Mijn vaders visscherkijn,
Wout ghy een weynigh visschen,
't Zoud' u wel geloonet zijn.'

Hij smeet zijn net in 't water,
De lootjes gingen te gront,
Hoe haest was daer gevisset
's Koninghs sone van jaren was jonck.

Wat trock sy van haer hande?
Een vingerling root van gout:
`Hout daer myns vaders visser,
Dat isser denloone voor jou.'

Sy nam hem in de armen,
Sy kusten hem voor syn mont,
`Och mondelingh, kost ghy spreken!
Och hertje waert gy gesont!'

Zy nam hem in haer armen,
Zy spronker mee in de zee:
`Adieu mijn vader en moeder,
Van u leven siet ghy my niet weer.

Adieu mijn vader en moeder,
Mijn vriendekens alle gelijck,
Adieu mijn suster en broeder,
Ick vaerdet na 't hemelrijk.'

?

=

Paradise regained

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van den morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

zwervende tusschen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van 't water,
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgloos zingt langs het eeuwige water

een held're, verruk-'lijk-meeslepende wijs:

'het schip van den wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen -
wij gaan terug naar 't Paradijs.'

H. Marsman

=

Landschap met roze hoed

"Niets kan zachter golven
dan een golfterrein"
denkt de dame met de grote hoed
en de suède handschoenen.
De heer die haar galant terzijde
staat, kijkt heel even
naar haar borsten in de roze crêpe jurk
en slaat dan met een forse slag
het kleine witte balletje
een heel eind verder.

Patricia Lasoen

=

Aquarium

In schem'rig groen stukje van de oceaan
Zweeft als een schim het zeedier, transparant:
Zich zelf vergetend, ziet door glazen wand
De menschengeest 't ontzaglijk wonder aan,

Hoe 't zieltje, dat in elk trillend orgaan,
Teer van doorschijnendheid, onzichtbaar brandt,
't Vreemd, glazen vogeltje zijn fijn als kant
Geweven vleugeltje golvend doet slaan.

Zoo drijft mijn vers in mij, zelf deel van God;
En iets, dat met verstand en weten spot,
Verbergt zich in kunst'ge doorschijnendheid;

En wie het leest, voelt, voor één oogenblik
Verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik,
Trillen 't mysterie van zijn eeuwigheid.

Adwaita

=

Na de bevrijding

Schoon en stralend is, gelijk toen, het voorjaar,
Koud des morgens, maar als de dagen verder
Opengaan, is de eeuwige lucht een wonder
Voor de geredden.

In 't doorzichtig waas over al de brake
Landen ploegen weder de trage paarden
Als altijd, wijl nog de nabije verten
Dreunen van oorlog.

Dit beleefd te hebben, dit heellijfs uit te
Mogen spreken, ieder ontwaken weer te
Weten: heen is, en nu voorgoed, de welhaast
Duldloze knechtschap -

Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben.
Nu opstandig, dan weer gelaten, en niet
Eén van de ongeborenen zal de vrijheid
Ooit zoo beseffen.

J .C. Bloem

=

Vera Janacopoulos

Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen

o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen

violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen

Jan Engelman

=

Ik mis iets

Ik denk weer vaak aan Griekenland,
zijn blauwe lucht en kiezelstrand.
Huiv'rend in mijn doodstil huis
droom ik van de berg van Zeus.

Vanaf d'Olympus zag'k eens diep
de adelaar die wiegend sliep
op wind en ijle lucht; ik dacht:
ziehier 't bewijs der Goden macht.

Ik zat daar tussen't herdersvolk
met pansfluit en een valse hond
dat voor zijn gast een geit leegmolk
en altijd stof tot lachen vond.

Mijn muildier zag de zaak eens aan
en ik besloot weer voort te gaan.
Mijzelf zocht ik in wanhoop maar
nu toef ik hier, mijn ziel nog daar.

J. Blaauw

=

De getrooste dood

De Dood, die onbekend en onbemind,
Zoo uit het oog, zoo uit het hart vandaan,
De weg vervolgt die hij vanouds moet gaan,
Weg waarop niets hem aan zijn offers bindt,

Vindt soms op stille ziekbedden, waaraan
De laatste hand hij leggen zal, een kind
Dat hem herkent en glimlachend bemint
En hem verzoent met heel zijn doodsbestaan.

Hij neemt het kind, en 't kind hangt aan zijn lippen.
Ziet dan de glimlach dralend ingeteekend
Rond de eigen lippen als hij verderschrijdt.

Zoo wordt zijn baan naar kinderen berekend:
Zachte oasen tusschen zand en klippen
Der menschelijke onverschilligheid.

Simon Vestdijk

=

lichaamstaal

als ik naar je kijk, zeggen mijn ogen
het dan? of voel je het als ik je omarm?

mag ik? met mijn armen? eerst de ene,
dan de andere. en jij daartussen.
om te kussen.

niet nu, niet straks, niet morgen. nu
met heel veel nu daarna. ja, ja,

en ondertussen maar kijken om het
te zeggen in plaats van het te
zeggen.

hoe zou je kijken? wat zou je zeggen?

je lijkt het soms te zeggen als je
kijkt. maar je zwijgt.

je zwijgt en ik kijk. ik kijk en zie
wat je wil zeggen. wat ik wil
dat je zou zeggen.

had één van ons nu maar het lef
om die lichaamstaal verbaal
heel even het zwijgen
op te leggen.

David Troch

=

Hoog Hoger Hoogst

Ze klimmen tegen de hemel op
verzwaren de aarde met palen
en 't bouwen gaat door non-stop
voor de hoogste plaats in de annalen

Er openen steeds meer portalen
die toegang verlenen tot de top
Een ieder wil een titel behalen
Trots gegrift in betonnen kop

Een verheven schepper, zo'n architect
Hij heeft bij de Heer gestudeerd
hoe men 't land met rotsen bedekt

Net echt, zelfs de havik immigreert
Hem is 't eender wiens tempel 'm trekt
of wie hij met z'n broedsel vereert

Joke Kaviaar

=

Venus Kalipygos

Schoonbillige Afrodita van de Grieken,
wees billijk voor wie in een later eeuw
ontsteld wordt door zijn angsten en de schreeuw
der blinde vogel met de gouden wieken.

't Is niet uw Hellas en het uchtendkrieken
des lichts, dat ons nog langer houdt omringd.
Het lied, dat uit verkrampte harten zingt,
schiet als een pijl naar wit-besneeuwde pieken.

Wees billijk, wij verlangen eveneens
naar het moment, dat angsten ons ontvallen
en overblijft een wereld koel helleens

verweven naar Pythagoras' getallen.
Wees billijk, Venus. Straks niet, maar meteen,
opdat meteen de nieuwe lied'ren schallen.

Cola Debrot

=

Ik vond een vogel, stervende in de tuin

Ik vond een vogel, stervende in de tuin.
Geen koestren hielp, hij drinken wou noch eten.
Gelijk een bloem, wier stengel werd gereten,
Aan 't slappe halsje hing het kopje schuin.

Eén siddering - en dan, in niets meer weten,
Verstrakte 't lijfje, als de aarde grijzigbruin.
Wij hebben 't stil begraven in de tuin -
Die kleine vogel kan ik nooit vergeten.

Zo zag 'k voor 't eerst het wonder van de dood
- Nu moest die vogel zang en vliegspel derven,
Weerloos vergaan tot aarde in aardeschoot.

Toen wist ik: - Nu nog zijn mijn wangen rood,
Nog zing en dans ik, maar ook ik moet sterven -
'k Voel nog de kou, die héél mijn zijn doorvloot.

Hélène Swarth

=

Kroost

De langste dagen was ik hier, als een vos
slim en ernstig in het gras. Ik ving
kleine wespen, hield ze als mijn vader
onder glas. Soms dacht ik aan de kinderen
die we hadden kunnen krijgen, bastaards
nooit verwerkt, glippend door de spijlen.
Ik liet de kansen krimpen, wilde enkel
liefde maken, hing jouw lichaam aan de wilgen
sloop 's nachts over de daken. Ik wachtte tot de herfst,
tot het te donker was om hier te blijven, gaf je
een glas, een tand, scherp en hoekig
als de vouwen in mijn laken. Soms dacht ik aan de kinderen
glijdend in boten over water, wiegend
tot ze uit mijn zicht verdwenen.

Milou Voskuilen

=

De blauwe reiger

Aan slanke blanke beek, in de eenzaamheid der weiden
Waar 't gras de late herfst met ijle tinten kleurt
Staat hij gedoken, stil, tot zich zijn vlerken spreiden
En hij zich statig, trots, in hoogere luchten beurt.

Breed drijft hij op het zeil der vleuglen, rond hem breiden
Zich de akkers en het woud steeds wijder, maar hij treurt.
En laat zich blind van smart in zwevend stijgen glijden,
Tot plots zijn felle kreet de stille luchten scheurt...

Maurits Uyldert

=

Het wonder van de kermis

Een blonde meid met gitzwarte oogen
Is nu het wonder van de foor.
Is het blond haar misschien een logen,
Haar armen zijn toch echt ivoor.

Het is een schiettent waar zij troont,
Zij hanteert vreemde karabijnen...
Zulk wonder werd nog nooit vertoond:
Weer strooit God parels voor de zwijnen.

En elke klant, die roerloos mikt,
Schiet regelmatig naast het doel.
Het is een avond, zwart en zwoel,
Voor alle drama's voorbeschikt.

De hand die uit haar hand ontvangt
De karabijn als gaaf van leven,
Hoe sterk de vuist den loop omprangt,
Moet van ontroering blijven beven.

Heeft er dan niemand ooit den moed
Het wapen op haar hart te richten,
En 't beeld der helsche vergezichten
Te dooven in haar donker bloed?

Helaas, zij glimlacht onverstoord,
Bevrijd van de gewone banden:
Reeds heeft haar lach den klant doorboord
Aleer hij 't geld legt in haar handen.

Jan van Nijlen

=

Vannacht

Vannacht twee kinderen gered.
Ze lagen onder dun, zwart ijs;
de één zag grijs, de ander blauw.
Ik heb ze op het gras gelegd,
dat hard onder mijn voeten brak,
hun lijfjes droog en warm gewreven
en ze mijn adem ingeblazen.

Daarna de ochtend ingekeken,
die lauw over het water lag,
een mouwloos T-shirt aangedaan,
wat grassen in een vaas geschikt,
twee kinderen uit hun slaap gevist.

Hester Knibbe

=

Het park

Wij kwamen uit het duister van den tuin
Voorbij den vijver en de leeuwenfontein.
Zij was zoo moe en lief, dat ik haar wilde dragen
Langs kamperfoelie en langs rozenhagen.
Bij de lantaren, voor de steenen bank,
Hielden wij stil en zwegen lang...
Wat heel den avond donker was gebleven,
Werd in dit heldre licht opnieuw gegeven
En anders: in het eerlijke gezicht
Lagen de oogen nu verzadigd dicht
En om den mond, den zelfbewuste, zachte,
Sliepen haar lichtste, veiligste gedachten.
Haar handen rustten droomend in haar schoot,
Waarover zorgeloos haar adem vloot,
En heel 't gezicht, waarover bladerschaduw speelde,
Glimlachte zacht, alsof mijn vingers het nog streelden.

Adriaan Morriën

=

Enfance

Een kind te zijn is triest zijn en ontgoocheld.
Wanneer wij ons vervelen,
zegt men dat wij moeten spelen
en wij weten niet wat spelen is.

Als de padvindersfluit,
waarvan gezegd is
dat hij echt is,
die is beloofd en daarom gevraagd,
eindelijk is gegeven,
wordt hij afgenomen
om het geluid.

Wij weten ook wel dat het maar één toon is,
zo hard, zo koud,
door geen manier van blazen te vermurwen.

Maar wij zoeken muziek
en blazen, hoewel het haast pijn doet.
Wij wachten tegen beter weten
op een melodie, die komen moet,
zo maar vanzelf
licht en zwevend.

L. Th. Lehmann

=

Tijd

Tijd is de wisselwerking
tussen
gisteren en morgen.

De mens en zijn verlangen
zijn in de tijd gevangen
gekluisterd in
de wisseling
van toekomst en herinnering.

Verlangen is minuten
uren dagen
weken laten duren.

Nex van Aarssen

=

Ars amandi

Het is lang niet gezegd
dat de twee mooiste mensen ter wereld
het meest van elkaar houden,
het meest of het best.
Zoals het even onbewezen is
dat de twee lelijkste mensen ter wereld
het minst van elkaar houden,
het minst of het slechtst.

Het donker gehoorzaamt
aan andere spelregels dan het licht.

Wat onze vingers voelen
wordt niet door onze ogen weerlegd.

Wie bewonderend zegt:
'Lieveling, wat ben je lelijk!'
zegt het terecht.

Adriaan Morriën

=

Wat me nu is overkomen!

Wat me nu is overkomen!
Loop ik langs een rijtje bomen,
Vliegt er aan mijn linkerhand
Plots een braamstruik in de brand.
Echter zie! het veldgewas
Valt niet uit elkaar in as,
Maar het blad blijft ongeschonden
Of geen vuur en vlam bestonden.
Je begrijpt, ik stond versteld!
Toch de brandweer maar gebeld.

Simon Knepper

=

Ik ben het zuiverste dier op aarde

ik ben het zuiverste dier op aarde
ik slaap met de nacht als met mijn lichaam
en de nacht wordt groter in mijn hart

in het donkere weefgetouw van je vingers
borduur ik een nacht van eenzaamheid
veelkleurig veeleisend veranderlijk

ik ken alle tranen van de eenzaamheid
sla mij maak mij open
ik ben een roos van vrolijkheid

kom hier vertrouw mij
ik gooi de wind vol sterren

als een boot van overvloed
in de spaarzaamheid van de zee

nu ben je niet gekomen
en zachtjes ga ik dicht.

Hans Lodeizen

=

Voor wie dit leest

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken;
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier, mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,
ben menigen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

Liefde is het meestal ook geweest
die mij het potlood in de hand bewoog
tot ik mij slapende voorover boog
over de woorden die Gij wakkerleest.

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn
en door de letters heen van dit gedicht
kijken in Uw lezende gezicht
en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,
zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;
en laat Uw blik hun innigste niet raken
tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,
en wees gerust, en vrees niet de gedachte
dat U door deze woorden werd gekust:
ik heb je zo lief.

Leo Vroman

=

Het tabakrooken

Die heb met Godvergeten hand
Zijns grijzen vaders nek gebroken,
Die 't eerst dat heilloos stinkend rooken
Heeft ingevoerd in 't Vaderland.
Hij gaf 't verachtlijk wormgebroedsel
Der laffe en vuile luiheid, voedsel
In breinbedwelmings tooverrust:
Hij was 't die de vlijt en spierkracht doofde,
En 't menschdom 's levens waarde roofde
Voor dronkenschap der zwijmellust. -

Waar ben ik? in wat Hel van rampen?
Op ieder voetstap waar ik trêe,
Omwalmt mij 't walglijk onkruiddampen,
En doet mijn borst en longen wee.
Hoe keert mij 't hart en de ingewanden,
Wanneer dit stinckende oliebranden
Zijn gif door heel de lucht verspreidt,
In 't lichaam om met pijnlijk wringen!
En geldt dit voor versnaperingen,
Voor feestonthaal en lieflijkheid? -

ô Gouden tijd van onze Vaderen,
Toen de ouderwetsche goede sier
Vernieuwde krachten stortte in de aderen
In 't smaaklijk voedzaam garstenbier!
Doch, Frankrijk, ja bij uw venijnen
Van aangezette valsche wijnen
Heeft ook dit gif zijn rechte plaats.
Welaan, het moog wien 't lust vermaken;
Voor mij zal nooit die wierook blaken;
Voor mij geen stinkend dampgeblaas!

Willem Bilderdijk

=

Voorbij

Zij was zoo jong en zoo bedorven.
Ze zei: ze had te lang gezworven.
Haar ogen waren al gestorven.

Zij was in het moeras ontstaan.
Zij was een blauwe gentiaan,
Geplukt, en welkend dichtgegaan.

Men heeft haar teeder weggedragen.
Ze was gelukkig zonder vragen
En dit geluk heeft haar verslagen.

Het was zoo vreemd, zij had geen pijn.
Haar harteklop was traag en klein.
Haar adem ruischte als een fontein.

Toen werd haar wezen zonneschijn.
Ze lag van hoofd tot voeten rein.

Wie denkt er nog aan haar bestaan?
Zij is voorbij en afgedaan.

Willem de Mérode

=

Het sneeuwt

De vlokken dwarrelen als
in schoolopstellen
volwassenen staan verrukt als
kinderen te staren voor het raam
en ademloos bedampt
het venster van hun warme adem
Wij zijn het niet gewoon
als kinderen te voelen
zouden kinderen zelfs het
nog kunnen?

Het sneeuwt vandaag in kinderopstellen
en hun argeloze blik
schrijft moeizaam
o zo moeizaam
wat zij nu allemaal wel
voelen moeten
als het sneeuwt
De vlokken dwarrelen, schrijven zij
en inderdaad
hoe kan het anders?

Cathy Mara

=

Het Schrijverke

O Krinklende winklende waterding
met 't zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op 't waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie 'k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie 'k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over 't spegelend water klaar,
en 't water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over 't waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die 't mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of 't water, waarop dat ge drijft?
Zijn 't vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is 'et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met 't zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en 't bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!"

Guido Gezelle

=

Man van momenten

Hij vertelt graag een mop waar niemand om lacht,
lacht te hard om 'n verhaal dat niet als leuk is bedacht.
Zijn gulp staat open, hij zit vaak aan zijn zak.
Het liefst gooit hij koffie over jouw witte pak.

Stapt vrolijk in de stront, loopt binnen bij de buren,
zegt dat het stinkt, is het soms de hond?
De schoenen omhoog en ze komen bij de zijne,
roept-ie in extase: "O jee, het zijn de mijne!"

Hij is de man van momenten, gênante momenten,
geniet van het schaamrood, een dodelijke blik.
De man van momenten, genante momenten,
slaat graag de plank genadeloos mis.

Zegt van een mongool: "Het is net zijn vader,"
vraagt aan twee homo's: "Wie is de vrouw?"
En als hij zingt, zingt hij vals en met opzet verkeerd.
Roept op een crematie: "Gefeliciteerd!"

Loopt op het strand met zijn lul uit zijn broek,
zegt tegen een meisje: "Neem een lik van mijn ijsje."
Stapt op het toneel en zingt Mooi Banaan.
Zegt tegen een Turk: "Jij goed Marokkaan."

Hij is de man van momenten, gênante momenten,
geniet van het schaamrood, een dodelijke blik.
De man van momenten, gênante momenten,
slaat graag de plank genadeloos mis.

Hij schreeuwt: "M'n geld!" en wijst een neger aan.
De gretige massa begint al te slaan,
Ziet de bloedende zwarte en zegt op zijn gemak:
" 'k wou alleen even zeggen: Ik heb het hier in mijn zak."

Een anorexia-patient vindt hij lekker slank.
Noemt iedere Duitser Anne of Frank.
Vertelt zonder schroom dat hij graag in bed plast
en belt aan bij de rabbi: "Ik ben de man van het gas."

Hij is de man van momenten, gênante momenten,
geniet van het schaamrood, een dodelijke blik.
De man van momenten, gênante momenten,
slaat graag de plank genadeloos mis.

Nuhr

=

Wie slaat de bloesem uit dit dode hout?

Wie slaat de bloesem uit dit dode hout?
Wie weeft een nylon zweetdoek door de takken?
IJskoud het lekkerst schijnt niet te bestaan,
Een vroege salamander moet verrekken.
Er is in de oktoberstorm meer leven
Dan in de kille vlagen van april.
Is dit geboorte van nieuw leven?
De discusschijf van de placenta wordt gemangeld
Tot ijzig mos onder de uitslag van de rijp.
De winterslaap wordt wreed verstoord door groeikracht,
De huiver doet het tere groen verstijven.
Men tilt een blad op en daar staat geschreven
In taal die slechts de wormen is gegeven,
Dood, dood, en nog eens dood, en even leven.

Jan Wolkers

=

Eindexamen

Alle vlaggen. Met een gehuurde
bus de dochter naar haar kamer
rijden. Wind. Geen klaagrecht:

die het vuur van hun liezen
in aarde brengen, geen dochter
hebben, een rotmeid, een

rotmeid. Met bloedende vuisten
op het plaveisel hiertegen zijn.

(Het ingelijste kind met zich-
zelf het huis in zien gaan.)

Alle vuur aan de hemel,
het asfalt een rivier die
de grazige bocht achterlaat
omdat dat zo gaat. Alle

stomme waterstromen, weg-
waaiende woorden, alle gras.

Anna Enquist

=

Wij die elkaar tot bloedens toe

Wij die elkaar tot bloedens toe
op alle zwakke plekken kwetsten,
wij beiden zijn ten langen leste
de onbesliste vete moe.

Het laatste licht faalt in het westen,
mijn lieve vijandin, zie hoe
ik mij van wapentuig ontdoe;
dit is uiteindelijk het beste.

Het heeft alleen zo lang geduurd:
de bitterheid waarmee we streden
heeft voor ons alletwee voorgoed

zowel de toekomst als het heden
volledig in de war gestuurd.-
Zeg nu maar hoe het verder moet.

Jean Pierre Rawie

=

En zij daalden

En zij daalden naar mijn diepe donker
Met hun beitels, bijlen en houwelen,
Om mij uit mijn koningsgraf te stelen:
En zij haalden mij uit mijn geflonker.

En de rots, die mijn geheim bewaarde,
Werd gebeukt, gefolterd en gespleten,
En hun geile hebzucht om te weten
Stal mijn schatten uit de schoot der aarde.

En zij vonden mij in louter goud,
Met mijn lippen dicht, de vaste gouden,
Eeuwen met het zwijgen reeds vertrouwd;
En dit boek is hun gestolen buit,
Maar mijn laatst geheim bleef hun onthouden,
Want een koning levert zich niet uit.

Bertus Aafjes

=

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten:
't geheim der sterken school altijd daarin,
dat zij zich instelden op lange drachte' en
intoomden d' ongestuime dadenzin.

Niet 't wachten der praatgragen zij het onze,
die, sprekend aldoor over wat zal zijn,
intusschen inslurpen als grage sponzen,
met lijf en ziel den heeten levenswijn,

maar 't dadenrijke wachten van wie maken
wachtend, zichzelven èn het levensveld
anders, wie niet uitstellen het ontwaken
tot een bazuinroep door de heuvlen zwelt.

Zij voor wie alle dage' en alle uren
de eeuwigheid breekt door den tijd
en die houden aldóór bij de kampvuren
zwijgende wacht, te gaan bereid.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Onbekend en ongezien de avond van de moord

Onbekend en ongezien
de avond van de moord
in de straat van de vissende kat
een jongen die wanhopig fluit

iedereen raakte me aan
ik plukte hun oogballen
uit mijn decolleté
en trapte ze plat
onder zeer hoge hakken

rood en zwart
dunner dan sigarettenvloei
was de tweede huid
waardoor stormen ontstonden

rood leer en wit bont
in blikkerend Napels
waar mannen op auto's klommen
terwijl ik een schildpad beminde
en wandelde over het water

maar nooit vormden zij een muur
om onbeschermd tegen te leunen
maar de ommuring van een binnenpaats

Boccarossa

=

Grietjes verzuchting

Ik weet niet - maar sinds ruime tijd
Hoef 'k moeders roep noch tik,
En wie is 't eerst van allen op -
Het eerst van allen?... Ik!
Dan hang ik water over 't vuur
En loop wat af en an,
En 'k weet precies hoe laat het is -
Zie 'k LOUW de timmerman.

Kwartier voor zessen, strijk en zet,
Stapt LOUW, wat weer het zij,
Met zijn gereedschap in zijn mand
De deur van 't huis voorbij.
Die LOUW is toch een flinke knaap!
Wat schijnt hij kloek en sterk!
Zijn baas - al is hij jongste gast -
Geeft hem de keur van 't werk.

LOUW spaart geen schuier voor zijn buis
Of water voor 't gezicht;
Zijn haar is altijd glad gekamd,
Zijn schootsvel net en dicht;
Zijn hamer, beitel, schaaf en zaag,
Die hij met werken won,
'k Geloof dat hij ze in orde houdt -
Ze blinken in de zon.

De meeste klanten van zijn baas
Zijn wat gesteld op LOUW!
Hij is geen dagdief voor het volk
En toch zijn meester trouw.
O gunst, hij kan zo vrolijk zijn!
Hij 's vriendlijk en gedwee;
Maar waar de twist het vuurtje stookt
Daar doet hij nimmer mee.

En biedt men LOUW een glaasje bier
Of soms een borrel aan,
Dan neemt hij wel het glaasje bier
Maar laat de borrel staan;
Want LOUW zegt - en ik zeg het ook -
Dat voor de ambachtsman
De kracht niet in jenever zit,
Bij 't geen hij wil of kan.

En zondags moest je hem eens zien -
Dien LOUW de timmerman,
Dan heeft hij wat een fijne jas
Een vest met strepen an;
Dan draagt hij ook een waterproef!...
O, zie je zondags LOUW,
Geen burgermeisje van fatsoen
Dat hem versmaden zou.

Komt hij voorbij en... sta 'k voor 't raam,
Dat licht gebeuren kan -
'k Doe dan maar of ik hem niet zie,
Die LOUW de timmerman;
'k Beken: het is wel niet beleefd...
Neen meer: het is zelfs dom;
Maar LOUW zegt ewel goeiendag
En... ziet wel zesmaal om.

Ik zou wel graag beleefder zijn...
Maar die verwenste kleur!...
't Is of ik door de grond verzink
Als ik hem maar bespeur;
Die kleur... maar kom, wat praat ik toch!
Mocht LOUW mij eens verstaan -
Hij zou wel denken dat ik hem...
O, foei! daar 's niets van aan,

Ik prijs hem maar als timmerman...
Wat zit ik in de klem
Als NEEL van d' overkant, die feeks,
Mij somtijds plaagt met hem!
Maar wacht... 'k weet ook wel wat van haar...
Die JAN-buur... 'k ben niet blind!...
Maar 'k moet toch zeggen, dat ik LOUW
Wel tienmaal knapper vind.

Mij dunkt, eens zie ik LOUW nog baas,
Veel klanten in 't verschiet;
Maar daar hoort altoos duimkruid toe,
En 'k hoor, dat heeft hij niet.
Nu, dat's geen schande, goed en gaaf
Geldt meer dan rijk en slecht;
En zo je als meester krukken moet,
Dan is 't maar beter knecht.

Mijn erfenis van petemoei,
Die vaststaat te Amsterdam...
Dan 't geen er in de spaarbank staat...
De bruidsgift van oom BRAM...
Laat zien, dat maakt toch bij elkaar...
Maar kom! waar dwaal ik heen?
'k Wou voor geen duizend gulden dat...
Ei wat! ik ben alleen.

Wat zou ik zeggen als hij kwam?...
Geen "ja!" dat past me niet!
'k Geloof dat ik de hele zaak
Aan moeder overliet;
Maar als die haar verlof eens gaf
En hij me vroeg - wat dán!
Ach!... 'k droom misschien van nacht alweer
Van LOUW de timmerman.

W. J. van Zeggelen

=

Egidius

Ik zag je nooit, de laatste jaren.
Jij was in wetenschap verdiept,
het kunst- en vliegwerk dat je schiep,
en ik in kranten en in jonge klare.
Toch was je bij me als ik riep,
en soms vanzelf. Niet te bedaren
was ons plezier wanneer de zware
ernst van anderen werd uitgesliept.

Maar nu je dood bent mis ik je, altijd.
Misschien omdat de mooglijkheid
je ooit terug te zien ontbreekt.
Misschien omdat ik 's nachts soms weet
dat je jezelf niet had vermoord
als ik je angst had aangehoord.

J. Eijkelboom

=

Twee koningskinderen

Als alle mensen op hun handen liepen
En ankers bleven drijven op de Rijn,
Als oesters ongehoorde dingen riepen
En naalden onds doorstaken zonder pijn,

Als kangoeroes in hemelbedden sliepen
En mummies konden zingen in hun schrijn,
Als piramiden soepel konden zwiepen
En modderbaden geurden naar jasmijn,

Als reuzen gingen zwemmen in 't ondiepe
En er geen einde kwam aan dit refrein,
Dan hoorde ik een raamkozijn zacht piepen
En kuste jij me, dwars door het gordijn.

Gerrit Komrij

=

O, spreek mij niet van liefde

O, spreek mij niet van liefde,
Van vriendschap een van trouw;
Die zijn al sinds lang overleden,
'k Ben er al van in den rouw

Neen, spreek mij van 's menschen ellende,
Van al zijn kommer en nood,
En hoe hij zijn broeders leven
Verbittert, - dan lach ik mij dood!

Piet Paaltjens

=

Jael

De vrouw wenkt vriendelijk de man naar binnen.
Hoognodig wankelt hij naar even rust.
Een vechter die een slokje water lust
en hij heeft haast: men kan niet alles winnen.

Hij gaat languit en mag dan zelf verzinnen
wat of hij drinken wil, in slaap gesust.
Zij buigt naar hem, haast of ze hem bekust
en slaat een tentpin door zijn slaap naar binnen.

Een spierenkronkel en dan is hij dood.
Zij heeft de pin vaak in de grond geslagen
maar nog niet eerder met een man eraan.

De handen rusten op haar moederschoot.
Nu wachten tot de jager op komt dagen:
ontspannen bij de ingang blijven staan.

Menno van der Beek

=

Februarizon

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano's.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.

De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.

Paul Rodenko

=

Een stralend licht!

Iemand zijn waar 't licht doorheen straalt,
zo wil ik voor and'ren leven,
met mijn handen als een brugdek
een vernieuwde doorgang geven,
kijkend naar de velen naast mij,
zoekend in vermoeide ogen
en met uitgestrekte armen
leed verzachten, tranen drogen.

Iemand zijn waar 't licht doorheen straalt,
als door vensters, wijd geopend,
met de zwakken en verkilden
op een nieuwe lente hopend.
Ik zie links en rechts de barsten,
scheuren die maar moeizaam helen,
van bedroefden die vereenzaamd
nergens zorgen kunnen delen.

Iemand zijn waar 't licht doorheen straalt,
daarvoor laat ik mij gebruiken,
zodat door een golf van aandacht
bloemen van de hoop ontluiken.
't Is míjn licht niet, noch míjn liefde,
maar God wil het met mij delen.
't Is Zijn kracht die door mij heen straalt
als een warmtebron voor velen!

Frits Deubel

=

Een morgen als altijd...

Een morgen als altijd Uw huis staat leeg
Men telt en één voor één
Treden de dagen in de kooi
Men ziet ik zie gij ziet
De verborgene dieren in de koele spiegel zien
Zo zal het blijven onderhuids
Het mes dat roest het bloed dat stolt
De stenen poreus de melk verschaald
Men zegt gij zegt
Met een verblinde stem met een versteend gebaar
Dag
Dag lieve kinderen

Hugo Claus

=

Hoer

Gehuld in 't zwart op sterke bronzen voet,
De lippen breed, de ogen vol zwart vuur,
Geschapen om het leven te verzoeten,
Zit zij gehurkt tegen de lemen muur,

En blijft, geblakerd door de middaghitte,
Beneveld door haar eigen lichaamslucht,
Gelijk een opgebonden wijnrank zitten
En een voor iedereen te plukken vrucht.

Het is windstil. Haar mooie vingers rusten
Verspreid en overal over de vloer;
Zij biedt zich fier als een zelfbewuste;
Haar lichaam is vol onderdrukt gekoer:
Een duiventil vol eerste voorjaarslusten.
Zij lijkt meer op een maagd dan op een hoer.

Bertus Aafjes

=

Sonnet

Ik
Mij
Ik
Mij

Mij
Ik
Mij
Ik

Ik
Ik
Mijn
Mijn
Mijn
Ik

Lucebert

=

Naar huis toe

Naar huis toe, 't golvend heipad af,
Gaat ze voor mijn blikken schuil;
Heuvel op, heuvel af, als een jongen in draf,
Onvermoeid langs hoogten en kuil...

Op de tweede glooiing staat zij stil
Met de handen hoog in de lucht
Alsof zij nog ééns iets zeggen wil
Voor dat zij verder vlucht...

Hajoe! juicht over de hei, hajoe!
En zij kust zich de rechterhand,
En zij zendt mij dien kus van haar lippen toe
Als mij nóg op de lippen brandt...

Ik zie, dat haar oogen gesloten zijn
Op het oogenblik, dat zij het doet,
En weer vlucht zij in een nieuw ravijn
Nieuwe hoogten te gemoet...

Hajoe! hajoe! juicht over de hei,
Maar zwakker dan de' eersten keer,
En ze kust haar handen nu allebei
Als gaf ze zich zoo voor goed aan mij;
Dan daalt ze... en komt niet weer.

Frans Bastiaanse

=

Liedeken CXLVII

Snachts rusten meest de dieren,
Oock menschen goet, en quaat,
En mijn Lief goedertieren
Is in een stille staat:
Maer ick moet eensaam swieren,
En cruysen hier de straat.

Ick sie het swierich dryven,
Ick sie de claare Maan
Ick sie dat ick moet blyven
Alleen mistroostich. staan,
Ach lief wilt my gheryven
Met troostelijck vermaan.

Ach Lely hoogh verheeven
Verheven in mijn sin,
Mijn hoope van mijn leven,
Ghewenste, schoon Vriendin,
Wilt my u jonstich gheven
Een lieve weder min.

Met hoop en vrees bevanghen
Met een ghestaeghe stryt
Van sorghen en verlangen
Verwacht ick nu ter tijdt
Van u myn troost t'ontfangen
t'Woort, daar men lang om vrijt.

Myn vruchteloos verwachten
Myn commer niet en blust,
Sult ghy my heel verachten
Och voester van mijn lust
Maer siet ick onbedachte
Claagh nu, sy leyt en rust.

Och slaapt ghy myn behagen,
Dewyl ick doe myn clacht?
Wat baat my dan myn claagen
Nu ghy den dooven slacht,
Ick salt gheduldich draagen,
Ick wensch u goede nacht.

Adieu Prinsesge jeughelijck
Mijn Vrou van mijn gemoet:
Adieu en droomt gheneughelijck,
En slaapt gerust en soet:
Ach tis my soo onmeuchlijck,
Te rusten als ghy doet.

Gerbrandt Adriaensz. Brederode

'tKan verkeeren.

=

Lied

Er is een Lam, dat bloedt,
Er is een Lam, dat bloedt...

en ik, die Hem aanschouwen moet
en van mij zelven zeggen moet:
ik ben het, die U bloeden doet.

En dat ik U zóó bloeden zag,
zal 't mij behoeden éénen dag
voor weder, weder zonden?
Ik zal U talloos wonden
en roepen om Uw bloed...

Wat ik U daarom zeggen moet?
Wat ik U zeggen moet?

Er is een Lam, dat bloedt...

Gerard Wijdeveld

=

Jeugdherinneringen

Dit was mijn eerste visie op de tropen:
Een gladde plaat boven de schoorsteenmantel,
Waarop, om lange palm, laag bladgekantel,
Een tijger sloop, de ogen bloedbelopen.

Daarvoor, 'n Chinees in geel kleed op 'n theebus,
Met plat gezicht, hangsnor en scheve ogen;
Op 't deksel stond een onoplosbre rebus:
Karakters van onmetelijk vermogen.

Daar staarde ik op en voelde mij rampzalig;
Chinees en palmboom deden mij wegdromen
Naar verre landen, meer dan Verne-boeken.

't Ouderlijk huis was soms zo duf en stug.
'k Wist niet dat ik heus wel in de Oost zou komen
En even hard mijn lot er zou vervloeken.

Jan Jacob Slauerhoff

=

Landschap

Dit is het landschap waar ik mij verschuilen
kan als het leven mij naar 't leven staat.
Moerasgebied met grassen, poelen, kuilen,
waar donker water geen geheim verraadt.
Men hoort er 's avonds het gekras van uilen.

En hier en daar op 't onverwachtst daartussen
heldere plekken, waar dan bomen staan,
die met een groene mond de hemel kussen
en 's avonds dromen bij een lichte maan.

Dit is het landschap - ongerept gebied.
En ik voel, luist'rend naar het oeroud riet,
een rust van eeuwen al mijn onrust sussen.

J. W. Schulte Nordholt

=

In 't woud

Het woud, geworteld in de dorre blâren,
Spreidt lommer met zijn lovers over 't mos
En zijner bronzen armen tempeltrots
Wijdt honderd esmeralden zodealtaren.

Om steen en stronken waaiert zich de varen,
Zefier kust geuren uit de rozen los
En door het heilig, hemelschragend bos
Schijnt wellust ademend een god te waren.

't Is Kupris, wie de mirt en roos bekransen,
Wie maneschijn van leest en boezem licht,
Wier lokkend oog in 't hart verlangen lacht.

En zeven duiven zwermen in haar glanzen:
De zode zwelt, waar zij haar schrede richt...
Wee mij! ik zie Mathilde in Kupris pracht! -

Jacques Perk

=

Op school stonden ze...

Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken
en daarheen langzaam worden opgelicht.

Eduard Hoornik

=

Afscheid

De stilte is een vlinder
die in een laatste klaproos brandt,
de horizont een rups,
de schemering een witte moerbeiboom.

Een vrouw op blote avondvoeten
vertelt van de cocons
die talrijk als seconden zijn.
Een vrouw met blote ochtendhanden
vertelt van de cocons
die groter dan het etmaal zijn.

De voorbijganger gaat voorbij
en kijkt niet links
en kijkt niet rechts
en kijkt niet om
en zegt dat er niets is
of voorvalt buiten het bereik
van een compleet verstand.

Nes Tergast

=

Oktober

Zachtjes bloeit de zomer leeg
de herfstwind laat de bladeren zingen
van het gezicht dat ik zo liefheb.

Steeds bleker smelt de zon.
Een laatste blik nog werpt zij
op de ogen door het haar omlijst.

Nog even en de mond verdwijnt
in schemer. Maar niet in leegte.
Niet in schaduw van de tijd.

Mijn hand raakt nu de aarde.
Het wintergras staat voor de deur.
Nog slechts heel traag wil ik bewegen.

Niet vruchteloos meer zwoegen
met een vergeefse frons van pijn.
Nooit meer verstarren in verwijt

aangeschoten door de kogels
van het onzegbare. Niet meer
zinloos sterven telkens weer.

Nooit meer die leegte van de nacht
als uit de hemel sterren vallen-
hou mij dan vast en noem mijn naam.

Laat ons groeien, langzaam aan.
Laat ons elkaar verkennen.
Op laatst lijkt niets meer vreemd

of onverwacht. Vinden wij ons
troebel bloed voorgoed gezuiverd.
Klinken wij op alles wat ons rest.

Op alles wat nog door het open
raam naar binnen waait.
Drinken wij op ons bestaan.

Henriette Faas

=

Aan ene beek

Ik juichte in de armen van een gade,
Ik treurde hooploos op haar graf!
Nu dool ik langs uw oever henen,
En droom 't verleden, dat nog vleit.
'k Ontwaak en alles is verdwenen,
En 'k sidder in mijne eenzaamheid.
Vol zielrust, maar weemoedig tevens,
Volg ik uw rolling na en ween;
En al de vreugd en smart mijns levens
Vliên zachtjes met uw golfjes heen.
Niet bang meer zal ik op u staren,
Ras heeft mijn oog hier uitgeschreid,
Men plengt geen traan, men telt geen baren,
Op d'oceaan der eeuwigheid.
Zo dan nog steeds door de eigen oorden
Uw lieflijk murmlend water stroom',
En soms een jongling aan uw boorden
Het zoet ontwerp zijns levens droom',
o ruis hem dan ook zacht in 't harte,
Opdat hij wijsheid van u leer:
‘Uw leven vliegt bij vreugd en smarte
Onmerkbaar heen, en keert niet weer!’

Rhijnvis Feith

=

Cupido dissolvi. Op de dood van Sterre

Of droom ick, en is ’t nacht, of is mijn' Sterr verdweenen?
Ick waeck, en ’t is hoogh dagh, en sie mijn’ Sterre niet.
O Hemelen, die my haer aengesicht verbiedt,
Spreeckt menschen-tael, en seght, waer is mijn' Sterre henen?

Den Hemel slaet geluyt, ick hoor hem door mijn' stenen,
En seght, mijn’ Sterre staet in ’t heilighe gebied,
Daer sy de Godheit, daer de Gotheid haer besiet,
En voeght het lacchen daer, belacht mijn ydel weenen.

Nu, Dood, nu Snick, met-een verschenen en verby,
Nu, doorgangh van een’ Steen, van een gesteên, ten leven,
Dunn Schutsel staet naer bij, ’k sal ’t u te danck vergeven;
Komt, Dood, en maeckt my korts van deze Cortsen vry:

’k Verlang in ’t eewigh licht te samen te sien sweven
Mijn Heil, mijn Lief, mijn Lijf, mijn’ God, mijn’ Sterr, en mij.

Constantijn Huygens

=

De steen

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Het water gaat er anders dan voorheen.
De stroom van een rivier hou je niet tegen.
Het water vindt er altijd een weg omheen.

Misschien eens gevuld van sneeuw en regen,
neemt de rivier mijn kiezel mee.
Om hem dan glad en rond gesleten,
te laten rusten in de luwte van de zee.

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,
ik leverde 't bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,
ik leverde 't bewijs van mijn bestaan
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
het water nooit dezelfde weg zal gaan.

Bram Vermeulen

=

Van alle reis terug

Van alle reis terug nog vóor de reis begonnen...
Wat, dat gij niet en wist, heeft de onrust u geleerd?
- Alle einders zijn ontgonnen
en elke tocht gemeerd.

Welke begeerte die, verzaad, niet heeft bedrogen,
en welke oprechte liefde ooit zonder waan beleên?
- o Dorre brand der oogen
na noodeloos geween!...

Geen bronnen meer, en geene stroomen, waar een haven
ze in de gestilde maat der strenge zee bevest.
- Gij moet u niet meer laven:
gij zijt aan walg gelescht.

Karel van de Woestijne

=

Anna voor den spiegel

Zoo innig keek die vreemdeling
Mij gisteravond aan,
Zoo innig zacht
Dat ik van nacht
Gedurig weer moest luisteren
Hoe vreemd een hart kan slaan.

Nu komt daar voor het klikkend glas
Zoo'n dwaze droomster staan,
En vraagt waarom
Ik kijken kom,
En ziet mijn lippen fluisteren
En laat mij blozend gaan.

Willem Levinus Penning

=

Morgenland

steeds hogere huizen
allen van spiegelglas
binnen en buiten buizen
consciëntieus waterpas

met krachten bekorst
onzichtbare ketens
veel bloed op getallen gemorst
maar niet één lijk belast het geweten

zonder mij zal zij nooit meer
zo bekoorlijk zijn als ik haar droomde
de slordige aarde waarop ik woonde
gaat volmaakt geordend te loor

?

=

Als ik het tijd acht en de lange benen spreid

Als ik het tijd acht en de lange benen spreid,
gloort aan het eind der fuik mijn fel scharlaken mondje,
geruggesteund door 't vastberaden kontje,
dat gulzig de gevangen buit verbeidt.

De prooi verschalkt, gaat mijn begerig lijf
als water golven, stromen kolken.
Het levenssap wordt vaardig uitgemolken
al houdt men zich in angst en beven stijf.

Na storm spoelt aan de vloedlijn van de zee
gebroken trossen, wier en plestik mee.
Wat ik terugstoot blijkt een schamel wrak:

de mast gebroken, een gescheurde zak.
Tel en hertel het aantal uwer ballen,
de zee deint na in eindeloos welgevallen.

N. Verhoeven

=

De moordenaar

Toen hij gedaan had wat hij wou,
begon er in hem een bedroeven
of hij moest wenen bij een groeve
en nooit meer vrolijk wezen zou.

Vlak naast hem was de vette vrouw,
nog naakt, zich wassend, of de schande
met 't zeepsop droop van hare handen.
Haar ogen waren hard en grauw.

En plotseling had hij zijn mes
in 't deinen van die buik gestoken
en worgend 't gillen afgebroken,
smeet haar in bed als lege fles,
ging kalm op straat, was blij en krachtig,
en voelde zich tot veel goeds machtig.

Willem de Mérode

=

Herfst

De bomen roesten in het zieke licht
langs somber in zichzelf gekeerde grachten.
In wilde, stormdoorvlaagde regennachten
vertoont de maan een bleek, behuild gezicht

boven de lege straten, smalle schachten
waar in een onverbiddelijk gericht
de zomer langzaam voor het najaar zwicht,
terwijl de huizen op het einde wachten.

Tegen de morgen is de strijd beslecht.
Een vage geur van heimelijk bederven
heeft aan de moede wind zich vastgehecht.

Tussen een handvol dunne zonnescherven
heeft zich de zomer moeizaam neergelegd
om eenzaam en onopgemerkt te sterven.

Hanny Michaelis

=

Zaacht dwingend

dizze zummeraovend
kleurt pastellen de horizon
tot de naacht
de roze gloed
zaacht dwingend votschöf

de vitrage zweeft
in stille daans
as de deur lös giet
je voetstap wil mien wereld in
wereld van merelzang, tere nevel
gefluuster van de linde

je kunt mij niet vatten
in mien bestaon
toch vuul ik je arms um mij hen
en daj mij zaacht dwingend vortschoeft
vort oet mien wereld
vort van het raom

Suze Sanders

=

Egoïsmus

Geef een meisje bruine lokken,
Lippen nimmer moe of bang
Om te kussen of te jokken
Heel het lieve leven lang;
Rozenblosjes, sneeuwen handen,
Hemelsche oogen, epen tanden,
Ranke leest en vluggen voet:
Armpjes om er in te vliegen,
Of een kindje op te wiegen,
En een blij gestemd gemoed.

Lieve Hemel, hoor mijn beden,
Geef haar zachtheid, stille trouw,
En die duizend kleinigheden,
Die zoo lief staan in een vrouw.
Kleine zonden, teedre nukken,
Die een gloeiend hart verrukken,
Liefdes dartle poëzij;
Geef haar wat zich de engel denken
En uw rijkste gunst kan schenken,
En dan - Hemel, geef haar mij!

Petrus Augustus de Génestet

=

Tussen Goes en Grunning

de letters die a'k op het waoter schreef
verdwenen met het daolen van de zun
gien woord wat ik toen opbewaoren kun
gien zin die op de vloed weer bovendreef

in stoefzaand legd' ik vaast wat mij beweug
maor ien vlaog wind verwèeide al mien taol
allèn de vogels kenden mien verhaol
zij lazen 't, eer de kern veurgoed vervleug

mien eigen gids weur ik in 't vrumde laand
waorvan mij in 't verleden was verteld
een laand waor zaand en waoter saomengaot

waor wandelaors heur sporen achterlaot
op paden, deur een zee van kleur umraand
waor roet en blommen wortel schiet in 't veld

Suze Sanders

=

Visser van Ma Yuan

onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser

golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser

Lucebert

=

Marc groet 's morgens de dingen

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

Paul van Ostaijen

=

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J. C. Bloem

=

De gestorvene

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan -
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Ida Gerhardt

=

Op den moord gepleegd aan de Chineezen te Batavia

'Wat treurtoneel is dit? wat volk wordt dus mishandeld?
Wiens vuur is 't dat dees veste op 't eiselijkst doorwandelt?
(-) 't Zijn Kristenen! Het zijn, o Hemel, Batavieren,
Veel doller dan ten strijd en wraak gehitste stieren!;
Meer schriklijk dan de Draak in 't woest Numidisch woud.
Van gift gezwollen en het hoofd gekroond met goud,
Of tijgers brullende van vreugd in het verscheuren
Der reizigers, wier ramp hen dezen weg deed keuren.
En dat hier valt, dat hier onmenschlijk wordt geslacht,
Is een rampzalig volk, te onrecht ter dood gebracht.
(-) Ziehier hoe de Chinees, omringd van vrouw en kindren,
Deemoediglijk geknield, zijn ramp niet kan verhinderen.
Zie, hoe hij wordt ontzield, onmachtig nederstort,
Terwijl hem zelfs geen glimp van schuld verkondigd wordt.
"O! (roept hij) gij, die u nog Kristenen durft noemen,
En op begrip van rede en Godsdienst u durft roemen,
Toont in dit tijdstip slechts een menschelijk gemoed,
En straft wie schuldig is, maar plengt geen zuiver bloed!
Of, zoo mijn waarde vrouw mij moet ter dood zien voeren,
Laat dit onnoozel kind, dit kind u toch ontroeren!
O mannen! 't zij gespaard, het zij zoo lang het leeft
Getuige dat men hier nog Medelijden heeft!"
Tot antwoord voelt hij 't staal zijn hart en nieren kerven,
En ziet nog, stervende, zijn dierste panden sterven.
Men vat het arme kind bij 't teere en 't poezel been,
En slingert het driewerf door rook en vlammen heen;
En durft het op den muur, nog kermend, dus verpletten,
Dat brein en bloed den beul in 't aangezicht besmetten.
(-) De dood leeft op de straat van 't woest Batavia:
Voor kind noch grijsard is bij Kristenen gena.
Al wat slechts Kristen is, slaat met vermaak aan 't moorden;
En Java's stroom, die eerst zoo zacht en mild deze oorden
Besproeide, snelt met drift naar de onlangs stille ree,
En braakt de dooden uit in de verschrikte zee.
O bloeddorst! O geweld! Wat monster dorst bevelen
Zoo vele onnoozelen onmenschelijk te kelen?
Wie heeft het eerst den dolk doen trekken buiten nood?
De booswicht roeme niet, die 't stookte. Beef, o beef,
O Nederland! indien men hem zijn loon niet geef!
Verzuim geen oogenblik in 't straffen zijner daden,
En wil de schuld daarvan niet op uw schoudren laden!
Opdat aldus die dag, die vreeselijke dag,
Wiens weerga nooit de zon in zooveel landen zag,
Zijn gruwelen door het zwaard der wrake zien verdwijnen,
En niet, van eeuw tot eeuw, kome in den rouw verschijnen!'

Willem van Haren

=

De maan is al boven de seringen

De maan is al boven de seringen;
De stralen hellen de kruinen langs...
De nachtegaal houdt zich stil van zingen
Tot de hof verlucht staat van haar glans.

Tot de donkere tuin als een ijle beker
Tintelt vol licht, dofgouden wijn,
En als slaapwandelaars onzeker
De rozen ontwaken in den schijn...

Ik weet niet wat ik meer moet vreezen,
De nachtegaal met haar luide klacht,
Of de stille maan die droomt volrezen
Over de witte rozenpracht...

Laat doof en blind mij - ik kan niet dragen
Den telkens valschen dageraad...
Wanneer zal eindlijk mijn zon weêr dagen,
Die alle schemerschoon verslaat?

P. C. Boutens

=

Sotto voce

Zooveel soorten van verdriet
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zoo'n pijn,
maar het afgesneden zijn.

Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tusschen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid
bijeengehouden door wat pijn
en grooter wordend met de tijd.

Arm en beschaamd zoo arm te zijn.

Maria Vasalis

=

Borsten

Gij hadt zo mooie borsten aan uw borst,
Een weelde door de liefde daar geschapen,
Opdat die zou gekust worden door knapen,
Die zoals ik altijd vergaan van dorst.

Gij waart zo wonderlijk en mals gesierd
Met die twee heuvelen die konden schommlen
Als zwanen die in vlietend water dommlen,
Door niets dan door hun aardse droom bestierd.

Als ik daar lag, dan ging mijn ziel verloren,
Dan liep ik vol met traag en zwaar vermoeden,
Dat wij de aarde gans en al behoren
En niet de hemel, die wij slechts vermoeden;
Dat wij slechts door elkander kunnen duren
In weligheid, in nieuwe creaturen.

Bertus Aafjes

=

Dominus regit me

God is mijn herder, mij zal niets ontbreken;
grazige weiden heeft Hij mij bereid,
mij naar de koelste beken heengeleid,
mijn ziel verkwikt totdat mijn angsten weken.

Hij wijst mijn pad, Zijn naam is mij een wapen;
al trek ik door een dal van dood en pijn,
ik kan mij nederleggen om te slapen,
Zijn sterke staf zal mijn vertroosting zijn.

Gij hebt mijns vijands oogen uitgestoken
door feestelijk mij te spijzen waar hij lag;
mijn haren geuren van Uw balsemroken,
Uw rijkdom vult mijn beker, dag na dag.

Ik zal mijn leven lang geen hulp behoeven:
geluk en zegen hebt Gij mij bereid,
tot ik verheerlijkt in Uw huis mag toeven,
Uw licht, Uw vrede, - tot in eeuwigheid.

Gabriël Smit

=

De verstotene

Het dorp begint mij te vermijden
en mompelt sinds zij mij verliet.
De kinderen wijken schuw terzijde,
de hond gromt sinds zij mij verliet.
De dominee komt de Heer belijden,
als hij mijn land verwaarloosd ziet.
Wat raken mij de jaargetijden?
't Is winter sinds zij mij verliet.

Ida Gerhardt

=

Het einde

Vroeger toen 'k woonde diep in 't land,
Vrat mij onstilbaar wee;
Zooals een gier de lever, want
Ik wist: geen streek geeft mij bestand,
En 'k zocht het ver op zee.

Maar nu ik ver gevaren heb
En lag op den oceaan alleen,
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen
Niet boren door de kimmen heen,
Voel ik het trekken als een eb

Naar 't verre, vaste, bruine land...
Nu weet ik: nergens vind ik vree,
Op aarde niet en niet op zee,
Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand.

Jan Jacob Slauerhoff

=

Werkster

Zij kent de onderkant van kast en ledikant,
ruwhouten planken en vergeten kieren,
want zij behoort al kruipend tot de dieren,
die voortbewegen op hun voet en hand.

Zij heeft zichzelve aan de vloer verpand,
om deze voor de voeten te versieren
van dichters, predikanten, kruidenieren,
want er is onderscheid van rang en stand.

God zal haar eenmaal op Zijn bodem vinden,
gaande de gouden straten naar Zijn troon,
al slaande met de stoffer op het blik.

Symbolen worden tot cymbalen in de
ure des doods - en zie, haar lot ten hoon,
zijn daar de dominee, de bakker en de frik.

Gerrit Achterberg

=

De schrijver

Men zette op de boerderij
in de opkamer het bed voor mij.

En daar ik vreemd ben aan hun taal
brengt men mij zwijgende het maal.

Ik ben alleen: een eenzaamheid
die tot in huid en haren bijt.

Het licht verschuift aan het beschot.
Ik worstel zwijgende met God.

Ida Gerhardt

=

Ontmoeting

Ik heb een man ontmoet
ik weet niet of hij nog de waarheid zocht
ik was een wezel
hij een vreemdsoortig dier
hij tastte met zijn horens
of hij tasten wou
het was alsof hij even
uit zijn schelp wou breken
en ik de mijne wilde breken
ik was een labyrint
ik weet niet of ik nog de waarheid zocht
ik kon de ruimte met mijn armen
niet omsluiten
de rode vingers van de woorden
niet bedwingen
toch wilden ergens bloemen bloeien
de waarheid loog als altijd onbewust.

Cathy Mara

=

November

Het regent en het is november
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijks leven wordt verricht,
Schijnt uit de troosteloze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen
Om te ontkomen aan de tijd;
Altijd november, altijd regen,
Altijd dit lege hart, altijd.

J. C. Bloem

=

De steenen minnaar

Toen sneed uit herfstbruin en uit avondgoud
God mij een vrouw met één fatale snede.
Huivringen vluchtten door het herfstig hout
en nestelden in mijn verschrikte leden,

want alle weemoed, die ooit vrouwen schreden,
schreed, waar zij hoogklom door het donker woud,
op de tienvingerige teederheden,
waaruit haar voeten waren opgebouwd.

En toen zij rustte, het gezicht geheven,
en ieder oor een groene waterbel,

en zweeg, en zweeg, zweeg een oneindig leven,
ademend onder haar bewogen vel,

daar moest mijn borst het eindelijk begeven,
berstende onder veel blijdschappen fel.

Gerard den Brabander

=

Alleen thuis

Nu heb ik heel dit huis alleen,
met al z'n kleden en gordijnen;
en alles zou zo droef net schijnen,
had ik dit huis maar niet alleen.

'n Huisjesslak heeft ook haar huis
en ook alleen - zo vreemde dingen
doen dorpse kinders 's zomers zingen:
"je huisje brandt; kom uit je huis."

Daar ligt ze in een kinderhand;
zou zij dat zingen nu niet horen?
ze trok zo traag haar zilv'ren sporen;
en staat haar huisje nu in brand?

Ik heb dit hele huis voor mij
met lopers op de veertig treden;
en gas, dat niet werd afgesneden
en zilver-blinkend eetgerei;

en alles, wat men hebben moet,
om niet te lang alleen te wezen:
men kan allenig niet genezen
al meent men 't met zichzelf ook goed.

Jac. van Hattum

=

Pogrom

Is dat de maan, die naar het laatst kwartier gaat,
of een gelaat, omspeeld door walm en vlam?
Waar is Berlijn, en waar de Grenadierstraat?
- Wat deed de jongen, toen de bende kwam?

Is dat zijn schim, die daar voor de rivier staat,
is dit het water, dat hem tot zich nam,
is hier de Spree, en daar de Grenadierstraat?
- Het is de Amstel, het is Amsterdam.

Op 't Rembrandtsplein gaan de lantarens branden.
Over de daken sproeit een lichtfontein.
- Ik druk mijn nagels dieper in mijn handen.

De Jodenbreestraat is een diep ravijn.
Een korte schreeuw weerkaatst tussen de wanden.
- Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.

Eduard Hoornik

=

Het heilige in haar

Ik word oud.
Merk het helaas op.
Zo lang ik
het opmerk,
is het ok.
Heb dan nog steeds
geen last van
"Korsakov".
Denk een spelfout te
zien.
Lees "brb"
en
denk dat het
"bbr"
moet zijn.

Blijkt het
internettaal te zijn
voor
"be right back".

Had wel zin in
het Creoolse gerecht,
"Bruine bonen met rijst".

Nu wachtend op de
wederkering.
Aanschouw de
terugkomst
en
zie geen
'Heilige'
in haar.

Derrel Niemeijer

=

Aalgrondels

Tussen de rhizoforen van het kustmoeras
leven de slijkvissen, halfzwemmend, schuivend
over en onder water van sumatra's vloedbos,
en in het slik der bruine kali-monden
aalgrondels, somtijds even afdrijvend naar zee.
Vaak stikken zij onder steltwortels, modder
of taaie slijmplanten in 't vochtig moer,
halfblind, altijd in vage schemering.
Chinese vissers vangen hen als varkensvoer.

Men kent veel soorten; soms heb ik 't idee
dat ze steeds verder westwaarts zijn gedreven
tot op grootsteedse pleinen, of rondzweven
in het aquariumlicht van de teevee.

Willem Brandt

=

Duizend en één nacht

Zij kwam en droeg en wâ melkwit en -zacht
en hare oogen waren ingevangen
in mijmering; de rozen harer wangen
zegenden Hem, Die ze had voortgebracht.
En ik: gij gaat voorbij en ziet mij niet,
terwijl dat ik mij geef in uwe handen
als het gewillig lam der offerande,
dat zelf zijn gorgel aan den slachter biedt.
En zij: laat af van spreken en geniet
des Scheppers gave in stilte van bezit;
wit is mijn lijf en wit is mijn gewaad,
wit mijn gezicht en wit mijn levensdraad
en dit is wit op wit en wit op wit.

Zij kwam en droeg een stroomend vlammenkleed
rood als haar hoogmoed zonder mededoogen
en ik riep uit verwonderd en bewogen:
gij, die u blanker dan het maanlicht weet,
hoe durft gij komen met een wangenpracht,
waarop de druppels onzes harten tronen,
en met het trotsch satijn der anemomen!
En zij: de morgen leende eerst zijn dracht,
nu werd de middagzon mijn bondgenoot;
rood zijn mijn wangen, rood het bloedsatijn,
rood is mijn mond, rood de gedronken wijn
en dit is rood op rood en rood op rood.

Zij kwam en droeg nachtzwart een slippenkleed
en sloeg haar oogen afwaarts van mijn schande
en ik: ziet gij dan niet, hoe mijn vijanden
uitbundig zijn over mijn diepste leed?
O nu besef ik al mijn wanhoopssmart!
Zwart zijn uw oogen en zwart zijn uw haren
zwart is uw kleed, zwart zijn mijn levensjaren
en dit is zwart op zwart en zwart op zwart.

J. H. Leopold

=

Eenhoorn

Here, zonder naam en zonder gezicht
Zie vanuit den hoge
Op uw droeve eenhoorn neer
Die danig hunkert naar uw licht,

Die sierlijk door de wouden dwaalt
Maar bladeren geen voedsel vindt,
die voor de poort der doden draalt,
Allen bladeren op uw wind.

Here, zonder handen zonder stem
Snij de lichtlans van zijn voorhoofd
En vang hem in uw stalen klem
Voor de wereld hem de glans ontrooft,

Lok hem langs de stapsteen sterven,
Niet als anderen domweg gedoofd
Maar rein, vrij van bederven
Langs de kruisweg waar hij in gelooft.

Jotie T'Hooft

=

Twee halve gezichten heb ik

Twee halve gezichten heb ik.
Twee halve gezichten.

Doe wat je Vader zegt,
zegt de sleutelhanger,
en je zult veilig zijn.

En het lege slakkenhuis?
Het schimmelende brood?
Het doosje condooms?

Het muizengif? Het jankende
feestmasker aan de muur?
De blakende sinaasappel
op het dressoir? Het kammetje
van het merk Unbreakable?
Haar handschoenen die zij
inderhaast is vergeten?

Twee halve gezichten.

En de achterdocht
in mijn pretoogjes?
Sterk als de impuls
verantwoordelijkheid
te weigeren!

De sleutelhanger zegt:
Doe wat je Vader zegt
en je zult veilig zijn.

Maar het slakkenhuis
zegt de god van de vreugde na
(en de vrijheid):
Vergeet het verschil
en je zult identiteit vinden.

Mustafa Stitou

=

Wat de toekomst brengen moge

Wat de toekomst brengen moge,
Mij geleidt des Heeren hand;
moedig sla ik dus de oogen
naar het onbekende land.
Leer mij volgen zonder vragen;
Vader, wat Gij doet is goed!
Leer mij slechts het heden dragen
met een rustig kalmen moed!

Heer, ik wil Uw liefde loven,
al begrijpt mijn ziel U niet.
Zalig hij, die durft gelooven,
ook wanneer het oog niet ziet.
Schijnen mij Uw wegen duister,
zie, ik vraag U niet: waarom?
Eenmaal zie ik al Uw luister,
als ik in Uw hemel kom!

Laat mij niet mijn lot beslissen:
zoo ik mocht, ik durfde niet.
Ach, hoe zou ik mij vergissen,
Als Gij mij de keuze liet!
Wil mij als een kind behand'len,
dat alleen den weg niet vindt:
neem mijn hand in Uwe handen
en geleid mij als een kind.

Waar de weg mij brengen moge,
aan des Vaders trouwe hand
loop ik met gesloten oogen
naar het onbekende land.

Jacqueline E. van der Waals

=

Een vogelaar

een vogelaar, zit altijd daar
waar vogels zijn en leven
de lenzen in z'n kijker klaar
te zien wat zij hem geven

de rust, emotie, pracht en praal
het wijdse van de lucht
een borstje rood, een merel vaal
de stad daarom ontvlucht

een vogelaar, zit altijd daar
zijn vlucht te doen ervaren
het turen blijft, hij is nooit klaar
een droom te doen bewaren

Riny Assink

=

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
de witte bloesems in de scheemring, - ziet,
hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
als perlemoer, waar iedere tint vervliet
in teêrheid... Rust - o, wonder-vreemd genucht!
want alles is bij dag zóó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
verstierf - de wind, de wolken, alles gaat
al zacht en zachter - alles wordt zoo stil...

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
dat al zóó moe is, altijd luider slaat,
altijd maar luider en niet rusten wil.

Willem Kloos

=

De rustende jager

De dag drukt zwijgend op het naakte raam.
Hier, binnen, staat een man. De achttien treden
die hij zojuist bedwong laten zijn benen
trillen. Hij is een held. Hij heeft gedaan

wat niemand kan en is heel lang gegaan
waar geen man komt. Hij heeft: fauteuils bereden,
boeken geslacht; steen gegeten. Beneden
beukt zijn wild paard tegen de stoeprand aan.

Hij is een held. Hij is een man. Alleen.
Hij kijkt naar buiten. (Zou er regen komen?
Zo ja, dan komt Diaan daar niet doorheen

en zal ze ook mijn winterjas niet zomen.)
De dag drukt op het raam. Als dat verdween
zou heel de kamer vol gevaren stromen.

Petra Kottman

=

Weekeinde

Het liefst ben ik zaterdagavond
in een stad met schouders vol licht
en duizend aanplakbiljetten
de regenstemmen van duiven
de moord- en brandsirene
calypsozangers een standplaats
voor taxis een man uit birma
cafés met damesbediening
een grafzerkenetalage
de tunnelmond van een brug
water en steen en dromen
en een ongemerkte pijn
een pijn die geen naam verdraagt
een pijn een perron bij avond.

Bert Voeten

=

De dieren

De landman gaat, nu de avond is gevallen,
En de arbeid slaapt, voor 't laatst zijn hoeve rond;
Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen,
En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.

Hij toeft bij 't vee, en luistert hoe het ademt;
Rond schoft en horen hangt een warme damp,
Die met een geur van zomer hem bewademt,
En in een nimbus nevelt om de lamp.

Dan loopt hij tastend langs de ruif der paarden,
Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop;
Hij spreekt hen aan, en streelt een ruig behaarde,
Een speels hem toegestoken manenkop.

En als hij eindlijk, rustig na 't volbrachte,
De handen boven 't vlammend houtvuur heft,
Vervult hem nog de ontroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft en niet beseft.

Hij peinst, en leest in 't boek met koopren sloten
Het hoofdstuk uit, dat Noachs tocht beschrijft,
Hoe de arke met haar simple reisgenoten
Lang op de oeverloze zondvloed drijft.

Gans in het wonderbaar verhaal verloren,
Terwijl hij mijmrend in de haardgloed staart,
Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over 't water vaart.

Aart van der Leeuw

=

Oude legende

Ik zag drie maagden spinnen
Aan 't witte bruidenkleed,
Zij droomden van jeugd en van minnen
En wisten niet van leed.

Zij dachten aan bloeiende gaarden,
Aan rozen in 't koele gras,
En wisten niet dat op aarde
Schoonheid vergankelijk was.

's Nachts toen zij slapend lagen
Op 't eenzaam bruidenbed,
Hebben drie andere maagden
Aan 't wiel zich neergezet.

Zij weefden de blanke draden...
Geen woord van haar lippen gleed.
Maar bij het dageraden
Waren de bruidsgewaden
Zwart als een dodenkleed.

P. H. van Moerkerken

=

Een oorlog tegelijk

Er is oorlog in Soedan, waarom dat ben ik even kwijt
En Azerbeidzjan strijdt om iets in een al jarenlange strijd
De Turken vechten, dacht ik, onterecht in Koerdistan
En er is ook nog ergens oorlog om in het noorden van Iran
'k Snap er niets meer van wanneer ik naar die beelden kijk
Waarom doen we voortaan niet gewoon een oorlog tegelijk?

Een oorlog tegelijk
Een oorlog tegelijk
Eén giro, twee partijen
En dan verder geen gezeik
Gewoon gezellig, leuk, weer net als vroeger
Met het Derde Rijk
Een oorlog tegelijk

Ik raak de draad volledig kwijt als ik naar Harmen Siezen kijk
Van wie is dat stadhuis in puin, en waarvoor vocht dat lijk?
Is die vrouw nou echt vermoord, of stelt ze zich maar aan?
Wie is fout en wie is goed en wie heeft wat gedaan?
Ik heb medelijden, plichtsbesef en oude kleren zat ,:1
't Is alleen dat ik zo graag wil weten waar en hoe en wat

Waarom doen we voortaan niet gewoon
Een oorlog tegelijk?
Gewoon weer een partij de goede
En de ander door het slijk
Typisch weer zo'n frisse kijk
Van Jeroen van Merrewijk
Een oorlog tegelijk

De Koerden mogen oorlog voeren tot aan 16 maart
Daarna veegt China tot in juni Tibet van de kaart
In juni, juli en augustus zijn de Tamils aan de beurt
In september wordt Somalië door rassenhaat verscheurd
De hele herfst en winter is er oorlog in het GOS
Met Kerstmis winterpauze en dan barst de hel weer los
Tussen twee gevechten door een leuke spot voor Dental Floss
Herhaling van de hoogtepunten 's avonds bij de NOS

Een oorlog tegelijk
Een oorlog tegelijk
Waarom doen we voortaan niet gewoon
Een oorlog tegelijk?

Jeroen van Merwijk

=

Jespers

De avond is zo stil als 't wezen kan
Nog stiller dan bij 't luiden van de vespers
Een wandeling door het land met Jespers
Is stiller dan ik zeggen kan

De zee is niet zeer ver
Iets verder dan de verste horizonnen
Als wij haar ruisen voelen her en der
Is 't wonder van haar stilte reeds begonnen

De velden liggen lauw in dit geruis
De mestlucht met de mist heft ons omhangen
We horen vele vogelzangen
We zien één enkele vledermuis

De wilgen zijn nog stiller dan ze krom zijn
Verdoezeld in de stilt' en bijna zwart
De boeren zitten stiller dan ze stom zijn
En onze geest staat stil en wij zijn zonder hart

De weiden liggen niet ze hangen
ze hangen aan de mist en 't is de mist die ligt
Wij hebben ei zo na niet één verlangen
Wij horen een gedicht

De koeien o de koeien
Toen Onze Lieve Heer de koe geschapen heeft
Wist hij wel dat haar loeien
Een klacht zou zijn die om de stilte beeft

De maan want ja het maantje bidt zijn vespers
Stil als een wit konijn
En ik en Jespers
Wij luisteren naar de maneschijn

Gaston Burssens

=

Vragen en antwoorden

Wat wordt er van een druivenstek,
Dat nimmer wordt gesnoeid?
Een wijnstok, waaraan weinig vrucht,
En dan nog slechte groeit.

Wat wordt er van het akkerland,
Wanneer men 't niet bezaaid?
Een grond, waarvan de landman nooit
Een enkel aartje maait.

Wat wordt er van een' bloemenhof,
Die nimmer wordt gewied?
Een nare wildernis alleen,
Waar 't oog slechts onkruid ziet.

Maar zeg, wat wordt er van een kind,
Dat slechts in 't wilde groeit?
Een nutteloos en nietswaardig mensch,
Door iedereen' verfoeid.

P. Parson

=

Jonge terwe

De terwe staat te blaaierblekken,
Breêblaarde en blad op blad gevlijd,
Met ijdle plaatsen, zware plekken
Vol donkerdikke groenigheid.

Noch steel noch auwe! Al effen pluimen,
Gelijk van lisch, gelijk van gras!
De wind vergooit, in gekke luimen,
Dat waaigedweeë vloeigewas.

Kijk, hier en daar, en ginder nog, ge
Bekent ze aan haren stekeltop,
Zwiert rilde en recht de dunne rogge
Haar blootgevochten schachten op.

Geen vogelkens die vechten, aaien!
De wind is dol, de wind gaat diep!
En, of hun stemme mocht verwaaien,
En geven ze noch pst! noch piep!

Maar, weg en weder, waagt en wentelt
De veelgevoorde korenwee,
En draaft en draait, en draalt en drentelt
Gelijk een lage zomerzee.

Nu open, dat het goudt en geluwt!
Nu toe weer, dat het grijst en grauwt!
En, woe! het donkert! woe! het deluwt!
Het blinkeblankt, het blutseblauwt!

Ho, laat de vogelkens maar zwijgen;
De terwe tiert, de terwe zingt!
En ieder opslaan, ieder zijgen,
Flikflakt en fluit en schuiferlingt.

Het is al weelde en jonge leute.
De wind is dol; hij mag, hij mag!
De terwe schiet, bij elke scheute,
Gekriebeld, in een schaterlach.

René de Clercq

=

Rey van Jofferen

Liefd en Min aen een vertuyt,
Beyde siel en lichaem-mengers,
Heilighe' oppervrientschap-strengers
Salicht bruidegoom en bruidt.

Boven de gemeene maeten
Wild' hij sien een lievend paer,
Des den hemel keurich haer
Las wt soo verscheyen staeten.

Dat ghij twee vereenicht blijft
Blijckt de Goden te begeeren,
En de Coning wil niet keeren
'T geen den hemel mercklijk drijft.

Lang, al lang genoech geleden,
Blijx genoech van vaste trouw;
Dat uw overleden rouw
Dien tot meerder vrolijckheden.

O Geluck sijdt eenmael sadt
Van ellenden op ellenden,
En ten laesten moe van wenden
Schut den loop hier van uw radt.

God en Coning willen staeken
Der gelieven tegenspoedt,
Liefd' en Minne lof u gloedt
Die nu sonder smart sal blaeken.

Liefd en Min aen een vertuyt,
Beyde siel, en lichaem-mengers,
Heilighe' oppervrientschap-strengers
Salicht bruidegoom en bruidt.

Pieter Cornelisz. Hooft

=

De oude man

Een oud man in de straat
zijn klein verhaal aan de oude vrouw
het is niets het klinkt als een ijl treurspel
zijn stem is wit
zij gelijkt een mes dat zo lang werd aangewet
tot het staal dun werd
Gelijk een voorwerp buiten hem hangt deze stem
boven de lange zwarte jas
De oude magere man in zijn zwarte jas
gelijkt een zwarte plant
Ziet gij dit snokt de angst door uw mond
het eerste smaken van een narkose

Paul van Ostaijen

=

Doodgaan

De bomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter...
Wat is dat alles stil, doodstil... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.

Ach, 'k had zo graag heel, héél veel willen doen,
Wat Verzen en wat Liefde, -- want wie mint er
Te sterven zonder dees? Maar wie ook wint er
Ter wereld iets door klagen of door woên?

Ik ga dan stil, tevreden en gedwee,
En neem geen ding uit al dat Leven meê
Dan dees gedachte, gonzende in mij om:

Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:
De dode bloemen komen niet weêrom,
Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.

Willem Kloos

=

Lest geluk

Ik was vergeten dat vandaag nog kommen zol.
Vanmörgen, toen ik opstun, was het al te late.
Nou dag of nacht niet meer de tied angef
en leven niet van dood te onderscheiden is.

Die dag zol kommen, wussen wij,
iens komp het ogenblik dat weten is
van alles dat de tied vergeten hef.

Het is zowied, nou zal ik schrieven
wat ik aal nog dreumen wol.
Lichtkaans is zuks geluk te numen.

Anne Doornbos

=

Storm

De storm loeit door de holle bouwval; gierend
Beukt hij en brokt met vuisten reuzesterk...
En golft door 't riet in 't water, dat hij tierend
Opzwalpt en neerklotst met zijn stalen vlerk;

Dan, woester woede nog de tomen vierend,
Schiet hij de zwarte wolken in van 't zwerk
En wringt ze saam, ze met zich medeslierend
Langs 't aangezicht der maan, waar 't vale merk

Der angst op ijst. En zo die stormomnachte
In het ontrotste meir blikt, ziet ze 't hoofd,
(Dat deint) van wie de dood lokte uit het leven;-

Zo stormt het door mijn borst, waar de gedachte
In spookt en aan de liefde 't leven rooft,
Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven.-

Jacques Perk

=

De vrouw op mijn schoorsteen

Mevrouw, ik groet u en uw hoed met pluimen.
Uw krullen vallen goed, u glimlacht wulps en teer:
tegen wie? tegen mij? of tegen een mijnheer
in droom, die langvoorheen de slaaf was van uw luimen?

'k Begrijp u zeer: men kan geen droom verzuimen
in uw bestaan, broos als een pauweveer.
En toch, uw borsten van biscuit zijn meer en meer
als rotsen waar de kant op schijnt te schuimen.

U lijkt zo glad en warm, men moet u met de mond
beroeren om te weten waaruit gij bestondt,
bestaat, bestaan zult, tot uw dood in scherven.

U heerst over mijn schoorsteen en uw blik
is recht en ongesluierd door de schrik
van te bederven vóór uw knallend sterven.

Eduard du Perron

=

Laatste wil van Alexander

Dan als ik tuimel in de kist
doodsoverwonnen en bezweken,
laat mijn twee handen zijn ontbloot
en uit de baar naar buiten steken.

Dat, als ik het paleis verlaat
en langs den grooten weg mij richt,
een elk mijn schamelte ontwaar'
en worde door mijn lot gesticht.

Hoe zulk een, die veroverd had
van aarde-oppervlak tot aan
de helle hoogte van gebergt',
de diepten van den Oceaan.

Die des turkooizen hemels vriend
en onbeperkte gunsteling
de verste grens van het heelal
in zijn grootmeesterschap omving,

En zeggen kon: mijn stalen arm
noopt de bevolkte wereld gansch,
dat hij zijn opgebrachte cijns
uitstorten moet in mijn balans.

Ziet aan! hij maakte zooveel zorg
en moeite en zooveel schats te schande
en is verloochend door zijn geld
en heengegaan met leege handen!

Zegt overluid dit al, opdat
de drom der saamgeschoolde velen,
elk naar zijn rang in dezen dag
van onmacht en berooidheid deele.

Dat zij den kittel van het goud,
het veile, in hun ziel verslaan
en zuchten om hun eigen lot
en niet om mijn verloren gaan.

J. H. Leopold

=

Je truitjes en je witte en rode

Je truitjes en je witte en rode
sjaals en je kousen en je slipjes
(met liefde gemaakt, zei de reclame)
en je brassières (er steekt poëzie in
die dingen, vooral als jij ze draagt)-
ze slingeren rond in dit gedicht
als op je kamer.

Kom er maar in, lezer, maak het je
gemakkelijk, struikel niet over de
zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen, gaat u zitten.

(Intussen zoenen wij even in deze
zin tussen haakjes, zo ziet de lezer
ons niet.) Hoe vindt u het,
dit is een raam om naar de werkelijkheid
te kijken, alles wat u daar ziet
bestaat. Is het niet allemaal
als in een gedicht?

Herman de Coninck

=

Meneer Van Dalen

Meneer Van Dalen was een man die alles zag zoals het was.
Hij zei dan ook: je moet het zien zoals het is.
Toen hij als jongetje van zeven jaar De schone slaapster las,
toen schudde hij zijn kleine hoofd en vond het mis.
En toen hij later dan-zoals dat vaak met jonge mannen gaat-
de schone slaapster eens zag lopen op 't Rokin,
en nachtegalen hoorde zingen midden in de Kalverstraat,
vond hij het aardig maar hij trapte er niet in.
Hij was reëel, hij was gezond en hij rook altijd ergens lont.
Hij bleef met allebei zijn voeten op de grond.

Meneer Van Dalen was een man die alles deed zoals het moest
en daarom trouwde hij de dochter van zijn baas.
Hij kende positief het enig middel tegen hoest
en hij at 's morgens maar één boterham. Met kaas.
En toen z'n vrouw ineens eens riep: 'Nou heb ik dertien jaar gesloofd,
ik wil zo graag... ik wou zo graag... ik weet niet wat...
desnoods naakt dansen in de wouden met een steelpan op mijn hoofd,
maar iets... of anders word ik gek... ik ben het zat...'
toen nam hij haar één keer uit eten, maar hij maakte 't niet te bont.
Hij bleef met allebei zijn voeten op de grond.

Als z'n twee jongetjes een vuurtje maakten buiten bij de heg
en als de vlammetjes weerkaatsten in hun ogen,
dan trapte hij het vuurtje uit en joeg de jongetjes daar weg,
omdat dat dingen zijn die jongetjes niet mogen.
En toen ze ouder werden en nog iets behielden van die gloed
en het verboden vuur in hun pupillen blonk,
toen zei hij: 'Jongens, ik ben ouder, ik weet beter hoe het moet.'
Hij trapte 't vuur uit tot de allerlaatste vonk.
Hij trapte alle vuurtjes uit die hij in zijn omgeving vond.
Hij bleef met allebei zijn voeten op de grond.

Zo was meneer Van Dalen en dat lag zo in zijn lijn.
Hij was de man die alle dingen ziet zoals ze zijn.
Nu is meneer Van Dalen dood. Zijn klokje is nu rond.
Hij ligt met allebei zijn voeten onder de grond.

Annie M. G. Schmidt

=

Een hard gelag

Stel toch dat op de Jongste Dag
De graven waarlijk opengapen
En ieder uit de dood ontslapen
Hier 't eeuwig leven vieren mag:

Al zwaaien ze de zegevlag
En zijn ze rein als witte schapen,
't Is voor Gods maagden en Gods knapen
Al dadelijk een hard gelag,

Althans voor hen - hoe velen niet! -
Die om hun zerk een smeedhek hebben,
Met roestig spieswerk rijk versierd,

Waar tot hun eindeloos verdriet
Te midden van de spinnewebben
Nergens een poortje in openkiert.

Hendrik van Teylingen

=

Vanuit God is alles god

Vanuit God
is alles god.

Vanuit alles
is alles alles
maar niet god.

God is de
autochtone bevolking
van mijn ziel.

Zijn in god
is de enig
juiste
yogahouding.
(Sri Ramana Maharshi)

Wat is god dan?
God = Brahman
en Brahman =
de liefste.

Helen Knopper

=

Een droom

1
Ik ging voor ik vertrok door lege kamers
die nog vol stemmen waren voor wie wilde horen.
Ik zag de sporen: uitgesleten treden van een trap
de wijde ramen. En mijn moeder die alleen gebleven

toch nog zong. Voordat ik kon bedenken dat zoiets
niet kon omdat wie dood is niet kan zingen, ging
de muziek weer aan en speelde vader fluit.

Daarna gingen de lichten uit en wist ik weer dat zij
die dromen nooit zijn vertrokken en nooit zijn aangekomen.

2
Veel later kwam dit landschap mij begroeten.
Steeds vaker als ik wakker werd droeg ik de wolken
mee wanneer ik ging. Om wat verdween

wilde ik wel verder zoeken. Maar hoe muziek te
tillen over de doden heen die slechts in dromen nog
elkaar begroeten? Ook als je gaat verdwijn je niet

meteen maar blijft een beetje thuis. Het landschap
in je hoofd brengt je weer terug naar huis.

Johanna Kruit

=

Een egel

Een egel die, gestart te Smilde,
naar Hindelopen lopen wilde,
zeeg halverwege in elkaar
met een aanmerkelijke blaar.
Ach had ik, hoorde men hem snikken,
maar iets om die mee door te prikken.

Kees Stip

=

Alles is nieuw

at zou gebeuren was er altijd al, volmaakt
gespeld door een beker die stuk viel
scherven waarin afdrukken van duimen
het rilschrift van naalddunne takjes staan.

Het is geen verhaal dat wij maakten maar iets
wat er was en er is in de sporen van greppels
en staanders en lang gedoofd houtvuur.
Het hoefde alleen maar gevonden te worden.

Iemand moest ernaar kijken en zeggen: wat is het
dit is het, en daar was het, een huis met een haard-
plaats, mensen die daar zoals altijd en altijd
voor het eerst in het nu zichzelf zijn en zitten

met warme handen die een beker vasthouden
bij het vuur en ze praten en de tiktak van regen
is een cirkel geluid en het deert niet, de nacht
de onzichtbare wolken, de stilte van alles

wat buiten in slaap is of wacht op de dag
zijn het dak en de wanden om het dak en de muren
van het huis dat al oud is maar nieuw
want opnieuw in dit heden gevonden.

Esther Jansma

=

De dood is de ring en het zingende

De dood is de ring en het zingende,
de spaak en het wiel dat het brood eten

van de ochtend omcirkelt als
geen gebaar of iets teders bescherming biedt

en een heel huis van stapels etalages
langzaam verbrokkelt, verzakt
in de verleden of toekomstige minuten

die ogenblikken dat het alle gedachten
beveiligende huis
binnenstebuiten slaat in een verblinding
van heilige tranen.
Hiervoor zijn we gemaakt, menselijk en
denkend in die armzalige ochtenden

lichtend met gaten als gebroken brood
en aangeraakt door iets dat niet is.

en toch, en toch die gedachten, dat
weefsel van liefde dat niet verhult maar onthult:

troost van zachte armoede.

Peter Berger

=

De intiemste zichtlijn

Ik wilde jou en dat ik missen zou
wist ik al voor het begonnen was.
Jou willen is je missen. Het was missen
op het eerste gezicht. Keek ik je aan
je werd een schaduw voor een vuur.
Mijn laaiende kijken plaatste je op
een toneel, in tegenlicht, en ik moest
gissen naar de man daar binnen in
zijn silhouet, heus, zelfs in bed,
wanneer ik tussen je moedervlekken
sterrenbeelden trok, was het alsof
je lichaam iets verduisterde en ook
je stem en je beramingen, alles maakte
duisterder en daardoor, vreemd is dit,
werd wat er laaide raakbaarder dan
voorheen. Odysseus ver, ik heb je
nooit gekend, en als ik je bedenk
knijp ik weer samen en blindeer.

Willem Jan Otten

=

Winternag

O koud is die windjie
en skraal.
En blink in die dof-lig
en kaal,
so wyd as die Heer se genade,
lê die velde in sterlig en skade.
En hoog in die rande,
versprei in die brande,
is die grassaad aan roere
soos winkende hande.

O treurig die wysie
op die ooswind se maat,
soos die lied van ’n meisie
in haar liefde verlaat.
In elk grashalm se vou
blink ’n druppel van dou,
en vinnig verbleik dit
tot ryp in die kou!

Eugene Marais

=

Joodsch Kind

Zij wacht hem elken avond aan den trein
het meisje met d’on-arisch zwarte haren,
met oogen, die verstrakken in een staren
of vader gauw de tunnel door zal zijn.

Forensen schuif’len langs de binnendeur
en schieten van de trap in daag’lijksch jachten,
het donk’re kind kan enkel staan en wachten
vlakbij het hokje van den conducteur.

Dan zwaait een mannenarm een verren groet,
op ’t klein gezicht bloeit plotseling herkennen,
ze moet op slag hard naar haar vader rennen,
hij bukt zich laag en zoent haar smallen toet.

Nu gaan zij samen door den laten dag,
de man gebogen en van zorg gebeten,
het ratelstemmetje wil graag weten
waarom ze nog niet naar het zwembad mag...

O Heer, ik heb vandaag een bede maar:
Elk Joodsch gezin wordt haast vaneengereten,
Laat de Gestapo deze twee vergeten,
Laat die in Jezus’ naam toch bij elkaar.

Henk Fedder

=

DE TORTEL Zijn lied klinkt dof van uit de hoge linde

Het lijkt wel of hij iets met nadruk vraagt of iemand roept; hij kan de rust niet vinden.
Dichters beweren dat de tortel klaagt.
De dieren die de tere tortel horen
maken zich om dit schor gezang niet druk
en zoeken niet in het eenzelvig koeren
een zin van heimwee naar vergaan geluk.
Alleen de mens wil weten en begrijpen,
zoekt steeds naar reden,
oorzaak of begin.
De zomer bloeit en de eerste vruchten rijpen,
het is zo stil; misschien heeft niets een zin.

Jan van Nijlen

=

In deze zeeën die ik mij verkoos

In deze zeeën die ik mij verkoos,
lig ik verdronken, eindeloos
diep op den bodem, zonder wil.
Het water boven mij staat stil.

Zo ben ik in een transparanten doos
geklonken, ver van storm en hoos
stortzee en vloed - mijn hart doet pijn,
het wil een snelle zeemeeuw zijn,

een zil'vren vis, beweeg'lijk in den stroom.
Maar als een anemoon, die loom
om donker water wiegt en deint
en aan het eigen spel verkwijnt,

sta ik geworteld in vervloekte rust,
van tij noch keertij mij bewust,
diep op den bodem zonder wil.
Het water boven mij staat stil.

Hella Haasse

=

Nebo

Ik sta als Mozes, vóór 't Beloofde Land.
Ik zie 't van verre en mag niet binnengaan.
Ginds, aan mijn voeten, golft het gulden graan;
Vroom ruist het woud: "God doet zijn woord gestand."

Ik bal de vuist en klaag u, Jahvéh, aan,
Verberge u ook een koopren wolkenwand.
Zwaar, op mijn schouder, valt de onzichtbre hand
En straft mij streng voor wat ik heb misdaan.

Had ik, als hij, die de uitverkoornen Gods
Ten leven leidde, een grootse taak volbracht,
In stille vrede stierf ik op mijn rots.

Doch doelloos moet ik lijden en mijn klacht
Kaatst, onverhoord, de kale bergkruin weer...
En, de ogen dicht, stort ik in d'afgrond neer.

Hélène Swarth

=

De was moet schoon

kleurrijk aroma in de wasmand
mijn terugblik op een week
zweet, eten, deo en jouw resten
gevangen in textiel en ik weet

precies waar, wanneer en waarom
voor de deur wordt het leven
in tien minuten geknipt en geschoren
het is zomer in de Boekhorststraat

terwijl wit en bont zich mengt
worstelen fietsen met de autostroom
westwaarts het centrum in en verder
oostwaarts lonkt de Schilderswijk

wanneer ik klungel met de machine
staan er altijd mensen klaar om me
te helpen het duurt een paar weken
voor ik door heb wie er werkt

Achmed vertelt van de broek in vijf
die eruit kwam met slechts één pijp
Harry vult aan dat de andere
terug werd gevonden in machine vier

van buiten roept Ria: "Ben je nieuw hier?"
en dat ik ze niet moet geloven
maar dat van die broek is echt waar
het is zomer in de Boekhorststraat

Harry Zevenbergen

=

De ceder

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen,
en schimmel die een blinde muur aanrandt,
er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik, en mijn stem gaat trillen,
ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
niet te benaderen voor noodlots grillen,
geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.

Han G. Hoekstra

=

Allerliefste, ek stuur vir jou 'n rooiborsduif

Allerliefste, ek stuur vir jou 'n rooiborsduif
want niemand sal 'n boodskap wat rooi is skiet nie.
Ek gooi my rooiborsduif hoof in die lug en ek
weet al die jagters sal dink dis die son.
Kyk, my duif kom op en my duif gaan onder
en waar hy vlieg daar skitter oseane
en bome word groen
en hy kleur my boodskap so bruin op jou vel

Want my liefde reis met jou mee,
my liefde moet soos 'n engel by jou bly
soos vlerke, wit soos 'n engel.
Jy moet van my liefde bly weet
soos van die vlerke waarmee jy nie kan vlieg nie.

Breyten Breytenbach

=

Vier manieren om op iemand te wachten

1.
Zittend. Denkend aan liggen. Je handen
strijken rimpels in het tafellaken glad
rond een gerecht dat moeilijk en te veel
voor twee en niet als op het plaatje is,
maar ruikt, het ruikt de ramen uit, het
doet zijn best niet in te zakken, zoals
een ingehouden buik niet bol te zijn -
ook andersom is vergelijken.

2.
Lopend. Bijvoorbeeld naar de ramen
en terug en toch weer naar de ramen,
omdat geluid zich buigt naar wat je
horen wilt, maar het niet is. Er danst
een stoet voorbij, verklede mensen die
iets onverstaanbaars juichen, van elkaar
goed weten hoe ze heten en te kijken
dansen dat je kijken moet.

3.
Staand. Bij een ingang, uitgang waar je zei
dat, maar er zijn er drie, je weet niet meer
of die of deze. Van blijven staan komt
niemand tegen, maar met bewegen
wordt haast bereikt wat net verdween.
Zeker nog niet gezegd wie blijft en wie
beweegt en wie dan wie wanneer
en van hoe ver weer ziet.

4.
Niet.

Joke van Leeuwen

=

Refereyn

ICk houde voorwaer dat de helle is gheborsten
En dat al de duvels zijn uutghecropen
Al om is twist niet alleen onder de vorsten
Maer de leecken naer alder papen bloedt dorsten
Seerst hatende die meest haer sonden nopen
Tes al ghelooven betrouwen en hopen
Maer penitentie te doene wilt elc schouwen*
Om dat Christus bloet voor ons es ghedropen

Anna Bijns

=

De Moeder

Hij sprak en zeide
In 't zaâl zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weêr...
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking...
Doch, bijna blijde,
Beval den maagden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug nêer.

En toen, na jaren,
Melaats een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zoon keert weer...
Zag zij hem aan en
Vond gene tranen,
Voor zoveel vreugde geen tranen meer.

Geerten Gossaert

=

Begin eens bijvoorbeeld met twaalf lettergrepen

Begin eens bijvoorbeeld met twaalf lettergrepen
Vervolg dan met elf, en met tien enzovoort
Het is met zulke schrandere knepen
Dat de vakman de lezer bekoort
Telkens zo'n syllabe minder
Veredelt het metrum niet
Daarin zit de hinder
Zoals u wel ziet
Nu nog 'n paar
Doch meteen
Zo maar
Een

Drs. P

=

Op stap met Edvard Munch

Wanneer je vanuit de andere wereld
in één van de lichtpaleizen komt,
dan zie je hoe de gedaantes van de mensen vibreren.
Ze krimpen en zwellen, ze gloeien en doven
in een paar seconden.
Hun gezichten zijn slechts bleke vlekken.
De kleuren variëren van donkerblauw tot zwart
en vloeien in elkaar over.
Spiegel weerkaatst spiegel,
zodat de grenzen verdwenen zijn.

Het is het bal van de niet-doden,
spookachtig zijn ze al.

Wanneer je in één van de lichtpaleizen bent,
temidden van de geweldige sociale omgangsvormen,
dan zijn deze gedaantes
vele blauwe plekken
op het prachtige en begeerlijke
lichaam van een geliefde, waar je
heel voorzichtig je vinger op moet leggen.

Elma van Haren

=

Foute Keuze

Mijn naam is Auke Siebe Dirk
Ik ben vernoemd naar mijn oudoom Dirk Siebe
Een jongen die een verkeerde keuze heeft gemaakt
Koos voor een verkeerd leger
Met verkeerde idealen
Vluchtte voor de armoede
Hoopte op een beter leven
Geen weg meer terug
Als een keuze is gemaakt
Alleen een weg vooruit
Die hij niet ontlopen kan
Vechtend tegen Russen
Angst om zelf dood te gaan
Denkend aan thuis
Waar Dirk z’n toekomst nog beginnen moet
Zijn moeder is verscheurd door de oorlog
Mama van elf kinderen, waarvan vier in het verzet zitten
En een vechtend aan het oostfront
Alle elf had ze even lief
Dirk Siebe kwam nooit meer thuis
Mijn naam is Auke Siebe Dirk
Ik ben vernoemd naar Dirk Siebe
Omdat ook Dirk Siebe niet vergeten mag worden.

Auke de Leeuw

=

November

Geen spoor meer van zomer, al haast weer winter.
De mistbanken van de herfst hangen laag
over de grond, verschuiven traag.
Het licht wordt steeds kouder en minder.

En ik denk: ik ben bijna niet buiten geweest
toen het gras nog hoog stond en bol van groen
de bomen waren. Teveel te doen
en schrijven voor brood verduistert de geest.

En zelfs de kleuren van October,
het befaamde palet, het beschilderde lover,
heb ik, al spijt me dat nauwelijks, gemist.

Er schijnt nu een zon als een maan door de mist,
maar het vuur van de zomer is opgebrand
en de bomen zwerven kaal door het land.

Hans Andreus

=

De man in de wolken

Hoe de man in de wolken eigenlijk heette
En waar hij vandaan kwam, was onbekend.
In het dorp beneden wou ook niemand dat weten
De man in de wolken, zo stond hij bekend.
De man in de wolken kwam nooit naar beneden
Alleen, maar volmaakt gelukkig was hij
En dat had een bijzondere reden
Aan de muur van zijn huis hing een prachtschilderij.
De man in de wolken kon er uren naar kijken
In schoonheid gingen zijn dagen voorbij.
Een hoger geluk kon hij niet bereiken
Dan kijken en kijken naar het prachtschilderij.
En vaak zag je mensen naar boven toe lopen
Naar de man in de wolken met het prachtschilderij.
De deur van zijn huis stond voor iedereen open
Kom er maar in, zei hij altijd gastvrij.
En iedereen gaf hem omdat het zo hoorde
Een brood of wat wijn, als een soort van entree.
Dat was door de jaren gewoonte geworden
Voor de man in de wolken nam je iets mee.
En op een stoel naast de man in de wolken gezeten
Werd alles opeens zo helder als glas.
Het prachtschilderij deed je even vergeten
Hoe treurig en lelijk het leven soms was.

Het was een landschap zo mooi, zo schitterend leeg
Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon.
Je kon zien hoe alles een vorm en een kleur kreeg
In het licht van een eindeloos opgaande zon.

Op een dag kreeg de man in de wolken bezoek
Van een vreemdeling die hem een hand gaf en zei
U schijnt de bezitter te zijn van een doek
Dat beneden bekend staat als het prachtschilderij.
De man in de wolken zei komt u maar binnen.
De vreemdeling ging voor het landschap staan
En raakte vervolgens totaal buiten zinnen.
Het is niet geloven. hoe komt u hieraan
Een meesterwerk en kijk toch eens even
Compleet met lijst en signatuur.
Meneer, u bent binnen voor de rest van uw leven
Hier hangt een gigantisch fortuin aan de muur.

De man in de wolken wilde vergeten
Wat de vreemdeling hem die dag had verteld
Maar er was iets veranderd, alleen door te weten
Dat schoonheid was uit te drukken in geld.
Tegen bezoekers zei hij steeds vaker
Raak het niet aan, kom niet te dichtbij.
Hij veranderde langzaam in een bewaker
Een voorzichtige man met een prachtschilderij.
En toen kwam de angst en kwamen in dromen
Dieven die schreeuwden kom hier met dat doek.
En zo is het slot op zijn voordeur gekomen
En kreeg de man in de wolken steeds minder bezoek.

Het was een landschap zo mooi, zo schitterend leeg
Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon.
Je kon zien hoe alles een vorm en een kleur kreeg
In het licht van een eindeloos opgaande zon.

De man in de wolken dacht soms nog even
Terug aan de tijd toen het prachtschilderij
Nog aan iedereen troost en warmte kon geven.
Maar zo mocht hij niet denken. die tijd was voorbij.
Hij moest het beschermen, desnoods met zijn leven
Dat was hij aan de schoonheid van het landschap verplicht.
Een diefstal zou hij zichzelf nooit vergeven
Dus deed hij alles wat dicht kon nog dichter dan dicht.
Maar toch werd hij banger, geen nacht die voorbijging
Of hij hoorde de dieven en ze vonden het vast
Want ze wisten dat het bij hem aan de muur hing
En toen sloot hij het landschap op in een kast.
Maar de plek waar het prachtschilderij had gehangen
Werd leger en leger en op den duur
Werd de man in de wolken gek van verlangen
En hing hij het landschap terug aan de muur.
Die nacht heeft hij uren en uren gekeken
Naar de vormen, de kleuren en de opgaande zon
Maar de glans was verloren, de schoonheid geweken
Alsof hij niet goed meer kijken kon.
Toen opeens zag hij alles zo helder als glas
Daar hing in een lijst zijn angst aan de muur
Die nacht in de wolken begreep hij dat pas
En smeet hij het prachtschilderij in het vuur.
De man in de wolken zag het landschap verkleuren
En de opgaande zon in vlammen opgaan.
Toen stond hij op, deed het slot van zijn deur
En verbaasd bleef de man in de wolken toen staan.

Hij zag een landschap zo mooi, zo schitterend leeg
Zo moest het geweest zijn toen de wereld begon.
Hij zag hoe alles een vorm en een kleur kreeg
In het licht van een prachtige opgaande zon.

Koos Meinderts

=

Eenzaam kerkhof

De witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
de takken wiegen hun stille dromen
op donkere armen in sluiers van rouw,
het sleepkleed der treurende essenbomen
raakt bloeiende grassen in avonddauw.
Hoog groeien de grassen,
wind die ze zaaide,
wind die ze verwaaide, zij bloeien uit,
geen hand die ze plukte, geen zeis
die ze maaide
de witte grassen bewegen en komen
heen en weder door wind en dauw,
op de hekspijlen buigen de bomen
hun donkere hoofden in krip van rouw
hun hangende sluiers beroeren de klachten
der witte rozen en het schemerrood
der oude daken, vele wolkengeslachten
gaan het hek over, de bloemen en de dood.
Woest liggen de graven, de grendelen der aarde
sluiten de doden van 't leven af,
zij zinken al dieper, een weeldrige gaarde
bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf
en de wagenmenner, in 't beeld van de sterren
ziet ernstig peinzend omlaag,
ver ligt al de aarde, een stip, zo verre
en zijn paarden gaan zo traag.
Langs andere werelden siert hij zijn wagen
en waar geen werelden meer zijn,
de steppenvlakten door van een eindeloze,
vage, onbekende hemelwoestijn.

Augusta Peaux

=

Oppervlakkige charleston

Als je van het meisje van Milwaukee houdt
van het meisje houdt
van het meisje van Milwaukee houdt
- van de nacht vallen de sterren veel
en blijven aan de huizen hangen
Batschari Zigaretten Batschari Zigaretten
Sarotti ist so süsz und schön -
Als je van het meisje van Milwaukee houdt
schaak ze in een ford schaak ze in een ford
de vader die is dominee
de broer die woont te Chicago
in Oklahoma woont de olieoom
en je sienjaal een saksofoon
schaak ze in een ford schaak ze in een ford
de negers hebben dikke lippen
de negers hebben dikke rode lippen
Je voert je bruid naar Texas heen
in Texas woont een dominee
in Texas woont een goeie dominee
en je sienjaal een saksofoon
in Texas woont een dominee
Je voert je bruid naar Texas heen
Je stuurt een telegram naar Chicago
de nacht is klaar
en morgen ben-je miljoenair
dan vin-je de methode
de maan als lichtreklaam
Als je van het meisje van Milwaukee houdt
schaak ze in een ford - rem niet rem niet -
Je voert je bruid naar Texas heen
de negers hebben dikke lippen
de negers hebben dikke rode lippen
en alle dominee's zijn goed
Als je van het meisje van Milwaukee houdt
van haar houdt
ram rem de trem
ram rem

Paul van Ostaijen

=

Ons volk is bròkkel, stroef en kold

Ons volk is bròkkel, stroef en kold,
Net as zien haarde kloeten.
Moar 't beste is noar binnen vold,
De roegste kaant zit boeten.

Ons volk is moar wat sloom en sloer,
Nait gauw op gang te kriegen,
Het proaten vaalt ons hail slim stoer,
Wie kennen beter zwiegen!

Ons volk is lopend, vaierkaant,
Ien proaten en bewegen,
Is enkeld thoes op aigen laand,
Doarboeten stil, verlegen…

Ons volk is waarkzoam, doem op puut,
Nait börgen, vot betoalen,
Zwoar schrippen veur 'n schiere huut
En zoo moar 't endje hoalen…
Ons volk is toai as noagelholt.
Ien dizze stoere tieden
Krigt het nait gauw de vouten kold;
Het kèn 'n knovvel lieden!

Ons volk leeft meer noar binnen tou,
Goan ie doarien aan 't plougen,
Den zai je doar zien groote trouw
Aan laand en volk en lougen.

Hou wieder weg van 't olle stee,
Hou wènsteger ze bennen!
Doarom den, volk van overzee,
Kom weer! Zo gauw ie kennen!!!

Jan Boer

=

Onder de appelboom

Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom

ik ging zitten en ik zat
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.

Rutger Kopland

=

Blinde liefde

Ik ken een aardig meisje.
Mooi en zacht en lief en blond.
Ik zie haar vaak,
maar zij mij nooit.
Want Annelies is blind…

Op een dag stond ze
bij me op de stoep.
'Mag ik jou eens voelen?'
vroeg ze mij.

Wat verlegen
deed ik mijn ogen dicht.
Haar handen lazen mijn gezicht.
Zo zacht, zo lief
zo mooi op rijm.

'Ik zie jou graag,'
zei ze eens voorbij mijn mond...
'Dat voel ik,' zei ik
en verklapte haar
mijn groot geheim.

Geert De Kockere

=

Meisje van papier

nooit gedacht
dat iemand woorden rond
me zou willen vouwen
een taal zou willen maken
voor mij, voor ons
dat woorden
jij en ik zouden worden
ze zijn nu even niet van iedereen
ze zijn nu even tastbaar
een vinger op een mond

Saskia Waterman

=

Ik doe maar alsof

Al het haar denk ik terug op je hoofd,
al het grijs denk ik zwaar, bijna zwart
met een flinke slag. Je schouders zijn er nog wel,

Dragen water, doorzichtig vlinderslag op de honderd meter
Ik doe maar alsof je jong bent geweest,
ik heb je niet gemist. Ik riep een ander aan voor mijn god

Ik heb je gemist. Je had mij zoveel prachtige leugens
kunnen vertellen die ik zo graag zou hebben geloofd.
Je had mij je jonge jaren kunnen lenen voor een prikkie

of voor niets. Ik had kunnen zwalken door novemberweer
op een fiets met een windscherm, jij had kunnen
bellen en zeggen, wacht maar niet met het eten.

Ik raak nu je fontanel aan tussen mij en de rand van het bed
daar waar het bot nog kan schuiven, daar zit de liefde
bekneld maar maak je niet druk: ik doe maar alsof.

Liesbeth V. Hafenrichter

=

Neijbouw

Honderdvieftig gele deuren
in ’n straot.
Honderdvieftig grote raomen,
zölfdemaot.
Honderdvieftig greune vlakkies
twee bij twee.
Met nog honderdvieftig hekkies
veur elk stee.

Volk, staoj in zo’n straot te gloepen,
met zien hekkies, vlakkies, stoepen,
zeg: foj, een mensk mot hier;
geestlijk doodgaon as een pier!

Bart Veenstra

=

Keltisch Grafschrift

Die voor zichzelf niets vroeg,
wier liefde bij mij was,
rust in het hoge gras.
Ik gaf haar pijn genoeg.
Wier liefde bij mij was,
die ik van huis verjoeg,
zij, die mijn kinderen droeg,
rust in het hoge gras.

Ida Gerhardt

=

Gien tied

't aole Jaansie reup mij binnen
in zien aole plaggenkeet.
'k Zee hum - 'k mus toch waat verzinnen -:
"'k Heb 't te drok, 'k kan 's mörgens neet!"

Laoter, oet mien koetsewaogen,
Zaag 'k hum staon waer veur zien keet.
't waas, of ie waer waat wol vraogen,
'k reup aal vaast: "'k Kan 's aovends neet!"

't Jaansie hebt ze nou begraoven.
'k Kan wel raeren van de spiet.
kiek, de Dood met aal zien draoven,
Die vun toch nog wàl de tied…

Louis A. Roessingh

=

Gedenkplaats

Twee schilders. Beiers, blonde krullen,
Verven de openstaande ramen
En niets verraadt bij deze knullen
't Bestaan van enig zielendrama.

Daarbinnen staan in strenge orde
Gedoofde ovens aangetreden.
Herauten van de as van morgen,
Of tekens van een dood verleden?

Ik volg de kalme kwasten, adem
De frisse lucht in van het najaar;
En angstig wervelen de blaren
Rond Dachau, het voormalig Lager.

Semjon Lipkin

=

aardrijkskunde

zij had een onvoldoende
voor aardrijkskunde
die laatste dag
maar wist een week later
precies waar Treblinka lag

héél even maar

Ida Vos

=

De ander is in mij...

De ander is in mij
van nu af niet meer te bereiken.
Een steen liet hij mij na,
die groeit en groeit.
Ik ben alsof ik ben geboeid.

Ik zie hem gaan. Mijn
lichaam wordt een zee.
Er zijn geen dijken.
Het is hoogtij.

Neeltje Maria Min

=

Oude venen

De nevels trekken een dun hemd
over de lege windloze landen.
Volk geknield bij schepelsmanden
heeft zich de aarde toegewend.

Het vale blauw van karren dempt
het licht. Resten dood loof branden
er laag. Rook veegt langs akkerranden
als schril een hoorn de middag schendt.

Aan het hekwerk zet een vrouw zich schrap
en keert de brug in ruggelingse stap,
grijs spant het jak boven haar schoot.

Over het schuimspoor na de steven
schuift zij de weg recht, huivert even
om het diep zwart achter de zwarte boot.

Roel Brouwer

=

De lenige liefde

Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.
Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
om niet lang te duren? Ook hier, zei je.

Je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
En daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
Een oortje, waarin het lange woord
'lieveling' uitgoot, zonder morsen.

Herman de Coninck

=

Verzoek aan de schilder

Mijn arsenaal van klank en taal
bestaat in tijd. Zij niet. Ik vraag

uw hulp. Als ik haar met mijn warme
hand, zo zwaar van bloed, wil raken

is er niets. U heeft een vlak met veertien
kleuren, een penseel van vossenhaar –

streel haar te voorschijn, groene schaduw
bij haar oor en in haar hals een zweem

van oud ivoor. Maak haar een plaats
in vezels van uw doek. Roep mij

dan binnen. U staart uit het raam.
Ik blijf op anderhalve meter staan.

Zij kijkt mij aan.

Anna Enquist

=

Eind goed, al goed

Mijn as wordt begraven op het kerkhof te Greonterp.
De mensen die komen kijken, krijgen met onbekrompen maat te drinken,
de kinderen ook, dat staat geschreven.
Er komt een houten kruis, waarop te lezen valt:
GOD IS DE LIEFDE, verder niks.
Dan komt de harmonie, en speelt een lied,
langzaam en vroom, met veel koper.
Als er wel wolken maar geen wind is wordt de hemel
een sluier van stilte,
en daalt iets neer dat veel lijkt op geluk.

Gerard Reve

=

Winter

Winter is het, Kerstmis spoedig,
Onder het poetsen wordt geoefend
In het zingen door mijn moeder.
Donker is het dagelijks vroeger,
Koper blinkt, de kachel brandt.

In de koude hak ik hout.
Sterren schieten uit de schoorsteen,
Regenen wensen naar beneden
Waar standvastig en aanbeden
Venus op de dakpunt staat.

Binnen ruikt het naar gebak
Dat de oven heeft verlaten
En naar vlees dat wordt gebraden.
Voeten rennen door de kamers,
Stemmen wisselen kreten uit.

Onbeschaamd als blauwe luchten
Waar een sneeuwbui zich in uitschudt,
Vliegensvlug in achterhalen
Van wie vluchtend en toch dralend
Zo mijn kussen niet ontloopt -

Fantoom van licht, waar heb je je
Verstopt? Lig je, slaap je, heb
Je je sterren van ogen dicht?
Ruwe nimf ben je, vlinderlicht
Je lieftallige hielen gelicht.

Verlegenheid heeft appelrode wangen,
Je kunt ze proeven, kunt ze vangen,
Kunt ze tussen het sparregroen hangen,
Blozende als zonsondergangen
Zijn ze, gave, glanzende vrucht.

Winter is het, Kerstmis nadert,
Het huis in rust en het ademt
Uit zijn schoorsteen witte rook.
De hemel is bestrooid met sterren,
Een pruik van sneeuw ligt op de dennen,
Men is thuis, er wordt gestookt.

Elly de Waard

=

Wilde jacht

Het spoekt op de heide; daor gun in het veld,
Daor heur ij de hond'n, die bleekt met geweld.
A'j lustert… a'j rondkiekt; dan weet ij het wal:
Een troep wilde jaogers met horengeschal.
De peerde, die trappelt; zie guntert en snoeft.
De kerels, die jaogt, dat ze klettert en stoeft.
Zie soest deur de wolken, zie riedt in de sprong.
Daor hoog in de locht; al begriep ij 't niet jong.
Dat volk giet oet jaog'n met raozend geweld;
Daor is heur en tied van weerumkomm'n steld.
Zie moet zuk wal haost'n; want gauw giet de tied.
As zie niet te sprong doet, dan haolt zie het niet. –
Het kraokt in de boo'n en wild boest de wind;
Roeg jaogt de wolk'n die toestereg zint.
A'j goed loert, dan zie'j hum – maor lang niet elkien,
- Daor is haost gien staarfling, die Wodan kan zien. -

J. H. Bergmans-Beins

=

Melancolia

Als men ten laatste heeft gevonden
Waar heel de ziel naar smacht,
Dan is 't laat, de dag verzwonden,
Reeds valt de nacht.

Als 't kleed ons past, is het versleten,
Als men het boek kent, is het uit,
Als men het leven komt te weten,
Dan valt het scherm dat alles sluit.

Carel Vosmaer

=

Herfst

Nooit ben ik meer in mijn gedachten groot,
steeds zeldner denk ik dat mijn werkelijk wezen
zich tonen zal en durven te genezen
van de steeds naderende duidelijker dood.
Vandaag zag ik de hemel door het weemlend lover
verbleken tot een doodlijk zuivere helderheid.
Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd
en er is haast geen tijd meer voor mij over.
Er ruist een hoge ruime wind
door de recht opgerezen bomen:
aan het zwarte water is een hert gekomen,
en door het oevergras schijnt laag de zon...
Dit is het enig antwoord, dat ik vind,
dat mij bevrijden zou, zo ik t vertalen kon.

Maria Vasalis

=

Druppel

je weet het niet
je ziet het niet
je kunt het ook niet kopen
die éne druppel die de emmer
werk'lijk doet overlopen.

Lill Swaen

=

Braandbaor

Mien haanden braandt in de buus
mien kop gluit in het duuster
de weg die ik vun -
de weg waorop ik mijzölf antröf
is begaonbaor, lig open

Allent het locht dat schienen zul
krieg ik niet an de praot -
ik tast nog in het duuster -
ik kom oet het duuster teveurschien
schrik mèensen of
met mien braandende haanden en gluiende kop.

Egbert Hovenkamp

=

Kerkuil

Zuinig en niet loslippig: onder
Een steenbrok zit zij stil.
Smalle oogen, gegroefd, en zonder
Zichtbare roofpupil,
Schijnen zich puntig in den bek te spitsen.
Een oude vrouw bij vlas, en met een bril
Die afglijdt, en geen kleinzoon meer,
Dien zij met snauwen en met bitse
Blikken kan zenden naar de klokketouwen
Bij stormig weer
Om pluis voor haar te stelen met zijn klauwen.

Simon Vestdijk

=

Het naaimeisje

'k Heb mijn poppen weg gedaan,
'k Heb mijn speelgoed weggegeven;
'k Moet nu als een vrijster leven,
Want ik zal op naaien gaan.

Denk wat blijdschap of ik voel.
Kom, ik ga ook, zonder dralen,
Van mijn huis mijn kussen halen,
'k Bracht al reeds mijn stoof en stoel.

Moeder zei: (wat is zij goed!):
‘'k Zal, opdat ze uw eer niet krenken,
Ook de blijde welkomst schenken,
Die gij maandag geven moet.

Grietje, want zo is de naam
Van mijn naaivrouw, had gesproken,
Van dan chocola te koken:
O, Wat is die vrouw bekwaam!

Ik was werelds opgeschikt,
Met mijn beste zondags pakje.
En de mouwtjes van mijn jakje
Had ik netjes opgestrikt.

Maar dat leek nog niemendal
Bij die rijke lui der kindren!
'k Neeg; toen hield, om mij te hindren,
Nufje dundoeks mij voor mal.

'k Heb 't mijn moeder ook geklaagd.
Maar die wil geen klikken horen.
Wilt gij, zegt ze, u altoos storen
Aan een ieder die u plaagt?

Dan kunt gij geen wil, geen vreugd
Met u speelkornuitjes smaken:
Lach mee; dit zal haar vermaken.
't Kribben past niet aan de jeugd.

Kreun u aan die potsjes niet;
Daar zult gij u wel bij vinden;
Kinderen zijn altoos vrinden.
Maar als gij zo donker ziet,
Als ge om iedre platterij
Dadelijk de lip laat hangen,
Niemand zal naar u verlangen.
Draag u wijs; lach ook als zij.’

Ik zal doen naar moeders raad,
Vrolijk zijn, en vlijtig leren.
En als wij de pot verteren,
Zo als Chrisje al heeft gepraat,
Dan zal ik, heb ik mijn zin,
Mij maar wat heel netjes kleden,
Zoals vele meisjes deden,
Als een witte herderin.

Ik win dus door deze kunst
Ieders liefde, en durf ook hopen
Als de naaitijd is verlopen
Op der grote lieden gunst.

Mooglijk word ik wel door haar
Bij haar ouders aangeprezen;
Dan kan ik haar naaister wezen,
Want de dingen lopen raar.

'k Wou maar dat het maandag was.
'k Zal mijn tijd ook niet verzeuren;
Want ik moet een duit verbeuren,
Als ik op het uur niet pas.

Hoe verlang ik naar die dag!
Ik kan nacht of dag niet duren,
't Is, nog vijfenveertig uren.
'k Wens gestaag dat ik hem zag!

Betje Wolff-Bekker

=

Het woord

Wandelend door een boomgaarden wereld
vroeg ik een vogel een vederen woord
een zingend woord een zonlicht woord
smeekte ik een vogel een woord mij ten dienste
een vliegwoord een vangbal een boemerang
Maar toen ik droomde dat mijn wens zich vervulde
verschool ik mij om het te breken
om te zien wat er in zou zijn:
een nest jonge vogels
of schaduw en schimmel
een beest dat zou bijten
of mijzelf schreiend
of van de wereld het eerste en laatste
niets

Koos Schuur

=

Eens

ze liepen voor mij uit
hoog bejaard waren ze
warm ingepakt
de wind was guur
thuis heeft zij vast zijn sjaal
wat hogerop gedaan
hij zorgde ervoor dat zij
haar handschoenen niet vergat
soms keek een van beiden even om
als de ander wat achterbleef
toch zullen ook zij
eens heel lang geleden
samen hebben gedold
als speelse jonge honden

Lill Swaen

=

Het stoomtuig

Te lang genoegde 't ons, het Ros tot dienst te dwingen;
Den stroom van Lucht of Nat te keeren te onzer baat:
Het Vocht, door Vuur bezield, schonk zwakke Stervelingen
Kracht boven aller krachten maat.

Die Kracht, nooit werkens moê, beheerscht ontembre wellen,
En rukt, uit peilloos diep, der Mijnen schat aan 't licht.
Gedreven door zichzelv', mag ginds de Wagen snellen,
En de afstand als verslonden zwicht.

Het scheprand gonst - de Kiel komt over 't Wad gevlogen -
Van zeil en riem ontbloot - getij en wind te moet.
Veelvingrig Kunsttuig spint, - door d'eigen Damp bewogen,
Die logge Hamers smeden doet.

Gebie het, Nederland! en, zeewaarts afgegleden,
Ruimt slibbe en zand den weg, waar langs uw vloeden gaan.
Gebie! de Plassen in zal zich uw Erf verbreeden,
En waar zij golfden wiegt het graan.

't Eenzelvig spoor ten eind, dat Waan en Sleur betraden,
Klom zòò 't Vernuft bergop - gewon het trans na trans,
En vlocht, aan 't rijzend pad, onwelkbre lauwerbladen
Een Wondereeuw ten gloriekrans.

Zòò streeft het vòòrt! dat Hoog met iedre poging nader,
Waar Eenvouds Godspraak in haar stillen tempel woont,
Ach, werd - eer 't graf mijne asch bij dierbare asschen gader' -
Volhardings eedle moed geloond!

Werd zienlijk voor mijn oog, wat nog der Toekomst duister
In zwangren schoot verheelt! Werd vòl de groote Dag,
Wiens Ochtendschemering - wiens blijden Morgenluister
Ik, met aanbiddend hopen, zag.

A. C. W. Staring

=

Zondagsmiddags

Zondagsmiddags lopen door de stad,
meest op de Zeedijk of in de steden;
aan een toonbank dralen om den regen
of den weerschijn in het zinken blad;
wensen één te zijn van ’t tweetal dat
uit het rek de keuen heeft gekregen;
zich mechanisch naar ’t toilet bewegen,
door een raampje gluren op een plat.
Aan den overkant antennelijnen,
een gebroken beeld op een balkon,
lege bloempotten in de kozijnen.
Door den avond lopen naar ’t station,
kijken naar het weggaan van de treinen,
achterblijven op een dood perron.

Eduard Hoornik

=

De bolle winden blazen blauwe kuilen

De bolle winden blazen blauwe kuilen
In 't asgrauw fulp der zware wolkenlagen.
Een brede bundel zilverlicht komt vagen
De rug van 't grijze paard, dat sleept de zuilen
Van 't woud, gevelde stammen, op een wagen,
Door 't blanke heizand. Matte zon bleef schuilen.
De wegen-eiken staan als ijle tuilen,
Maar de einder-berken, schimmenbleek, vervagen.

De lucht vervullen blijder geen geruchten
Dan, uit een verre hofsteê, honden janken
En 't altoos eendre kling der paardenbellen
Versmelt met donker dodeklokken-luiden.
Maar 't somberst dunkt mij van die droeve klanken
De slag der bijlen, die de bomen vellen.

Hélène Swarth

=

En ist de liefde niet, wat ist dan dat my quelt?

En ist de liefde niet, wat ist dan dat my quelt?
En ist de liefdé ooc, wat mach de liefde wesen?
Is sy soet ende goet, hoe valt sy hert in desen?
Is sy quaet, hoe is dan soo suete heur ghewelt?
Brande ic met mynen danc, hoe ben ic dan ontstelt?
Ist teghen mynen danc, sal tsuchten my genesen?
O vreucht van pynen vol, pyne vol vreucht geresen
O droefheyt vol ioleyts! o blyschappé verfelt!
Leuende doot hoe moecht ghy teghen mynen danck
Dus velé ouer my? maer ben ick willens cranck,
My claghende tonrecht, de liefde ick tonrecht blame.
Liefde goet ende quaet, my leet en aenghename,
Gheluck en ongheluck, suer en soet ick gheuule:
Ic suke vryicheyt, en om slauen ick wule.

Jan van der Noot

=

Er zijn mensen die als ongelezen boeken

Er zijn mensen die als ongelezen boeken
gesloten blijven,
die niets laten vermoeden van hun inhoud.

Er zijn mensen die als uitgelezen boeken
beduimeld en gekreukt zijn.
Die alles wat ze waren hebben prijsgegeven.

Er zijn mensen die als pas verschenen boeken
de aandacht trekken, die wachten op een blik
en een hand die hen ter hand neemt.

Er zijn mensen die als waardevolle boeken
steeds blijven boeien,
die een stuk van je eigen leven zijn geworden.

Er zijn mensen die als woordenboeken
veel woorden in de mond hebben
maar geen boodschap brengen en weinig inhoud hebben.

Er zijn mensen die als dichtbundels vol diepe gedachten
een leven laten vermoeden dat alles overstijgt
en toch iets van het kind hebben bewaard.

Frans Weerts

=

Weg van de snelweg

Ook met de handen stijf tegen de oren
is soms het geluidloze gillen te horen
dat in onze diepten weerkaatst

routes en wegen in eigen beheer
geen regels voor het binnenwerks verkeer
dat zich langs eigen banen verplaatst

geen brandstof meer over voor innerlijk vuur
geen macht meer te veinzen over het stuur

hardnekkige voet op het gaspedaal:

ontsnapt voor de zoveelste maal
naar de vluchtstroken van de taal

Ellen Warmond

=

Naar de natuur

De hete dag is in de nacht geblust;
Nog gloeit mijn ziel rood in het donker voort.
Ik ben gelijk een smidse verontrust,
Mijn hartslag hamert en mijn aandacht boort;

Mijn ogen zijn vol weerschijn en vol gloed,
Mijn liefde arbeidt in een zuil van vuur,
En langzaam uit mijn hunkerend gemoed
Onthult uw beeltnis zich naar de natuur.

Uw voorhoofd rein en hoog en marmerblank,
Uw schoot en lendenen gevuld en rank,
Uw borsten als gesierde korven fruit,
Uw dijen als de ingang van een kerk,
Uw knieën als van Amazonen sterk,
Uw voeten welig en ten voeten uit.

Bertus Aafjes

=

Rancune

mijn dagen zijn geteld,
ik zal teruggaan in de aarde.
toen jij mij baarde
was het vonnis al geveld.
mijn dood
begon al in jouw schoot.

Neeltje Maria Min

=

Gebonden

Laat het niet uit zijn, God, na dezen dood
In leven en ellende om noodzakelijk brood.
Want waartoe gaaft gij dan uw bosschen, heiden,
Uw luchten, wateren en ruime weiden
Den mensch als lokaas van zijn plichten weg?
Het is het woord van velen dat ik zeg.
Er zijn er meer die snakken naar ontkomen,
Wier hart uw zeeën meedraagt in hun droomen.
Maar gij geeft traag getob en kleinen strijd
En waait er over met een wind van eeuwigheid.

Clara Eggink

=

De wereld is een fluit met zoveel duizend monden

De wereld is een fluit met zoveel duizend monden.
En elkeen blaast zijn lied. En 't maakt een droef geluid
waarin ik niets van eigen klank heb weergevonden.
En gij? Misschien hebt ge ook getikt aan meenge ruit
en werd ge als ik weer feestlijk wandelen gezonden.

Nochtans: ik heb gedroomd, gehoopt; en ik droeg boete.
'k Zag de Alpen, Vlaanderen en Straatsburg aan den Rijn.
Ik heb bemind. Ik sloeg de trommel in veel stoeten.
Ik pluisde in boeken die vol oude wijsheid zijn.
Ik heb gezocht, zo 't kan, met handen en met voeten.

En 't slot? Ik hield daaruit als onvervreemdbaar deel
den troost van 't eigen lied, wanneer ik stil gezeten,
des avonds, op den hogen berm een wijsje speel,
niet voor 't heelal en de eeuwigheid, maar slechts voor 't heden.
Dat maakt me een blijden dag te meer. En dat is veel.

Richard Minne

=

Christus als hovenier

Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was een hovenier.

En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en-wat terzijde-in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud-
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.

Ida Gerhardt

=

De standaardmolen in Sellingen

daar staat hij
al jaren te
wachten op
wind
tussen de boeren
hun huizen en koeien
in de wei
staat hij recht
zijn wieken stijf
en zwart
als hijzelf
de molen
wachtend op wind
op een heuveltje

(wij noemen hem standaardmolen
op zijn driepoot heel alleen
wachtend op wind)

Bert Schierbeek

=

Van lieverlede

Van lieverlede ga ik wel begrijpen
waar ik mij ruimer open stel
en het hart al minnende gaat rijpen,
dat ik, als ik mijn liefden tel
wel nader tot de mens kan treden,
maar zij niet delen in mijn lot.
Ik kies dit in een koele vrede.
Ik min hen zeer, maar weet tot slot
alleen te zijn, van lieverlede.

Clara Eggink

=

Weldra

1
Rukwinden die de dorre bladen
geeselen langs de levensweg -
wij worden nooit meer die wij waren,
wij dwerelen langs heg en steg,
ons zingen werd geritsel, minnaars
wandelen zalig door ons heen,
zich onbewust onze overwinnaars
te zijn, de wreedaards.
Veel verdween
sinds wij verdwenen en vergeten
werden, en weldra zullen zij
ook ritselen en niets meer weten
van wel en wee, tij en ontij. -

2
Voor niets ter wereld ooit bang dan voor Angst,
het spook dat in de hooge spiegel woont
aan het koel eind van de onbewoonde gang,
de spiegel van de leegte waar het huis
ophoudt en de nachtwind het leven hoont
Geen woord meer? Maar het zwijgen maakt het glas
leger, en nachtlucht neemt in het oud huis
zijn intrek.
En daarom dus: vul de glazen,
grijp in de snaren, schreeuw het uit, en bras,
en spring de laatste dans, de dans der dwazen,
blindelings in. Elk talmen is onwijs:
weldra zijn glazen scherven, en zijn wij
dood en voorbij.

Adriaan Roland Holst

=

Tot mijzelf

Er was een tijd, hoe lang voorbij,
ik zag rondom de wereld aan:
een stad in zon, het licht bij maan,
de waterglans, het vliegend tij -

Het was van God, het was voor mij:
mocht ik het niet geheel verstaan,
iets werd ervan bij 't verdergaan
mijn wereldbeeld in rang en rij.

Het uitzicht heeft vandaag een zin
ontwijkender dan lijnen in
het bouwveld, naar een vreemd bestek.

Een vormeloze dunne vlek
wordt op het wazige toneel
mijn omtrek en mijn werelddeel.

Hein de Bruin

=

Fabel van de bloedtransfusie

Ik word overreden, riep de oude vrouw,
de schokbreker wist van toeten noch blazen,
ze liep in de weg, zei de man achter 't stuur,
ze heeft rood bloed, zei het zwarte asfalt,
haar bloed is weg, zei de witte chirurg,
ze is voor mij, zei grijs de dood.

Hier is mijn bloed, zei de man in de deur,
ik ben haar zoon, zei het bloed in de man.

Ben ik al koud, vroeg de vrouw aan haar droom,
waar is de hemel, de hel met goed vuur?

De chirurg tot de spuit tot de huid tot de prik tot het bloed.

Blijft dat zo tot in der eeuwigheid,
ze bederven mijn stiel, zei de dood tot de tijd.

Ik ben het, zei de zoon tot de moeder,
ik ben het, zei het bloed van de zoon tot de moeder,
d.w.z. tot het bloed van de koelende moeder.
Dag bloed, zei dit bloed, 't is lang geleden,
om u weer te zien zou men geld besteden.

'k Zou haar hart willen zien, zei het bloed van de zoon.
Kom dan mee, jong bloed, zei het bloed van de moeder,
wacht op het tij en verschuw haar niet,
de tropen, de meisjes, zijt gij niet ziek?

Benauwd heb ik het, zei het bloed van de zoon,
benauwd en koud in deze oude woon.
Houd mij maar vast, zei het bloed van de moeder.

Kent gij de weg, ik ken hem wel.

Door het rechter hart, dat hem herkende,
door de twee longen, die hem herkenden,
door het linker hart, dat hem herkende,
door het hoofd, dat hem niet herkende.

Ik heb mijn tijd, zei de dood tot de tijd.

Ten tweeden male door hart en longen
en weer naar het hoofd
en weer door het hoofd.

Ik voel me al beter, zei 't bloed van de zoon,
ik heb u verwarmd, zei 't bloed van de moeder.

Ze tracht te spreken, zei de chirurg tot de zoon,
Leg uw oor aan haar mond, haar leven zal spreken.

Toen heeft de mond van de moeder gezegd
en alleen het oor van de zoon kon het horen:
ik droomde dat mijn zoon werd geboren.

Karel Jonckheere

=

Het bliksemvuur

Omdat uw huis niet op de weg van de bliksem lag
Maar juist daaraan, schrikt ge op en stierft gij niet.
Dit zijn de verborgen wegen, de heerbanen van 't hemels vuur
Waaraan wij spelen, sluimren, omstrenglen elkander, ontwaken.

Wat ware mij 't leven als het niet zo was : dreiging en duisternis,
Gloed en angstwekkend geratel en daar ikzelf in,
Dromend en peinzend, sluimrend en liefde bedrijvend,
Zittend met wijd-open ogen in 't ontzettendste ogenblik,
Op de rand van het bed, d'arm om de hals der geliefde.

Eén ding schoner: de Dood als hij gulden aankwam,
Staaf van gesmolten goud die ons beiden saamklonk
Onwetend slapende op de weg van die Machtigste.

Albert Verwey

=

Onrust

Ik ben geen plant: ik wil geen rust
‘k Ben jong en – van mijn tijd,
Brenge ieder uur mij leed en lust
En telkens nieuwe strijd!
Als het plan wordt een daad,
Zonder raad of beraad,
Als ik liefheb en haat,
Als ik schrei, als ik lach
Wel honderd malen iedren dag,
Dan ben ik ’t leven mij bewust,
Dan leef ik eerst naar hartelust,
Al wat ik leven mag!

P. A. de Génestet

=

Het kalf

Zijn stompe knobbelpooten zijn te lang
om het gedeukte lijf in evenwicht te dragen.
Een bulken gulpt mistroostig langs de meidoornhagen.
'Ik ben voor alle vier mijn pooten bang.'

Een bronzen bromvlieg drinkt zich rustig zat
in 'n ooghoek, en het oog staat vreeslijk scheel te kijken.
Het peinst aandachtig hoe de lastpost weg te strijken.
De staart is veel te kort en vies en nat.

De kop gerekt, de oogen draaien rond,
't wit voor. Dan plots een ruk omhoog, schichtige stooten.
Het kalf vliegt wild opzij, en springt met al zijn pooten,
mal, schots en scheef van 't drassig stukje grond.

En rent, en loopt en staat ontsteld weer stijf
en stil, en kijkt verschrikt om naar de verre hagen.
Hij stuntelt naar zijn moeder om zijn nood te klagen
en steekt zijn kop onder haar zware lijf.

Jan H. de Groot

=

Van een vis die as een hekel an naokt har

Een vis die geern een stukkien zwum
har altied een bikini um.
En as een aandere vis heur vreug
waorum zij een bikini dreug,
dan snibde ze: of hej misschien
hier argenswaor een naoktstrand zien?
Ik bin nou ien keer gek op kleer
ok as ik zwem, dan weej dat weer!
En wel ies aans wat oetprebeert
is lichtkaans aans, maor niet verkeerd

De aandere vis zee: dat is waor,
dus gao je gang en zwem jij maor
gerust in die bikini rond.

Maor 'k zwem in mien blote ...!

Suze Sanders

=

wij waren geen jongens

wij hadden vaders, wij waren zonen. het volstond niet
dat wij driemaal daags spek en spinazie vraten.
de hemdsmouwen moesten omhoog,

wij moesten tonen hoe hard wij de spieren in onze bovenarmen
op konden spannen. wij zweetten als zwijnen, groeven bloederige kloven
in onze handen, wroetten in het stof waarin onze voorvaderen
al jaren liggen te liggen

en kregen het vuil amper onder onze vingernagels vandaan.
wij moesten voelen met wat wij tussen de benen geboren waren, jongens,

maar hadden niet eens een eigen kamer
waar wij voorovergebogen, met opgetrokken knieën
en met de neus in andere werelden zaten.

wij ondervonden aan den lijve dat doordringende boerenstank
je harder in het gezicht kan slaan dan wat vuistdikke boeken.

David Troch

=

The Fittest

In het krappe vogelhuis
scharrelt prooi
struikelt houtsnip
richt mos zijn kopje op
oef

van natuur hakt de mens
vleugels stuk
knoopt zijn jas dicht
drinkt nog iets sterks
dringt in de stam
au

handschoen kapt
pak op
die fluwelen dingen
draagt ze ingenaaid op inborst
hakker

bolster knapt
in het haardvuur
in het houthuis
aan de houttafel en houtstoel
o blankenpit

wil je leven - zeg het maar.

Gerry van der Linden

=

Nachtlied

De vleermuis zwingt om 't donker huis,
ik moet mijn venster sluiten;
reeds menig vlinder op de vlam
van 't nachtlijk licht naar binnen kwam
of gonsde voor de ruiten.

Hoe dicht is het kastanjeloof
hoe geuren de seringen,
hoe gaat de krekel ginds in 't gras
alsof de dag al komend was
opnieuw aan 't zingen!

En drinkend lang de geuren van
de blank-bloeiende bomen,
denk ik: zou, voor de slaap mij vindt,
de vogel, die de nachten mint
nog zingen komen?

Frans Bastiaanse

=

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!
Tusschen geringen staan en hun oogen richten
naarboven, waar blinken Uw eeuwige sterren.
Ik wil een snoeier zijn in den wijngaard,
een werkman bij de druivepersen.

Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang!
Mijn woord in den mond van stamelaars,
mijn hand voor die liggen langs het pad.
En voor het raam van mijn woning
een vlam in den nacht:
dat wie verdolen mocht
richt zijn schreden
naar het Huis van Toevlucht.

Ik zal het waschbekken klaar zetten,
brood en wijn op de tafel -
en het boek geopend
aan de parabel van den Goeden Herder.

Wies Moens

=

Ik zag een kruis, 't stond in het volle licht

Ik zag een kruis, 't stond in het volle licht
en in het hart daarvan, een schoonheid voor het oog
een donkerrode roos, een wondermooi gezicht
en ik stond stil, niets aan me dat bewoog.

Dan wordt het weer aan mijn gezicht onttrokken
maar 't beeld dat blijft in mijn geheugen staan
in deze wereld vol met stukken en met brokken
leert het aan mij de weg die ik moet gaan.

En iedere dag opnieuw moet ik er steeds aan denken
het grijpt mij aan, ik raak 't niet meer kwijt
en 'k vraag mij af let ik wel op Uw wenken
dikwijls maak ik mezelf toch wel een groot verwijt.

Dat kruis heeft mij toch wel iets waar te zeggen
het leven geeft nu eenmaal heel veel smart
geef mij de kracht een roos bij 't kruis te leggen
opdat ik U kan dienen met liefde in mijn hart.

Wat zegt die roos mij midden op dat kruis
dat ik in 't diepste van mijn hart toch mag vertrouwen
dat alles wat men lijden moet wijst naar het vaderhuis
dit is een waarheid waarop ik kan bouwen.

Soms weet ik het niet meer, dan is het alles duister
geen lichtstraal kan ik meer bekennen op mijn pad
maar dan ontluikt de roos in volle luister
dan ben ik blij, de duisternis heeft dan op mij geen vat.

Dat kruis dat leert mij dat na ieder lijden
hoe zwaar het soms ook toe kan slaan
de roos in volle bloei kan bij het zien bevrijden
van al het leed op aarde ondergaan.

L. de Nooyer

=

Een vinkske

Een vinkske! Een vinkske!
Daar zit het, zwijg, -
Een levend dingske,
Op een dode twijg.

Het borstje bibbert,
Het keelke zwelt.
Het bekske slibbert
Van 't klankgeweld.

't Zijn versjes, zere,
Onvatbaar kort,
In éne keer,
Der-uit gestort.

Tzit-tzit-tzit-dap-dapper,
Dewingihee!
Tzit-tzit-tzit-rap-rapper,
De hele ree!

Tzit-tzit-tzit, een ander!
Nog één, nog één.
Tzit-tzit-tzit, wie kan-der
De voeten scheên?!

Tzit-tzit-tzit, 't gesnebber
wordt dom en dol.
Tzit ... halt! Ik heb er
Mijn oren vol!

René de Clercq

=

Nieuwbouw

Steen en stoffigheid. Betonnen blokken
worden woning. Kooi verrijst op kooi.
In de volte waar wij zullen hokken
loert de leegte nu al op haar prooi.
Krantenschrijvers fronsen. De neurosen
druipen straks als vocht de muren af.
Kroon der schepping, wilt gij hier verpozen
Op uw speurtocht tussen wieg en graf?
Sociologen, kom maar wijsheid winnen.
Psychologen, tracht gerust te spieden.
Boor uw blik in wat reeds vaag zich toont!
Woon ik er, mij schiet het lied te binnen
dat de Heer zijn zegen wil gebieden
in beton zelfs, zo er liefde woont.

A. Marja

=

Met mijn erfoom in de bankkluis

Hij is mijn erfoom. Hij is al oud.
Hij is wel goed, maar zijn woord slaat koud
als wrokkig spijt, als koelen haat.

Wij gingen samen naar de bank.
De stemmen der trams waren lief gezang
voor mij,
want ik was verliefd en blij
als een jong vrouwtje in een heel nieuw huis.

De lichten schrilden fel in de kluis.
Met metalen geruisch
week open de wand.
Zijn magere hand
gaf me de waarden. - Ik telde ze na.
Hij zei dan romantisch "Ik sterf weldra..."
Hij knipte coupons. Ik schikte ze dan.
Er was een leed, dat ik niet zeggen kan.
Er hingen gedachten als vlaggen in regen.
Hij hoestte en liet me juwelen wegen.
Hij zei me legaten. Ik zag zijn haar.
Het was zoo grijs en zoo moe voorwaar!
Hij toonde me diep in gedachten zijn testament.
Zijn hand had de vale kleur van cement.

Hij was de Pharao, die zijn graf bezocht,
vóór dat de pyramide, afgewrocht,
sneed haar hoek in den horizont.
Hij sprak geen woord. Zijn zure mond
was recht en toe.
Hij zette moe
zijn voet op d'ijzeren treden als een zware spa.
Ik ging hem schier weenende achterna.

Marnix Gijsen

=

Hoogste liefde

Heet mij niet vals en trouweloos
Wanneer mijn arm, verdolend hart,
Van zorgen moe en blind van smart,
Een waanbeeld voor uw waarheid koos.
Ik heb u lief, nu en altoos,
En of mijn droef en moede hart
Bij andren rust of eenzaam mart
Om u: gij zijt mijn liefde, altoos.
En zagen vrouwen, wreed of teer,
De dwaze doler menig keer
In wilde aanbidding voor hen knielen;
Schoon Lief, hoe ‘k hen heb liefgehad,
Het was ùw glans die ik aanbad
In aller schone vrouwen zielen.

Nico van Suchtelen

=

De regenboog

"Liefste kom bij mij, ik ben ontwaakt,
Kijk, de zon schijnt op de huizen.
Toch heeft de regen mij wakker gemaakt,
Zacht spettend op de plavuizen
In onzen tuin. - Hoor toch, hoor!
Men schiet! Het ronken van motoren!
't Eskader breekt de wolken door,
Er spatten vonken in het ochtendgloren!
Daar voor ons raam ontbrandt de strijd.
Lief, laat ons vluchten, het is nu tijd -
Mijn God! Dit teeken! Waarom dat!"
Een regenboog hield het al omvat.

Clara Eggink

=

Aan een graf

Vliegen en vlinders, kinderen en bijen,
al wat als stipjes vonkt door de natuur,
warm, blij en snel, moedertje, schoot van vuur,
daar hield je van, en zie, die bleven bij je.

Want als ik hier de diepe stilte intuur,
stijgt het zo glinsterend op, dat ik moet schreien,
en duizend lachjes, liedjes, mijmerijen,
tintelen uit het gras naar het azuur.

'k Sta aan je graf als jij eens aan mijn wieg.
Moeder, vrees niet dat ik bij dit verzonken
handjevol as mij om het vuur bedrieg.

Ik ween, als jij toen, om de vrije vonken,
de bij, het kind, de vlinder en de vlieg,
die in het licht van puur geluk verblonken.

Martinus Nijhoff

=

Bijna om niets

Al mijn woorden heb ik al opgedeeld
tussen jij en jou en jouw
meer kan ik niet doen

ik leg mijn handen op
het hakblok van je argwaan

ik roep de vogels aan
om bijval

de wind houdt zich afzijdig
maar goedmoedige wolken zeggen
dat het verdriet voorbij is.

Ellen Warmond

=

Voorbijtrekkend landschap

Men moet kunnen weggaan
En toch zijn als een boom:
alsof de wortel in de grond bleef,
alsof het landschap voorbijtrok en wij vaststonden.

Men moet de adem inhouden
tot de wind afneemt
en de vreemde lucht om ons heen begint te draaien,
tot het spel van licht en schaduw,
van groen en blauw,
de oude patronen toont
en wij thuis zijn,
waar het ook zij,
en kunnen gaan zitten en leunen,
alsof het tegen het graf
van onze moeder was.

Hilde Domin

=

De heks

Ga haar niet achteloos voorbij,
Zij, die de lage werken doet,
Den vloer schrobt en de netten boet,
Het hoofd buigt over huisgerei.

Wie zal u zeggen of haar geest
Eenstemmig met haar handen leeft,
Waar in haar oog nog smeulend beeft
De nagloed van een heidensch feest.

Wellicht dat om haar slapen sloot
Een lang vergeten koningskroon,
Of eerder was z'in bosch en vroon
Pans metgezel en jachtgenoot.

Clara Eggink

=

Liefde is meer dan alle dingen

Liefde is meer dan alle dingen
Die in 't daglicht lokkend staan,
Liefde is dan de erinneringen
Meer die schoonst in schemer gaan,
Liefde is meer dan alle wezens
Die begeren veel en lang
Dat na min of meer belezens
De ene gaat des andren gang,
Liefde is meer dan al 't geziene
Dat door werelds weefstoel drijft,
Nu een warling van 't misschiene
Dan figuur die feilloos blijft, -
Liefde is dat, beweegloos schijnend,
Doet bewegen al wat is,
Nooit verschijnend, nooit verdwijnend,
Helderste en geheimenis, -
Liefde is dat in alle dingen
Leeft en weeft zodat ze zijn,
Liefde is in de erinneringen
De onveranderlijke lijn, -
Liefde is wat in alle wezens
't Hart doet gaan naar andren heen
Zodat zonder iet belezens
De ene d'aêr zoekt, de ander de een, -
Liefde is wat in al 't geziene
De ene drift is waar 't door drijft,
Liefde is achter al 't misschiene
De een figuur die feilloos blijft.

Albert Verwey

=

onzichtbaore muren

achter verdekte muren in heur giest
is der van boetenof niks te zien,
maor binnen in het heufd donkert het an:
begunt de stried, ontkenning, het ongeleuf.

een wereld die zuch aal meer ofsluut, hèurig,
gien oetweg meer um te ontsnappen;
dolend in zuchzölf wordt alles aans,
gien ien die kan weten wat der in heur leeft.

de wegdrievende giest,
dwarrelt as een blad in de wind
tot een onzichtbaore haand
heur metnimt achter de einder.

Marchinus Elting

=

Bommen

De stad is stil.
De straten
hebben zich verbreed.
Kangeroes kijken door de venstergaten.
Een vrouw passeert.
De echo raapt gehaast
haar stappen op.

De stad is stil.
Een kat rolt stijf van het kozijn.
Het licht is als een blok verplaatst.
Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein
en drie vier huizen hijsen traag
hun rode vlag.

Paul Rodenko

=

Romantische herfst

schimmig vanavond jaagt die mist de velden
de maan sluipt terug in dodelijke bomen
nu is de grote rafelaar gekomen
een herfst een doodgaan een gekwelde smeekstem
hoor... ademend beweegt de aarde van heimwee
om mensen te bezetten met een adem van verdriet
om koeien zwaar en zwijgend in zich vast te zetten
als schepen, vastgegroeid aan het lichaam van de zee
of de dood, levend aan het gezicht van de mensen,
mééademend, méésprekend.

Cees Nooteboom

=

Toen de tijden bladstil waren

Toen de tijden bladstil waren, lang geleen,
is ze geboren, in herfststilte een bloem,
die staat bleeklicht in 't vale lichtgeween, -
regenen doen de wolken om haar om.

Ze stond bleeklicht midden in somberheid,
de lichte oogen, 't blond haar daarom gespreid,
de witte handen, tranen op meen'gen tijd,
een licht arm meisje dat lichthonger lijdt.

Breng over haar bloemgloede kleuren, uw
bloedrood, o nieuw getijde dat is nu.

Herman Gorter

=

Dialoog

Wat zoek je toch de ganse aardbol rond
in 't oosten en het westen, altijd zwervend?
Ik zou het weten als ik 't eenmaal vond.

Is het de zon, het licht, is het geluk;
wat stilt de eeuwige onrust in je wezen?
Als ik het vond was 't onherstelbaar stuk.

Zijn het de tropen, is het zelfverweer,
de eenzaamheid of juist misschien de ander?
Als het bestond bestond het al niet meer.

Wat zoek je dat je altijd weer ontgaat,
is 't van de aarde, is het van de hemel?
Misschien van beide en wat niet bestaat.

Willem Brandt

=

Herinnering

Zonnig en vredig lag het dorp beneden.
Het was nog vroeg, de wegen waren leeg,
elk huis was nog gesloten en verzweeg
wat er zich voorbereidde in deze vrede.
Hij keek ernaar vanuit zijn hoge raam.
Oud en alleen, en dacht aan zijn verleden
en haar, en prevelde haar lieve naam. -

Adriaan Roland Holst

=

Zee

Als ik loop langs het strand
moet ik altijd dicht bij de zee zijn
ik loop dan heel aan het randje
en zij streelt mijn voeten
zij betast ze, of ze mijn blinde Moeder is

de zee was groot
ze was vol witte koppen vanmorgen
want het waaide hard
overal danste het schuim
de golven waren boos en trots
ze sprongen als valse wolven
en toonden hun witte tanden
maar ik was rustig en stond hoog in de wind
ik stond als een oude koning
als ik zie over zee ben ik sterk en machtig
en mijn tanden staan vast op elkaar

het arme schuim is bang en wit
en het ligt almaar te bibberen aan het strand
daar heeft de zee het gebracht
nu kan het niet verder en ligt te sterven
het wil altijd nog hoger het strand op
daar zou het gauwer sterven

J. C. van Schagen

=

Melkweg

Er kwam een kind naar boven uit de nacht.
De stilte sprak niet; plotseling
stond daar het teken van zijn hoofd
boven de donkere waterspiegel.

Het keek mij aan met ogen zwaar
en zwart van de volstrekte koude
waarin het zich verloren had,
twee sterren vol verduisterd licht,
begeerte die de tijd ternauwernood
had ingeademd of een rukwind sloeg
haar jonge warmte uit elkaar.

En achter deze blindgeworden pijn
opende zich de hemel; kinderhoofd na hoofd,
een uitgebluste melkweg, hing daar stil
te overnachten in het universum.

Onder mijn voeten viel de aarde weg,
er bleef geen houvast over dan mijn armen
die ver boven mijn leven uit
zich naar de toppen van de ruimte rekten
en hielden in de koude stand
totdat hun kracht was opgebrand.

Maurits Mok

=

Een loden hart

Een menigte wacht aan de gracht
op wat druipend omhooggebracht,
gezwollen uit het stinkend drab,
kil huiveren doet de hele hap:

Het lijk van Blaauw, bleek, ogenpuilend,
verdronken nòg om Sietske huilend.
Want gisternacht bij volle maan
kon hij zijn lot niet langer aan.

Zijn buik vol pils, zijn hart vol droefheid
nam hij van 't leven vochtig afscheid.
Zit nu als Cherubijn op wolk
triest glimlachend om't ijzend volk.

J. Blaauw

=

Zo meen ik ook dat jij bent

zoals de koelte 's nachts langs lelies
en langs rozen
als wit koraal en parels diep in zee
zoals wat schoon is rustig schuilt
maar straalt wanneer ik schouwen wil
zo meen ik dat ook jij bent
als melk
als leem
en 't bleke rood van vaal gesteent
of porselein
zoals wat ver is en gering
en lang vergeten voor het oud is

zoals een waskaars en een koekoek
en een oud boek en een glimlach
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent

Jan Hanlo

=

Voorbereiding

Hun harten voelden zij als boeken
In Gods geduchte hand gelegd.
En wisten, dat Hij al hun slecht
Gedrag gerecht zou onderzoeken.

Zij lazen bang en hunkerend mee,
En zagen wat zijn vingers wezen.
Was er niets goeds? hun schaamte en vreezen
Groeiden tot een verschroeiend wee.

God had de boeken dicht gedaan,
En zou het groote vonnis spreken.
Toen dorst hun stem de stilte breken:
O Heere Jezus, neem ons aan!

En 't bonzend hart, dat ze in zich vonden,
Was vlekkeloos en zonder zonden.

Willem de Mérode

=

Uitvaart

Befloersde trom
Noch rouwgebrom
Ga romm’lende om
Voor mijn gebeente;
Geen klokgebom
Uit hollen Dom
Roep ’t wellekom
In ’t grafgesteente;
Geen dichte drom
Volg’ stroef en stom;
Festoen noch blom
Van krepgefrom
Om ’t lijk, vermomm’
Mijn schaamle kleente!
Mijn jaartal kom
Tot volle som,
Mijn oog verglom;
En de ouderdom
Roept blind en krom
Ter doodsgemeente.

Wat zoude ik thands,
Beroofd der glans
Van ’s hemels trans,
Op de aard begeeren?
Geen moed des mans,
Geen spies of lans,
Geen legerschans,
Kan ’t sterfuur keeren.
Geen spel of dans,
Geen dobbelkans,
Geen lauwerkrans,
Of Rijkbeheeren.
Een handvol zands
Des grafkuilrands
In ’t nietig gants,
Dat de asch mag eeren:
De beet des tands
Dat Aarttyrans
Des menschenstands
Zal ’t lijk verteeren.

Doch wat ’s dit my,
Die bandenvrij,
In ’t uitzicht blij
Dat ik belij,
Op ’t noodgetij’
Mag triomfeeren?
Ik juiche en strij’;
Wat glippe of glij’,
Hy staat me by,
Die ’t af kan weeren.
Geen dwinglandy,
Geen razerny,
Geen Helharpy
Van Sofistry,
Geen nood, die wy
Aan Jezus zij’
Niet stout breveeren!
Zijne Englenrij
Verorden Hy
Tot wachters om ons hoofd. Geen onheil kan ons deeren.

Willem Bilderdijk

=

Deurze aovond

De maodelaanden ligt nog hoge
van grös en bloemen, de roep
van wulpen vult de aovond
hemelwied, een klankspegel
ben ik en in het scheemsel
van het hakholt luustert heurig
een dreetal zwarte reeën met.

Dan wordt het stille, brek nou
het uur an waorop gien veugel
vlög, gien dier meer risselt
en ieder lied met stemloosheid
tesaomen valt, de spegel met
het beeld hier in het diep
waor donker water aamperan
nog stroomt, doodstil is haoste
intied da'k hurke… en zie:

rondom het hoge grös dat heden is.

Roel Brouwer

=

Twee handen op uw damesbloes

Twee handen op uw damesbloes
een kil kantoorvertrek
U sluit de ogen in de roes
Een gulle mond beroert uw nek

Droomt u van deze werksfeer op kantoor
maar 't klopt niet met de feiten?
Fluister discreet in menig oor:
'ik wens intimiteiten!'

Lady Cath

=

Weer strijkt de vogel op mijn hand

Weer strijkt de vogel op mijn hand,
wat schuw nog en gereed om weg te springen.
'Zoo, ben je daar weer - zeg ik nonchalant -
'er is niet veel meer van de oude dingen.

'Hier heeft een huis gestaan, het is verbrand,
aan de overzij legeren vreemdelingen,
en op den heuvel is een kruis geplant;
kan ik dan onbekommerd zijn en zingen?'

Hij slaat de vleugels uit naar 't open raam,
de olmen over van de Kerkhoflaan
vliegt hij wit-blinkende den avond binnen.

Vannacht laat ik het venster openstaan;
tusschen de vogels wil ik slapen gaan.
Misschien, als 't dag wordt, kan ik weer beginnen.

Eduard Hoornik

=

De stillen

Eenzaamheids achterdocht, gevoed door waan,
Kweekt groter kwaad dan roekeloos vergeten
Van wetten, waardoor veiligen zich weten
Behoed tegen een snel en stout vergaan.
Wie zonder schaamte geile lust belijden,
Maken zich schuldig, maar zij weten toch
De grootste zondigheid van ’t kwaad te mijden.
Alleen wie, braafheid huichelend, bedrog
plegen met liefde’s wet en wier gedachten
De vreugde van het arme volk verachten:
Zij zijn de farizeeërs aller tijden.

Anton van Duinkerken

=

De morte

Sterven en in zijn hart die schoone droefheid voelen
dat alles is gedaan,
dat, dra na 't zinken van de zon de wind zal koelen
en koeler 't water slaan;

sterven: de stem alree op uwe lip verstorven,
wijl de oogen blinkend staan
door 't weten dat al 't geen gij winnend hebt verworven
nu welkend moet vergaan;

sterven: nog eenmaal zijn geliefde in de armen sluiten,
nog eenmaal staren naar het heerlijk leven buiten;
bemind zoo sterk en fel;

en dan, nog slechts in staat te mompelen wat schaamle
geluiden, in een laatste krachtsinspanning staamlen:
vaarwel, vaarwel.

Bert Decorte

=

De keerkringvogel

Aan java's zuidkust, boven de oceaan,
wieken met lange spitse sleepstaartveren
schoner dan dromen uit onaardse sferen
de keerkringvogels, witte hemelvaan,

de schepen volgend, plotseling een duik
vlak voor de boeg, vliegende vissen
vangend; dan in het ongewisse
ontvliedend naar een geheimzinnig rijk:

naamloze eilanden ver uit de kust,
dalend op onbekende blanke stranden
achter de branding; en volmaakte rust.

Met vleugelvinnen zwevend over zee
boven de golven, hulproepende handen,
voert eens de keerkringvogelvlucht mij mee.

Willem Brandt

=

Baat het dat wij 't al herwaarden?

Baat het dat wij 't al herwaarden?
Baat ontzetting, waanzin, spot?
Gaafste wijsheid blijft: aanvaarden,
oudste leer: bemin uw lot.

Levensonschuld. Hoor: daarbuiten
achter 't helle vensterglas
zit een vogel blij te fluiten
of hij de allereerste was;

en aan duinen ginds en struiken
is 't of alles pas begint.
Zó een scheppingskracht gebruiken
om het werk, de vrouw, het kind;

ondanks slagen die ons treffen
en het eigen blind vergaan,
zó steeds klaar zijn. En beseffen:
leven, niets is ooit gedaan.

Herwig Hensen

=

Echtpaar in de trein

Zit naost mekaar en spreekt gien woord;
wat zegd mus worden dat is zegd
en krom is krom en recht is recht
te vaak hebt zie mekaar vermoord

Nog reist zie in dit leven samen,
bint toe an de bejaordenpas.
En as zie dood gaot zegt zie "amen"
verbiesterd dat dit 't leven was.

Roel Reijntjes

=

Zij liggen aan den stootkant van de huizen

Zij liggen aan den stootkant van de huizen
onder het telraam van de kogelbutsen.
Tegen de bermen van de vuilnisvaalten.
Tusschen het helmgras op het zand der duinen.

En overal hun bloed uit enge wonden,
die tot de koerzaal van hun harten reiken,
waarin de feesten van den rooden klimop
onder de looden intochten verstommen.

Opdat ook wij, die met geschoeide handen
bij elken aarzelenden stap naar voren
de camouflagekielen vaster knoopten,
trots kunnen opstaan voor het front der volken.

Als erven van de helle roekeloozen,
in wie de koopren dagenbellen klonken,
tot bij den laatsten, juichenden zonsopgang
hun avondsterren uit de loopen knalden.

Zij liggen aan den stootkant van de huizen
onder het telraam van de kogelbutsen.
Zij liggen aan de bermen en de vaalten,
en in het helmgras op het zand der duinen.

Gerard Diels

=

Sneeuw

Het sneeuwt, niet jachtig, eerder tastend,
alsof het wit naar zwarte plekken zoekt.
Maar heel het landschap ligt al volgeboekt.
De dag staat zwaarbepakt om te vertrekken.

De bomen dromen rechtop in de sneeuw,
verwonderd en in hun verwondering verrast.
De vorst heeft ieder takje afgetast.
Het is windstil, er valt niets te ontdekken.

De laatste vlokken vallen, in de lucht
zweeft al wat zonlicht, geel en droog.
En vogels, eerstgeborenen van het oog,
haasten zich om de schade te herstellen.

Adriaan Morriën

=

Het kind

Hij is mijn vreugde; klein en druk en snel
is hij, geheel verdiept altijd
in zijn rumoerig spel.

Hij weet mijn liefde en mijn vreugde niet;
hij speelt bij mijnen stoel en ziet mij niet;
hij zal nooit weten dat ik ben, noch mijne vreugd en pijn
om zijn geheel in zich besloten zijn.
Mijn hand rust op zijn kleine sterke hand.
Hij heeft mij even aangekeken.
Ik voel zijn bloed, zijn schoon zelfstandig leven,
leven van mij, waarin ik niets beteeken.

O Vader in den hemel, is dit ook uw pijn?
dit zoo diep in onszelf besloten zijn
van uwe kindren spelend aan uw voet?
en dat wij nimmer weten in ons snel vergeten
hoe wij uw vreugde en uw liefde en uw vragen zijn?

Is dit uw droeve glimlach? - zoo uw Vader zijn?

Henri Bruning

=

Bomen

Windstil is het ondraaglijk
vermogen om beweeglijk stil
te staan, van niets te leven dan
van lucht, van aarde en
tot humus te vergaan.

Chr. J. van Geel

=

Oerkenblatties

An de boswal, langs het pattien,
gruijt het kleine oerkenblattien,
hoewel eeuwen bint vergoane,
of 't er altied hef estaone.

De blauwe bloempies an het staaltien,
vertelt een oerold volksverhaaltien;
onopvallend tussen 't grös
döt 't zien kleine hartien lös.

In het nederige blad,
hef het altied krachten had,
want ze trökken alle zeer,
zèè men vroeger, uut een zweer.

In het olde Drèènse laand
heurt de oerkenblatties plaant,
undat 't onbewust verwoordt
oenze eigen Drèènse aord.

Gré S. Broekhuizen

=

Uit verveling

Iedereen weet, dat ik lieg, wanneer ik zeg:
ik gebruikte haar gezicht als hoofdkussen.
Maar toch, wanneer ik mij bevind in een streek van
veeteelt en het is nacht en boven de sloten
hangt een lichte mist, terwijl
de maan schijnt en het tamelijk koud is,
zie ik haar voor me.
Maar ik weet niet, wie of waar zij is.
Ik weet het nog steeds niet.

En iedereen beseft, dat ik ook dit weer schreef uit verveling
en dat alles gelogen is, behalve, dat het
inderdaad nacht is en dat die plek
bestaat, met oude loofbomen en verwilderd
gras, waar ik haar eens ontmoeten zal.

Kees Ouwens

=

Najaarsmist

Het landschap dat, nu stilte en avond dalen,
In lage, lichte nevelen verdwijnt,
Is als de hemel, waar de herfstmaan schijnt
Door wolken heen, waarachter sterren stralen.

De duistre hoeven, door het land verspreid,
En langs den kouden weg de leege boomen
Gaan in den mist teloor. De harten stroomen
Vol van het najaar en zijn eenzaamheid.

J. C. Bloem

=

Auto

De auto scheidt wegen af
uit zijn achtereind, talloze meters
landschap verteerd tot verleden,
verbruikt asfalt, uitlaatgas.

Meedogenloos, achter glas,
zien wij de kijkende levens
van boeren met zondags gesteven
gebaren, van koeien, van gras-

groene graasdorpen één
tel lang bestaan en dan bijt de
snelheid hen tot op het been
kaal en zij glijden als lijken
bleek van het netvlies. Luid
braakt de uitlaat hen uit.

Willem van Toorn

=

Liedje

Er staat in mijn hart een boompje gegroeid,
De wortels zijn bloedig rood,
Maar de bloesems zijn, als het boompje bloeit,
Sneeuwwit langs de tengere loot.

's Nachts droom ik van vogels en laaiend vuur
En hoor verward gekras,
Maar een lied rijst in het morgenuur
Als een feniks uit asch.

En van de liefde verbleekt het rood
Tot de smetteloosheid van het kind -
Er is een zuiverheid van den dood
Die reeds in het leven begint.

Martinus Nijhoff

=

Schrijvenderwijs

Schrijvenderwijs was ik ingeslapen,
Schrijvenderwijs werd ik wakker bij nacht
omdat er woorden stonden te blaten
onder het open raam waar ik lag.

Wie had hen daar bijeengedreven,
was het de honger of was het de wind?
Ze stonden in een beginnende regen
doodstil te kleumen op het grind.

Toen heb ik ze mee naar boven genomen,
de grote ruit van de spiegel besloeg.
Ik had voordien nooit geweten hoe men
woorden halfslapend naar boven droeg.

Maar 's morgens vroeg toen ik ontwaakte
waren ze weg en de deur stond los.
De zon scheen hoog en droog, er zaten
vogels te lachen in het bos.

Guillaume van der Graft

=

De schötteldoek

Met de schötteldoek gung ’t vroeger raar heer,
Het was vaak ien gegléer en gesméer.
De jongen die zult er niet alles van weten,
En de aoldern wilt het maor ’t liefste vergeten.
Maor ik wil je graag oet de doeken doen,
Wat ie met een schötteldoek almaol kunt doen!
In iederhoes, klaor veur het gebroek,
Lag op ede hoek van de taofel, de schötteldoek.
’t Begunde ’s morgens al vro, met het wark bij de héerd,
Dan was de schötteldoek al daolijk veul wéerd.
Je handen wuurden voel van het roet en de as,
En hoe kreej ze weer schoon, as er gien schötteldoek was.
Dan muz ie koffie klaormaken, de melkers kwammen weer,
Even de schötteldoek deur de koppies en schoon waren ze weer.
Kinder kwammen van bedde of, Ootien stum op,
Almaol gauw even de schötteldoek um de kop.
Dan muzzen de kinder hen ’t schoel, is ’t under de neuze nog glad?
Even de schötteldoek en zie kwammen weer netties op pad.
Dan muz ie taofel ofwasschen zo as dat giet,
O, méensen, wat is dat water joh iet.
Flink petsen en blaozen tegen de schötteldoek an,
Zodat men veur ’t ofdeugen goed oetwringen kan.
Kwam de boer ‘smiddags weer, had wat mes an de handen,
De piep was wat voel, wöl ok niet best branden.
Even under de pomp, dab was ’t dikste der of,
En de schötteldoek dreugde alles natuurlijk wéer of.
Jan kwam oet schoel, had een bloedneuze kregen,
Bij hinderkien muz ie een vlot modder ofvegen.
Kloasie had een dooie moes in de hand,
Moar de schötteldoek muuk alles weer netties an kant.
Ha, die muggen hadden overal van die stippies op daon ,
Daor muz de schötteldoek ok even over gaon.
Manlu waren veur  ‘t eten een borrel gewoon,
Even de schötteldoek deur de glassies en die waren ok wee schoon.
Kreej dan ’s avonds veziete, of zo’n dag as nijjaor,
Met de schötteldoek was ie de hiele dag klaor.
Dan begunt ’t poppien te réeren, de luier was voel,
Maor de schötteldoek reinigt de Hiele boel.
Domnee kwam op hoesbezuuk, och en zo’n man,
Die biedt ie gien daags koppien met koffie an.
De zundagse koppies kun wat stoffig mangs wezen,
Ok dizze kwaol kan de schötteldoek genezen.
Wolden d’kinder niet héuren, manlu pasten niet op,
Kregen ze eveen een klets met de schötteldoek um de kop.
En bij de winterdag, dan kun je vaak héuren,
De schötteldoek was oes op taofel bevréuren.
Zo gung dat maor deur, tot ‘avonds nao ’t eten,
Stoelen waren wat besméerd, die moe jok niet vergeten.
Zo bint wij met de schötteldoek de dag ies rond gaon.
Was ieder hen bedde, was ’t warken gedaon.
Op ’t blokkien met de kopspiekers lig de schötteldoek en wacht,
Tot het wark weer begunt, nao de rust van de nacht.

Marchien Duker

=

Vitellus

Waar is Vitellus, de wafelverkooper?
Waar is Vitellus, die snelle looper?
Hij danste als hij liep, en hij stond op één voet,
Zijn wafels waren zoo warm en zoet.

De keizer kocht, en de gladiatoren,
En de keizerin heeft van hem gekocht.
Hij mocht alles zien en alles hooren.
Was overal en nergens als men hem zocht.

Vitellus komt in paleizen en kroegen,
Men weet nooit wat hij doet, en nooit waar hij is.
Hij sprak straks met lieden die ketenen droegen,
Zij vertrouwen hem, want hij teekent den Visch.

Vitellus heeft voor Christus gekozen,
Hij loopt bij Christenen uit en in.
Wáár is Vitellus, brullen de matrozen,
Dat bakkertje was zoo naar onzen zin.

Men heeft Vitellus gevangen genomen,
Op een nacht, met veel 'godsdienstig gespuis'.
Toen de keizer het hoorde, liet hij hem komen,
Hij wou Christus niet vloeken; hij moest aan 't kruis.

Men heeft hem slechts aan het hout gebònden,
Hij is jong en mooi, men liet hem graag vrij.
Spijker maar vast mijn lijf vol zonden,
Sprak hij; Heere Jezus, denk aan mij.

Allen die aten van zijn wafels
Zien hoe een leeuw hem bespringt en verscheurt.
Slaven verwijderen bloed en rafels,
Men praat en lacht of er niets is gebeurd.

Waar is Vitellus, de wafelverkooper?
Waar is Vitellus, die snelle looper?
Vitellus zag Christus, verliet zijn gewin
En snelde den Heer na, den hemel in.

Willem de Mérode

=

Encore

In het midden van mei, als de nachtegaals zingen,
En de avondglans huwt aan den morgenschen schijn,
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met den geur van de vroege jasmijn,

Toen hoorde ik uw lippen de woorden ontglippen:
(Ik was maar een knaap en gij waart nog een kind)
Hoe wrang is de smaak van verwinnende lippen
Zoo het innig verlangen der ziel niet bemint!

En ik zag het gebed van uw hulplooze oogen,
En ik voelde, beangstigd, de angstige klem
Van uw' hande' om mijn hand, en mijn lippen bewogen,
Maar mijn machtlooze wanhoop verstikte mijn stem.

Dan, uw schaamte bedwong het onstuimige hijgen
Van uw harte en de nachtwind verwaaide uw klacht,
En niets meer verstoorde 't oneindige zwijgen
Dan een zwaan, die zich roerde in de roerlooze gracht...

Maar nòg, op mijn hand die uw handen omvingen,
Herproeven mijn bevende lippen uw pijn,
Als de schuchtere geur van de late seringen
Zich mengt met den geur van de vroege jasmijn.

Geerten Gossaert

=

Winterstilte

De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.

De boom houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend tooverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootsche, stille wonder.

Jacqueline E. van der Waals

=

De vreemde bloem

...
een steile raadselige bloei,
eenzaam en ongezien -
...
doch later zal,
wellicht na veler jaren val,
in de omarming van een sombre knaap,
de laatste zoon van een vermoeid geslacht,
een donkre vrouw ontstellen tot de dood -
wijl in zijn ogen, ondoorgrondlijk klaar
en ondoorgrondlijk donker, staat de angst,
waar zich zijn bloed herinnert aan de droom,
waarin een vreemde bloedkoralen bloem
verscheen die zijne mond beroerde,
diep en lang -

H. Marsman

=

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilverenzacht, de halfontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kím vergaan.

Zóó zag ik eens, in wonderzoet genucht,
Uw halfverhulde beelt'nis voor mij staan,-
Dán, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen ondergaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
Die, na een eind'loos heil van éénen stond,
Bij de eerste schemering voor immer vloôn:

Als morgenrood en bleeke sterrenpracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat héél ver is en héél schoon.

Willem Kloos

=

Herfst

Het is een land van grijsaards na de zomer,
hier geeuwt de heide in haar gal van zonde;
het bruin der eiken heeft de geur der honden,
het dorp gloeit in zijn klokken van october.

De honig druipt vermoeid in aarden potten
waaraan de handen zich getroost verenen;
en eenzaam duurt 't gemaal der molenstenen,
't kasteel staat in zijn grachten te verrotten.

Sterfbedden blinken van het goud der vaderen,
't is avond en de zonen zien het wonder:
't geboortehuis dompelt in nevel onder
en jeugd en lief en ál zijn niet te naderen.

Maurice Gilliams

=

Sanctissima virgo

't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;
Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.

Toen is het zwijgend zwerk uit-een-geborsten
En knetterende donders, slag op slag,
Verrommelden en gromden. Vol ontzag
Look ik mijn ogen, die niet ogen dorsten.

Een schelle schicht schoot schichtig uit den hogen
En sloeg mij. Ik bezwijmde... ontwaakte en zag
De lucht geschraagd door duizend kleurenbogen.

Daarboven, in een kolk van licht te pralen,
Stond reuzengroot de Jonkvrouw, en een lach
Voelde ik van haar verengeld aanschijn stralen.

Jacques Perk

=

De verganklijkheid

Het boompje laat zijn blaadjes vallen,
Aan 't Einde van de zoete tijd,
Gedurig enige van allen,
Zo raakt hij ook het laatste kwijt.
Dat doet verhevene gedachten,
(Terwijl haar naaste daalt in 't graf)
Ook deze zelve gang verwachten,
Want Adams blaad'ren vallen af.

De Wereld kan haar lievelingen,
Die met haar herts genegenheid,
Wel gaarn altijd aan haar hingen,
Niet langer houden als haar tijd.
Hij laat ze zinken naar beneden,
Wanneer der maar een windje speelt,
Het groene tijdje is verleden,
Dat sap en kracht had mee gedeeld.

ô Wereld-boom! gij boom van allen,
Wat hebt gij van 't beginsel af,
Veel duizend blaad'ren laten vallen,
Die al verrot zijn in het graf!
Zo dat zich niemand kan verleiden,
Door ingebeelde ijd'le hoop,
Dat d' afval hem alleen zal mijden,
Daar 't al, en alles neder droop.

Dit ziet de wijze klaar voor ogen,
En schept een nieuw geboren wil,
Om zijn wasdom te verhogen
Daar 't groene blad nooit af en vil,
Van 't Eeuwig bloeiend hout des Heere,
In 't altijd groeiend Paradijs,
Dat ieders hert zich daar toe kere,
Die gaarn won de hoogste prijs.

Jan Luyken

=

Kerkhof

Een herfstdag tegen allerzielen,
het was niet anders dan het was:
de zon, de bladeren die vielen,
het hek, de zerken en het gras.

Ik had een tijdje rondgezworven
voor ik haar graf gevonden had
want er wordt toch nog meer gestorven
dan je zou denken in zo'n stad.

En half beschaamd en half bewogen
-je ziet jezelf een beetje staan-
heb ik verwonderd overwogen
hoe vreemd de dingen altijd gaan,

hoe onverbiddelijk de liefde
verband houdt met verdriet en rouw,
en of ik als zij nu nog leefde
nog zoveel om haar geven zou

En nimmer was het dichter bij me
en nimmer verder van mij af,
het denken over de geheimen,
de gruwelijke, van het graf.

Jean Pierre Rawie

=

Het carillon

Ik zag de menschen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, -
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na 't donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te hooren,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius: - een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
'Wij slaan het oog tot U omhoog.'

En één tusschen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist'ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakelooze samenkomen
en Hollands licht over de stad -
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Ida Gerhardt

=

Vrede

Weer wordt hij niet gevolgd door een regenjas. Geen getraliede kel-
dervensters. Geen prikkeldraadversperring. Moe geworden vouwt hij
de krant over zijn gezicht. Ondersteboven boren de gebeurtenissen
zich naar binnen.

De geëxecuteerden doen tegen de muur op de binnenplaats aan yoga.
Tanks liggen als zoemende torren op hun rug, vastgeplakt aan stoffige
landwegen. Stof dat daalt als een sluier over opstijgende baby's,
neerstortende kinderwagens, rondslingerend huisraad.

Het ruist in zijn oren. Vroeger was het alleen zijn eigen bloed dat hij
daar hoorde. Nu verstaat hij die taal. Ieder woord. Elke intonatie.
Maar alleen daar en dan. Ondersteboven.
Wakker geworden is er alleen maar de stilte na de herinnering en
voor het vergeten; oorverdovend.

J. Bernlef

=

Kinder-lyck

Constantijntje, 't zaligh kijntje,
Cherubijntje, van om hoogh,
d'Ydelheden, hier beneden,
Vitlacht met een lodderoog.

Moeder, zeit hy, waarom schreyt ghy?
Waarom greit ghy, op mijn lijck?
Boven leef ick, boven zweef ick,
Engheltje van 't hemelrijck:

En ick blinck 'er, en ick drincker,
't Geen de schincker alles goets
Schenckt de zielen, die daar krielen,
Dertel van veel overvloets.

Leer dan reizen met gepeinzen
Naar pallaizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zoo dwerrelt.
Eeuwigh gaat voor oogenblick.

Joost van den Vondel

=

Onland

In 't onland stond een hert zo groot als God.
Men kon ook zeggen klein als duimelot.
Tussen zijn horens flikkerde een kruis.
Het sprak, en ik werd minder dan een muis:

Geen jager ooit spandeert aan mij een schot,
want ik zit kogelvrij in het komplot.
Hoe meer je op me schiet, des te meer kruis
er in mij opschiet. Lever het bewijs.

Ik legde aan. Maar uit de struiken trad
de heilige Hubertus die daar zat.
Hij schreeuwde lachend: Zonde van je kruit.
De jachttijd is gesloten. Weg die spuit.

Ik zette het geweer tegen een boom;
een achterlader, nog van mijn oudoom.

Gerrit Achterberg

=

Hongerwinter

De daad die zich 's winters voltrekt
heet gedicht. De lekke steelpan
op het gas bevat een kliek woorden

welke dient opgewarmd. Hoevelen
hebben geen gebarsten lippen
of blauwverstijfde handen of beide?
(De wind is vleugellam gaan
liggen, scherp als een
scheermes echter. Het licht is
leeggebloed.)

In het Theehuis zit de dichter en
roert de lauwe pot gevoelens om
en om. Proeft, blaast dan het vuur
uit en slaakt een zucht van verlichting
met een adem als een wolk van ijs.

Hans Vlek

=

Lucella

's Ochtends, als het haantje kraait
Onder 't klappen van zijn wieken,
Als de dag begint te krieken,
Eer de huisman ploegt of zaait,
Gaat Lucella bloempjes pluiken,
Waar zij 't gretig oog mee streelt:
Bloempjes die naar honing ruiken,
Waar de lekk're bij in speelt.

O Lucel, wier bloeiend schoon
Al het puik der Veldgodinnen
Pralende komt te overwinnen,
Strijkende de schoonste kroon,
Waard ten troon te zijn verheven,
Laat deze ogen-streelderij;
Wordt gij van een lust gedreven
Tot de bloemen, ga met mij.

Loop niet meer door 't wilde lof,
Ga met mij in Liefdes gaarde,
Schoonste Nimf: daar baart ons d'aarde
Bloemen van een eedler stof,
Die alleen de reuk niet vleien,
Maar met liefelijk gevoel
Schaffen duizend lekkernijen,
Door een strelend geestgewoel.

Liefdes hof braveert het al:
Laat het haag'len, laat het waaien,
Laat de hemel bliksems zwaaien,
Met een zware donderval;
Laat de gure winter beven,
Dat al 't geurig groen bederft;
Liefdes bloemen blijven leven,
Laat het sterven, wat er sterft!

Jan Luyken

=

Drie dichters en drie vrouwen

1
Eens bruiste helder de zee door een open raam,
en een man lag er in het winterlicht alleen
te lachen, en liet op den weg een vrouw zijn naam
weer en weer roepen tot zij kermende verdween.

Wreed was het leven toen, schitterend en benijd -
het fel hart enkel den gouden winter verpand.
Maar zelfs het oud verhaal ervan raakt uit den tijd
binnen de huizen van dit volgebouwde land.

En te denken dat gelijk met dit laat gedicht
die kust nog altijd daar bestaat, brengt angst teweeg:
het raam bleef op den haak rukken in het wild licht;
helder bruist er de zee nog, maar het huis staat leeg.

2
Aan geil verdriet en walg, begeerte en haat
viel hij ten laten prooi, vaal lillend vleesch -
Zoo nam zijn jeugd de laatste kans te baat:
een foltering waar radeloos de vrees
voor leven en voor dood te keer in gaat.

Hij hunkerde naar de gehate, naar
verdooving en de woorden die zij loog,
of niet loog - wat was waar en wat onwaar
sinds zij hem met zijn minderen bedroog? -
hij hunkerde naar haar en haatte haar.

En wist het zijn verdiende loon, de maat
hem toegemeten aan bezoedeld wee -
en haatte en hunkerde ten einde raad.
Tot banvloek werd zijn heimwee, hoe de zee
buiten ook riep - te laat, voor goed te laat.

3
(Weer een dag)

Er poogde een uchtend aan te breken,
wild, met oud licht. Bij het gordijn
stond hij en hoorde haar moe smeeken
uit bed, en zag de vlekken wijn
die hij 's nachts morste op zijn gedichten,
en suste haar verwarde aanklacht
met wat belofte en zelfbetichten;
ruimde zijn tafel op, en dacht:

Een ding tenminste is niet onzeker:
zonder dat brandend ongeduld
van de lusten van bed en beker
zat ik hier, kaal en zonder schuld
en zonder onschuld, uitgemergeld
door woorden en door hun dor krakeel,
vergeefs een laatste lied te tergen
uit een dorre keel.

Adriaan Roland Holst

=

Kwallen,

deze vliegende schotels van de zee,
over bleke koraalsteden zwevend,
wuivende jungles wier.

Onderwater-parachutisten.
Zusters van de champignon.

Slakken zonder huis.
(De zee is hun huis.)

Door getijdestromen voortgedreven.
(De maan is hun motor.)

Op het strand liggend
voor snot,
wachtend op de volgende
vloed.

Kwallen.
Dichters zijn kwallen.

Frans Kuipers

=

Gedichtje van Sint Niklaas

Sint Niklaas
appelbaas
uit het land van Waas

heilige Paus
die ging lopen
uit een deeg van spekulaas

kom ons toewaarts
heilige Klaas
wij die wachten op een heel
klein beetje honig

Zie ons lippen droog
niet van 't bidden is het
wel van heel veel kou

lieve Paus lieve Paus
Laad uw ezel laad uw neger laad uw knecht
- appelbaas uit het land van Waas -
wij staan bij de bakkerij
jou te wachten

Breng de kleinen in hun schoentje
marsepein en een citroentje
(voor jouw ezel ligt het brood reeds klaar)

Breng de groten - lieve Paus lieve Paus -
zonder dat zij 't gissen
laat het zachtjes glijden door de schouw -

een klein beetje moed
en
een zoen van jou

en vooral
geef nonkel Jan
nu zijn houten pijp
dan krijg jij een zoen
en jouw ezel ook
jouw Boudewijn

appelbaas
uit 't land
van Waas

Paul van Ostaijen

=

Winterzin

Een grijze lucht die urenlang
op sneeuwen stond,
zich inhield, schuchter toen
een handvol vlokken zond
als een belofte voor de nacht
waarin je wakend lag
te slapen tot de dageraad
het sneeuwen niet meer tegenhield
en je gonzend van geluk
de dag begon en uit het zolderraam
de eeuwen en de witbestoven akkers
naast de landweg overzag,
en er niets was dat die vervoering brak -

H. C. ten Berge

=

Bij het horen van een fluitconcert van Bach

Wanneer dit schielijk leven is geleefd,
De dag geen glans, de knop geen bloem meer geeft,
De laatste schaarse tranen zijn gestort,
Gelijk een regen die snel minder wordt,
Mijn kinderen van mijn wezen zijn vervreemd,
En ook mijn vrouw een donkre zijweg neemt, -
Zal ik dan in de nacht van mijn bestaan
Nog eens de helle waanzin ondergaan,
Die fluit van Bach, die door den aether viel,
Wiens echo in het diepst woont van mijn ziel?

Bertus Aafjes

=

Honderd jaar

later, door het opperwezen in een boom herschapen,
(nakend in een tropisch oerwoud aan de grond gezet,

voor straf nu bloeiend onophoudelijk, bevrucht on-
slapend en onpratend zonder enkele omhelzing), vond

de vroegere mevrouw O. in haar onmetelijke toppen een
dagboekblaadje, onherkenbaar ook veranderd in zo'n onheil

spellende vlinder die Morpho heet, waarop met grote
moeite zij herlas: 'Vrijdag 9-8-63, iets kan de plek

niet van iets anders innemen en identiteit bestaat dus
niet. Denk aan de schijnbaar vele bladeren.' Terzelfder

tijd, daar waar haar stam zich vorkte voor het eerst
vanaf de grond, zat een nog onaanzienlijker insekt dat

wegens zijn voorheen geringere verdienste van onverzonden
briefje door de schepper slechts bevorderd was tot

machteloze mate van vliesvleugeligheid. Op hem viel al
sinds jaren niets te lezen, maar, uit het hoofd geleerd,

sprak hij onafgebroken en van generatie op generatie: 'O
Muizenpoot, ik wil je kopen of ruilen, laten we weglopen

naar waar de rivier in zee stroomt en de mensen een
andere taal spreken en andere waterdieren eten. O enz ....'

Zo namen letterlijk bezit van haar die zonder hand of
mond, haar zo verfomfaaide gedachten. Toen begonnen

haar bladeren te verbleken en te vallen als zwakke vlinders,
als pakken gedevalueerd bankpapier, tot op de humus van

bedoelingloze wildernis. Toen werd zij, later, omgehakt, haar
nervig, brandschoon hout verhandeld en nog vindt men wel,
bij sommige betergesitueerde planeetbewoners, van haar
glanzendheid de zachte schim, een soort gepolitoerde vlam

aan buitenzijden van reusachtige televisie ontvangapparaten,
opgesteld in die volstrekt behangloze, bacterievrije
zitvertrekken, waar geen kevers wonen.

Fritzi ten Harmsen van der Beek

=

Wat onmeedeelbaar is je mee te delen

Wat onmeedeelbaar is je mee te delen,
dat is een opgaaf die ik niet volbreng:
dat ik, gestorven, nog in leven ben,
en 't voor de mensen daaglijks moet verhelen.

't Is niet bijzonder. Ik ben één uit velen,
één die je nu toevallig beter kent;
en raak je aan mijn leegten niet gewend,
je doet je best die uit mij weg te strelen.

Maak je niet ongerust, het gaat voorbij;
wanneer ik deze tijd mag overleven,
en jij blijft bij me, word ik wel weer vrij.

Mocht die vervulling ons niet zijn gegeven,
dan maakt misschien - daar is het voor geschreven -
dit vers, zo vaak het donker wordt, je blij.

Eduard Hoornik

=

Hy droech onse smerten

T' en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die versmadelijck u spogen int gesicht
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,
T' en zijn de crijchs-luy niet die met haer felle vuysten
Den rietstock hebben of den hamer opgelicht,
Of het vervloeckte hout op Golgotha gesticht,
Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten:
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaen,
Ick ben den swaren boom die u had overlaen,
Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,
De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,
De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:
Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.

Jacobus Revius

=

Laat de luiken geloken zijn

Laat de luiken geloken zijn
wiege wiegele weine
en de stilte onverbroken zijn
wiege wiegele wee.

Wen het kindje gedoogen wil
moe en tevreeën,
dat de blinkende oogen stil
toe zijn gegleeën,

dan zal komen de droomenvrouw
zacht over den grond
zij de vrome, die schromen zou
zoo zij wakenden vond.

En zij zal in den langen nacht
aan het hoofd zich vlijen
met der droomen wufte vlinderpracht
het kindje verblijen.

Het verhaal zal zij weer beginnen
het angstig mooie
en zij zal zich duizend keer bezinnen
en het niet voltooien.

Laat de luiken geloken zijn
wiege wiegele weine
en de stilte onverbroken zijn
wiege wiegele wee.

J. H. Leopold

=

Van de duisternis der schepping

O Schepper die in koelen bloede schiep
den hamerhaai en alle diepzeedieren,
de zaagvis en de slijmerige wieren,
bloedzuiger, pestbacillen en poliep,

en in den mens de donkre drang des bloeds,
maar ook de pijn der heldere bewustheid
die hem berooft van iedere gerustheid
en uwe wreedheid fel beseffen doet:

geef ons de onbewustheid der natuur
opdat wij van dit alles niets meer weten,
een diepe droom om alles te vergeten,
één koele druppel in dit helse vuur.

W. Hessels

=

De waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...

Frederik van Eeden

=

Ochtendstad

Rotterdam voor dag en dauw. De bruggen zijn verlaten.
De geldpaleizen gloren in het Noord-Atlantisch licht.
Winst en verlies staan in de onbehouwen ziel gegrift
van deze warse stad - alleen met wind en water.

Hans Sleutelaar

=

1914

Toen de oorlog uitbrak was ik nog klein.
Mijn vader zocht zijn oud soldatenpak
van zolder uit een doos vlak onder 't dak
En wij brachten hem samen naar de trein.

En ik wist niet waarvoor dat was, en toen
Vroeg ik het aan mijn moeder. En ik hoorde,
Dat nu de soldaten elkaar vermoordden.
Mijn vader ook? Die zou dat toch niet doen -

Nu ben ik groot en wijs en veel vergeten
Van wat de dwazen en de kindren weten,
En waar ik, als ik er aan denk, om lach -

Maar als wij, grote mensen, 't niet verhindren
Dat er weer oorlog komt, God, geef ons kindren,
Die nog begrijpen, dat het toch niet mag.

Muus Jacobse

=

Tussen seizoenen

Een kleur zijn ogen nu zij wind zijn,
het licht uit lucht gesneden.

Lang gras, nog levend hooi,
verminking waar oogst begint.
Ik groef in kleur waar vol de lucht,
in wind waar vol het gras van is,
in golvend gras, in slapend gras,
ik bracht zand aan het licht,
verpulverd weefsel, vacht om in te slapen.

Blad viel, sneeuw viel de bladeren achterna,
de sneeuw bracht regen, regen stuift op sneeuw.
Reeds schemeren de lichte tenten
van de zon, de golven, ribben van de zee.

-

Verf nat de doden, schilder ze op.
Als grote zachte bloemen in de regen
slapende bomen met sneeuw.
Ovale wind waait dag en nacht
langs knoppen, bijna bladeren, sluit zich
in een voortdurend onderdak verlenen
om ieder ding.

De druppel van gedooide rijp
draagt vuurkleur van de regenboog,
het diepste geel, haast groem koud blauw,
nieuw wit, water dat brandt.

-

Een waas van groen, een geheimzinnig
opeenvolgen van soorten, maand na maand
een ander gras strijkt bloeiverstikkend
stuifzand dicht - van fluitekruid
een sluier, ongerepte dovenetel,
kaarsen vol zaad, niemandsverdriet.
Aan hun verbazin komt geen eind, ze kennen
de winter niet.

Chr. J. van Geel

=

Moesman

Utrecht, paarlemoeren droom
waarin ik illegaal
urenlang rondfiets

langs de Domtoren
en het urinoir
van Pyke Koch

's Nachts schrijf ik je
vanuit mijn onderduik-
adres
een dakkapel
vlak onder de Melkweg

(Maliebaan 38...)

Onder je soepele banden, Gazelle-achtige
splintert mijn hart
als een Ethiopië van kristal!

Antwoord, Circe, op Volksbondpapier!

Rij niet langer naakt rond
op een (ontvreemde)
Fongers

Geef mevrouw Moesman
zijn fiets
terug!

En meneer Moesman
haar viool

Manuel Kneepkens

=

In het donker

Fluitekruid, ik kom tot u, want gij zijt wit
en voor hetzelfde geld ook rein.
Als ik neerdaal in het gras, omdat mijn
kruis weer strak gespannen staat,
vindt gij dat niet afkeurenswaardig.
Want gij zijt een echte moeder en al wat goed is voor
uw kind bevordert gij uit alle macht.

O, geurige bloem, ik ruik u niet, maar
gij zijt er toch, al heerst alom nacht.
Achter mij sluit ik de deur en ga
over de schreiende aarde op zoek naar u.
Omdat het een hete zomer is, draag ik slechts een wit overhemd.
Over mijn wangen ligt een bezeten blos,
maar ik vind u niet.

O, duistere nacht.
O, wedervaren, met hier en daar een bui.

Kees Ouwens

=

Aan Fillis

Gij zult mijn liefste Fillis,
Gij zult mij dan verlaaten,
En ik mag u niet volgen!...
Maar, in den stillen avond,
Wanneer ge in luwen lommer
Van dikgetakte boomen,
Langs groene paadjes wandeld,
Dan zult gij, waardste Fillis,
Een zagt en suissend windje
In 't ritslend loover hooren;
Dit windje zal uw wangen,
Uw zagte en lieve wangen,
Met stillen eerbied kusschen.
Mijn Fillis, deze windjes
Zijn stille liefdezugtjes,
Die 'k om uw droevig afzijn,
In eenzaamheid zal zugten.
Zoo vaak, mijn schoone Fillis,
Zoo vaak uw lieve wangen
Dan zulk een windje voelen
Moet ge aan uw' minnaar denken!
Hoe dikwijls zal ik zugten!

Jacobus Bellamy

=

Werkelijkheid

Ik doe zaken
ik heb een heel grote schrijftafel
en mijn gezicht staat moeilijk
ik praat in een telefoon
en ik heb een mijnheer
die juffrouwtjes kan laten werken
en nog méér mijnheren
de juffrouwtjes ruiken zo lekker
ze ruiken allemaal verschillend
de mijnheren zijn in grote jassen
ik bloos er wel van
het lijken wel Engelsen
en ik begrijp niet waarom ze doen wat ik vraag

er waren veel zaken vandaag
het waren allemaal gedachten van mensen
er waren veel dikke die duwden en waren onwillig
ik begreep niet, waarom ze zo koppig waren
er waren magere met valse haakjes
en er zat veel in de knoop
het was precies het kistje met oudroest en touwtjes
van mijn grootvader
ik was een vreemdeling

toen ben ik maar gaan wandelen in de bosjes
het was een arme dag - de straat was nat
de zwarte boompjes hadden honger
die trok hun magere vingertjes krom
de wind zei verdrietige verhaaltjes
het novemberlicht was saai en schraal achter vervelende wolken
maar in mijn hart bonsde de opstand
en ik zei: lieve God ik wil een straatsteen zijn

J. C. van Schagen

=

Het lied der achttien dooden

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland's vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss'lijk stuk bestond
en Holland's landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie, -
zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar -
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk -
er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe 't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht -
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw genâ,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.

Jan Camperts

=

Winterzang

‘k Zie de geele bladers vallen,
met den zomer is ’t gedaan:
En ’t gehuil van sneeuw en regen
kondigt ons den winter aan.
Ach! hoe trillen mij de leden,
‘k loop naar ’t hoekjen van den haart;
Vader zegt: in zulk een koude
dient er hout noch turf gespaard.
o Wij hebben zo veel voorraad
voor den schralen wintertijd;
Daar men mij met warme kleeren
voor den strengen vorst bevrijdt.
Winterpeeren, koel, en appels,
boter vleesch, ja wat niet al,
Ligt er reeds in onze kelder,
Dat ons lekker smaken zal.
Mogt ik nu maar dankbaar wezen,
over mijn gelukkig lot;
Ja ik wil gehoorzaam leven,
en u danken, goede God!
Ja ik wil gedurig denken,
als de koude mij verdriet,
Ach! hoe menig duizend menschen
hebben zo veel voorraad niet.
Ja, ik wil dan wat besparen,
en wat van mijn overvloed
Aan een arrem kindje geven,
dat van honger schreien moet.

Hieronymus van Alphen

=

Zwaan van Zijpe

Nog ruist de oerknal
Maar waar is de sjoelbak
Die in opa's kantoor
Gelegenheid gaf
Tot felle doorstoten?

Zo driftig
Dat de zwaan erboven
Stil wegzwom
Uit zijn wapen

Op weg naar Afrika
Waar hij
Maar dat is achteraf bekeken
Al lang is opgevreten

J. J. Klant

=

Barlemanje

't Was grol en gloei
en slomig broei
in lure, slore stirren.
Het was sar stomig in mijn krol,
daar stonk een kwalm van schit en brol,
er sloomden glome knirren.

Ik trok geen moen
en zoog geen droen.
'k Was grollig, daar mijn kleddel
de vale walm had ingewigd
en norksig drielde naar de schicht,
die wijlde in de peddel.

Nu dralleboort
een vuurgaljoort
en knaspert door de klijven.
't Is of er stolen glomen gaan
en moenen in de krolle slaan
en stoffe stekkels stijven.

Nu gaar ik kwas
en werp ik stras,
nu is de moen gevangen.
Ik trek een gloederige sproet,
(als kwalmerige peddel doet)
en droen dralt door de prangen.

Marten Toonder

=

Dodenmars voor Rotterdam

Ik waag mij haast niet in die straat
waar gloeiend puin in 't donker staat.
De wind loeit om een bouwvaltop,
een schelle vlam schiet suizend op,
belichtend, als in spotternij,
de resten van wat huisgerei.
Hier vond wie daaglijks nam en gaf
een ruw en eindloos massagraf.
Het werk van hersens, hand en lust
is even grondig uitgeblust.

Ik wend mij naar de waterkant.
De schepen liggen leeggebrand.
Het water, d' eeuwenoude baan,
voert bloed en roet naar d' oceaan.
Daar staat de dood nog op de brug,
een zwarte schaduw, recht van rug.
Och broeders, hij bleef ongedeerd
terwijl uw schim hier langs marcheert.
Links, rechts...

Maar als die stad weer is herbouwd
van staal en glas en steen en hout,
die kleine wereld is hersteld,
bolwerk van koopwaar, zee en geld,
als er gewerkt weer wordt op de as
van wie voor kort hier werkend was -
Dan zullen nog bij nieuwe maan
uw schimmen door de straten gaan.
Links, rechts...

Clara Eggink

=

Kerstdag

O grote god
geworden een kleen kind,
waarom toch is 't
dat gij mij zo bemint?

Wat ben ik U,
die niet met al en ben;
en, kennend mij,
mij waarlijk niet en ken?

Gij wordt hetgeen
ik immer wezen zou,
ware ik uw woord
en uwe wet getrouw:

''t En zij gij wordt
een arrem kind gelijk,
en komt gij ooit',
zo zeit ge 'in 't hemelrijk'.

Uw woord, uw wet,
uw doen, uw zeggen staat,
o grote God
hier, in dit kindgelaat.

Gij heet en doet,
ik doe noch durve... o neen,
'k en ben, o God,
'k en ben noch kind noch kleen.

En maakt Gij mij
niet dat Gij doet en zeit,
't is uit me mij...
o God, barmhartigheid!

Guido Gezelle

=

Maria Sibylla Merian

Zo, uit het bad der nacht gerezen,
Stapt, blozend over heel haar wezen,
- Een naakt onder een roze lamp -
Aurora door den ochtenddamp.
En al het levende wordt wakker,
De leeuwerik klimt uit den akker,
Tot in den hoogsten hemeltop;
De klaproos raapt zijn vaandel op,
En zwaait het rood over de grassen;
Wat eenden ploeteren en plassen:
Het klinkt zo vreemd achter het riet,
Als men het niet met de ogen ziet.
En op het erf der boerenhoeve
Hoort men den haan zijn kracht beproeven;
De broze borstkas trilt ontzet,
Maar prachtig schatert de trompet.

En ook het heir der kleine dieren,
Krekels, torren, vlinders en mieren,
Begint zijn opmars door den dag,
Als een vioolconcert van Bach.
Doch schoon wij hun muziek aanhoren,
Gaan zij ons voor het oog verloren,
Zo onaanzienlijk en klein,
En zo verborgen als ze zijn.

Zie, uit het westlijk parelgrijze
Licht Frankfort aan den Main herrijzen,
Zo nauwgezet en ouderwets,
Als weergegeven op een ets.
Over de boogbrug komt geschreden
Een meisje in haar lange leden,
Onder een gelen strooien hoed.
Zij is wat rijziger dan 't moet:
Een lelie die is uitgeschoten,
Met aan haar kelk twee donkergrote
Pauwogen: een nieuwsgierig span.
Het is Sybille Merian.
Zij loopt, door 't rulle zand der wegen,
Het goud der korenvelden tegen,
En zwaait het gazen vlindernet
Over een korenbloemenbed.
. . . . . . . . . .
Daar zit tussen het struikgewas
Sibylle in het golvend gras,
En kijkt met twee verrukte ogen
Naar al wat zij aanschouwen mogen:
Een wesp duikt in een bronzen peer;
Zijn achterlijf zwalpt op en neer
Van 't blindelings en koppig wroeten;
Sibylle raakt hem met de voeten;
Hij wordt vertoornd. De beurse vrucht
Is als een kinkhoorn vol gerucht, -
Terwijl boven de stille bloemen
De bijen onverstoorbaar zoemen,
En de bedwelmende odeur
Al het geziene kruidt met geur.
Onder een wak in 't groen der berken
Houdt zich op duizelsnelle vlerken
Een kleine vlieg in evenwicht,
Binnen een gouden balk van licht.
Hij heeft zijn rusteloos bewegen
Tot in zijn eigen kern verlegen.

Zij vangt den kleinen prins charmant
Binnen de holte van haar hand.
Zie, in zijn kop staan onbewogen
Twee wonderlijke rode ogen.
Zijn groen jacquet vonkt in de zon;
Hij draagt een zwarte pantalon,
En drie paar gele kousevoeten.
Zoiets zou men schilderen moeten...

Bertus Aafjes

=

De zotte Charlotte

Op kousenvoeten sluip ik naar het dagverblijf
- ook ’s nachts blijf ik gekleed als dame -
en zie het licht achter de tralieramen
dat alle zinsbegoocheling verdrijft.

Ik tel de dagen, schrijf ze in mijn waaier
met tekenen die niemand lezen kan of zal.
Mijn geest wordt alle dagen taaier
al voeren ze me gif en slachtafval.

Het enige bezoek is van mijn gouvernante.
Ik vraag haar steeds een jurk met diep decolleté;
ze brengt alleen borduurwerk voor me mee
en nooit een groet van oom en tante.

En als ik bij het weggaan vraag:
‘Was het een jongen of een meisje, leeft het nog?’
dan mompelt ze plots heel erg vaag
en zegt alleen: ‘Ach kindje toch.’

Laurens Hoevenaren

=

December

Nu mist het woud zijn purpren najaarspracht.
Een ritslend kleed van rosse blaadren dekt
De weke wegen, waar 't geplet fluweel
Van plekken mos, smaragdgroen, zichtbaar bleef.
De hoge bomen, zwart en bladerloos,
Wie grijsgroen mos de ruige stammen dekt,
Herdenken, droef, de zoete zomertijd,
En schudden zacht de wijze kale kruin.
In de oude toppen klaagt de winterwind.
Door 't huivrend schaarhout vaart een lange zucht
En trillend klapwiekt, als een bruine vlinder,
't Verdorde blad, dat trouw bleef aan zijn twijg.

Hélène Swarth

=

Zij kwam, verschrikt, uitdagend, onverwacht

Zij kwam, verschrikt, uitdagend, onverwacht
en wankelde mijn armen in en zag mij aan
ik zag haar ogen vochtig, donker en verleidend staan
in een vermoeid gezicht - zij bleef de ganse nacht

en stamelde mij toe dat zij een offer bracht
aan mijn verlangen - en brak in tranen uit
en lachte schamper, roekeloos en luid -
het was een vreemde trieste nacht

Wij lagen samen - O mijn geliefde, zei ik zacht
en was zo leeg en moe alsof ik sterven zou
ik huilde aan de borst van een beschonken vrouw
en in de schoot van een absurde liefdenacht

Anna Blaman

=

Te Middelharnis is een kind verdronken

Te Middelharnis is een kind verdronken.
Sober berichtje in het avondblad:
't stond bij een hooiberg die had vlam gevat
en bij een zolderschuit, die was gezonken.

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?
Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over 't water komt zijn kleine stem.

- Te Middelharnis, denk ik, 'k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tusschen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem.

Eduard Hoornik

=

Mislukte afspraak

'n Meeu deurweeef die raam na willekeur.
My liefling kan nie kom vanweë die weer

want alle strate is met ys bestreel.
Die ongebonde meeu wat mooiweer speel

met ons bedoelinge dans op en neer:
'n bitter lugruim gun hom vry verkeer.

Elisabeth Eybers

=

De idioot in het bad

Met opgetrokken schouders, toegeknepen oogen,
haast dravend en vaak hakend in de mat,
leelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
gaat elke week de idioot naar 't bad.

De damp, die van het warme water slaat
maakt hem geruster: witte stoom...
En bij elk kleedingstuk, dat van hem afgaat,
bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

De zuster laat hem in het water glijden,
hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
hij zucht, als bij het lesschen van zijn eerste dorst
en om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.

Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
zijn dunne voeten staan rechtop als bleeke bloemen,
zijn lange, bleeke beenen, die reeds licht verdorden
komen als berkenstammen door het groen opdoemen.

Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
en hoeft de dingen van den geest niet te begrijpen.

En elke keer, dat hij uit 't bad gehaald wordt,
en stevig met een handdoek drooggewreven
en in zijn stijve, harde kleeren wordt gesjord
stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

En elke week wordt hij opnieuw geboren
en wreed gescheiden van het veilig water-leven,
en elke week is hem het lot beschoren
opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

Maria Vasalis

=

Weggaan

Weggaan is iets anders
dan het huis uit sluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren.
Je blijft iemand op wie wordt
gewacht

Weggaan kun je beschrijven
als een soort van blijven
niemand
wacht want je bent er nog
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg

Rutger Kopland

=

Je hart

Lieveling, ik moet je haastig schrijven,
Want straks wordt weer heel mijn wezen zwart,
En dan voel ik niets meer aan den lijve.
Lieveling, hoe is het met je hart?

Kan het nog van pure vreugde springen
Als een jong lam in de voorjaarswei?
Wordt het bij het zien van mooie dingen
Warm, en licht het op en wordt het blij?

Hangt het in je als een schone kroon,
Die vol kaarsen is en lichte luister,
Vol muziek van licht. Zo stil. Zo schoon?
Klopt het als het mijne soms zo snel?
Ach, ik groet je uit mijn vallend duister,
Wees voorzichtig met je hart. Vaarwel.

Bertus Aafjes

=

Bethlehem

Het kleine vindt geringe bate,
Wat naamloos is wordt niet geacht:
Omdat zij klein was in de straten
Werd zij nòg kleiner met de nacht.

Maar aan de laatste stad voorbij,
Voorbij de laatste huizenrij -
Betrad haar voet een bloemenwei
En heeft zij zich op eene baar
Van bloemen, tenger, neergelaten....

Het moederschaap begon bedroefd te blaten
En alle lammeren omringden haar.

Jacques Schreurs

=

Zang van de menigten

Strovuren
Strovuren

De menigte is de ongeborene
Vensters verdonkerd
door vliegen, vliegende mieren
zijn de menigten

Strovuren
Vallend haar

Letters uit kranten geschud
ontsnapt aan de advertenties
Koop Val Sterf Paar Verniel Zing
wandelend in de straten
zijn de menigten

Strovuren
Zwarte letters

Hoog op het hek van de tanden
schommelt de stem van de menigten
als een bijl boven tribunes
als de samengepakte gil
uit de ramen van duizend huizen
Aaaaahhh

Strovuren
Strovuren

Geef de menigten een fles
en zij zingen
Geef de menigten een mes
en zij doden
Slaap in de ooghoek
zijn de menigten; klein
is de verdienste van het stof

Strovuren
Flessen en bijlen
Vallend haar

Je kijkt naar het vuur
dat zo uitgelaten brandt!
Hanebalken stappen uit het huis!
Plotseling regent het vonken,
dichte vonken vallen als vlokken,
omzwermen je en drukken je keel dicht
met een duistere gloeiende ring
Je bent verloren, je bent verloren
Je bent in de hand van de menigten

Bij de strovuren
Zwarte letters
Bij de flessen en bijlen!
Vonken
Vallend haar

H. H. ter Balkt

=

De drievoudige dood

Eerst sterven we in het vleesch. Onder den grond
Valt ons lichaam langzaam uiteen. 't Moet in de
Aarde allengs zich tot aarde weer ontbinden
Die zonder teeken men niet wedervond.

Dan sterven we in het hart van wie ons minden.
Lang leefden we daar nog, maar als een wond.
't Geneest, en eindlijk is het weer gezond:
Ook in dat hart zijn wij niet meer te vinden.

Ten slotte sterven wij in hun herdenken:
Het derde, laatste, koudste graf sluit dicht.
Soms, bij een afscheid, blijft nog even wenken
Een witte hand. Ver weg. Dan uit 't gezicht.
Men ziet niet wat achter de wegbocht ligt -
Zoo deinzen we uit hun blinde, leege denken.

Victor E. van Vriesland

=

Het souper

't Werd stil aan tafel. 't Was of wijn en brood
Werd neergeslagen uit den greep der handen.
De kaarsvlam hing lang-wapperend te branden
En 't raam sprong open door een donkren stoot.

Als water woelden in den nacht de landen
Onder het huis; wij voelden hoe een groot
Waaien ons aangreep, hoe de wieken van de
Vaart van den tijd ons droegen naar den dood.

Wij konden ons niet bij elkaar verschuilen:
Een mensch, eenzaam, ziet zijn zwarte eenzaamheid
Dieper weerkaatst in de oogen van een ander -

Maar als de winden langs de daken huilen,
Vergeet, vergeet waar ons zwak hart om schreit,
Lach en stoot glazen stuk tegen elkander.

Martinus Nijhoff

=

Er zijn geen argumenten

er zijn geen argumenten
in de liefde geen bewijzen
ik zou je kunnen vragen
om nooit van me weg te gaan
je zou een antwoord kunnen geven
een teken dat ik moet ontcijferen

soms lachen wij en zijn onszelf
zo leven wij en zoeken
diep in elkaar naar een plek
waar wij het liefste zijn
een ogenblik een dag

daarna weer en dieper
zoals eenden naar de bodem duiken
en het is nooit genoeg

Miriam Van hee

=

Circe

Daarnevens bromt het woelig bal. Hier, in de gangen,
hier zingt en brast men woest. Een weiflend gaslicht daalt
met spookrig weemlen op der drinkers paarse wangen
en speelt in 't gulden nat dat in de bekers kraalt.

Daar rijst zij op, de forsche en zwierge leest omvangen
door rood fluweel, waarin het blank der borsten praalt,
het wezen door een nimb' van helsche pracht omstraald,
den wulpschgeplooiden mond vol bandelooze zangen.

Eens gaf een vrouw aan 't menschdom 't leven. Slechts de dood
huist in haar flanken. O! een afgrond is haar schoot,
een afgrond die verzwelgt goud, liefde, heil en leven.

Daar reist de Circe op, wijl in haar oog een vonk
der helle gloeit en, in een spotlach, 't glas geheven,
roept zij, met heesche stem: "Der Liefde deze dronk!"

Prosper van Langendonck

=

'k Hoor ruischen ons moeras - zoo noemden wij 't

'k Hoor ruischen ons moeras - zoo noemden wij 't,
Mijn vriend en ik - vol angstigrits'lend riet,
Met, soms, een zichtbaar wieg'lende karkiet;
Er om eerst bosch, dan heiden, vlak en wijd.

Wij stookten vuurtjes, veilig; niemand ziet
De blauwe rook. Over ons, dreigend, glijdt
Kraaiengeroep, vreemd, wild, door de eenzaamheid. -
Leeft hij nog? - 'k Ruik de hars - Ik hoop van niet.

Ik heb hem vaak beleedigd en gegriefd;
Want 'k hield van hem. Neen, 'k was op hem verliefd.
Neen, meer - mijn ideaal van goed en waar.

Nu ben ik oud. In Brahman is vergaan
Mijn wereld, en ikzelf, grijze brahmaan -
Hij had blauwe oogen en mooi donker haar.

Adwaita

=

Landschapsschoon

De zon legt haar verguldsel op de velden,
Het lijkt wel of zij alle schapen kust...
Een prachtig beeld. Al zal men mij wel melden
Dat er helaas al copyright op rust.

Toch is de laatste dag van januari
Een ongewone dag voor zoveel zon.
Vandaar dat ik met enige bombarie
De eerste regels van dit vers begon.

Ik trek ze terug. En ik beperk mij tot
De constatering dat het landschapsschoon
Dankzij het zonlicht en zijn machtsvertoon
Niet langer afgekloven tot het bot,
Maar als een deerne die verwarring sticht
Betoverend aan onze voeten ligt...

Nico Scheepmaker

=

De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan 't kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen 'k den hamer hief -
Maar hij zei zacht mijn naam en: 'Heb mij lief -'
En 't groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief - en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in 't hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch - zijn naam, zijn monogram -
In ied'ren muur, in ied'ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
'Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.'

Martinus Nijhoff

=

Love bug

Ik hoef de kamer niet meer uit
om jou vergeefs te zoeken
op de serafijnse schaal
van kabelnet en satelliet.

Ik keer mijn mailbox om:
jouw server zwijgt.
De zwaarste zoekmachines
lopen vast op jouw adres.

Ik zwerf langs digitale kroegen
tot je komt - zonder succes.
Ik ben een tragisch wrakstuk
in een maalstroom van gegevens,

een PacMan zonder levens
vlak voor de kritische stop -
ergens in dit web hang jij.
Je spint me in. Je vreet me op.

Ingmar Heytze

=

Van de zee

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee waarin mijn ziel zichzelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet.

Zij wischt zich zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd om en keert weer waar zij vliedt,
Zij drukt zichzelven uit in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O, Zee was Ik als Gij in al Uw onbewustheid,
Dan zou ik eerst gehéél en gróót-gelukkig zijn;

Dan had ik eerst geen lust naar menschlijke belustheid
Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;

Dan wás mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nóg grooter zijn.

Willem Kloos

=

Het middagmaal

Wanneer ik 's middags op 't kantoor
Mijn dagtaak heb volbracht,
Dan weet ik, als ik huiswaarts keer,
Welk schouwspel mij daar wacht:
Mijn vrouwtje vliegt mij te gemoet,
De kind'ren jub'len aan mijn voet.

Dan zetten wij ons aan den disch
Met schotels volgelaân,
En wachten rustig tot de meid
De soep heeft opgedaan,
En bidden dan den vader stil
Of hij de spijzen zeeg'nen wil.

Eéns, toen ik juist beginnen wou,
Met dank tot God in 't hart,
Toen hoorde ik van mijn lieve vrouw
Een kreet van spijt en smart;
En ziet! wat was er aan de hand?
De soep! de soep was aangebrand!

Ik leg mijn lepel zwijgend neêr
En zie mijn weêrhelft aan,
Toen rijs ik van mijn zetel op
Om naar haar toe te gaan;
Ik kus en kus haar blij te moê -
De kind'ren zien verwonderd toe.

'O, teedre gade!' zeg ik dan,
'Ik wil niet dat ge schreit,
'De soep zal 'k eten als een man,
'Met stille dankbaarheid:
'De Heer die onze nieren proeft,
'Weet ook wel wat de mensch behoeft!'

Frederik van Eeden

=

Dieuwertjen

Dieuwertjen! heugt je nog d(e) avond voor Paasch?
Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,
Mijn woning, mijn schuren, mijn stal nog eens om,
Vast peinzend: tot alles is zij wellekom.

Wit van den hagel, maar warm trots de kou',
Haalde ik de klink op: je zat bij de schouw;
Ik ligtte mijn mantel; jij wierpt op het vier
Een mutserd, en 'k dacht: zij ziet gaarne mij hier.

Echter was 't later als jeukte mijn scheen,
Schoof ik je digter, je schooft verder heen,
En toen 'k, bij de kast, om het jawoord je vroeg,
Was 't vremd, dat de fluit niet aan diggelen sloeg.

Vreezen en beven - het had schier geen end';
't Huis van je moeder was jij zoo gewend,
Al droeg ik ten leste in mijn armen je er uit,
Ons dorpjen zag nimmer een droeviger bruid.

Dieuwertjen! heugt je nog d(e) avond voor Paasch?
Onder dat wiegekleed giert onze Claes.
Ai, kus hem, en zeg, zoo het nog stond te doen,
Of jij nu wel aarzelen zoudt zoo als toen!

E. J. Potgieter

=

De genezende

Na de heldere aanvaarding van alle kansen,
Sterk in het besef
Van de Ene, die alles in allen werkt,
Lag ik stil in verwachting.

Het leven aarzelde:
Moest het wijken of blijven?

Als een gast die, vertrekkend,
De deurknop weer loslaat en omkeert,
Als een vogel op de top van een popel,
Die klapwiekt of hij wou uitvliegen,
Maar zijn wieken weer dichtvouwt
En stil
Tegen 't avondrood
Zijn lied zingt, -
Zo is
Mijn adem
In mij gebleven.

Het leven.
Het wil nog door mijn ogen
De aarde zien.
Het wil zingen.

Leven,
Geef het, als die vogel, zijn lied.
Dat zal,
Onder wolken of sterren,
In vrouwen, kindren en bloemen
Van uw schoonheid getuigen.
Gij zult het mij schenken.

Sta ik op de rand van mijn hoogste vervulling?

P. N. van Eyck

=

Het derde land

Zingend en zonder herinnering
Ging ik uit het eerste land vandaan,
Zingend en zonder herinnering

Ben ik het tweede land ingegaan,
o God, ik wist niet waarheen ik ging
Toen ik dit land ben ingegaan.

O God, ik wist niet waarheen ik ging
Maar laat mij uit dit land vandaan,
O laat mij zonder herinnering

En zingend het derde land ingaan.

Martinus Nijhoff

=

Piëta

Is dit mijn kind dat, klein en bloot,
Ik eens heb mogen baren...?
o Vader zie: hoe schoon, hoe dood
Ligt nu mijn kind weer in mijn schoot;
Hoe weegt hij nu zoo zwaar als lood
Alsof het slapen ware...

Mijn kind, mijn kind wat werdt gij groot:
Wat weeën brengt dit baren...
Hoe groeit uw lichaam en uw nood
Nu wereldwijd weer uit mijn schoot
Na drie en dertig jaren!

Jacques Schreurs

=

Ziek en moe naar mijn bedje gebracht

Ziek en moe naar mijn bedje gebracht,
Schrok ik wakker, diep in de nacht,
Nam van de tafel 't lampje in de hand,
Zette 't weer weg: 't was al uitgebrand;
Liep naar beneden, door niemand gezien.

Waar ik bij dag soms gasten bedien,
Schalen en schotels aan moet reiken,
Zitten zwarten die roovers of duivels lijken,
Poken, rakelen en rumoeren,
Schuiven gerei op geboende vloeren.

Dan wordt het stil; het gaat buiten sneeuwen.
Als ik dorst fluisteren, gillen of schreeuwen,
Zouden de wolven, beren, tijgers en leeuwen
Die voor de trap liggen te loeren
Zich zeker verroeren.

Hendrik de Vries

=

Twee meeuwen

Septemberavond; de schemering
had de oneindigheid tusschen de golven
en den hoogen hemel doorzichtig grijs getint;
de zee was stil, bijna al ingeslapen;
haar golfslag had in ruischend ademhalen
de wereld van dien avond vaag bevolkt
met droomen. Ik lag beneden
aan den voet der duinen, waar het strand
rond oploopt - de hemel gloeide wazig violet;
maar naar de kim toe werd hij donkerder
en somber bloedend woei het avondrood
boven de kartellijn der verre horizon.
dit is het uur waarin het àl zoo stil is,
zoo onbeschrijflijk transparant en vredig
dat het niet anders meer dan sterven kan
aan zulk een wijdheid, zulk een doodlijk leven.
een trilling lang - en reeds is het verzonken,
vallende uit het ijl, ondenkbaar zweven
tusschen waak en droomen in een
steeds dieper zich verdichtend donker.

twee meeuwen hebben in dat uur het nest verlaten.
met kalmen, tragen wiekslag komen zij aandrijven
over de duinen, die nu al bijna donker zijn geworden;
zij vliegen zeewaarts, een ondeelbaar paar
dat voeling houdt met alle krachten
die dezen avond het heelal beheerschen,
en meer dan met die krachten met elkaar;
alleen niet met het landschap achter hen,
niet met de warme nesten van hun zwermen,
zelfs niet met hun jongen; zij vliegen westwaarts
in een rechte lijn, als zachte pijlen,
die den nacht doorboren,
totdat zij, roekeloozen, niet meer kúnnen keeren.

onder het vallend donker liep ik terug naar huis.

H. Marsman

=

De eenige

Allen ontvallen ons. Alles ontneemt
het leven, 't Liefste, onvoorzien, vervreemdt.
En niets dat stand houdt op den langen duur.
Eén trouwelooze slechts wacht trouw zijn uur,
Hij die onzichtbaar maar aanhoudend ons
Op grooten, allengs kleiner afstand volgt.

Anthonie Donker

=

Voorgevoel

Als jij er niet meer wezen zal
zullen mijn handen roerloos rusten
en voor mij liggen, slap en smal,
ontzet, ontdaan van alle lusten -
daar jij er niet meer wezen zal.

Als jij er niet meer wezen zal
zullen mijn ogen stuurloos staren
en doven in der leden val.
Ternauwernood een beeld bewaren -
daar jij er niet meer wezen zal.

Als jij er niet meer wezen zal...
De trage gang zal mij weer vangen
der dagen, zonder nut en tal;
en niets en niets om te verlangen,
daar jij er niet meer wezen zal.

Clara Eggink

=

Nieuwjaars wensch

Wijze: De marsch van den braven Kapitein

Het was zo lang mij heugen mag,
Een vast gebruik op dezen dag,
Zich op te schikken naar zijn' staat,
En druk te loopen langs de straat;
Om aan de menschen, geluk te wenschen;
Schoon het niet altijd van harten gaat.

Maar was 'er ooit een dag van 't jaar,
Waar op het liegen geen zonde waar'?
't Is dikwijls veiligst, dat ik zwijg';
En dat ik slegts wat buig' en nijg'.
'k Zal 't overleggen, om niets te zeggen,
Daar 'k mij om schaam, of een kleur bij krijg'.

Hoor dan nu ook eens, wat ik wensch',
Aan ieder braaf en eerlijk mensch!
Lang leven, rijkdom, eer en staat
En dat hem nooit iets tegen gaat,
Maar zagt... de weelde, zo 'k mij verbeelde,
Maakt somtijds dat men de deugd verlaat.

Ik wensch hem liever een vrolijk hart,
Een vast gemoed in vreugd of smart,
Gezondheid en zijn daag'lijksch brood,
Een vriend, die trouw blijft in den nood,
Des Hemels zegen, op al zijn wegen,
En eind'lijk eens een zaaligen dood.

Nu heb ik gedaan; ik gaa weer heên,
'k Heb niets gezegd dan dat ik meen.
Ik weet wel meer, maar 't staat niet vrij,
Veel spreeken brengt ons maar in lij.
Zo dit niet gaan kan, of niet bestaan kan
Zing 'er dan nog wat versjens bij.

Maria van Heyst

=

Ritje

Het paardje reed zo klinkend
met hoeven tinkellinkend
al op de klinkerdijk.

Zij droegen róse hoedjes
op roodgeverfde snoetjes
en voeren langs de dijk.

De sleepman had een zweepje, slap,
en zweepte 'hurt' bij elke stap
van 't paardje op de dijk.

Zij hadden gouden zon gehuurd,
en 't tuigje was zo blank geschuurd
dat voer over de dijk,

En blanke bloempjes aan de kant
die keken in de vigilant
wie voer over de dijk,

Zo menig vent en jonggezel
die werd wat raar aan zijn gestel
bij 't langs-gaan op de dijk.

Door die guitig rode snoetjes
onder die róse hoedjes;
die meisjes, langs de dijk.

S. Bonn

=

De achteraffers

Had ik dat beter maar niet moeten zeggen?
Had ik dat beter maar niet moeten doen?
Zo denken wij... de achteraffers.
Had ik dat moeten verzwijgen, toen?

Had ik de wasman een fooi moeten geven?
Had ik dat achteraf nou maar gedaan.
Had ik met Adriaan moeten gaan leven
of zou dat achteraf fout zijn gegaan?

Had ik die hoed niet moeten kopen?
Had ik achteraf naar Marie moeten gaan?
En had ik toch beter maar kunnen gaan lopen
inplaats van zolang op lijn negen te staan?

Had ik die keet achteraf kunnen sussen?
Had ik naar 't asiel moeten gaan met die poes?
En had ik me niet moeten laten kussen
- nu achteraf - door die kerel in Goes?

Wij achteraffers, wat zijn we toch moeilijk
en - achteraf - voor ons zelf nog het meest.
Had men ons niet beter op kunnen hangen?
Dat had achteraf nog het beste geweest.

Annie M. G. Schmidt

=

Lang rolt, een bol van klank, de knal van 't schot

Lang rolt, een bol van klank, de knal van 't schot,
Bonzend van wand tot wand, 't gebergte rond:
Het dier, door 't vals onzichtbare gewond,
Kruipt, om de rand, in scheef verlichte grot;

En pijnlijk trekt hij met verbrijzeld bot,
Hinkend, een smal rood streepje over de grond;
Diep, ver van 't bos, waar hij zijn voedsel vond,
Daar gaat hij dood in 't donker; en verrot.

Hem, die vol toekomst zwerft door wildernis
Van jong gevoel, treft soms, die zeker is
Van 't goed gemikte woord, in tere plek:

Voor 't ongeluk, dat in zijn leven viel,
Vlucht hij naar 't ondergrondse van zijn ziel,
En kan niet meer naar boven; en wordt gek.

Adwaita

=

De wel

Als een die, wandlend in een groot groen woud,
Een wijle neêrzit bij een waterwel,
En in zijn handen 't water schept, dat snel
Vervliet, tot hij geen druppel overhoudt;

En, in gepeinzen, telkens weêr dat spel
Herhaalt, als had hij nimmermeer aanschouwd
Hoe 't vonklend vocht, als levend zonnegoud,
Zich niet laat vangen in de kleine cel;

Zo schepte ook ik in mijn dagen uit de bron
Des levens en verblijdde me in den glans
Van 't water, helder in de lentezon.

Ik droomde en 't water vloeide weg... en thans
Herdenkt mijn dorst, nog immer ongestild,
De dagen die ik spelend heb verspild.

Hélène Swarth

=

Schaatsenrijden

Glad en wijd ligt het ijs
in een veeg wit en grijs
en de lucht, tastbre kou,
is gestolpt onder blauw.
En mijn schaats met een kras
als een schot onder glas
trekt een veervormig spoor
van mijn voet uit te loor.
Ik scheer scheef op het vlak
langs een donkerblauw wak.
Na een sprong voor een scheur
als een koord, schiet ik voort
op het staal en ik duik
in de wind en gebruik
elke spier, die geniet
als ik suis langs het riet.

Clara Eggink

=

Droefenis is gegaan en 't hart zal niet meer vragen

Droefenis is gegaan en 't hart zal niet meer vragen;
Alle herinnering gaat stilaan henen;
Al wat het leven gaf is weer verdwenen
En alle kracht gaat henen met de dagen.

En die veel klaagde heeft verleerd te klagen
En die veel weende heeft verleerd te weenen
En van verlangens bleef alleen dit eene
Dat ieder weet die veel aan leed moest dragen.

Er is een vreemd geheim na diep verdriet;
Er is een vlam geboren in het hart
Die woekerend verteert en telt ons niet.

En in de kracht van dezen vagen glans
Openen zich verloren schemeringen,
Het landschap van de ziel in trans na trans.

J. W. F. Werumeus Buning

=

De overtocht

De eenzame zwarte boot
vaart in het holst van den nacht
door een duisternis, woest en groot
den dood, den dood tegemoet.

ik lig diep in het kreunende ruim,
koud en beangst en alleen
en ik ween om het heldere land,
dat achter den einder verdween
en ik ween om het duistere land,
dat flauw aan den einder verscheen.

die door liefde getroffen is
en door het bloed overmand
die ervoer nog het donkerste niet,
diens leven verging niet voorgoed;
want de uiterste nederlaag
lijdt het hart in den strijd met den dood.

o! de tocht naar het eeuwige land
door een duisternis somber en groot
in de nooit aflatende angst
dat de dood het einde niet is.

H. Marsman

=

Op de doot van myn dochtertje

Jakoba trad met tegenzin
Ter snode werelt in;
En heeft zich aen het endt geschreit,
In hare onnozelheit.
Zij was hier naeu verschenen,
Of ging, wel graeg, weêr heenen.

De moeder kuste 't lieve wicht
Voor 't levenloos gezigt,
En riep het zieltje nogh te rug:
Maer dat, te snel en vlug,
Was nu al opgevaren
Bij Godts verheugde schaeren.

Daar lacht en speelt het nu zoo schoon,
Rontom de hoogsten troon;
En spreit de wiekjes luchtigh uit,
Door wee noch smart gestuit.
O bloem van dertien dagen,
Uw heil verbiedt ons 't klagen.

Hubert Cornelisz. Poot

=

Changement de décor

Zodra de dag als een dreigbrief
in mijn kamer wordt geschoven
worden de rode zegels van de droom
door snelle messen zonlicht losgebroken

huizen slaan traag hun bittere ogen op
en sterren vallen doodsbleek uit hun banen

terwijl de zwijgende schildwachten
nachtdroom en dagdroom haastig
elkaar hun plaatsen afstaan
legt het vuurpeloton van de twaalf
nieuwe uren bedaard op mij aan.

Ellen Warmond

=

Begrafenis van mevrouw T

Door de smalle, gewonden, stijgende laan
waadden we langzaam achter haar aan.
Van het zwijgen deden de kelen pijn,
van het trachten zoo stil als zij te zijn.

Acht sombere zwarte vreemdelingen
deden toen stijf de laatste dingen...
Het graf was zoo klein, een zwarte wig grond
in het fonkelend groen als een smalle wond.

De zon scheen innig rondom op 't gras
omdat zij een goede moeder was.
Haast blij, want alles blonk en geurde,
haast dood als ik dacht, wat er gebeurde...
Toen, na wat zacht en haaprend praten,
hebben we haar alleen gelaten.

Maria Vasalis

=

Vrees

Ik vraag mij af
hoe lang het nog duren zal
dat ik als een bal
heen en weer word geslingerd
en van vreezen verval
tot steeds dieper vreesachtigheid.
en hoe kort is de tijd,
hoe kort is de tijd
dat ik als een bevende voorjaarswingerd
tegen den machtigen muur van het leven hang!

waarvoor ben ik bang?

ik ben bang voor het uur
dat de dood mijn lichaam ontbinden zal
en mijn ziel wordt gezet in het vuur.
ik ben bang dat ik staan zal tegen den muur
en dat de kogel niet missen zal.
ik ben bang, dat ik noch in den duur
noch daarna in de schaduwen van het Dal
den weg naar het hart des levens
meer vinden zal -

ach, de vrezen zijn zonder tal.

H. Marsman

=

Zoo teedere schade als de bloemen vreezen

Zoo teedere schade als de bloemen vreezen
Van zachten regen in de maand van Mei,
Zoo koel en teeder heeft uw sterven mij
Schade gedaan, die nimmer zal genezen.

Eens, toen wij na den nacht tezaam verrezen
Lagen de rozen vochtig en gebroken, ik en gij
Wisten dien langen nacht den regen, ik noch gij
Konden van teerheid immermeer genezen.

Gij hebt de witte en roode rozebladen
Gebeurd in uwe smalle hand, - zij vielen
vochtig en sidderend weer in 't diepe gras.

Hoe zal dan 't hart van even teedere schade
Genezen, nu om u de rozen vielen,
Nu uwe handen stil zijn, diep in 't gras.

J. W. F. Werumeus Buning

=

Onbekommerd toont Amsterdam

Onbekommerd toont Amsterdam
haar rotte gebit, haar aan aardgas
stervende bomen, haar onrein water
waarin de zon zich weerkaatst.
Uit ontelbare vervuilde neusgaten
blaast ze kwaadsappige dampen
over haar daken vol televisie-antennes
en duiven, waarboven de hemel
licht wordt en weer donker, sterren
balanceren een paar minuten op de spits
van een kerktoren, carillons
mengen hun valse stemmen in
de oorverdovende musique concrète
van auto's, ambulances, pneumatische
boren, sloophamers, hei-installaties
en overal kruipen mensen in en uit
de schulp van hun huis, hun krot,
hun dierbare, gehate puinhoop.

Hanny Michaelis

=

Als de hortensia's hun sfeer spannen

Als de hortensia's hun sfeer spannen
in roze schermen,
komen de witte vlinders er binnenzwermen.
Zij wieken aan in paar,
kijken eerst, als postboden naar
het nummer van het bloemenhuis
en letten op hun naast gevaar.
Zij luisteren naar het lichtste geruis
van en in de bomen, om de struiken
en als er bloemen nog niet wakker zijn,
strelen zij de gesloten luiken.

Pierre Kemp

=

Zonder bagage

Ik heb een roofdierhart en roofdiermond,
verorber land na land, elk moment is
het moment voor de sprong.
Ik knoop tijd aan elkaar.
Hoe het komt?

De grens, klemvast, was een ver geheim.
Het was nacht, de maan was rood.
De hoge heuvel sleepte stenen aan
waar 't licht afdroop als
afscheidstranen. Het gevaar
verbond de wond.
We liepen.
De bergkam had
gaten in zijn tanden en het kind
vleugels op haar rug:
schooltasje, foto van de klas,
krabbel van de eerste liefde.

De mens is een bundel
verzwegen verhalen, klaar om
op te stijgen, uit te varen,
verstoppertje te spelen, alleen
tijdelijk in een haven.
Daar
zoek ik weleens tussen sleetse
koffers, reistassen en andere bagage
het schooltasje terug. De eerste
verte. Hoe ik dat doe?

Ik leg me op de grond en vouw me
op tot een pakketje. Verloren maar
vrij om te gaan als de maan
zich schurkt tegen de havenkade.

Jana Beranová

=

Bui

Grimmig snellen rondgerolde wolken,
Eindeloos groote kluwens, aan door 't blauw;
Doodsche stilte... toch, ze naderen gauw,
Scherp weerspiegeld in de molenkolken.

Schelle fonkeling van millioenen dolken...
Dan de donder; - en, van regen lauw,
Schudt de wind den hechten molenbouw,
Loeit het rund, dat wegvlucht ongemolken.

Zuiver, als geslepen edelsteenen
In een rand van donker goud gevat,
Spiedt de klaproos door de halmen henen,

Glanst de koornbloem helder na het bad;
En het paard, met glimmend stijve beenen,
Scheert de klaver, koel en druipend nat.

Jacob Winkler Prins

=

Onder de Sterren

Onder de sterren geslapen. Lang in de tijd
liggen kijken, in de ijlende, krijsende ruimte.
De vreemde vreugde die dat ondenkbare schept.

Ik zag een foto die iemand vanuit een kuil had genomen.
Uitzicht vanuit een graf, stond eronder. Je zag
een stuk van de hemel en de dunne kruinen van bomen.

Ik denk aan mijn vader, heel ver van huis, niet meer
bij machte terug te keren.
En aan mijn ex die ik plots bij mijn tandarts aantrof
boven mijn wijdopen mond, mooier en harder dan ooit,
met een slang in haar hand om het gruis en het vocht
weg te zuigen. Daar lag ik.

Ik zou zo graag licht willen reizen, met in mijn rugzak
niet meer dan wat kleren, een veldfles, een pen
en papier.

Henk van Loenen

=

Idioot

Het denken heb ik afgeleerd: ik ben nu idioot.
De moedertaal viel als een miskraam uit haar schoot.
Het vaderland verschoof en hangt al in de lucht
tussen de andere wolken, op zijn rug.

Ik heb mijn vrouw vermoord, mijn kinderen onteerd.
Ik deed het vriendelijk: ik heb hen niet bezeerd.
Mijn moeder en mijn vader waren dood:
het moest wel want ze werden veel te groot.

Ik ben nu idioot. Als men mij groet
toon ik de droge schering van mijn bloed,
een poeder als op vlindervleugels blinkt,
maar dat bij nader inzien stinkt.

Ik raak verstrooid en ik geef toe
aan die verstrooiing omdat ik het doe.
Ik zoek mijzelf en vraag de wind:
Wie is mijn vader van mijn kind?

Adriaan Morriën

=

Als ik geen rood meer heb

Als ik geen rood meer heb
maak ik de bomen groen, de struiken,
het hele landschap wat ik schilder.
Dus ook het onkruid en het gras,
waarin je languit ligt te wachten roerloos
maar toch diep ontroerd, wanneer je later
het doek mag zien waar ik je rooie jurk
vervangen heb door zachte naaktheid,
waarvoor ik net als voor je glimlach
vooralsnog niet de kleur vond die je past.
Als ik geen rood meer heb,
heb ik nog altijd je lippen.

Paul Snoek

=

Aan Rika

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die de trein
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg om mij,
Het eindloos levenspad met fletse lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

Piet Paaltjens

=

Hoe vredig is het sterve in de natuur

Hoe vredig is het sterve in de natuur.
Het blad valt af, roest op de stille aarde,
vergaat en krijgt in 't vergaan nieuwe waarde:
elk wezen weet zijn tijd en beidt zijn uur.

En altoos is, tussen de tijd van sterven
en het opkomen van een nieuw geslacht,
een verbeiding, iets als een stille wacht
op de anders zo drukke en volle werven.

Dit geeft een rustige bezonkenheid
aan 't leven der natuur in deze streken:
stilte omhangt wat is bezweke' en
een nieuw geslacht wordt stil verbeid.

Maar in de mensenwereld krielen
dooreen, dat wat opkomt en dat wat vergaat.
Vreeslijk is dit: stank van ontbinding staat
zwaar rondom jonge, argeloze zielen.

In een kerkhof van uitgeleefde vormen,
tussen de zerken van misdaad en schuld,
in 't hels geraas, dat alle poriën vult,
moet jeugd opbouwen hare nieuwe normen.

H. Roland Holst - v. d. Schalk

=

Wolken

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag
Languit met mijn moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En mijn moeder vroeg wat ik in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en eenden,
Daar gaat een dame, schapen en een herder
De wond'ren werden woord en dreven verder,
Maar 'k zag dat mijn moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing.
Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst mij wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom mijn moeder schreide.

Martinus Nijhoff

=

Als 't latere geslacht dees woorden leest

Als 't latere geslacht dees woorden leest, -
Want dit geslacht zal lachen om dit vers,
De zotte poppen van de pratte pers
In de aller-aller-eerste plaats, dán 't Beest

Voor niets méér dan een groot gevoel bevreesd,
Dat zich Beschaafd Publiek noemt, dat een kners
Hoort in een gil of klacht, en van elk vers
Rijm-zottertje maakt een familie-feest; -

En ook véél andren zij dit hier gezeid
(Mensen met hart zijn schaars in deze tijd)
Maar zo één is, dan heb ik 't hèm gewijd:

Wees hard, èn koud, èn vreemd, met iedereen,
En ween nooit mee, 'dat gij niet later ween',
Rond u-zelf krimpend, op de grond, alleen.

Willem Kloos

=

Polder

Je ziet zo'n polder denken
aan het grijzig-groen
beweeg van wilgentwijgen,
het snelle rijgen van
signalen langs het riet,
de simpele overdracht van
sloten op kanalen,
het vastleggen van breedbeeld
luchten in de weke delen
van een plas en aan het
bedachtzame omspelen van
getande dijken.

Thom Schrijer

=

De gieteling

Gieteling, ie breugeman,
mit oen zwarte trouwpak an,
wat geef ie oe toch zölf weer bloot,
is 't geluk oe haost te groot?

Ie zöchten oe een prèèkstoel op
bòven in de hoogste top,
en kent gien enkle zorg veur later,
vult slechts de stilte mit geschater!

Oen stemme schalt deur 't aovendrood,
veur 't kleine borsien haost te groot,
en zoveul vreugde op oens stort,
zodat wij der stil van wordt...

Gré S. Broekhuizen

=

Het lied van Mustafa

Het huis waar ik woon, heeft wel erg dunne muren
en we wonen te dicht op een kluit.
Dus een klein beetje herrie geeft ruzie met buren
en zo'n ruzie maakt ook weer geluid.

Men wil in dit land dat we heel anders leven,
ook al zijn we hier soms maar kort.
Maar mijn oom in Marokko heeft laatst nog geschreven
dat ik te veel Nederlands word.

Ik zal deze buurt op de duur wel verlaten,
alhoewel ik er toch wel van hou.
Maar ik wil wel eens hard kunnen zingen en praten
en ik wil wel eens weg uit de kou.

Er is een land waar ze niet meteen vloeken,
er is een land waar ik dikwijls van droom.
Daar zal ik zelf wel een meisje gaan zoeken,
tot verdriet van mijn vader en oom.

Willem Wilmink

=

Witte bloesems

Straks zie ik van haar avondjurk de slippen,
wanneer zij heenglijdt uit de schaduwplek.
Nu kijk ik naar de onrust van haar lippen
en naar het maanlicht aan haar wang en nek.

Wij zouden wel hartstochtlijk willen wenen,
getroffen door de gunst van het geluk
tot ik van de jasmijnen, maanbeschenen,
het takje witte bloesems voor haar pluk.

Blijken van liefde worden uitgewisseld,
ofschoon wij zwijgen in het licht der maan,
omdat met woordengalm slechts wordt bedisseld
de eenzaamheid van ons bewolkt bestaan.

Cola Debrot

=

Wat ik voor je voel

Wat ik voor je voel
zijn meeuwen boven zee en meer
nog in de verte, met snikheet weer
muziek zo zwoel
waarvan de tekst er niet toe doet
maar wel een oude wijze wezen moet...
dat is wat ik voor je voel.

Wat ik voor je voel
is hout dat knettert, warm en zacht
voor haardvuur op een schapenvacht
Buiten koud en koel
het gloeien van 'n kruidenbitter
broze vlokken, winters witter...
dat is wat ik voor je voel.

Wat ik voor je voel
is het gekletter van een waterval
geluid dat mijn gedachten stal
waarin ik dapper woel
door de spetters kan vergeten
wat ik nooit had moeten weten...
dat is wat ik voor je voel.

Wat ik voor je voel
is die mooie onbewolkte nacht
waarin ik sterren had verwacht
een hoger doel
waar hemelsterren plots gaan stormen
tot ze jouw gezicht gaan vormen...
dat is wat ik voor je voel.

Marcel Berendsen

=

De jasmijn

Op een grote platte zwerfsteen
Mijmert hij in lotuszit over
De verfrissende geur van
De lente die hij ondermeer
Weerspiegeld ziet in de
Zachtjes op het water van
Een goudvissenvijver
Wiegelende blaadjes die
Afkomstig zijn van een
Bloeiende Japanse Kers &
Een wijsgerige glimlach
Komt over zijn lippen
Als hij laag over het
Wijde glooiende landschap
Een zwarte wolk naderbij
Ziet komen waaruit op
Een bepaald moment
Zoveel regen valt dat
Hij genoodzaakt is om
Te schuilen in een
Dichtbij gelegen drank-
Lokaal dat uitsluitend
Wordt bevolkt door
Schilderachtige lieden
Die allen aandachtig aan
Het luisteren zijn naar
Een demonische muziek
Die in de vorm van
Uitzinnige klanken
Door een handjevol
Losbandige muzikanten
Ten gehore wordt gebracht &
Onder de bedwelmende
Invloed hiervan krijgt
Hij afgrijselijke
Visioenen door van
Bloedige taferelen die
Zo afschuwelijk zijn
Dat hij met trillende benen
Het duistere gebouw
Verlaat om in de frisse
Buitenlucht weer op
Krachten te komen door
Hardnekkig en met volle
Overgave zich te laten
Doordrenken met de
Verrukkelijke geur van
De door hem tot heilige
Bloesem uitgeroepen JASMIJN

Johnny van Doorn

=

Herfst

Terwijl ik rustte tussen paddenstoelen,
zag ik een spin met zilveren gebaar
een herfstweb bouwen over mijn gitaar,
misschien opdat mijn hand geen klank zou voelen
van zomerliedjes, roestend in de snaar.

Dan, in de schemer, kwam een vrome regen
het bos van kleine zomerzonden kuisen
en in de snaren zongen droppen ruisend
een stil adieu over mijn wilde wegen:
weer moest ik naar behang en steen verhuizen.

Mijn moeder zei: Wat staan je ogen diep,
heb je de zomer tot het laatst gedronken?
Ik zweeg, en zag hoe ik eenmaal verzonken
met Carla tussen korenvelden liep
en hoe papavers om haar voeten vonkten.

Max Dendermonde

=

Avondgang

In de avond klopt het hart der aarde.

Wij reizen luide, met gelijke voet;
de kleine vogels zwijgen te vroeg
en de kleine dieren, moe van 't blaten.

Het regent - 't land is veel schaduw
en de hemel regent vochtig zaad
en het water, een glimmend gevaar,
glijdt langzaam aan achter 't water;

op de stroom de bijna dode boten,
en dan óm ons de ogen licht
en tot de einder de weiden wit
als witte bruiden, stil en verdronken.

De dunne bomen dansend in 't water
en erboven de schapen grijs...
- o, 't geheim van d'avond is wijd
en wijd het schemerend hart der aarde,

en wijd onze dromen, dwalend hoger
in de nevel, de dunne bomen langs,
en wijd de heimlijke wereld van
onze zielen, zacht en blinkend in de ogen;

- en in de avond klopt het hart der aarde...

Herman van den Bergh

=

Hortus conclusus

Vrouwen als braakliggende tuintjes. Orgastische groei
van ranonkel en distel. De vlier verkracht de perzik,

de hitsige brandnetel dringt onbeschaamd het schuurtje
binnen waar droge uien hangen uit een stil verleden.

Hier hoort een tuinman die de dood de rug toekeert
en leert hoe je de tijd stilt met het lover van de liefde,

het vruchtgebruik in eer hersteld. Zo proeft hij
most, lest droom en lust volmondig. Zoals hij
schoffelt en wiedt, zo onderhoudt hij de liefde.

Lut de Block

=

Herfstelijk

De uitgevlamde bomen gloeien na
in avondnevels, die ze langzaam doden.
Ik wandel eenzaam door verkommerd lover
mijn schuldbedrukte heimwee achterna.

Vervreemd zie ik de boeren 't ritueel
van zaden werpen toegewijd voltooien
en meisjes diepgebogen knollen rooien
op velden voor de troosteloze Peel.

Ik ben geïsoleerd in dit verband
van namelozen in hun trouw aan 't leven.
Weemoedig peins ik, zonder streven,
en zwerf absurd door mijn geboorteland.

Ik zoek de vrede van mijn vóórbestaan
en in de plantenbedden van moerassen,
met boomskeletten in de grijze plassen
zou ik verzinken willen en vergaan.

Frans Babylon

=

Marie-Jeanne

Wéér in 2a te zitten was wel fijn
als ik rechts achterom keek naar dat liefje,
Maar zij keek steeds terug zo van wat blief je,
of helemaal niet. Wel de harde lijn.

Met Sinterklaas gaf ik mijn hartendiefje
een hart van suikergoed en marsepein.
Zij deed de stille gever hartepijn,
want gaf hem via Joan het volgend briefje.

Daar stond geschreven: 'Jan, ik heb gemerkt
dat je me aardig vindt. Ik vind jou niet
aardig. Zwijg daar dus over, Marie-Jeanne.'

De doffe dreun heeft twee jaar doorgewerkt.
Nu kan ik lachen en ik zing een lied;
toen wou ik huilen maar ik had geen tranen.

Jan Kal

=

Goede Dood

Goede Dood wiens zuiver pijpen
Door `t verstilde leven boort,
Die tot glimlach van begrijpen
Alle jong en schoon bekoort,

Voor wien kindereren en wijzen
Lachend laten boek en spel,
Voor wien maar verkleumde grijzen
Huivren in hun kille cel, -

Mij is elke dag verloren,
Die uw lokstem niet verneemt;
Want dit land van most en koren
Is mij immer schoon en vreemd,

Want nooit beurde ik hier te drinken,
`t Water dat de ziel verjongt,
Of van dichtbij hief te klinken
`t Verre wijsje dat gij zongt;

Alle schoon dat de aard kan geven
Blijkt een pad dat tot u voert,
En alleen is leven leven
Als het tot den dood ontroert.

P. C. Boutens

=

De buigzaamheid van het verdriet

in een wereld van louter plezier
kwam ik haar tegen, glimlachend,
en ze zei: wat liefde is geweest
luister ernaar in de bomen
en ik knikte en we liepen nog lang
in de stille tuin.

de wereld was van louter golven
en ik zonk in haar als een lijk
naar beneden het water sloot
boven mijn hoofd en even
voelde ik een vis langs mij strijken
in de stille zee.

dag zei ik tegen haar kom
ik je nog eens tegen, glimlachend
maar de wind blies weg
haar gezicht in het water
en ik knikte en werd onzichtbaar
in het stille leven.

Hans Lodeizen

=

Opa

Opa keek vaak in onze tuin
naar die zeven sprietjes gras,
en daar zag opa dan een koe
die er helemaal niet was.

En later, in het ziekenhuis,
kon hij verwonderd vragen
waarom ze toch de buitenmuur
uit zijn kamer hadden geslagen.

Voor opa was het doodgaan
dus niet zoiets als nacht:
het was de steeds grotere ruimte
die hij voor zichzelf had bedacht.

Willem Wilmink

=

Spectacle coupé

De slanke Milaneesche.
Zij is zwijgzaam en men ziet haar zelden
met anderen. Ik hoor haar heesche,
vermoeide stem nog in mijn ooren,
dien avond toen zij haar geheim
naar verten starende vertelde:
haar zoontje dat nooit werd geboren,
zijn naam zou Sandro zijn.

De donkere Mexicaansche.
Zij heeft een bruine moeder en een Duitse vader.
Zij gaat zoo trotsch exotisch door de sneeuw.
Met elken dag komt de dood haar nader.
Zij weet het zelf; zij wil alleen
den korten tijd benutten en door honderd
minnaars begeerd zijn en bewonderd:
'Grossartig soll die Welt zugrunde geh'n.'

De Weensche danseres.
Haar handen waren smal, doorschijnend wit als rozen.
Zij kwam bij avond, bleek maar hartveroov'rend,
met haar poederdoos en infauste prognose.
Al zieker wordend, werd zij meer betoov'rend.
Zij droomde nog van roem en reizen over zee;
Maar hoe eindeloos ver haar eerste tournee - !
Zij was zoo klein, zoo lieflijk en verdorven.
Bijna schertsend is zij vannacht gestorven.

Anthonie Donker

=

onland

ze loopt weer naar het station
ze was mij niet verleerd
gleed haar schaduw niet onbevangen
langs het plafond?

de kamer deinde vanmorgen

in de branding wiegde geurend hout
zomer was het; het is zomers,
de akkers staan onder water,
kijk: ik heb geen oevers meer
volgt het water vanzelf de voren, zoals
een spoor van plafond naar station haar
weg- en weer terugbrengt, of
maken vissen het water turbulent
om voren uit te wissen?

Herman Russchenberg

=

De aarde

Vol afschuw kijk ik naar den grond,
Die vochtig is en vuil.
De aarde
Daar kruipen de lange wormen rond,
En houden de maden zich schuil;
En alles wat onder den grond wordt bewaard,
Beschimmelt en verrot.
Een duffe kelderlucht, o, mijn God!
Vervult de geheele aard.

Ook bergen de menschen in haar schoot,
O gruwel en ergernis!
Het menschenlichaam na den dood,
Het menschenlichaam, wanneer het dood
En vuil en afzichtelijk is;
En alles wat onder den grond wordt bewaard,
Ontbindt zich en verrot.
Een vunze kerkhoflucht, o, mijn God!
Vervult de geheele aard.

Jacqueline E. van der Waals

=

Het Allerdroefste

O droef is elke erinnering
Aan hem, die jong ten grave ging,
Maar 't allerdroefste dunkt mij dat:
Nooit heeft mijn lief mij liefgehad.

O, dat ik dááraan denken blijf!
Voor hem was ik een tijdverdrijf,
Wat hij voor mij was wist hij wel:
Hij was mijn hemel en mijn hel.

Kon ik maar weenen als weleer!
O God, ik heb geen tranen meer.
Kon ik maar bidden! 't was zijn spot
Die mij vertwijflen deed aan God.

O schoon gelaat! o zonnig haar!
Daemonische oogen diep en klaar!
O sphinx-lach om dien fijnen mond!
O raadsel dat ik nooit verstond!

Hij boog mijn trots, hij brak mijn wil,
Mijn afgemarteld hart werd stil.
Hij temde, als een wild dier, mijn ziel,
Tot, slaafsch, zij aan zijn voeten viel.

Mijn arme liefde knielde in 't zand
En kuste, bleek, zijn meesterhand.
Toen hij mij dat had aangedaan,
Toen bood hij mij - - zijn vriendschap aan.

Hélène Swarth

=

Misanthropie

Menschen zijn lelijk, met hun lijf mismaakt
Door 't zwoegen, 't droevig kleed en eeuw'ge ziekten;
Hun geest is laf, of zij voor 't leven schrikten,
't Onloofbare, dat rond uw schijn-zijn waakt,

Verkracht smartvleesch, dat nooit de banden braakt
Waarin u wevers van den dood verstrikten
Uit duistren nacht! Vleeschoogen die uw blik ten
Hemel nooit hieft, en maar wat stoflijks raakt!

Uw beendren zijn verkankerd door de zonde;
'k Zou, als 'k uw bleeke mom afscheuren konde,
'n Beestmuil zien grijnzen. Dóód zijt gij; gesmoord,

Dóód is uw vlam. Rondtastend draait ge, als beesten
Verplet ge elkaar, te zoeken naar één Woord,
Dat lang vergeten is uit menschengeesten.

August Vermeylen

=

Toezebolten

A-j straks admit an 't vèèntien zit,
neemt dan wat toezebolten mit,
en ook wat plumen van det riet
det an de raand van 't diepien stiet,
want daorum heb ik nog verlet
veur 't maken van een dreugboeket.
'k Heb alles kloar, ik heb zoeven
de olde bissekiste vreven,
der lig een warme glaans op 't holt,
de keupern kètel glimt as gold...
daorum, a'j toch an 't vèèntien zit,
neemt dan wat toezebolten mit!

Gré S. Broekhuizen

=

Als ik je aan zie komen

Als ik je aan zie komen
met de bedaarde waakzaamheid
van een dier op weg
naar zijn drinkplaats
probeer ik je te laten zijn
wat je jarenlang bent geweest:
een vreemde die ik nauwelijks kende.
Maar zodra je op de drempel staat
ben je heer en meester van
de situatie en van mij
die je optilt als een kleuter
en als vrouw in je armen houdt.

Hanny Michaelis

=

Vogels

Wiekelwakke vlindervleugels
Grijs of terracottakleurig
Hemelsblauw of bleek als schelpen
Fladderen om bloemenkelken.
Naast een glad en zwart stuk marmer
Rusten door de zon verwarmde
Kopergroene hagedissen.
Soms ziet men een adder glippen
Fraai maar kwalijk om zijn beten
Zigzagzigzag gaan zijn strepen.
't Sieraad dat de bomen dragen
Zijn hun ambergele blaren
En te midden van dit lover
Zitten geelgeveerde vogels.
Laten hier hun klanken dwalen
Tureluren dromend samen.

Jan Hanlo

=

Kleine vriendinnen

Denkt gij, kleine vriendinnen van mijn jeugd,
nog wel eens aan die winterwandelnachten?
Weet gij nog van de maan en hoe wij vaag verheugd
ons deze wereld als een ijsbaan dachten?

Hoe meer de dagen nu aan droom verkrachten,
zoveel te sterker is het, wat mij heugt:
uw ongerepte speelsheid en uw lachen.
Weet gij het nog, vriendinnen van mijn jeugd?

Ik vrees van niet. Bézig met brood en borden,
uw man en kindren wijzend hoe het hoort,
zijt gij kleiner dan toen, aardser geworden.

Denkt niet aan mij, ik laat u ongestoord:
ofschoon uw dromen in de keuken dorren,
leeft gij princesselijker in mij voort.

Max Dendermonde

=

Kleine ballade

Ik liep met de zon als een vurige kool
op m'n hoofd, de terrassen overhoophalend
maar ik kon je niet vinden

het regende van 's ochtends tot 's avonds
ik scheurde alle gordijnen van de regen
maar ik kon je niet vinden

in de nacht, donkerder dan een zonnebril
keerde ik kroegen om als een broekzak
maar ik kon je niet vinden

ik zette mij op het grasveld van mijn ziel
onder de treurwilgen van mijn hart
maar ik kon je niet vinden.

Leo Ross

=

Ek staan op 'n moerse rots by Paternoster

ek staan op 'n moerse rots langs die see by Paternoster
die see slat slingers in die lug
liggroen skuim
onverskrokke kyk ek elke donnerse brander
in sy gut voor hy breek
die rots sidder onder my sole
my bo-beenspiere bult
my bekken smyt die aangeleerde gelate knak uit haar uit
se moer ek is rots ek is klip ek is duin
helder sing my tiete 'n koperklepgeluid
my hande pak Moordbaai en Bekbaai
my arms skeur ekstaties bo my kop:
ek is
ek is
die here hoor my
'n vry fokken vrou

Antjie Krog

=

God is zo ver!

God is zo ver! - Ik kan Hem niet bereiken
Mijn bede rijst niet hoger dan die ster
En hoger woont Hij dan de sterren prijken -
God is zo ver!

God is zo rijk! - Berooid, met lege handen,
schuil 'k huivrend weg, een bedelkind gelijk.
Mijn haard is zo koud, reeds donkren de avonlanden
God is zo rijk!

God is zo groot! - In blauwe hemelzalen
Schalt engelzang, maar dringt geen kreet van nood.
Hoe zal Hij zien mijn droef en eenzaam dwalen?
God is zo groot!

God is nabij! - Ik voel zijn adem waren
In 't wuivend woud, dat suizelt, vroom en blij.
Ik voel zijn adem huivren door mijn haren -
God is nabij!

Hélène Swarth

=

Begeerlijkheid, 't willen proeve' alle dingen

Begeerlijkheid, 't willen proeve' alle dingen,
dat is nu een van de erge gevaren:
de machtigste onder de belemmeringen,
die versperren den weg naar 't leven, 't ware.

Een gulp van den kostbaren levenswijn
zwelgen we haastig en verstrooid naar binnen
en weer een, en weer een: 't hart en de zinnen
blijve' even dorstig, als waar 't drinken schijn.

We moeten leeren, verlokking weerstaan,
en wat zich ons opdringt, leere' af te weren:
hoe luid het schreeuwt, wij nemen het niet aan.
Wij moeten ons tot d'oude wijsheid keeren:
van haar, hoe door het àl te vele, leeren
met evenwichtig hart te gaan.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Gebed voor de galg

.... Toen werd ik, zonder luister naar men zegt,
geboren, en in 't krieblend stroo gelegd,

hetgeen terstond de weelge netels van
mijn zinnen wekte: was ik niet een man? ....

Daar waren, weliswaar, een maagre koe
en enkle herders, maar die waren moe

van 't jagen naar hun ordelooze vee,
dat klaver in andermans velden sneê.

Daar was nog, zegt men zelfs, (men zegt zoveel),
een rijke koning uit elk werelddeel.

Mijn moeder glom daarbij van hovaardij,
(om minder zoudt ge 't doen). Maar vader, hij,

die man-van-orde was, schudde de hand:
'Aan dezen jongen is geen rechten kant!'

en stapte 't af ten stal, waar 't zwijn dien dag
in de aureool van zeven viggens lag.

.... o Vader, die mij laafde met uw zweet,
dien elkendeen, om uwe vrouw, vergeet,

de kudde-kristen en de evangelist,
die liever van Maria droomde, en wist

te praten van heur haar, heur hart, heur hemd,
(omdat de lof van vrouwen vrouwen temt

misschien ....) O gij slechts hebt me gansch dóórdacht:
was ik geen dwarslijn in uw levensjacht?

Waar ik vóór persen stond van zatten wijn,
vóór dorpen die in dankb're doening zijn:

al deze vreugde viel me laks en loom;
ik hoorde van het leed den onderstroom

en zag niets dan wat zich ten schaduw vleit,
den overlast of de onvoldongenheid,

den appelaar dien God den bloei misjont,
't onnoozel kind en 't schaap, den maagren hond,

den leurder en zijn wijf, die voor den wind,
bij nacht, geen deken en geen schutsel vindt,

den vedelaar met zijn gesprongen snaar,
het misgewas, den sul, den broddelaar,

de padde met één oog en de' afgebeulden bok,
die elk idyl verpesten in hun wrok.

Ik was het miasme dat scheidend drong
in elke zelfvoldaanheid. 'k Was de wrong

die rechte lijnen kluwt, de visschers in 't net
belastte met mijn in-zicht en mijn wet,

waarvoor ik 't bij Herodes heb ontgeld,
lijk een vóór-zichtige oom het heeft voorspeld,

eens bij de lamp, een avond aan mijn huis:
Worg dezen knaap: hij eindigt nog aan 't kruis!

O Goedertierenheid, die nog een galg
en nog drie spijkers vond voor mijnen balg!

Richard Minne

=

Getijde

het strand van mijn hart waarin de golfslag van de dag getekend staat is drooggevallen.
achter een horizon van vogels boven wolken en water
ontwijkt de vloed mijn handen.
kom nu en zoek de schelpen bijeen
de rose van mijn liefde de grijze van mijn eenzaamheid
maar laat de witte dicht want daarin woont het schelpdier van mijn verlangen.
de fles met het laatste bericht.

Katinka Terhorst

=

Maar is er dan geen licht in het donker?

Is er geen redding voor de massa,
de duizenden jaren onderdrukte,
is er geen redding uit den nacht?

Ja, er zijn drie lichten die schijnen
voor de massa der onderdrukten,
drie verre sterren in den nacht.
Het zijn arbeid en strijd en liefde.

Die drie verlichten den nacht in het donker,
en tonen heel ver, heel ver, heel ver,
de wolken van damp nauw zichtbaar, nauw zichtbaar
de flauwe kust van het land der vrijheid.

Herman Gorter

=

Maria magdalena

Voor Chally

Er dropen rozen neer uit de guirlanden
En vielen op het bed, waar we ons verveelden,
Terwijl de binnenkanten van haar handen
Streelende langs mijn zieke hoofd heen speelden.

Drinkend het licht, ging zij door de warande
En door den tuin, waar bloemen zijn en beelden -
Ik zag een cirkel om het hoofd heen van de
Vrouw, die het doelloos leven nam als weelde.

Zij ging ten heuvel waar de kruisen stonden,
Zag haar leven vervloekt, waar Hij in pijnen
Machteloos hing aan 't hooge hout gebonden -

En een triomf schreeuwde in de tambourijnen,
Toen zij waanzinnig dansende op de pleinen
Luid lachte omdat een God stierf voor haar zonden.

Martinus Nijhoff

=

Herinnering aan Foxhol

Oom Haiko was een vriendelijke man,
altijd vol grappen, hartelijk, hulpvaardig.
Later bleek hij iets minder achtenswaardig,
maar daar wist ik als jongen nog niets van.

Ik kwam er graag. Ik speelde op een keer
achter het huis, een zomerdag. 't Werd later,
een lage zon verguldde 't stille water,
wat verderop lag het Foxholster Meer.

De grote mensen zaten aan de thee
en oom vertelde. Hai wol mie verlakn,
dij jeude, mor ik har hom goud te pakn,
dèn kiek... De jongen speelt en luistert mee.

Het is een mooi verhaal. Ze lachen luid
en oom vertelt nog meer. Hij weet van wanten.
De jongen is een tuintje aan het planten,
lisdodden, biezen, riet en bilzekruid.

Zo is 't mor krek. Ie waitn hou dat gaait.
Je kunt maar beter niet met ze beginnen.
We moeten onze naasten toch beminnen...
Mor ale jeudn binn' mien noastn nait.

Hij is heel vroom. Aan tafel voor 't gebed
zegt hij eerbiedig even stil te wezen,
en na het maal vraagt hij, de psalm gelezen,
de zegen van een jood uit Nazaret.

Die oom. Hij hield ons allen voor de gek.
Ik hoor hem weer, de zon schijnt op het water,
maar ik kan niet meer lachen om wie later
stikten in Sobibor en Majdanek.

Yge Foppema

=

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij-zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, -

En als een heir van donker-wilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

En tóch, zoo eind'loos smacht ik soms om rond
Uw overdierbre leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

Willem Kloos

=

Gij hebt gezegd dat sterven moeilijk is

Gij hebt gezegd dat sterven moeilijk is
Gij hebt gevraagd of het nog lang zou duren
Gij hebt gemeend dat uwe laatste uren
Zouden vervloeien met de duisternis
In eenzaamheid van goudbehangen muren

Maar neen 't was alles klaar en lichtdoordrongen
Zoals gij immer wenste dat het was
De zon scheen op uw aangezicht van was
En op uw bed en op het helder waterglas
Waarvan de prismakleuren in sordino zongen

Gij hebt zo heerlijk mij gezeid
Bij u te blijven tot de laatste stonde
En in uw blik lag toen een zacht verwijt
dat ik u niet heb liefgehad te allen tijd
Zoals gij mij te aller stonde
En dit verwijt laat mij niet veel respijt

Al hebt gij nooit verlangd dat ik meer van u hield
Dan heb ik het heb gedaan
Alleen begrijpt men niet vóór wat men heeft vernield
Dat men nog stom kan staan
Stom vóór het reddeloos verleden
Stom als het leed dat gij hebt doorgeleden

En toen haar hartslag aan haar slapen
Zo aarzelend zijn laatste slagje sloeg
Was 't mij alsof de dood zijn hand zou gaan betreuren
Ach even maar alsof hij dit betreuren reeds betreurde
Te laat ofwel te vroeg

En toen het laatste gulpje bloed haar mond ontsprong
Moet ergens in het woud de bron ontsprongen zijn
Waarin haar leven verder vloeien zal
Verder en onbekend in 't onbekende...

Gaston Burssens

=

Gij dan, vul uw hart uit het stille bekken

Gij dan, vul uw hart uit het stille bekken
der eenzaamheid, met vastheid, liefde en rust
en keer niet terug naar de menschen-kust
eer deze krachten u geheel doortrekken
en hun werken in u, u werd bewust.

Keer niet, eer ge van u zelf kunt geven
en blijven even rijk, hoeveel g' ook geeft.
Daden zijn golven, die opkome' en even
staan, dan terugzinke' in het leven,
maar gij zijt hij, die achter daden lééft.

Gij zijt de grond, waarin ruste' al uw daden:
de zee, waaruit hun golfslag komt gerezen:
het knooppunt, waar hun veelkleurige draden
in saamkomen. Ze zijn om u een wade,
zich plooiend naar den grondvorm van uw wezen.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Er is iets in de dingen dat ontroert

Er is iets in de dingen dat ontroert:
het is de schoonheid niet der bloemen,
noch het glanzen van een blad, noch ’t roepen
van de roerdomp in de nacht. Het is
daarin, maar ook daarachter en daarboven
en daaronder, dieper in de grond, die
warm en geurig is als een versgebakken brood.

Het zijn de sappen die onzichtbaar blijven,
diep in de wortels en het hart waarin
het leven roert. Het zijn de klanken en geluiden
die een kind kan horen als het zijn oor
te luisteren legt dicht aan de grond. Het is
het rillen van de wingerdrank wanneer uw
hand haar aanraakt, en het beven van de
kever op het blad, dat groeit en zwelt.
Het is het dons der distelbloemen de
pijn der wonden die uw vlees doorsplijt.
Het zijn tekenen van Gods aanwezigheid.

Pieter G. Buckinx

=

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel,
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Martinus Nijhoff

=

Het goede voornemen

Wanneer ik traag in 't leren ben,
Dan denk ik aan het kleine miertjen,
En sta dan in mijzelv' beschaamd,
Bij 't voorbeeld van dat vlijtig diertjen.

Des zomers werkt het altijd voort,
En nimmer zou het moeite sparen,
Om, in de kleine voorraadschuur
zijn wintervoedsel op te garen.

En, zou ik, minder wijs dan hij,
Mijn tijd met ledig zijn verslijten,
Zodat ik als ik ouder word
Mijzelv' mijn luiheid had te wijten!

O neen; ik weet het is mijn plicht,
En 't hoort bij voeglijkheid en orde,
Dat ik niet altijd ledig ga,
Maar zorg draag dat ik wijzer worde.

Ik zal dan, zoals 't miertjen doet,
In tijds reeds voor de toekomst zorgen:
En, wat ik heden leren kan,
Stel ik gewis niet uit tot morgen.

K .W. Bilderdijk-Schweickhardt

=

Eindelijk

Nachtvlinders paarden piepend met wilde katten.
Stenen gaapten hun lelijke gebitten bloot.
In 't bruisend riool speelden vier ratten
kaart: 'n uil reed met 'n kruiwagentje door 't rood.

Nóg begreep ik 't niet: ik schudde de heg!
Kevers ritselden met hun doornen dolken.
Licht wandelde, steunend op 'n stokje. De weg
giechelde, woelde, stiet 't hoofd aan de wolken.

Ook hier niet? Nee! 'n Spijkerbroek vermoordde
'n muis, 'n vuilnisbak gilde, tolde,
brak open en toonde z'n buik boorde-

vol koppen, waarvan 'r een krijsend in 't riool rolde.
Eindelijk: m'n melk ruiste, m'n tepels bloedden
toen ik je, achter 'n schutting, teder voedde.

Tymen Trolsky

=

Herfstnacht in de Tuilerieën

Alle banken hebben hun gelieven
aan de moede scheemring toevertrouwd.
En zij huiveren diep in eigen hout
sinds de minnenden zich stil verhieven.

Nacht en regen. Soms een roep door 't woud
van een duif en het onhoorbaar klieven
van het duister, dat zich slapend houdt
om de laatste liefde te gerieven.

Verder niets. De nacht en ik alleen,
eenzaam wandelend aan de rand der tijden,

zó verheugd en zó bedroefd meteen
om mijn voeten die een afscheid schrijden...

En de zachte regens om mij heen
of iemand ingehouden schreide...

Gerard den Brabander

=

Liefde en zonde

Toen zag ik Liefde en Zonde, hand in hand,
Met roode rozen in het gouden haar.
Zij wenkten mij met vriendlijk handgebaar:
- 'Kom met ons mede naar 't Beloofde Land!'

Ik trilde stil van weelde en zoet gevaar.
En Liefde gaf me een passiebloem tot pand
En Zonde bond mij met een rozenband
De lokken saam en 'k volgde... ik weet niet waar.

Doch, toen ik omzag naar den verren weg
Die, achter mij, verzonk in duisternis,
Toen zag ik Schaamte en Wroeging, hand in hand.

En, droef, school Schaamte in witte sluiers weg,
En, bleek als eene die gestorven is,
Toog Wroeging mede naar 't Beloofde Land.

Hélène Swarth

=

De blauwbilgorgel

Ik ben de blauwbilgorgel,
Mijn vader was een porgel,
Mijn moeder was een porulan,
Daar komen vreemde kind'ren van.
Raban! Raban! Raban!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Ik lust alleen maar korgel,
Behalve als de nachtuil krijst,
Dan eet ik riep en rimmelrijst.
Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben de blauwbilgorgel,
Eens sterf ik aan de schorgel,
En schrompel als een kriks ineen
En word een blauwe kiezelsteen.
Ga heen! Ga heen! Ga heen!

C. Buddingh'

=

Gij zijt niet slecht geweest: gij waart slechts zwak

Gij zijt niet slecht geweest: gij waart slechts zwak,
Om niet in Mij te g'looven, die u liefde.
Gij waart een kind, dat àl zijn speelgoed brak,
Wanneer het langer niet zijn speelgoed b'liefde.

O, kind.... Ik wàs geen kind! Ik ben 't, die kliefde
Dit mijn schoon hoofd, zoo sterk eens, tháns zoo wrak,
Omdat ik niet met mijne groote Liefde
Alleen wil zijn, bij al dat volk, zoo mak.

Gij woudt mijn dood, en ik, ik wilde uw leven:
't Is goed, ik ben gevallen in mijn pracht ...
Maar om Mijzelven, nimmermeer door U.

Thans is het úwe beurt van kracht. Welnu:
Tracht éven sterk, als ik nu stérf, te léven
In de eenzaamheid van 't leven, dat u wacht.

Willem Kloos

=

Waarheen, waarvoor

(Amazing Grace)

Waarheen leidt de weg die we moeten gaan?
Waarvoor zijn wij op aard'?
Wie weet wat er is achter ster en maan?
Hoe lang duurt nog de nacht?

Waar ligt het land waar we mogen zijn?
En wat is de taak die ons wacht?
Waar is de geest die met ons leeft?
Die ons de vrede geeft?

Waar staat de poort die ons binnenlaat?
En die ons ook beschermt?
Hoeveel offers werden er gebracht?
Toch nog blijft het nacht.

Waar dan is het licht op ons duistere pad?
De hand die ons geleidt?
En hoe lang, ja hoe lang nog duurt de tijd?
Dat wij zijn bevrijd?

Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?
Waarvoor zijn wij op aard'?
Wie weet wat er is achter ster en maan?
Hoe lang duurt nog de nacht?

Karel H. Hille

=

Herfst

’t Is stil in de lucht, de trekkende ganzen
Richten hun zuidvlucht in wiggevorm.
Verbrijzeld, ontblaard door den laatsten storm
Hangen de takken in zilverglanzen.

’t Is stil… om van verre landen te droomen,
Of men vanzelf er zoo heen zal drijven,
Aan niemand gehecht, niets dat weerstand biedt,
Maar weet men wel dat men er nooit zal komen,
Om voortaan op deze plek te blijven…
Waarom op deze, op een andre niet?

Er is iets in dien vijver, die boomen
En ’t huis aan de heuvels dat samenhoort,
En ik ben als gast door hen aangenomen…
Nu wordt het tijd voor het laatste woord.

Jan Jacob Slauerhoff

=

De bedelaar

Die afgeleefde man, die bijkans nakend zit,
En trillend van de kou, mij om een duitje bidt,
Is even goed als ik. Gods wijsheid gaf alleen
Mij wat meer geld dan hem. Ben ik dan beter?... Neen.
Een vroom en eerlijk mens draagt dikwijls slechte kleren,
Ik wil dan ook de deugd in arme mensen eren.
Die met verachting op hem ziet,
Doet naar ‘t bevel van Jesus niet.

Hieronymus van Alphen

=

Het schoonste, wat ik weet in de natuur

Het schoonste, wat ik weet in de natuur,
dat zijn de wolken, als zij het licht drage' in
hun flanken en zich in de lichtzee wagen,
onbekommerde zeilers zilverpuur.

Hun edele vormen, die nooit verstarren,
maar altijd weer in andere verglijden,
hun stoeten, die zich warren en ontwarren,
als menschlijk gebeure' in bewogen tijden,

zij maken de ziel blij met hun genade.
Hun diepe grotte' en stoute steigeringen,
beelden zuiverder dan alle andre dingen
het rijk der ziel, de moeder van de daden.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Na een jaar

In dezen morgen zie ik dat de nachten
Dragend geweest zijn, van extase zwaar -
En onze dagen, lichtend in elkaar,
Ernstig van de bezinning der gedachten.

Boven de warreling van zwarte nachten
En witte dagen, staan wij, boven 't jaar.
En zien de harde oneindigheden naar
Het wentlen onzer wereld zich verzachten.

Ik heb me plat tegen den grond gelegd
En woorden heb ik tot mezelf gesproken,
Die ook een doode tot zichzelve zegt,
Die in zijn donkere eenzaamheid ontwaakt:

Leven was goed al heeft het mij gebroken,
Leven is goed ofschoon het dooden maakt.

Martinus Nijhoff

=

'k Zit met mijn lamme beenen

'k Zit met mijn lamme beenen
in de assche van een stervend vuur.
Ik bid; mijn vrienden weenen;
en 't hangt mijn keel uit op den duur.
Zal ik mij dan vervelen
met langer Job te spelen?
De schoonste lol, de liefste lol
maakt op den einde dol.

De schapen moet men scheren
en de ezels moet men slaan, ja slaan.
Zoo wil 'k, in alle zeere,
mijn lamme beenen gaarne braên.
Mits 'k U dan maar en geve
het zout van dit mijn leven,
en van mijn wrokkig offer, God,
niet worde te eigen spot.

Karel van de Woestijne

=

Liefde op het veld

Ruggen zijn ons andere gezicht.

Een rug kijkt terug.
Als kind maakte ik twee ogen
achter op mijn jack.

Bij angst of verdriet,
als het hoofd beschutting
zoekt, kromt de rug.

Boze katten hebben hoge ruggen.

Maar jij liefste -
de boog van jouw rug
schiet pijlen naar mijn hoofd!

De paniek van de eerste vlinder
fladdert nog in mijn buik.

Ik koester je koningshemd,
jouw ongetemde vlakte, je
rent me tegemoet.

Raak me aan, raak me aan,
fluister je telkenmaal. Ik schrijf.

Zie niets door de vingers,
alles door de huid. In mijn
hand is je rug beschut
teder
zoals alleen een beeld vermag.

Jana Beranová

=

Een draaimolen van veel gesponnen woorden

Een draaimolen van veel gesponnen woorden
een nevelpaard verborgen in een ven
een poes van klei met bloemen
een open mond in maskers
een draaimolen van veel gesponnen woorden
de vleugels die wij missen
het gonzen van een bij
een landschap waar we ingaan
een poes van klei
een draaimolen van veel gesponnen woorden
van ik heb je lief.

Gerti Bierenbroodspot

=

Mon oncle

1
Een statige straat
waaraan de bomen het laatste licht
hebben onttrokken. Ik weet nog niet
van het meisje op nummer achttien.

Op de hoek klimt een kind
in een brievenbus, en kijkt in de tuin
en ziet uit op het huis waar juist
een dochter wordt geboren.

De dichter kent de namen
en adressen, maar blijft
in stilte kijken;
want waartoe dient het woord
zolang het niet wordt uitgesproken:
de liefde is het kind nog niet bekend.

2
Wie is die man
met strenge trekken aan de deur?
Hij werd mij voorgesteld als oom,
maar ik wist beter.

Daar zat in de tuin een mevrouw
in lichte kleding (de zon scheen?)
wier naam ik, kind, niet
uit kon spreken: Kathy.

Wanneer ik beter kijk, veranderen
de tuinstoelen van kleur, de gang
wordt lang en somber, en de zon
bestaat al evenmin als Kathy.
Ik maak me vrolijk
Om mijn eigen geheugen.

3
Mijn oom leek veel te lezen;
niet zonder trots liet ik mij leiden
door het grote boek in zijn kast
waarin van een club werd gesproken.

Wij schreven brieven in geheimtaal
- vegen inkt als vingerafdruk -
mijn bloedbroeder (het secretariaat)
aan mij (het presidium).

De statuten volgen wij niet meer
(aan vrouwen moest de toegang worden ontzegd
tot ons genootschp):
De bloedbroeder trouwde, de president
heeft een maîtresse, maar de club
is officieel nog niet ontbonden.

4
Zij spreken moeizaam, het kind
naïef en licht verschrikt,
de vader droef van drank, en ik
weet niet dan dat zij beiden huilen.

Ik ben vergeten hoe helder de nacht was,
maar niet dat ik ren aan de hand
van het kind - het schrikt terug
voor de ramen en portieken -.

Die avond heeft het in het huis
geslapen, tegen zijn zin, maar
daar wordt niet naar gevraagd.
De oom woont elders
(Hij houdt niet meer van tante.)
en de vader wacht op antwoord.

5
Het huis lijkt donker
als de kamer waarin zij ligt:
een moeizaam zwijgende moeder,
diepe groeven in haar voorhoofd.

Mijn oom lijkt in niets
een handelaar in apothekerswaren,
al bezit hij een kast vol drankjes,
zetpillen en hoofdpijnpoeders.

Maar moeder heeft meer
dan een hoofdpijn: trek dicht die gordijnen!
hier helpen geen tabletten.
Verwijtend stijgt de geur
van verbrande groenten
naar haar kamer.

6
Er hangt een geur van oud fondant
in mijn herinnering aan tante;
haar moeder bezat een villa vol glas
en kinderspeelgoed.

Het huis van mijn oom ruikt
nog altijd naar niets, de brievenbus
staat niet meer op de hoek, kinderen
spelen hier al in geen jaren.

De straat lijkt minder groots geworden,
van een zinloze afstand
bekijk ik haar huis, waarom
staat zij niet voor de ramen?
Ben ik een kind,
of hoe zit dat?

Jan Blokker jr.

=

Reeds is de winter

Reeds is de winter ons voor goed gescheiden,
de lente ergens ver, aadmende, wacht,
de rulle sneeuw wordt van wit zwart en zacht,
en komt met ploffen van de daken glijden.

In de prikklende lucht, nu zoel als zijde,
die op de stad hangt als vochtige vacht,
komt nu een storm, die langs de breede gracht
zoet regenwater brengt, alsof hij schreide.

Zoet is de toovering van die droefheid,
waarin zoo veel beloften slapend zijn,
in dezen storm, van onbewuste vreugde.

De donkre wolk, welks regen de storm teugde,
hangt zwaar, en gaat diep in gezwollen lijn,
terwijl de doffe stad droomende leit.
Ik heb zoo’n honger en dorst.

Herman Gorter

=

U eeuwige

U eeuwige
die verweg zijt en ongezien
u komen toe mijn zwijgen en mijn lied
alle verlatenheid en drift
mijn honger mijn verlangen
want gij zijt god
u komt het toe alleen
en niemand in verdriet in vrede
is bij machte u te noemen.

Onuitsprekelijk zijt gij
en goed
goed is de hand
die alles heeft geschapen
onzegbaar goed
is onze broeder zon
die elke dag maakt dat het dag is
die doorschijnend mooi
van licht en krachtig is
die ons met blindheid slaat
overweldigt troost opvrolijkt
levend maakt.

Huub Oosterhuis

=

Het Wilhelmus

Wilhelmus van Nassouwe
Ben ick van Duytschen Bloedt,
Den Vaderland ghetrouwe
Blijf ick tot inden doet;
Een Prince van Orangien
Ben ick vry onverveert.
Den Coninck van Hispangien
Heb ick altijt gheeert.

In Godes vrees te leven
Heb ick altijt betracht,
Daerom ben ick verdreven
Om Land, om Luyd ghebracht:
Maer Godt sal my regeren
Als een goet Instrument,
Dat ick sal wederkeeren
In mijnen Regiment.

Lijdt U, mijn Ondersaten,
Die oprecht zijn van aert,
Godt sal u niet verlaten
Al zijt ghy nu beswaert:
Die vroom begheert te leven,
Bidt Godt nacht ende dach.
Dat Hy my cracht wil gheven
Dat ick u helpen mach.

Lijf ende goed al te samen
Heb ick u niet verschoont,
Mijn Broeders, hooch van Namen,
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolff is ghebleven,
In Vrieslandt in den Slach,
Sijn siel int eewich leven
Verwacht den jonghsten dach.

Edel en Hooch gheboren
Van Keyserlicken stam:
Een Vorst des Rijcks vercoren,
Als een vroom Christen-man,
Voor Godes Woort ghepreesen,
Heb ick vrij onversaecht,
Als een helt zonder vreesen
Mijn edel bloet gewaecht.

Mijn schilt ende betrouwen
Zijt ghy, O Godt, mijn Heer.
Op U soo wil ick bouwen,
Verlaet my nimmermeer;
Dat ick doch vroom mag blijven
U dienaer t'aller stond
Die tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwondt.

Val al die my beswaren,
End mijn vervolghers zijn,
Mijn Godt wilt doch bewaren
Den trouwen dienaer dijn:
Dat sy my niet verasschen
In haeren boosen moet,
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.

Als David moeste vluchten
Voor Saul den tyran:
Soo heb ick moeten suchten
Met menich edelman:
Maer Godt heeft hem verheven,
Verlost uit alder noot,
Een Coninckrijck ghegheven
In Israël, seer groot.

Na tsuer sal ick ontfanghen
Van Godt, mijn Heer, dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Mijn vorstelick ghemoet,
Dat is, dat ick mag sterven
Met eeren, in dat velt,
Een eeuwich rijk verwerven
Als een ghetrouwe helt.

Niets doet my meer erbarmen
In mijnen wederspoet,
Dan dat men siet verarmen
Des Conincks landen goet,
Dat ud de Spaengiaerts crencken,
O edel Neerlandt soet,
Als ick daeraen ghedencke,
Mijn edel hert dat bloet.

Als een Prins opgheseten
Met mijnes heyres cracht,
Van den tyran vermeten
Heb ick den slach verwacht,
Die, by Maestricht begraven,
Bevreesde mijn ghewelt;
Mijn ruyters sach men draven
Seer moedich door dat velt.

Soo het den wil des Heeren
Op die tijt had gheweest,
Had ick geern willen keeren
Van u dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert,
Die men altijt moet loven,
En heeftet niet begeert.

Seer christlick was ghedreven
Mijn princelick ghemoet,
Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Van mijnes herten gront,
Dat Hy mijn saeck wil reden,
Mijn onschult doen oircont.

Oorlof mijn arme schapen,
Die zijt in grooten noot.
U Herder sal niet slapen,
Al zijt ghy nu verstroit:
Tot Godt wilt u begheven,
Sijn heylsaem woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaen.

Voor Godt wil ick belijden
End sijner grooter macht,
Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere,
Der hoochster Majesteyt,
Heb moeten obedieren,
In der gherechticheyt.

Marnix van Sint Aldegonde (?)

=

Klokke Roeland

Boven Gent rijst eenzaam en grijsd
't Oud Belfort, zinbeeld van 't verleden.
Somber en grootsch, steeds stom en doodsch
Treurt de oude Reus op 't Gent van heden.
Maar soms hij rilt en eensklaps gilt
Zijn bronzen stemme door de stede.
Trilt in uw graf, trilt Gentsche helden,
Gij Jan Hyoens, gij Artevelden.
Mijn naam is Roeland, 'k kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland!

Een bont verschiet schept 't bronzen lied
Prachtig weer toov'rend mij voor de oogen
Mijn ziel erkent het oude Gent
't Volk komt gewapend toegevlogen.
't Land is in nood, "vrijheid of dood"
De gilden komen aangetogen.
'k Zie Jan Hyoens, 'k zie d' Artevelden
En stormend roept Roeland de helden.
Mijn naam is Roeland, 'k kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland!

O heldentolk, o reuzenvolk
O pracht en macht van vroeger dagen!
O bronzen lied, 'k wete uw bedied
En ik versta 't verwijtend klagen.
Doch wees getroost, zie 't oosten bloost
En Vlaand'rens zonne gaat aan 't dagen.
Vlaanderen den Leeuw! Tril, oude toren
En paar uw lied met onze koren.
Zing: ik ben Roeland, 'k kleppe brand
Luide triomfe in Vlaanderland!

Albrecht Rodenbach

=

Witlof

De afzonderlijke oerknallen van

dingen, het (ontstaans)eureka van sorbet, papier, de slede, radio-

golven, de dasknoop, het elektron, poedersuiker. Was het
in stolpen maar ergens bewaard. Grote glazen reservoirs

waaronder men dan bij verwonderingverlies, bij bovenmatig balen
inhaleren kon het prilste, prettigste begrippen-

begin, ontdekkingsenthousiasme.
Dan in zo’n stolp met jou te staan, diep in te ademen de kick

van de vondst van wat wij daarna dan verzoend en -strengeld
weken aten: rauwe, bleke losgewoelde ledematen van

de aarde.

Ruth Lasters

=

De herfst talmt nog tusschen de blauwe lande

De herfst talmt nog tusschen de blauwe lande' en
buigt over ze met zegenenden groet,
als warmte hangt lang over avondstranden
of vreugde nazingt in een klaar gemoed.

Zijn heldre, toch gedempte zegeningen,
doordrenken het hart met zóó zoete kracht,
dat het de last der allerzwaarste dingen
voelt slinken tot veerlichte vracht.

De ziel, bevrijd van angsten, rekt haar leden:
zij ademt lichter, immers zij vertrouwt:
zij buigt zich heen over haar eigen vrede
als naar een hemel, die inwendig blauwt.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Landelijke rust

't Gras is zo groen als gras met hier en daar
de doodgewone staande koe.
Daartussen ligt het koebeest. Grazensmoe.
Het half paar paarden stapt wat, maar
het schaap is nergens tegen, nergens voor:
't kijkt lijnrecht tusschen weide en wolken door.
En ook de boer gaat nergens meer naar toe.

J. Meulenbelt

=

Sunter Meerten

Ik droag mien kip-kap-kogel,
kaauw mit baange vogel
deur de swaarte nacht
dij vaals noar ‘t leven slagt.

Ik loop in ‘t rode lichten
deur mien laand van plichten
en duur nait zingen hoast
veur mensen dij ‘t verboast.

Smis mout ik even poesten,
moar as hengen roesten
aan deuren, loop ik weer;
op ‘t laid van leste keer.

Mien zingen wordt al vroagen:
is mien laid volsloagen?
Veur ik zulf besloet
dooft vlam mie langsoam oet.

Ik droag mien kip-kap-kogel,
- kaauw mit dode vogel
deur ‘t laand van Sunter Meerten
over streep van leste veerten.

Simon van Wattum

=

Het onze auto

Onze auto, die in de garage staat,
uw merk worde geheiligd,
uw wegenplan kome,
uw wil geschiede
gelijk op de viaducten
alzo ook in de tunnels.
Geef ons heden
ons dagelijks comfort
en vergeef ons onze brokken
gelijk ook wij vergeven
onze brokkenmakers.
En rijd ons niet in de vernieling
maar verlos ons
van de roekelozen,
want van u is het wegennet
en de p.k.
en de topsnelheid
tot in de eeuwigheid.
Amen.

Piet Kalteren

=

Hij had eens gelezen

Hij had eens gelezen
dat iedereen
min of meer
hetzelfde was

Niet dat hem dat
tevreden stelde
of gerust

Het enige pluspunt
was dat hij niet
niet meer de deur
uit hoefde om
dit te staven

U kunt uw leven
nog eens rustig
nalezen op
Teletekst of
www. –
maar verder kwam
hij niet

Look J. Boden

=

Zag jij misschien dat ik naar jou

... zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings-
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.

Joost Zwagerman

=

Dwaos

Elk jaor stiet hij daor
tussen 't vallend harfstblad
op de brink, beulend
tegen de hoogste boom

bij elke wiendvlaoge die
de pette van d'oren trekt
slöt hij rap een kruus, oreert
luudkeels Bloems' November

voorbij de prille wegen om
te ontkomen aan de tijd!

en in 't veurjaor
bij het botten
van de bomen, is hij der weer
zingt Gorters Mei
blauw als een avondlucht bij windgetij.

Ria Westerhuis

=

Ballade

Een elfje liep door Sprookjesland
met een twaalfje aan d'r hand.

De elfenkoning zag hen gaan
en sprak de twaalf verbolgen aan.

Mijnheer, hoe waagt een twaalf als gij
te vrijen met een elf van mij?

Zo iets is hier nog nooit gezien,
zelfs met geen negen of geen tien!

De jongen zei: Vorst, permitteer
dat ik mij even opereer.

Hij sneed een stukje uit zichzelf,
toen was de twaalf nog slechts een elf.

De vorst schreed voort, hij was voldaan.
Het elfje zag haar jongen aan.

Het elfje zag haar jongen aan
en schreiend is het heengegaan.

Gaston Durnez

=

Verzet begint niet met grote woorden

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met een zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in z'n kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die de sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen

Remco Campert

=

Ik dank u voor de Waarheid, - voor den drang

Ik dank u voor de Waarheid, - voor den drang
naar haar, die werkte in mij, mijn leven lang,
waar zwakheid tegen in verzet kwam, keer
op keer, maar die 't hart altijd moest zijn heer
erkenne' in 't end, hòe lang het somtijds vocht
tegen d' erkenning. Dank, dat rust noch duur
dat hart vond in den leugen, maar haar puur
en louter oog altijd 't ontmoeten zocht.
O dank, dat ge háár zond, uw ademtocht,
tot mij, m'iets openbarend in den tijd,
die g'alle Liefde, Schoonheid, Waarheid zijt
in eeuwigheid.

Dit alles schonkt ge mij. Wèl was het veel,
maar één verlangen zwelt nog naar mijn keel.
Voor alles dank ik u, wat ge me schonkt,
voor al de malen, dat ge mij toewonkt
in een gedachte, een glimlach, een lied.
Uw straling schonkt ge me, uw kern nog niet.
Eén gave onthield ge mij nog en ik derf
z'al nooder. Daarom vraag ik: eer ik sterf
geef me, al mocht het ook slechts éénmaal zijn,
mij te zonne' in den glans van uw aanschijn.
Doorscheur't gezicht eener alomme Tegenwoordigheid,
éénmaal voor mij 't weefsel van ruimte en tijd.

Maar zoo 'k dit beleven niet waardig ben,
laat dan aan d'overzij der diepe wateren,
mijn wezen, als een pijl gericht,
toevliegen recht op uw Onmeetlijk Licht.

Henriëtte Roland Holst - Van Der Schalk

=

Te laat

We zijn te laat,
we hebben gedanst, hadden we niet moeten doen,
we zijn wanhopig geweest, niet goed,

we hebben reusachtige lasten op onze schouders genomen,
we hadden moeten vragen: waarom zijn deze lasten niet licht,
we hadden moeten denken: dit is verkeerd,

we hebben over liefde gesproken in zorgvuldig gekozen bewoordingen,
zorgvuldig??
durven we dát woord in de mond te nemen?
liefde,
en dan zorgvuldig?

we hebben verontschuldigingen gezocht,
ons koninkrijk hebben wij willen geven voor een verontschuldiging –
we zijn te laat,

we moeten onszelf maar niet vergeven,
laten we dat maar niet doen,
nee.

Toon Tellegen

=

De schaatsenrijder

Over donkre, gladde baan
zwiert de schaatsenrijder,
wijder, telkens wijder
wordt zijn kloeke draai,
’t krachtig, maar toch lucht gezwaai,
al maar verder, rustig verder
al in ’t vallend avondstond,
naar de rode horizont.

Handen diep in duffelzak,
bontmuts over d’oren,
snijdt hij fijne voren
met het blanke, scherpe staal,
zwiepend bij elke nieuwe haal,
zwenkend omme, telekens omme,
wonderkunstig hoe hij zweeft,
schijnbaar zich geen moeite geeft.

Alles lijkt zo leeg en ijl –
door berijpte weien
lange sloten rijen,
’n kerkespitse aan de kim,
’n dorpscontourtje, ’n molenschim...
’t is al star en strak… en verder
zwiert de rijder op zijn baan,
of hij eeuwig door zal gaan.

M. A. de Wijs-Mouton

=

V E heeft hier haere muilen gelaeten

Me Joff.re

V E heeft hier haere muilen gelaeten. Dit 's een' leelijke vergetelheit. Want het waer beter, dat 'er V E de voeten vergeten had, en 't geen daer aen vast is. De vloer, (acht jk) heeft V E willen houden, ende ghy zijt haer ontslipt, gelijk Corisca den Satijr, daer de perrujk in de loop bleef. En zeker, steenen en planken leggen en treuren, om dat ze niet langer van die zoete treedtjens gestrookt worden. Niettemin deze achteloosheit uwer Ed. doet ons hoopen, dat wij noch eenigh ander overschot zullen vinden, ende moghelijk V E hart hier in eenighen kamerhoek zal vergeten zijn. Maer wat wij zoeken, 't is 'er niet, oft het moet onzichbaer gaen. Als 't 'er ook slechts vergeten waer, ende niet met opzet gelaeten, zoude de vondt van kleener waerde wezen. Maer zoo 't met V E op reize geslaeghen is, laet 'er ons ten minsten somtijds een sweemsel op papier af zien, gelijk men, bij hooghe zonneschijn, door een' dubbelen trechter, in een duistere kamer vertoont 't geen bujten op straet is. Brosjen en Burghjen konden hier niet dujren, toen V E wegh was. Wij gingen. ze 's naemiddaghs quijt. 'T zoud 'er anders gegaen hebben, waeren de deuntjes niet ujt geweest. Ach, hoe binden die keelbanden! Mij dunkt dat jk noch al een eindt lijns, oft liever lijms van den zoeten zang naesleep. Franche zij gegroet, en V E niet min, nevens V E E mannen, van V E Verplichte dienstw.ste

Ujt mijn Toorentjen, j Aug. 1633.

Pieter Cornelisz. Hooft

=

Maannacht

Een lichten en een wuiven
ging door het wakend woud
in ruisend, schittrend stuiven
door het bebladerd hout;
de volle takken hingen
te zwieren en te zingen
in zilvren flikkeringen
op 't feest van wind en maan.

De wijde, heldre hemel
blonk rijk in elk verschiet,
waar 't fijnere gewemel
zijn glans een doortocht liet,
en luistervolle ronden
van gulden misten bonden
de stralen, die zij vonden
vervloeien door de boog.

En waar de maan in 't hoge
hing heerlijk aan de lucht,
veel grote wolken vlogen
hun snel-gejaagde vlucht;
maar als hun ijl gevaarte
vlood langs de ontzagbre klaarte,
versmolt zijn laatste zwaarte,
in 't machtig licht vergaan.

De hoge wind liet rustig
de dichtomgroeide gang,
maar schudde sterk en lustig
der kronen bladervang:
het was een deinend neigen,
een zinken en een stijgen,
een vleien en een dreigen
van allen onderéén.

Het licht viel neer in plassen
op de verschrokken grond,
of ging een boom verrassen
waar hij te dromen stond
en weefde door zijn lover
een stille vonkentover,
of speels vergleed weer, pover
hem latend als hij was.

Toen zagen wij de vlugge
nimfen uit oud verhaal
aanschimmen en terugge
duiken in loverzaal,
hun schijnig blanke leden
opeens hun lokking breden,
dan in de heimlijkheden
verdwijnen weer als damp.

Wij voelden als die ouden,
die uit hun hoop en vrees
zoo in hun duister bouwden
het beeld dat ons verrees;
in wisselender schijnen
ontbloeien en verkwijnen
het stoeien en verdwijnen
zagen van god of geest.

Wij zijn, ach, zoveel wijzer,
weten van maan en wind;
ons hart is zoveel grijzer,
zo helemaal geen kind:
de nimfen zijn gevloden
met woud- en watergoden,
geen schemering bergt boden
meer uit een andre weerld.

Maar 't oog, dat groot kan schouwen,
ziet strakker, sterker schoon
dan wat zich kindren bouwen:
op aarde een tover-woon.
Ons was dit woud niet ledig,
de wind, het maanlicht vredig
maakte' ons zo zacht en zedig:
wij meenden te verstaan.

Wij voelden zonder windsel
van beeld en woord en waan
't mysterie als beginsel
van heel ons aards bestaan:
rondom en in ons zelven,
te dieper, naar wij delven
al dieper de gewelven
van onze wetensgang.

Mysterievol blijft bloeien
ons leven als voorheen:
't geweetne gaat vermoeien,
laat leeg ons en alleen,
maar in deez' weerld van wonder
gaat onze ziel niet onder,
zij ziet zich zelf er, zonder
te wèten wat zij ziet.

Een woud in licht aan 't wieglen
is vol van haar beweeg,
zij mag zich zelf er spieglen,
ook zij niet zwart en leeg
noch weemlend van fantomen,
maar als een woud van dromen,
doorbruist in helste stromen
door storm en gloed van God.

Th. van Ameide

=

Tierelier

Er klijft geen borrel in zo'n
Bar
en walm doorknoerselt
als droes
mijn knar.

En in mijn breinsel vol kwale
tier,
is alle doening
als
Tierelier.

Er is veel smurrel op deze
kluit.
De jammer kniepert
mijn goesting
uit.

Marten Toonder

=

Sinds ik het weet...

Sinds ik het weet - ik weet het wel, ofschoon
Nog onder ons angstvallig wordt ontweken,
Het booze woord te noemen, dat bij 't spreken
Lacht ruw of wat onzuiver klinkt van toon, -
Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,
De schoonheid en de zoetheid aller dingen,
Die mij alom omgeuren en omringen,
Nog wèl zoo liefelijk en wèl zoo zoet,

Sinds ik het weet, schijnt mij de atmosfeer

Doorwasemd en doorgeurd van zoele togen,
Het is of ieder zintuig en vermogen
Nog fijner werd en scherper dan weleer,

Sinds ik het weet, treed ik, wien ik ontmoet,
Den vreemden en den vrienden op mijn wegen,
Ontroerder en vertrouwelijker tegen,
En 'k groet ze met een vriendelijker groet,

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij
En vaak, in d'ernst van 't aardsche spel verloren,
Zoo ernstig en zoo diep als ooit te voren,
Gevoel ik plots Gods glimlach over mij.

Jacqueline E. van der Waals

=

De dove orgeltrapper

In zeker dorp, ik weet niet waar,
Maar 't feit is toch waarachtig,
Was eens een man van tachtig jaar,
Maar toch nog knap en krachtig,
Hij hielp met vlijt, jaar in jaar uit,
De boeren bij het maatgeluid
Van hunne schelle gorgel,
En trapte, sedert jaren lang,
Altoos, bij 't vrome kerkgezang,
Met lust de wind in 't orgel.

Maar eens is hem, 't was vinnig koud,
In gure winterdagen,
De kerk daarbij ondicht en oud,
Een kou op 't hoofd geslagen:
Eerst deed hem hals en keel zoo zeer;
Toen viel het op zijn kiezen neer,
En eindlijk op zijne oren;
En wat men spuit, en hoe men papt,
De man, die stout het orgel trapt,
Heeft zijn gehoor verloren.

Zo ras dit bitter ongeval
Aan ieder openbaar is,
Vergaart der scheepnen zevental,
Met schout en secretaris.
Men overweegt met veel beleid;
Besluit dan, met eenparigheid,
Een ander te engageren,
En om de oude, dove man,
Die nu toch niet meer trappen kan,
Eervol te pensioneren.

Maar toen de schout hem dit besluit
In scriptis kwam vertellen,
Roept hij terstond weemoedig uit:
‘Waarom mij dus te kwellen?
Ik hoor wel zang noch orgelklank,
Maar ben slechts aan mijne oren krank,
En kan nog wakker stappen;
Mijn benen zijn nog even goed,
Mijnheer de schout! en daarmee moet
Ik immers toch maar trappen?’

Nu laat de schout het schependom
Opnieuw bijeen beschrijven;
Het geeft de man zijn post weerom,
En laat hem trapper blijven:
Ook had men niet zo ras bedacht,
Dat wel op 't budget was gebracht
Een post van traktementen;
Maar dat men, voor 's mans pensioen,
Moest op de huur een omslag doen
Van twee of drie percenten.

Nu trapt hij weer, met nieuwe moed,
De wind in de orgelpijpen;
Het ging, gelijk voorheen, ook goed,
En 't laat zich licht begrijpen:
Want, schoon hij 't spelen was gewend,
Was de organist een domme vent,
Een doodeenvoudig wezen;
Hij speelde, alleen maar op 't gehoor,
De boeren al hun psalmen voor,
En kon geen noten lezen.

Hij laat altoos, jaar in jaar uit,
Op d' eigen trant zich horen:
Geen enkel nootje tot besluit,
Gene enkle noot te voren:
Is de ene regel afgedaan,
Dan vangt hij aanstonds d' andre aan;
Hij houdt niet van dat talmen:
En dus weet onze dove bloed
Ook steeds, hoe lang hij trappen moet
Voor ieder van de psalmen.

Zo ging het steeds op d' eigen trant,
En ieder was tevreden,
Tot laatst een reizend muzikant
Het dorp kwam binnentreden.
't Was zondag, en de kerk ging aan;
Het boerenvolk kwam aangegaan
Langs wegen en langs velden.
Hij wandelt mee; verwonderd hoort
Hij van een orgelspel 't akkoord;
Dat hoort men op 't land toch zelden.

Hij gaat op 't orgel, hoort een poos
De kunsteloze klanken,
En merkt alras, wat virtuoos
Men dat geluid mag danken!
Het orgel was een meesterstuk;
De speler, als gezegd, een kruk,
Zo schoon een werk niet waardig;
En echter was, hoe vreemd het schijn',
(Dat thans maar zelden waar zal zijn!)
Hij op zijn spel hovaardig.

De vreemdeling, een andre vent,
Een baas in 't orgelspelen,
Maakt onze man zijn compliment,
En weet zijn hart te stelen;
Hij prijst zijn spel en roemt zijn kunst,
Beveelt zich needrig in zijn gunst,
En noemt hem zijn professie;
En op zijn vraag, om 't volgend lied
Voor d' organist te spelen, biedt
Hem deze de eer der sessie.

Nu rukt hij elk register uit
En maakt een vreeslijk leven,
En speelt het lied met vol geluid,
Dat ieder zit te beven.
Geen boer, die ooit geweten had,
Dat zulk een kracht in 't orgel zat.
't Kon d' organist niet wezen.
Men waant, dat licht de duivel zelf
Dus dreunen doet het kerkgewelf,
En is in duizend vrezen.

De vreemdeling speelt rustig voort;
En, 't geen nog nooit gebeurde,
Nu overschreeuwt men geen akkoord,
Dat elk de long schier scheurde:
Want, sinds het orgel had gestaan,
Had nooit één pijp zo aangegaan,
Als zij nu alle speelden.
Stokstijf en stil aanschouwt men 't werk;
En 't scheen, als waar' de ganse kerk
Vervuld met wassen beelden.

Maar eensklaps zwijgt het orgel stil,
In 't midden van een regel....
De vreemdling krijgt een koude gril,
En de organist zegt: ‘Vlegel!
Wat knoeit gij hier? gij, vreemde guit!
Ik speel nu zelf het lied wel uit’....
Maar, wat hij ook mag grijpen,
En wat hij vat en wat hij treedt,
Geen toon meer, die zich horen deed:
De wind was uit de pijpen.

De vreemdling echter, bleek van spijt,
Vermoedt, waar 't aan mocht schelen,
En waant, de trapper licht, uit nijd,
Hem eens een pots wou spelen.
Hij vliegt er heen, en mat en moe
Zit daar de man, met de ogen toe,
En met de handen samen;
En, daar hij, met een bars gelaat,
Schier spraakloos voor de oude staat,
Zegt juist de trapper: ‘Amen!’

‘Wat bidt gij?’ zegt hij, ‘onglukskind
't Is hier nog tijd van zingen.
Ter balken op, en geef mij wind!
Pas beter op uw dingen.’
En de oude ziet verbaasd hem aan;
Hij kan zijn woorden niet verstaan,
Maar ze in zijn wenken lezen,
En zegt: ‘Wat wou gij, goede vrind!
Mij nu nog leren, hoeveel wind
Voor elk gezang moet wezen?’ -

De vreemdling gaat, en loost een zucht,
En wandelt weer naar buiten;
Maar hoort alras, wat vreemde klucht
Hem in zijn werk kwam stuiten.
‘Ach!’ zegt hij, ‘k zie maar al te wel,
Het gaat, ook bij het kunstigst spel,
Als in de meeste zaken:
Men kan, met alle vlijt, gewis,
Als ons de wind ongunstig is,
Niet in de haven raken!’

N. J. Storm van 's Gravesande

=

Nei-jaor

Verleuren dwarrelt zwarte kreeien
um de toren
en krast de vrogge mörgen lös
snippers papier koomt um de hoeken
van de straoten weeien
het neie jaor haalt aosem
en bevrös

ebrèuken bint de scharven van de wraak
verschèuten bint de vuren steerns
van tekört-escheuten dromen
de kwaodheid is versleept
het jaor wörde feest
het feest is um-ebracht

oens blef de schraole treust
van zute wien en zolte bonen
en in de naomiddag het kolde kuierpad
aover de nes
daor in ’t bevreuren bouwlaand
de winterrogge slöp
mar wacht

Marga Kool

=

Daar ligt dat water – dat schitterende water

Daar ligt dat water – dat schitterende water.
Zie hoe het schittert, het schitterspreekt, schittertrompettert in de lucht
in de donzige gonzige fijne satijne lucht –
dat droogzilvere opzwemmende water
in dat rondomblauwe dronkkoude dronkdiepe water,
’t is een zee bleek sprekend schuim
een woordenmond in het ruim
schreeuwende door de gonswind naar het hemelruim,
dat streefwater, dat geerwater, dat wilwelwater.

Herman Gorter

=

vrede

na de grote slag eten we gehakt
gekscherende de schedel afgezet en in de jonge schoten
gezet gelijk de geest met de broek open
en we stromen vol bier dat schuimt op de lippen
denken er niet aan een brief te schrijven naar moeder
naar heeroom naar de kardinaal generaal geen kettingbrief
op kringlooppapier waarin woorden ons doodsteken
in de rug ons ombrengen met bananen en badkuipen
waaruit kathedralen kruipen en we trappen die uit
de wereldbrand heeft lang genoeg geduurd verzengd
de meterslang dikke wenkbrauwen van de gebedsgenezers
die we om zeep brachten in de stad van de zwarte pest
rivieren moederbruin de rotsen kardinaalpaars
zo alle letters sneeuwen uit het gewonde boek het witboek
van de slachtveldenarchitekt waarin alles aangekruisd
wat niet meer bestaat het gehijg het kapotte vlees
het bestraalde oog de pornograaf van de booby-trap
een boek opgeblazen en vervangen door geschut van geroezemoes
deze eeuw vol wetenschap zonder geweten
het kanon van bombarie cancan van castraten

Lucebert

=

Zomer

O zomer, die wenkt met handen
op 't zonnig pad!
Ik zie geen wenkende handen,
'k zie 't eikenblad
rood in de jonge toppen...
O, wenkte dát?

Ik ga de rulle paden
O, wat is dat?
Dat zijn twee vlindervleugels,
geen eikenblad.
Twee rode vlinderwieken,
die zeggen... wat?

O, zie mij van zonnige hemel,
Zomer, zo vreemd niet aan!
Hoe kan ik van uw dagen
het rode raadsel raân!
Leer mij in sterrennachten
zijn gouden zin verstaan.

Augusta Peaux

=

Gedicht over een landschap

Het mag hier niet worden geschreven
met een woord als wereld, het is
te wijd te leeg te wit voor de bladzij

en ook een woord als tijd is voorbij
wat mag, ook dit is te eindig en
te oneindig te wit voor papier

we mogen ze denken, welja, maar alleen
om te denken, aan wat hier wil worden
herdacht, een landschap bijvoorbeeld,

aan dat wij daar stonden hoog in de bergen
klein en kortstondig, aan onze voeten
dat tastbare uur van de aarde, dat mag

maar woorden als wereld als tijd voor
onze vluchtig plek van de waarheid
schrijven zich weg, schrijven ons weg

Rutger Kopland

=

Onder water

Onder water
grif ik je naam
in de granieten bedding
van mijn stroomgebied.

Tussen de wieren
van het verleden
flitsen pijlsnelle vissen
als messen voorbij.

Alleen in de diepte
mag ik je voortaan ontmoeten:
mijn warme tegenstroom,
mijn lief.

Het staat vast
dat je dood bent.
Maar wat is dood?

Hanny Michaelis

=

Herfstmorgen

Naar buiten dwaalde ik in het morgenuur:
Wat is 't er stil, nu alle vogels zwijgen,
De nevel slechts druipt neer van blad en twijgen;
Het klinkt gelijk een treurzang der natuur.

Een treurzang ja, hoe doodsch is 't om mij heen;
Een enkle roos, doch van haar geur verstoken,
Een enkle bloem, doch door den storm gebroken,
Zij spreken van den zomer nog alleen.

Hoe somber is 't; door 't graauwe wolkenheir
Vermag geen enkle zonnestraal te boren;
Het was zoo lachend hier nog kort te voren! ...
En weemoed sluipt me in 't harte meer en meer.

Doch lichter wordt het, en de zonnegloed
Verwint; zij tooit met schittrende juweelen
En blad, en twijg; zie, als in dartel spelen,
Brengt ons de zomer nog een afscheidsgroet.

Spreekt in dien groet ook een belofte niet
Van wederkeer na donkre winterdagen?
Dan zal weer de aard het schoone feestkleed dragen,
En schalt opnieuw het juublend vooglenlied.

A. B. (?)

=

Aendachtig gebed

O Levendige God! eeuwig, goed en almachtig,
Aanschouwt meelijelijk mij, droeve en neerslachtig
En uitgekweelde man, van soberen gestalt;
Gedoogt niet dat hem nu de wanhoop overvalt,
Die doch een vijand is van Hemelse genade,
Want zij mijn arme ziel zou eeuwelijken schaden.
Ontvangt, O Heere! doch het zuiverst’ van mijn hert,
Geeft dat mij mijne zond’ niet toegerekend werdt.
Neemt mij, die hier op aard’ als vremdeling most zwerven,
In ’s Hemels borgerij na een godzalig sterven.
Ach! dat Uw lieven Zoon, met zijn onschuldig bloed,
Voor mijn, kenschuldige, de borregtocht voldoet.
Och! ik ben uitgeteerd en ga met smart betreden
Den algemenen weg van d’ouwde lang verleden.
O Heer! ik kijve niet, noch hadder niet met U.
Het sterven is mijn lief, is ‘t U behagelijk nu,
Want gij hebt mij gemaakt en moogt mij weer ontmaken,
Wanneer ’t u wel gevalt. O God! voor alle zaken
Beveel ik U mijn Ziel, o Zaligmaker goed!
Ick geer geen ander vreugd, ik zoek geen ander zoet,
Geen ander blijdschap, ach! noch ook geen liever lusten,
Als bij den Bruidegom van mijnen ziel te rusten.

Gerbrandt Adriaensz. Brederode

'tKan verkeeren.

=

De ploeger

Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren -
Ik sta in uwen dienst, zonder bezit -
Maar ik ben rijk in dit:
Dat ik de ploeg van uw woord mag besturen,
En dat gij mij hebt toegewezen
Dit afgelegen land en deze
Hooge landouwen, waar - als in het uur
Der schafte bij de paarden van mijn wil
Ik leun vermoeid en stil -
De zee mij zichtbaar is zoover ik tuur.
Ik vraag maar een ding: kracht
Te dulden dit besef, dat ik geboren ben
In 't najaar van een wereld
En daarin sterven moet -
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
Van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
Weemoed mij talmen doet
Tot ik welhaast voor u verloren ben -
Ik zal de halmen niet meer zien
Noch binden ooit de volle schoven,
Maar doe mij in den oogst geloven
Waarvoor ik dien -
Opdat, nog in de laatste voor,
Ik weten mag dat mij uw doel verkoor
Te zijn een ernstige ploeger op de landen
Van een te worden schoonheid; eenzaam tegen
Der eigen liefde dalend avondrood, -
Die ziet beneden aan de sprong der wegen
De hoeve van zijn deemoed, en het branden
Der zachte lamp van een gelaten dood -

Adriaan Roland Holst

=

Dit is het bitterste op aarde...

Dit is het bitterste op aarde: 't leed,
Dat wij onze doden deden bij hun leven.
In slapeloze nachten keert het weer
En dof aansuizend op de nachtwind beven
Krenkende woorden, achteloos gezegd,
En tedere, die ongesproken bleven.

Jo Landheer

=

De rozen

De rozen gingen open
en toen ze het allemaal wel gezien hadden
gingen ze weer dicht.

Karel Soudijn

=

De dood dat is het tijdeloze

De dood dat is het tijdeloze,
het ochtend-middag-avondloze,
het licht- en duisterloze,
ja, hij is het loze-loze...

Willem Brakman

=

Wie altijd in den spiegel ziet

Wie altijd in den spiegel ziet
En zich met schoonheid vleit,
Beseft de ware schoonheid niet,
maar jaagt naar ijdelheid.

?

=

Aan een navolger

Alcest, wilt gij de Zangberg op?
Zo rijd een eigen paard; geen huurknol haalt de top.

A. C. W. Staring

=

Men leert alleen uit de ondervinding

Men leert alleen uit de ondervinding, maar die
krijgt men pas als men er niets meer aan heeft.

J. C. Bloem

=

De zee

De zee kun je horen
met je handen voor je oren,
in een kokkel,
in een mosterdpotje,
of aan zee.

Judith Herzberg

=

Inferno

Op 't midden van ons levenspad gekomen,
Kwam ik bij zinnen in een donker woud,
Want ik had niet de rechte weg genomen.

?

=

... en toen dachten wij ...

... en toen dachten wij aan 't voorjaar dat zou komen na dien winter
en voelden ons weer onsterfelijk en helemaal niet droevig meer.

Nescio

=

Anti anti copy

Gedichten kopiëren kan niemand blokkeren,
maar ©houders, waartoe wilt u jeremiëren?
Ik wens bundelkopers te enthousiasmeren.

Bolsterturf

= = =

Gedichte

naar de index van de Gedichten (1)  Vlag van Nederland  Vlag van Duitsland  Vlag van Engeland  Vlag van Frankrijk  naar de index van de Gedichten (2)

Frühling im Dom

Wunderschönes Frühlingswetter
Glitzert durch die bunten Scheiben,
Goldne Sonnenstäubchen tanzen
Lustig um den Hochaltar.

Auf der Kanzel spricht der Pater
Donnernd gegen Lust und Unzucht,
Auf dem breiten, keuschen Schmerbauch
Hüpft ein goldner Lichtreflex.

Und um seine rote Nase
Flattert ein Zitronenfalter,
Fliegt zu einem schönen Mädchen,
Das mit scheuem Herzen horcht.

Nachgefolgt dem gelben Falter
Sind des Paters strenge Augen,
Treffen schließlich auch das liebe,
Süße Mädchenangesicht.

Plötzlich stockt der Pater Thomas,
Er, der große Kanzelredner,
Er, der große Reuebringer,
Wird verwirrt, er stockt und schweigt.

Über einem Strebepfeiler
Sitzt ein feister Marmorengel,
Dieser grinst mit kleinen Augen
Lustig Pater Thomas an.

Hermann Löns

=

Der Habicht

Es haust im finstern Walde
Ein Habicht, grimm und grau,
Er schont kein Tier der Halde,
Kein Vöglein auf der Au.

Und was er sinnt, ist Schrecken,
Und was er blickt, ist Wut,
Und was er ruft, ist Grauen,
Und was er treibt, ist Blut.

Habt ihm sein Weib erschlagen,
Zerschossen stets die Brut,
Kennt nur noch wildes Jagen,
Und Rache peitscht sein Blut.

Doch nie war sein Geschlechte
So mörderisch wie Ihr!
Er jagt mit gleichem Rechte
Und schonender als Ihr!

?

=

Dunkles zu sagen

Wie Orpheus spiel ich
auf den Saiten des Lebens den Tod
und in die Schönheid der Erde
und deiner Augen, die den Himmel verwalten,
weiss ich nur Dunkles zu sagen.

Vergiss nicht, dass auch du, plötzlich,
an jedem Morgen, als dein Lager
noch nass war von Tau und die Nelke
an deinem Herzen schlief,
den dunklen Fluss sahst,
der an dir vorbeizog.

Die Saite des Schweigens
gespannt auf die Welle van Blut,
griff ich dein tonendes Herz.
Verwandelt ward deine Locke
ins Schattenhaar der Nacht,
der finsternis schwarze Flocken
beschneiten dein Anlitz.

Und ich gehor dir nicht zu.
Beide klagen wir nun.

Aber wie Orpheus weiss ich
auf der Seite des Todes das Leben,
und mir blaut
dein fur immer geschlossenes Aug.

Ingeborg Bachmann

=

Weihnachten

Markt und Strassen steh'n verlassen
still erleuchtet jedes Haus
sinnend geh ich durch die Gassen
alles sieht so festlich aus.

An den Fenstern haben Frauen
buntes Spielzeug fromm geschmückt
tausend Kindlein steh'n und schauen
sind so wunderstill beglückt.

Und ich wandre aus den Mauern
bis hinaus ins freie Feld
hehres Glänzen, heil'ges Schauen
wie so weit und still die Welt!

Sterne hoch die Kreise schlingen
aus des Schnee's Einsamkeit
steigt's wie wunderbares Singen
Oh Du gnadenreiche Zeit!

Joseph Freiherr von Eichendorff

=

Gefunden

Ich ging im Walde
So für mich hin,
Und nichts zu suchen,
Das war mein Sinn.
Im Schatten sah ich
Ein Blümchen stehn,
Wie Sterne leuchtend,
Wie Äuglein schön.

Ich wollt es brechen,
Da sagt es fein:
Soll ich zum Welken
Gebrochen sein?

Ich grub's mit allen
Den Würzlein aus.
Zum Garten trug ich's
Am hübschen Haus.

Und pflanzt es wieder
Am stillen Ort;
Nun zweigt es immer
Und blüht so fort.

Johann Wolfgang von Goethe

=

Der Isegrim

Aktenstöße nachts verschlingen,
Schwatzen nach der Welt Gebrauch,
Und das große Tretrad schwingen
Wie ein Ochs, das kann ich auch.

Aber glauben, daß der Plunder
Eben nicht der Plunder wär,
Sondern ein hochwichtig Wunder,
Das gelang mir nimmermehr.

Aber andre überwitzen,
Daß ich mit dem Federkiel
Könnt den morschen Weltbau stützen,
Schien mir immer Narrenspiel.

Und so, weil ich in dem Drehen
Da steh oft wie ein Pasquill,
Läßt die Welt mich eben stehen –
Mag sie's halten, wie sie will!

Joseph Freiherr von Eichendorff

=

Sarkasmus oder Apfelmus

Sarkasmus oder Apfelmus,
egal, was Muss, Muss.

So treibe ich zum eigenen Schaden,
ich kleiner frecher Satansbraten,
all die Scherze mit dem Sinn,
und dann ist der sogleich auch hin.

Kann nicht wollen, was ich richte,
lache, soll man das denn nicht tun?
Bedenke, wende all die Worte,
die Torte ist entzwei, vorbei, einerlei, Brei, nun.

Bin nicht bereit mich dafür zu schämen,
soll mich das jetzt etwa grämen,
es sei mein Wille, ist kein Spaß,
fragt da wer noch irgendwas?

Bin nicht bereit, Zeit zu vertreiben,
geh ins Bad, duschen will ich,
mich mit Seifigem einreiben,
mich kümmern endlich nur um mich.

Apfelmus, das kann ich nicht,
spricht der Kerl, der das hier schreibt,
einfach so ohne Grund, Mund und
Nase putz ich auch, dann noch Bauch.

So endet dann das kurze Gedicht,
spricht wiederum und nicht dumm, nun
der Mann, der das kann, dann, wann,
weil es so ist jetzt, dieser Sarkasmus fetzt,

hetzt mich nicht und lasst mich ruhen,
will nicht mehr als das noch tuen,
habe genug und all der Ehre,
der ich mich sogleich erwehre,

tue ich zum Schluss noch überbraten,
mit der Verve eines Sünders,
doch nicht zu jedermanns Schaden,
das Apfelmus des großen Verkünders:

Worte, Torte, einerlei.
Sorte: Wie Kartoffelbrei.
Teigig und in aller Munde,
doch ohne weiteres, das ist die Kunde.

Lass ab von allem sparsamen Witz,
schwitz zuhauf bei dieser Sache,
denke nach und lache, lache,
ist das jetzt noch immer spitz?

Geb nicht auf und lass doch sein.
Bin bei mir und bin allein.
Geh zu Bett und halte Ruh'.
Und, sag mir, was machst jetzt Du?

Mathias Schneider

=

Der Uhu

Warum fliegt doch der Uhu in finsterer Nacht?
Ich möchte wohl wissen, was dann er noch macht?
Er könnte wie andere Leute ja ruhn,
Er fände bei Tage genug auch zu tun.

"Wie ein Dieb muss ich leben in finsterer Nacht,
Dann geh' ich mit Frau und mit Kind auf die Jagd.
Des Tages erlaubt es die Sonne ja nicht,
Drum scheuen der Dieb und der Uhu ihr Licht."

August Heinrich Hoffmann von Fallersleben

=

Die Karyatiden

Hinter grünumrankten Gittern,
An dem Rasen mit den großen
Scharfgezackten Palmengruppen
Und den purpurroten Dahlien,
Weit getrennt vom Lärm der Straße,
Steht die kleine weiße Villa ...

Über sammetgrünen Rasen,
Über purpurrote Dahlien,
Gelben Kies und weiße Stufen
Wandert des Septembertages
Klares Spätnachmittagleuchten.

Strahlend aus dem blauen Schatten
Ragen weiß die Marmorkniee
Schlanker Schwesterkaryatiden.
Tief gesenkt die schmale Stirne,
Stehn sie stumm und schön und reglos,
Seltsam sich einander gleichend.

Hinter grünumrankten Gittern
Hüten sie die weiße Villa,
Seltsam sich einander gleichend.
Eine hält den schlanken Finger
An den Mund und lächelt leise,
Doch die andre, mit dem stillen
Leidenszug im weißen Antlitz
Presst die schmale Hand aufs Herz ...

Agnes Miegel

=

Am grauen Strand, am grauen Meer

Am grauen Strand, am grauen Meer
Und seitab liegt die Stadt;
Der Nebel drückt die Dächer schwer,
Und durch die Stille braust das Meer
Eintönig um die Stadt.

Es rauscht kein Wald, es schlägt im Mai
Kein Vogel ohn' Unterlass;
Die Wandergans mit hartem Schrei
Nur fliegt in Herbstesnacht vorbei,
Am Strande weht das Gras.

Doch hängt mein ganzes Herz an dir,
Du graue Stadt am Meer;
Der Jugend Zauber für und für
Ruht lächelnd doch auf dir, auf dir,
Du graue Stadt am Meer.

Theodor Storm

=

Vorfrühling

Härte schwand. Auf einmal legt sich Schonung
an der Wiesen aufgedecktes Grau.
Kleine Wasser ändern die Betonung.
Zärtlichkeiten, ungenau,

greifen nach der Erde aus dem Raum.
Wege gehen weit ins Land und zeigens.
Unvermutet siehst du seines Steigens
Ausdruck in dem leeren Baum.

Rainer Maria Rilke

=

Heimweh

Ich hörte heute morgen
am Klippenhang die Stare schon.
Sie sangen wie daheim,
und doch war es ein andrer Ton.

Und blaue Veilchen blühten
auf allen Hügeln bis zur See.
In meiner Heimat Feldern
liegt in den Furchen noch der Schnee.

In meiner Stadt im Norden
stehn sieben Brücken, grau und greis,
an ihre morschen Pfähle
treibt dumpf und schütternd jetzt das Eis.

Und über grauen Wolken
es fein und engelslieblich klingt -
und meiner Heimat Kinder
verstehen, was die erste Lerche singt.

Agnes Miegel

=

Ein Aufatmen

Grüne Tannen, bunte Blumen,
Blauer Himmel, Luft und Duft,
Silberhelle Wasser rieseln
Aus der grauen Felsenkluft.

Helle Sonnenlichter zittern
Spielend auf dem feuchten Grund,
Und der Vögel heimlich Zwitschern
Gleicht dem Wort aus liebem Mund.

Grüne Tannen - kleine Vögel,
Ach, - ihr kennt ein Zauberwort - -
Euer Rauschen, euer Zwitschern
Scheucht die alten Schmerzen fort!

Ada Christen

=

Das Gewitter

Noch immer lag ein tiefes Schweigen
Rings auf den Höhn; doch plötzlich fuhr
Der Wind nun auf zum wilden Reigen,
Die sausende Gewitterspur.

Am Himmel eilt mit dumpfem Klange
Herauf der finstre Wolkenzug:
So nimmt der Zorn im heißen Drange
Den nächtlichen Gedankenflug.

Der Himmel donnert seinen Hader;
Auf seiner dunklen Stirne glüht
Der Blitz hervor, die Zornesader,
Die Schrecken auf die Erde sprüht.

Der Regen stürzt in lauten Güssen;
Mit Bäumen, die der Sturm zerbrach,
Erbraust der Strom zu meinen Füßen; -
Doch schweigt der Donner allgemach.

Der Sturm lässt seine Flügel sinken,
Der Regen säuselt milde Ruh;
Da sah ich froh ein Hüttlein winken
Und eilte seiner Pforte zu.

Nikolaus Lenau

=

Verdrossnen Sinn im kalten Herzen hegend

Verdrossnen Sinn im kalten Herzen hegend,
Reis ich verdrießlich durch die kalte Welt,
Zu Ende geht der Herbst, ein Nebel hält
Feuchteingehüllt die abgestorbne Gegend.

Die Winde pfeifen, hin und her bewegend
Das rote Laub, das von den Bäumen fällt,
Es seufzt der Wald, es dampft das kahle Feld,
Nun kommt das Schlimmste noch, es regent.

Heinrich Heine

=

Es ist alles eitel

Du siehst, wohin du siehst, nur Eitelkeit auf Erden.
Was dieser heute baut, reißt jener morgen ein;
Wo jetzund Städte stehn, wird eine Wiese sein,
Auf der ein Schäferskind wird spielen mit den Herden;

Was jetzund prächtig blüht, soll bald zertreten werden;
Was jetzt so pocht und trotzt, ist morgen Asch' und Bein;
Nichts ist, das ewig sei, kein Erz, kein Marmorstein.
Jetzt lacht das Glück uns an, bald donnern die Beschwerden.

Der hohen Taten Ruhm muss wie ein Traum vergehn.
Soll denn das Spiel der Zeit, der leichte Mensch, bestehn?
Ach, was ist alles dies, was wir für köstlich achten,

Als schlechte Nichtigkeit, als Schatten, Staub und Wind,
Als eine Wiesenblum', die man nicht wiederfind't!
Noch will, was ewig ist, kein einig Mensch betrachten.

Andreas Gryphius

=

Die Ratten

Im Hof scheint weiß der herbstliche Mond.
Vom Dachrand fallen phantastische Schatten.
Ein Schweigen in leeren Fenstern wohnt;
Da tauchen leise herauf die Ratten.

Und huschen pfeifend hier und dort
Und ein gräulicher Dunsthauch wittert
Ihnen nach aus dem Abort,
Den geisterhaft der Mondschein durchzittert.

Und sie keifen vor Gier wie toll
Und erfüllen Haus und Scheunen,
Die von Korn und Früchten voll.
Eisige Winde im Dunkel greinen.

Georg Trakl

=

Fülle

Genug ist nicht genug! Gepriesen werde
Der Herbst! Kein Ast, der seiner Frucht entbehrte!
Tief beugt sich mancher allzu reich beschwerte,
Der Apfel fällt mit dumpfem Laut zur Erde.

Genug ist nicht genug! Es lacht im Laube!
Die saftge Pfirsche winkt dem durstgen Munde!
Die trunknen Wespen summen in die Runde:
"Genug ist nicht genug!" um eine Traube.

Genug ist nicht genug! Mit vollen Zügen
Schlürft Dichtergeist am Borne des Genusses,
Das Herz, auch es bedarf des Überflusses,
Genug kann nie und nimmermehr genügen!

Conrad Ferdinand Meyer

=

Das erste Spiel

Wir liegen in der Welt. Das erste Spiel
Treibt wohl die Mutter mit den Brüsten leis.
Dann tritt die Amme in den krausen Kreis,
Sie weiß sehr wenig und sie lehrt uns viel.

Der Bleisoldat schießt nun nach seinem Ziel.
Beim Murmelschieben winkt manch schöner Preis.
Mit Reifen rennen freut den Buben.
Sei's für sich, sei's mit dem zärtlichen Gespiel,

Dem Mädchen, dem die erste Andacht gilt.
Bald spielt sie mit dem Knaben ganz allein.
Sie streichelt ihn. Sie schmollt. Sie lacht. Sie schilt.

Er flieht zu Würfel, Dirnenscherz und Wein.
Sie wendet schaudernd sich von seinem Bild
Und stößt unwissend ihn in Nacht hinein.

Klabund

=

Verfall

Am Abend, wenn die Glocken Frieden läuten,
Folg ich der Vögel wundervollen Flügen,
Die lang geschart, gleich frommen Pilgerzügen,
Entschwinden in den herbstlich klaren Weiten.

Hinwandelnd durch den dämmervollen Garten
Träum ich nach ihren helleren Geschicken
Und fühl der Stunden Weiser kaum mehr rücken.
So folg ich über Wolken ihren Fahrten.

Da macht ein Hauch mich von Verfall erzittern.
Die Amsel klagt in den entlaubten Zweigen.
Es schwankt der rote Wein an rostigen Gittern,

Indes wie blasser Kinder Todesreigen
Um dunkle Brunnenränder, die verwittern,
Im Wind sich fröstelnd blaue Astern neigen.

Georg Trakl

=

An deinen Brüsten die Stunden

An deinen Brüsten die Stunden,
Die Stunden in deinen Armen
Sind zeitlos weit.
Ich kenne die Erde nicht mehr,
Wenn ich von dir wieder zur Erde gehe.

Die Straßen so seltsam,
Schwarz, nachtkühl in den Morgenstunden,
Schwülgelb der Laternenschein,
Die Straßen leer, und ich so allein,
Und doch gehen tausend Dinge
Neben mir her.
Meine Schritte klingen,
Und die Augen von tausend Dingen
Sehen nach mir.

Max Dauthendey

=

Erste Lerche

Zwischen
Gräben und grauen Hecken,
den Rockkragen hoch,
beide Hände in den Taschen,
schlendere ich
durch den frühen
Märzmorgen.

Falbes Gras,
blinkende Lachen und schwarzes Brachland,
so weit ich sehen kann.

Dazwischen,
mitten in den weißen Horizont hinein,
wie erstarrt,
eine Weidenreihe.

Ich bleibe stehen.

Nirgends ein Laut. Noch nirgends Leben.
Nur die Luft und die Landschaft.

Und sonnenlos
wie den Himmel
fühle ich
mein Herz.

Plötzlich - ein Klang!

Ein zager, zarter zitternder Jubel,
der,
langsam,
immer höher
steigt!

Ich suche in den Wolken.

Über mir,
wirbelnd, schwindend, flatterdrehig, flügelselig, kaum entdeckbar,
pünktchenschwarz,
schmetternd,
durch
immer heller strömendes Licht,
die
erste Lerche!

Arno Holz

=

Nachts im Wald

Bist du nie des nachts durch Wald gegangen,
wo du deinen eignen Fuss nicht sahst?
Doch ein Wissen überwand dein Bangen:
Dich führt der Weg.

Hält dich Leid und Trübsal nie umfangen,
dass du zitterst, welchem Ziel du nahst?
Doch ein Wissen übermannt dein Bangen:
Dich führt dein Weg.

Christian Morgenstern

=

An die Jünglinge

Trinkt des Weines dunkle Kraft,
Die euch durch die Seele fließt
Und zu heil’ger Rechenschaft
Sie im Innersten erschließt!
Blickt hinab nun in den Grund,
Dem das Leben still entsteigt,
Forscht mit Ernst, ob es gesund
Jedem Höchsten sich verzweigt!

Geht an einen schaur’gen Ort,
Denkt an aller Ehren Strauß,
Sprecht dann laut das Schöpfungswort,
Sprecht das Wort: es werde! aus.
Ja, es werde! spricht auch Gott,
Und sein Segen senkt sich still,
Denn, den macht er nicht zum Spott
Der sich selbst vollenden will.

Betet dann, doch betet nur
Zu euch selbst, und ihr beschwört
Aus der eigenen Natur
Einen Geist, der euch erhört.
Leben heißt, tief einsam sein;
In die spröde Knospe drängt Sich
kein Tropfe Taus hinein,
Eh’ sie innre Glut zersprengt.

Gott dem Herrn ist’s ein Triumph,
Wenn ihr nicht vor ihm vergeht,
Wenn ihr, statt im Staube dumpf
Hinzuknieen, herrlich steht,
Wenn ihr stolz, dem Baume gleich,
Euch nicht unter Blüten bückt,
Wenn die Last des Segens euch
Erst hinab zur Erde drückt.

Fort den Wein! Wer noch nicht flammt,
Ist nicht seines Kusses wert,
Und wer selbst vom Feuer stammt,
Steht schon lange glutverklärt.
Euch geziemt nur Eine Lust,
Nur ein Gang durch Sturm und Nacht,
Der aus eurer dunklen Brust
Einen Sternenhimmel macht.

Friedrich Hebbel

=

Herbsttag

Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren laß die Winde los.

Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;
gib ihnen noch zwei südlichere Tage
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süße in den schweren Wein.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Rainer Maria Rilke

=

Die Liebe hat gelogen

Die Liebe hat gelogen,
Die Sorge lastet schwer,
Betrogen, ach, betrogen
Hat alles mich umher!

Es rinnen heiße Tropfen
Die Wange stets herab,
Laß ab, laß ab zu klopfen,
Laß ab, mein Herz, laß ab!

August Graf von Platen

=

Ode an die Freude

O Freunde, nicht diese Töne!
Sondern laßt uns angenehmere anstimmen
Und freudenvollere!

Freude, schöner Götterfunken,
Tochter aus Elysium,
Wir betreten feuertrunken,
Himmlische, dein Heiligtum!
Deine Zauber binden wieder,
Was die Mode streng geteilt;
Alle Menschen werden Brüder,
Wo dein sanfter Flügel weilt.

Wem der große Wurf gelungen,
Eines Freundes Freund zu sein,
Wer ein holdes Weib errungen,
Mische seinen Jubel ein!
Ja, wer auch nur eine Seele
Sein nennt auf dem Erdenrund!
Und wer's nie gekonnt, der stehle
Weinend sich aus diesem Bund.

Freude trinken alle Wesen
An den Brüsten der Natur:
Alle Guten, alle Bösen
Folgen ihrer Rosenspur.
Küsse gab sie uns, und Reben,
Einen Freund, geprüft im Tod;
Wollust ward dem Wurm gegeben,
Und der Cherub steht vor Gott!

Froh, wie seine Sonnen fliegen
Durch des Himmels prächt'gen Plan,
Laufet, Brüder, eure Bahn,
Freudig, wie ein Held zum Siegen.
Laufet, Brüder, eure Bahn.

Seid umschlungen, Millionen,
Diesen Kuß der ganzen Welt!
Brüder! Über'm Sternenzelt
Muß ein lieber Vater wohnen.
Ihr stürzt nieder, Millionen?
Ahnest du den Schöpfer, Welt?
Such' ihn über'm Sternenzelt!
Über Sternen muß er wohnen.

Ludwig von Beethoven

=

Bildlich gesprochen

Wär ich ein Baum ich wüchse
dir in die hohle Hand
und wärste du das Meer ich baute
dir weiße Burgen aus Sand.

Wärst du eine Blume ich grübe
dich mit allen Wurzeln aus
wär ich ein Feuer ich legte
in sanfte Asche dein Haus.

Wär ich eine Nixe ich saugte
dich auf den Grund hinab
und wärst du ein Stern ich knallte
dich vom Himmel ab.

Ulla Hahn

=

Blumentod

Wie sind meine Finger so grün,
Blumen hab' ich zerrissen;
Sie wollten für mich blühn
Und haben sterben müssen.
Sie neigten sich in mein Angesicht
Wie fromme schüchterne Lider,
Ich war in Gedanken, ich achtet's nicht
Und bog sie zu mir nieder,
Zerriß die lieben Glieder
In sorgenlosem Mut.
Da floß ihr grünes Blut
Um meine Finger nieder;
Sie weinten nicht, sie klagten nicht,
Sie starben ohne Laut,
Nur dunkel ward ihr Angesicht,
Wie wenn der Himmel graut.
Sie konnten mir's nicht ersparen,
Sonst hätten sie's wohl getan;
Wohin bin ich gefahren
In trüben Sinnens Wahn?

O töricht Kinderspiel,
O schuldlos Blutvergießen!
Und gleicht's dem Leben viel,
Laßt mich die Augen schließen,
Denn was geschehn ist, ist geschehn,
Und wer kann für die Zukunft stehn?

Annette von Droste-Hülshoff

=

Elfenlied

Um Mitternacht, wenn die Menschen erst schlafen,
Dann scheinet uns der Mond,
Dann leuchtet uns der Stern;
Wir wandeln und singen
Und tanzen erst gern.

Um Mitternacht, wenn die Menschen erst schlafen,
Auf Wiesen, an den Erlen
Wir suchen unsern Raum
Und wandeln und singen
Und tanzen einen Traum.

Johann Wolfgang von Goethe

=

Frühlingsglaube

Die linden Lüfte sind erwacht,
Sie säuseln und wehen Tag und Nacht,
Sie schaffen an allen Enden.
O frischer Duft, o neuer Klang!
Nun, armes Herze, sei nicht bang!
Nun muß sich alles, alles wenden.
Die Welt wird schöner mit jedem Tag,
Man weiß nicht, was noch werden mag,
Das Blühen will nicht enden.
Es blüht das fernste, tiefste Tal:
Nun, armes Herz, vergiß der Qual!
Nun muß sich alles, alles wenden.

Johann Ludwig Uhland

=

Abendlied

Der Abend kommt, der Tag ist aus,
Frau Sonne geht zur Ruh.
Sie geht wohl in ihr Wolkenhaus
und macht die Türe zu.

Dann werden alle angebrannt
die Sternlein in der Nacht.
Es halten über Meer und Land
die Engel heil'ge Wacht.

Und wenn die goldnen Sterne stehn
und scheint der Mond dazu,
dann müssen alle schlafen gehen:
die Welt und ich und du.

Und schläfst du ein und hast du kaum
die Augen zugemacht,
dann schenkt dir einen lieben Traum
die Königin der Nacht.

Manfred Kyber

=

Die Welt ist dumm

Die Welt ist dumm, die Welt ist blind,
Wird täglich abgeschmackter!
Sie spricht von dir, mein schönes Kind,
Du hast keinen guten Charakter.

Die Welt ist dumm, die Welt ist blind,
Und dich wird sie immer verkennen;
Sie weiß nicht, wie süß deine Kusse sind,
Und wie sie beseligend brennen.

Heinrich Heine

=

Das Leben, das ich selbst gewählt

Ehe ich in dieses Erdenleben kam
Ward mir gezeigt, wie ich es leben würde.
Da war die Kümmernis, da war der Gram,
Da war das Elend und die Leidensbürde.
Da war das Laster, das mich packen sollte,
Da war der Irrtum, der gefangen nahm.
Da war der schnelle Zorn, in dem ich grollte,
Da waren Haß und Hochmut, Stolz und Scham.

Doch da waren auch die Freuden jener Tage,
Die voller Licht und schöner Träume sind,
Wo Klage nicht mehr ist und nicht mehr Plage,
Und überall der Quell der Gaben rinnt.
Wo Liebe dem, der noch im Erdenkleid gebunden,
Die Seligkeit des Losgelösten schenkt,
Wo sich der Mensch der Menschenpein entwunden
als Auserwählter hoher Geister denkt.

Mir ward gezeigt das Schlechte und das Gute,
Mir ward gezeigt die Fülle meiner Mängel.
Mir ward gezeigt die Wunde draus ich blute,
Mir ward gezeigt die Helfertat der Engel.
Und als ich so mein künftig Leben schaute,
Da hört ein Wesen ich die Frage tun,
Ob ich dies zu leben mich getraute,
Denn der Entscheidung Stunde schlüge nun.

Und ich ermaß noch einmal alles Schlimme -;
"Dies ist das Leben, das ich leben will!" -;
Gab ich zur Antwort mit entschloßner Stimme.
So war's als ich ins neue Leben trat
Und nahm auf mich mein neues Schicksal still.
So ward ich geboren in diese Welt.
Ich klage nicht, wenn's oft mir nicht gefällt,
Denn ungeboren hab ich es bejaht.

Hermann Hesse

=

In welche soll ich mich verlieben

In welche soll ich mich verlieben,
Da beide liebenswürdig sind?
Ein schönes Weib ist noch die Mutter,
Die Tochter ist ein schönes Kind.

Die weißen, unerfahrnen Glieder,
Sie sind so rührend anzusehn!
Doch reizend sind geniale Augen,
Die unsre Zärtlichkeit verstehn.

Es gleicht mein Herz dem grauen Freunde,
Der zwischen zwei Gebündel Heu
Nachsinnlich grübelt, welch von beiden
Das allerbeste Futter sei.

Heinrich Heine

=

Lösch mir die Augen aus...

Lösch mir die Augen aus: ich kann dich sehn,
wirf mir die Ohren zu: ich kann dich hören,
und ohne Füße kann ich zu dir gehen,
und ohne Mund noch kann ich dich beschwören.

Brich mir die Arme ab,
ich fasse dich mit meinem Herzen wie mit einer Hand.
Halt mir das Herz zu, und mein Hirn wird schlagen,
und wirfst du in mein Hirn den Brand,
so werd ich dich auf meinem Blute tragen.

Rainer Maria Rilke

=

Hasenjagd

Rische, rasche, rusche,
der Hase sitzt im Busche.
Wolln wir mal das Leben wagen,
wolln wir mal den Hasen jagen?

Rusche, rasche rische,
der Hase sitzt bei Tische.
Siehst du dort im grünen Kohl ihn?
Flink, nun lauf mal hin und hol ihn!

Rische, rusche, rasche,
hast ihn in der Tasche?
Was? Ist in das Feld gegangen?
Ätsch! Kann nicht mal Hasen fangen!

Gustav Falke

=

Abschied von der Jugend

Wie der zitternde Verbannte
Steht an seiner Heimat Grenzen,
Rückwärts er das Antlitz wendet,
Rückwärts seine Augen glänzen,
Winde, die hinüber streichen,
Vögel in der Luft beneidet,
Schaudernd vor der kleinen Scholle,
Die das Land vom Lande scheidet;

Wie die Gräber seiner Toten,
Seine Lebenden, die süßen,
Alle stehn am Horizonte,
Und er muß sie weinend grüßen;
Alle kleinen Liebesschätze,
Unerkannt und unempfunden,
Alle ihn wie Sünden brennen
Und wie ewig offne Wunden:

So an seiner Jugend Scheide
Steht ein Herz voll stolzer Träume,
Blickt in ihre Paradiese
Und der Zukunft öde Räume,
Seine Neigungen verkümmert,
Seine Hoffnungen, begraben,
Alle stehn am Horizonte,
Wollen ihre Träne haben.

Und die Jahre, die sich langsam,
Tückisch reihten aus Minuten,
Alle brechen auf im Herzen,
Alle nun wie Wunden bluten;
Mit der armen kargen Habe,
Aus dem reichem Schacht erbeutet,
Mutlos, ein gebrochner Wandrer,
In das fremde Land er schreitet.

Und doch ist des Sommers Garbe
Nicht geringer als die Blüten,
Und nur in der feuchten Scholle
Kann der frische Keim sich hüten:
Über Fels und öde Flächen
Muß der Strom, daß er sich breite,
Und es segnet Gottes Rechte
Übermorgen so wie heute.

Annette von Droste-Hülshoff

=

Sehnsucht nach dem Tode

Hinunter in der Erde Schooß,
Weg aus des Lichtes Reichen,
Der Schmerzen Wuth und wilder Stoß
Ist froher Abfahrt Zeichen.
Wir kommen in dem engen Kahn
Geschwind am Himmelsufer an.

Gelobt sey uns die ewge Nacht,
Gelobt der ewge Schlummer.
Wohl hat der Tag uns warm gemacht,
Und welk der lange Kummer.
Die Lust der Fremde ging uns aus,
Zum Vater wollen wir nach Haus.

Was sollen wir auf dieser Welt
Mit unsrer Lieb' und Treue.
Das Alte wird hintangestellt,
Was soll uns dann das Neue.
O! einsam steht und tiefbetrübt,
Wer heiß und fromm die Vorzeit liebt.

Die Vorzeit wo die Sinne licht
In hohen Flammen brannten,
Des Vaters Hand und Angesicht
Die Menschen noch erkannten.
Und hohen Sinns, einfältiglich
Noch mancher seinem Urbild glich.

Die Vorzeit, wo noch blüthenreich
Uralte Stämme prangten,
Und Kinder für das Himmelreich
nach Quaal und Tod verlangten.
Und wenn auch Lust und Leben sprach,
Doch manches Herz für Liebe brach.

Die Vorzeit, wo in Jugendglut
Gott selbst sich kundgegeben
Und frühem Tod in Liebesmuth
Geweiht sein süßes Leben.
Und Angst und Schmerz nicht von sich trieb,
Damit er uns nur theuer blieb.

Mit banger Sehnsucht sehn wir sie
In dunkle Nacht gehüllet,
In dieser Zeitlichkeit wird nie
Der heiße Durst gestillet.
Wir müssen nach der Heymath gehn,
Um diese heilge Zeit zu sehn.

Was hält noch unsre Rückkehr auf,
Die Liebsten ruhn schon lange.
Ihr Grab schließt unsern Lebenslauf,
Nun wird uns weh und bange.
Zu suchen haben wir nichts mehr -
Das Herz ist satt - die Welt ist leer.

Unendlich und geheimnißvoll
Durchströmt uns süßer Schauer -
Mir däucht, aus tiefen Fernen scholl
Ein Echo unsrer Trauer.
Die Lieben sehnen sich wohl auch
Und sandten uns der Sehnsucht Hauch.

Hinunter zu der süßen Braut,
Zu Jesus, dem Geliebten -
Getrost, die Abenddämmrung graut
Den Liebenden, Betrübten.
Ein Traum bricht unsre Banden los
Und senkt uns in des Vaters Schooß.

Novalis

=

Der Reiter und der Bodensee

Der Reiter reitet durchs helle Tal,
Auf Schneefeld schimmert der Sonne Strahl.
Er trabet im Schweiß durch den kalten Schnee,
Er will noch heut an den Bodensee;

Noch heut mit dem Pferd in den sichern Kahn,
Will drüben landen vor Nacht noch an.
Auf schlimmem Weg, über Dorn und Stein,
Er braust auf rüstigem Roß feldein.

Aus den Bergen heraus, ins ebene Land,
Da sieht er den Schnee sich dehnen wie Sand.
Weit hinter ihm schwinden Dorf und Stadt,
Der Weg wird eben, die Bahn wird glatt.

In weiter Fläche kein Bühl, kein Haus,
Die Bäume gingen, die Felsen aus;
So flieget er hin eine Meile, und zwei,
Er hört in den Lüften der Schneegans Schrei;

Es flattert das Wasserhuhn empor,
Nicht anderen Laut vernimmt sein Ohr;
Keinen Wandersmann sein Auge schaut,
Der ihm den rechten Pfad vertraut.

Fort geht's, wie auf Samt, auf dem weichen Schnee,
Wann rauscht das Wasser, wann glänzt der See?
Da bricht der Abend, der frühe, herein:
Von Lichtern blinket ein ferner Schein.

Es hebt aus dem Nebel sich Baum an Baum,
Und Hügel schließen den weiten Raum.
Er spürt auf dem Boden Stein und Dorn,
Dem Rosse gibt er den scharfen Sporn.

Und Hunde bellen empor am Pferd,
Und es winkt im Dorf ihm der warme Herd.
"Willkommen am Fenster, Mägdelein,
An den See, an den See, wie weit mag 's sein?"

Die Maid, sie staunet den Reiter an:
"Der See liegt hinter dir und der Kahn.
Und deckt' ihn die Rinde von Eis nicht zu,
Ich spräche, aus dem Nachen stiegest du."

Der Fremde schaudert, er atmet schwer:
"Dort hinten die Ebne, die ritt ich her!"
Da recket die Magd die Arm in die Höhe:
"Herr Gott! so rittest du über den See!

An den Schlund, an die Tiefe bodenlos,
Hat gepocht des rasenden Hufes Stoß!
Und unter dir zürnten die Wasser nicht?
Nicht krachte hinunter die Rinde dicht?

Und du wardst nicht die Speise der stummen Brut,
Der hungrigen Hecht in der kalten Flut?"
Sie rufet das Dorf herbei zu der Mär,
Es stellen die Knaben sich um ihn her.

Die Mütter, die Greise, sie sammeln sich:
"Glückseliger Mann, ja, segne du dich!
Herein, zum Ofen, zum dampfenden Tisch,
Brich mit uns das Brot und iß vom Fisch!"

Der Reiter erstarret auf seinem Pferd,
Er hat nur das erste Wort gehört.
Es stocket sein Herz, es sträubt sich sein Haar,
Dicht hinter ihm grinst noch die grause Gefahr.

Es siehet sein Blick nur den gräßlichen Schlund,
Sein Geist versinkt in den schwarzen Grund.
Im Ohr ihm donnert 's, wie krachend Eis,
Wie die Well umrieselt ihn kalter Schweiß.

Da seufzt er, da sinkt er vom Roß herab,
Da ward ihm am Ufer ein trocken Grab.

Gustav Schwab

=

Mein Stern

Oft in meinem Abendwandel hefte
Ich auf einen schönen Stern den Blick,
Zwar sein Zeichen hat besondre Kräfte,
Doch bestimmt und zwingt er kein Geschick.

Nicht geheime Winke will er geben,
Er ist wahr und rein und ohne Trug,
Er beseliget und stärkt das Leben
Mit der tiefsten Sehnsucht stillem Zug.

Nicht versteht er Gottes dunkeln Willen
Noch der Dinge letzten ewgen Grund,
Wunden heilt er, Schmerzen kann er stillen
Wie das Wort aus eines Freundes Mund.

In die Bangnis, die Bedrängnis funkelt
Er mit seinem hellsten Strahle gern,
Und je mehr die Erde mählich dunkelt,
Desto näher, stärker brennt mein Stern.

Holder, einen Namen wirst du tragen,
Aber diesen wissen will ich nicht,
Keinen Weisen werd ich darum fragen,
Du mein tröstliches, mein treues Licht!

Conrad Ferdinand Meyer

=

Der Panther

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein großer Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf -; dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille -;
und hört im Herzen auf zu sein.

Rainer Maria Rilke

=

Gestutzte Eiche

Wie haben sie dich, Baum, verschnitten
Wie stehst du fremd und sonderbar!
Wie hast du hundertmal gelitten,
Bis nichts in dir als Trotz und Wille war!

Ich bin wie du, mit dem verschnittnen,
Gequälten Leben brach ich nicht
Und tauche täglich aus durchlittnen
Roheiten neu die Stirn ins Licht.

Was in mir weich und zart gewesen,
Hat mir die Welt zu Tod gehöhnt,
Doch unzerstörbar ist mein Wesen,
Ich bin zufrieden, bin versöhnt,

Geduldig neue Blätter treib ich
Aus Ästen hundertmal zerspalt,
Und allem Weh zu Trotze bleib ich
Verliebt in die verrückte Welt.

Hermann Hesse

=

Ginkgo Biloba

Dieses Baums Blatt, der von Osten
Meinem Garten anvertraut,
Gibt geheimen Sinn zu kosten,
Wie 's den Wissenden erbaut.

Ist es ein lebendig Wesen
Das sich in sich selbst getrennt?
Sinds es zwei, die sich erlesen,
Dass man sie als eines kennt?

Solche Fragen zu erwidern
Fand ich wohl den rechten Sinn;
fühlst du nicht an meinen Liedern,
Dass ich eins und doppelt bin?

Johann Wolfgang von Goethe

=

Liebeslied

Wie soll ich meine Seele halten, daß
sie nicht an deine rührt? Wie soll ich sie
hinheben über dich zu andern Dingen?

Ach gerne möcht ich sie bei irgendwas
Verlorenem im Dunkel unterbringen
an einer fremden stillen Stelle, die
nicht weiterschwingt,wenn deineTiefen schwingen.

Doch alles, was uns anrührt, dich und mich,
nimmt uns zusammen wie ein Bogenstrich,
der aus zwei Saiten eine Stimme zieht.

Auf welches Instrument sind wir gespannt?
Und welcher Spieler hat uns in der Hand?
O süßes Lied.

Rainer Maria Rilke

=

Du bist wie eine Blume

Du bist wie eine Blume
so hold und schön und rein;
ich schau' dich an, und Wehmut
schleicht mir ins Herz hinein.

Mir ist, als ob ich die Hände
aufs Haupt dir legen sollt',
betend, daß Gott dich erhalte
so rein und schön und hold.

Heinrich Heine

=

Stapfen

In jungen Jahren war's. Ich brachte dich
Zurück ins Nachbarhaus, wo du zu Gast,
Durch das Gehölz. Der Nebel rieselte,
Du zogst des Reisekleids Kapuze vor
Und blicktest traulich mit verhüllter Stirn.

Naß ward der Pfad. Die Sohlen prägten sich
Dem feuchten Waldesboden deutlich ein,
Die wandernden. Du schrittest auf dem Bord,
Von deiner Reise sprechend. Eine noch,
Die längre, folge drauf, so sagtest du.

Dann scherzten wir, der nahen Trennung klug
Das Angesicht verhüllend, und du schiedst,
Dort wo der First sich über Ulmen hebt.
Ich ging denselben Pfad gemach zurück,

Leis schwelgend noch in deiner Lieblichkeit,
In deiner wilden Scheu, und wohlgemut
Vertrauend auf ein baldig Wiedersehn.

Vergnüglich schlendernd, sah ich auf dem Rain
Den Umriß deiner Sohlen deutlich noch
Dem feuchten Waldesboden eingeprägt,
Die kleinste Spur von dir, die flüchtigste,
Und doch dein Wesen: wandernd, reisehaft,
Schlank, rein, walddunkel, aber o wie süß!

Die Stapfen schritten jetzt entgegen dem
Zurück dieselbe Strecke Wandernden:
Aus deinen Stapfen hobst du dich empor
Vor meinem innern Auge. Deinen Wuchs
Erblickt ich mit des Busens zartem Bug.
Vorüber gingst du, eine Traumgestalt.

Die Stapfen wurden jetzt undeutlicher,
Vom Regen halb gelöscht, der stärker fiel.
Da überschlich mich eine Traurigkeit:
Fast unter meinem Blick verwischten sich
Die Spuren deines letzten Gangs mit mir.

Conrad Ferdinand Meyer

=

Dem unbekannten Gotte

Noch einmal, eh ich weiterziehe
und meine Blicke vorwärts sende,
heb ich vereinsamt meine Hände
zu dir empor, zu dem ich fliehe,
dem ich in tiefster Herzenstiefe
Altare feierlich geweiht,
daß allezeit
mich deine Stimme wieder riefe.

Darauf erglüht tief eingeschrieben
das Wort: Dem unbekannten Gotte.
Sein bin ich, ob ich in der Frevler Rotte
auch bis zur Stunde bin geblieben:
Sein bin ich - und fühl die Schlingen,
die mich im Kampf darniederziehn
und, mag ich fliehn,
mich doch zu seinem Dienste zwingen.

Ich will dich kennen, Unbekannter,
du tief in meine Seele Greifender,
mein Leben wie ein Sturm Durchschweifender,
du Unfaßbarer, mir Verwandter!
Ich will dich kennen, selbst dir dienen.

Friedrich Nietzsche

=

Bücher

Alle Bücher dieser Welt
Bringen dir kein Glück,
Doch sie weisen dich geheim
In dich selbst zurück.

Dort ist alles, was du brauchst,
Sonne, Stern und Mond,
Denn das Licht, danach du fragst,
In dir selber wohnt.

Weisheit, die du lang gesucht
In den Büchereien,
Leuchtet jetzt aus jedem Blatt -;
Denn nun ist sie dein.

Hermann Hesse

=

Erlkönig

Wer reitet so spät durch Nacht und Wind?
Es ist der Vater mit seinem Kind;
Er hat den Knaben wohl in dem Arm,
Er faßt ihn sicher, er hält ihn warm.

Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht?
Siehst Vater, du den Erlkönig nicht?
Den Erlenkönig mit Kron und Schweif?
Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif.

"Du liebes Kind, komm, geh mit mir!
Gar schöne Spiele spiel ich mit dir;
Manch bunte Blumen sind an dem Strand,
Meine Mutter hat manch gülden Gewand."

Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht,
Was Erlenkönig mir leise verspricht?
Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind;
In dürren Blättern säuselt der Wind.

"Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn?
Meine Töchter sollen dich warten schön;
Meine Töchter führen den nächtlichen Reihn
Und wiegen und tanzen und singen dich ein."

Mein Vater, mein Vater, und siehst du nicht dort
Erlkönigs Töchter am düstern Ort? -
Mein Sohn, mein Sohn, ich seh es genau:
Es scheinen die alten Weiden so grau.

"Ich liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt."
Mein Vater, mein Vater, jetzt faßt er mich an!
Erlkönig hat mir ein Leids getan!

Dem Vater grauset's, er reitet geschwind,
Er hält in den Armen das ächzende Kind,
Erreicht den Hof mit Mühe und Not;
In seinen Armen das Kind war tot.

Johann Wolfgang von Goethe

=

Die Beiden

Sie trug den Becher in der Hand -
Ihr Kinn und Mund glich seinem Rand -
So leicht und sicher war ihr Gang,
Kein Tropfen aus dem Becher sprang.

So leicht und fest war seine Hand:
Er ritt auf einem jungen Pferde,
Und mit nachlässiger Gebärde
Erzwang er, daß es zitternd stand.

Jedoch, wenn er aus ihrer Hand
Den leichten Becher nehmen sollte,
So war es beiden allzu schwer:
Denn beide bebten sie so sehr,
Daß keine Hand die andre fand
Und dunkler Wein am Boden rollte.

Hugo von Hofmannsthal

=

Die heiligen drei Könige...

Die heiligen drei Könige aus Morgenland,
sie frugen in jedem Städtchen:
Wo geht der Weg nach Bethlehem,
ihr lieben Buben und Mädchen?

Die jungen und Alten, sie wußten es nicht,
die Könige zogen weiter;
sie folgten einem goldenen Stern,
der leuchtete lieblich und heiter.

Der Stern blieb stehn über Josephs Haus,
da sind sie hineingegangen;
das Öchslein brüllte, das Kindlein schrie,
die heiligen drei Könige sangen.

Heinrich Heine

=

Beim Schlafengehen

Nun der Tag mich müd gemacht.
soll mein sehnliches Verlangen
freundlich die gestirnte Nacht
wie ein müdes Kind empfangen.

Hände, laßt von allem Tun,
Stirn, vergiß du alles Denken,
alle meine Sinne nun
wollen sich in Schlummer senken.

Und die Seele, unbewacht,
will in freien Flügeln schweben,
um im Zauberkreis der Nacht
tief und tausendfach zu leben.

Hermann Hesse

=

Das Heidenröslein

Sah ein Knab ein Röslein stehn,
Röslein auf der Heiden,
War so jung und morgenschön,
Lief er schnell, es nah zu sehn,
Sah's mit vielen Freuden.

Röslein, Röslein, Röslein rot,
Röslein auf der Heiden.

Knabe sprach: Ich breche dich,
Röslein auf der Heiden!

Röslein sprach: Ich steche dich,
Daß du ewig denkst an mich,
Und ich will's nicht leiden.
Röslein, Röslein, Röslein rot,
Röslein auf der Heiden.

Und der wilde Knabe brach
's Röslein auf der Heiden;
Röslein wehrte sich und stach,
Half ihr doch kein Weh und Ach,
Mußt' es eben leiden.

Röslein, Röslein, Röslein rot,
Röslein auf der Heiden.

Johann Wolfgang von Goethe

=

Das andere Ufer

Einmal wird ein Ende
aller Irrfahrt sein.
Müdgewordne Hände
ziehn die Segel ein.

Leise ruft der Rufer
allen Sturm zur Ruhr.
Einem andern Ufer
treibt der Nachen zu.

Und die vor mir gingen
schauen nach mir aus,
um mich heimzubringen
in mein Vaterhaus.

Wortlos knie ich nieder
in den Silbersand:
nimm mich, nimm mich wieder,
seliges Sonnenland!

Manfred Kyber

=

Vom Riesen Timpetu

Pst! Ich weiß was.Hört mal zu:
War einst ein Riese Timpetu.
Der arme Bursche hat - o Graus-
im Schlafe nachts verschluckt
'ne Maus.
Er lief zum Doktor Isegrim:
"Ach, Doktor, mir geht's heute schlimm.
Ich hab im Schlaf 'ne Maus verschluckt,
die sitzt im Leib und kneipt und druckt."
Der Doktor war ein kluger Mann,
man sah's ihm an der Brille an.
Er hat ihm in den Hals geguckt:
"Wie? Was, 'ne Maus habt Ihr verschluckt?
Verschluckt 'ne Miezekatze dazu,
so lässt die Maus Euch gleich in Ruh!"

Alwin Freudenberg

=

Was es ist

Es ist Unsinn
sagt die Vernunft
Es ist was es ist
sagt die Liebe

Es ist Unglück
sagt die Berechnung
Es ist nichts als Schmerz
sagt die Angst
Es ist aussichtslos
sagt die Einsicht
Es ist was es ist
sagt die Liebe

Es ist lächerlich
sagt der Stolz
Es ist leichtsinnig
sagt die Vorsicht
Es ist unmöglich
sagt die Erfahrung
Es ist was es ist
sagt die Liebe

Erich Fried

=

Wandrers Nachtlied

Über allen Gipfeln ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch.

Johann Wolfgang von Goethe

=

Bei einem Gewitter

Buchen soll man suchen,
Eichen soll man weichen,
Fichten soll man fürchten,
Weiden soll man meiden.

?

=

Es ist der Jagd die Liebe gleich

Es ist der Jagd die Liebe gleich:
ein flüchtig, holdes Glück
und beider stolzes Himmelreich
der bange Augenblick.

?

=

Eine Lüge hätte keinen Sinn, wenn ...

Eine Lüge hätte keinen Sinn,
wenn die Wahrheit gefährlich empfunden wurde.

Alfred Adler

=

Die Bedeutung des Lebens ist, dass es aufhört

Die Bedeutung des Lebens ist, dass es aufhört.

Franz Kafka

= = =

Poems

naar de index van de Gedichten (1)  Vlag van Nederland  Vlag van Duitsland  Vlag van Engeland  Vlag van Frankrijk  naar de index van de Gedichten (2)

Dream Land

Where sunless rivers weep
Their waves into the deep,
She sleeps a charmed sleep:
Awake her not.
Led by a single star,
She came from very far
To seek where shadows are
Her pleasant lot.

She left the rosy morn,
She left the fields of corn,
For twilight cold and lorn
And water springs.
Through sleep, as through a veil,
She sees the sky look pale,
And hears the nightingale
That sadly sings.

Rest, rest, a perfect rest
Shed over brow and breast;
Her face is toward the west,
The purple land.
She cannot see the grain
Ripening on hill and plain;
She cannot feel the rain
Upon her hand.

Rest, rest, for evermore
Upon a mossy shore;
Rest, rest at the heart's core
Till time shall cease:
Sleep that no pain shall wake;
Night that no morn shall break
Till joy shall overtake
Her perfect peace.

Christina Georgina Rossetti

=

Ascension day

In the Blue Lobster Café backyard,
the head chef – arms outstretched –
bears what looks like a body,

but conjures six cook’s shirts,
hot-laundered, pegged out,
dripping in a drench of sun.

As they dry, their half-hearted
semaphore becomes
more urgent, untranslatable.

Sex and death are in the air
this May morning: pollen and spent
blossom on an aimless breeze;

crab-backs, prawn skins, clams,
black-violet mussel shells,
all reek in sun-baked bin-sacks.

Michael Symmons Roberts

=

One day I wrote her name upon the strand

One day I wrote her name upon the strand,
But came the waves and washed it away:
Again I wrote it with a second hand,
But came the tide, and made my pains his prey.
Vain man, said she, that doest in vain assay
A mortal thing so to immortalize,
For I myself shall like to this decay,
And eek my name be wiped out likewise.
Not so (quoth I), let baser things devise
To die in dust, but you shall live by fame:
My verse your virtues rare shall eternize,
And in the heavens write your glorious name.
Where whenas Death shall all the world subdue,
Our love shall live, and later life renew.

Edmund Spenser

=

Nobody knows this little Rose

Nobody knows this little Rose --
It might a pilgrim be
Did I not take it from the ways
And lift it up to thee.
Only a Bee will miss it --
Only a Butterfly,
Hastening from far journey --
On its breast to lie --
Only a Bird will wonder --
Only a Breeze will sigh --
Ah Little Rose -- how easy
For such as thee to die!

Emily Dickinson

=

Desiderata

Go placidly amid the noise and haste,
and remember what peace there may be in silence.
As far as possible without surrender
be on good terms with all persons.
Speak your truth quietly and clearly;
and listen to others,
even the dull and the ignorant;
they too have their story.
Avoid loud and aggressive persons,
they are vexations to the spirit.
If you compare yourself with others,
you may become vain and bitter;
for always there will be greater and lesser persons than yourself.
Enjoy your achievements as well as your plans.
Keep interested in your own career, however humble;
it is a real possession in the changing fortunes of time.
Exercise caution in your business affairs;
for the world is full of trickery.
But let this not blind you to what virtue there is;
many persons strive for high ideals;
and everywhere life is full of heroism.
Be yourself.
Especially, do not feign affection.
Neither be cynical about love;
for in the face of all aridity and disenchantment
it is as perennial as the grass.
Take kindly the counsel of the years,
gracefully surrendering the things of youth.
Nurture strength of spirit to shield you in sudden misfortune.
But do not distress yourself with dark imaginings.
Many fears are born of fatigue and loneliness.
Beyond a wholesome discipline,
be gentle with yourself.
You are a child of the universe,
no less than the trees and the stars;
you have a right to be here.
And whether or not it is clear to you,
no doubt the universe is unfolding as it should.
Therefore be at peace with God,
whatever you conceive Him to be,
and whatever your labors and aspirations,
in the noisy confusion of life keep peace with your soul.
With all its sham, drudgery, and broken dreams,
it is still a beautiful world.
Be cheerful.
Strive to be happy.

Max Ehrmann

=

Christmas Carol

The kings they came from out the south,
All dressed in ermine fine;
They bore Him gold and chrysoprase,
And gifts of precious wine.

The shepherds came from out the north,
Their coats were brown and old;
They brought Him little new-born lambs--
They had not any gold.

The wise men came from out the east,
And they were wrapped in white;
The star that led them all the way
Did glorify the night.

The angels came from heaven high,
And they were clad with wings;
And lo, they brought a joyful song
The host of heaven sings.

The kings they knocked upon the door,
The wise men entered in,
The shepherds followed after them
To hear the song begin.

The angels sang through all the night
Until the rising sun,
But little Jesus fell asleep
Before the song was done.

Sara Teasdale

=

The war works hard

How magnificent the war is!
How eager
and efficient!
Early in the morning,
it wakes up the sirens
and dispatches ambulances
to various places,
swings corpses through the air,
rolls stretchers to the wounded,
summons rain
from the eyes of mothers,
digs into the earth
dislodging many things
from under the ruins . . .
Some are lifeless and glistening,
others are pale and still throbbing . . .
It produces the most questions
in the minds of children,
entertains the gods
by shooting fireworks and missiles
into the sky,
sows mines in the fields
and reaps punctures and blisters,
urges families to emigrate,
stands beside the clergymen
as they curse the devil
(poor devil, he remains
with one hand in the searing fire) . . .
The war continues working, day and night.
It inspires tyrants
to deliver long speeches,
awards medals to generals
and themes to poets.
It contributes to the industry
of artificial limbs,
provides food for flies,
adds pages to the history books,
achieves equality
between killer and killed,
teaches lovers to write letters,
accustoms young women to waiting,
fills the newspapers
with articles and pictures,
builds new houses
for the orphans,
invigorates the coffin makers,
gives grave diggers
a pat on the back
and paints a smile on the leader’s face.
The war works with unparalleled diligence!
Yet no one gives it
a word of praise.

Dunya Mikhail

=

The Suicides

It is hard for us to enter
the kind of despair they must have known
and because it is hard we must get in by breaking
the lock if necessary for we have not the key,
though for them there was no lock and the surrounding walls
were supple, receiving as waves, and they drowned
though not lovingly; it is we only
who must enter in this way.

Tempations will beset us, ounce we are in.
We may want to catalogue what they have stolen.
We may feel suspicio; we may even criticize the décor
of their suicidal despair, may perhaps feel
it was incongruously comfortable.

Knowing the temptations then
let us go in
deep to their despair and their skin and know
they died because words they had spoken
returned always homeless to them.

Janet Frame

=

The Owl and the Pussycat

1
The Owl and the Pussy-cat went to sea
In a beautiful pea green boat,
They took some honey, and plenty of money,
Wrapped up in a five pound note.
The Owl looked up to the stars above,
And sang to a small guitar,
'O lovely Pussy! O Pussy my love,
What a beautiful Pussy you are,
You are,
You are!
What a beautiful Pussy you are!'

2
Pussy said to the Owl, 'You elegant fowl!
How charmingly sweet you sing!
O let us be married! too long we have tarried:
But what shall we do for a ring?'
They sailed away, for a year and a day,
To the land where the Bong-tree grows
And there in a wood a Piggy-wig stood
With a ring at the end of his nose,
His nose,
His nose,
With a ring at the end of his nose.

3
'Dear pig, are you willing to sell for one shilling
Your ring?' Said the Piggy, 'I will.'
So they took it away, and were married next day
By the Turkey who lives on the hill.
They dined on mince, and slices of quince,
Which they ate with a runcible spoon;
And hand in hand, on the edge of the sand,
They danced by the light of the moon,
The moon,
The moon,
They danced by the light of the moon.

Edward Lear

=

A Poison Tree

I was angry with my friend:
I told my wrath, my wrath did end.
I was angry with my foe:
I told it not, my wrath did grow.

And I watered it in fears,
Night and morning with my tears;
And I sunned it with smiles,
And with soft deceitful wiles.

And it grew both day and night,
Till it bore an apple bright.
And my foe beheld it shine.
And he knew that it was mine,

And into my garden stole
When the night had veiled the pole;
In the morning glad I see
My foe outstretched beneath the tree.

William Blake

=

The Poor Ghost

"Oh whence do you come, my dear friend, to me,
With your golden hair all fallen below your knee,
And your face as white as snowdrops on the lea,
And your voice as hollow as the hollow sea?"

"From the other world I come back to you,
My locks are uncurled with dripping drenching dew.
You know the old, whilst I know the new:
But tomorrow you shall know this too."

"Oh not tomorrow into the dark, I pray;
Oh not tomorrow, too soon to go away:
Here I feel warm and well-content and gay:
Give me another year, another day."

"Am I so changed in a day and a night
That mine own only love shrinks from me with fright,
Is fain to turn away to left or right
And cover up his eyes from the sight?"

"Indeed I loved you, my chosen friend,
I loved you for life, but life has an end;
Thro' sickness I was ready to tend:
But death mars all, which we cannot mend.

"Indeed I loved you; I love you yet
If you will stay where your bed is set,
Where I have planted a violet
Which the wind waves, which the dew makes wet."

"Life is gone, then love too is gone,
It was a reed that I leant upon:
Never doubt 1 will leave you alone
And not wake you rattling bone with bone.

"I go home alone to my bed,
Dug deep at the foot and deep at the head,
Roofed in with a load of lead,
Warm enough for the forgotten dead.

"But why did your tears soak thro' the clay,
And why did your sobs wake me where I lay?
I was away, far enough away:
Let me sleep now till the Judgment Day."

Christina Georgina Rossetti

=

A Certain Lady

Oh, I can smile for you, and tilt my head,
And drink your rushing words with eager lips,
And paint my mouth for you a fragrant red,
And trace your brows with tutored finger-tips.
When you rehearse your list of loves to me,
Oh, I can laugh and marvel, rapturous-eyed.
And you laugh back, nor can you ever see
The thousand little deaths my heart has died.
And you believe, so well I know my part,
That I am gay as morning, light as snow,
And all the straining things within my heart
You'll never know.
Oh, I can laugh and listen, when we meet,
And you bring tales of fresh adventurings, --
Of ladies delicately indiscreet,
Of lingering hands, and gently whispered things.
And you are pleased with me, and strive anew
To sing me sagas of your late delights.
Thus do you want me -- marveling, gay, and true,
Nor do you see my staring eyes of nights.
And when, in search of novelty, you stray,
Oh, I can kiss you blithely as you go ....
And what goes on, my love, while you're away,
You'll never know.

Dorothy Parker

=

She walks in Beauty

SHE walks in beauty, like the night
Of cloudless climes and starry skies;
And all that 's best of dark and bright
Meet in her aspect and her eyes:
Thus mellow'd to that tender light
Which heaven to gaudy day denies.

One shade the more, one ray the less,
Had half impair'd the nameless grace
Which waves in every raven tress,
Or softly lightens o'er her face;
Where thoughts serenely sweet express
How pure, how dear their dwelling-place.

And on that cheek, and o'er that brow,
So soft, so calm, yet eloquent,
The smiles that win, the tints that glow,
But tell of days in goodness spent,
A mind at peace with all below,
A heart whose love is innocent!

George Gordon Byron, Lord Byron

=

Only until this cigarette is ended

Only until this cigarette is ended,
A little moment at the end of all,
While on the floor the quiet ashes fall,
And in the firelight to a lance extended,
Bizarrely with the jazzing music blended,
The broken shadow dances on the wall,
I will permit my memory to recall
The vision of you, by all my dreams attended.
And then adieu,-;farewell!-;the dream is done.
Yours is a face of which I can forget
The colour and the features, every one,
The words not ever, and the smile not yet;
But in your day this moment is the sun
Upon a hill, after the sun has set.

Edna St. Vincent Millay

=

Friendship's flowers

Life is a garden,
good friends are the flowers.
And time spent together,
life's happiest hours;

For friendship, like flowers,
blooms ever more fair
When carefully tended
by dear friends who care;

And life's lovely garden
would be sweeter by far
If all who passed through it
were as nice as you are.

Helen Steiner Rice

=

Wild Asters

In the spring I asked the daisies
If his words were true,
And the clever little daisies
Always knew.

Now the fields are brown and barren,
Bitter autumn blows,
And of all the stupid asters
Not one knows.

Sara Teasdale

=

O Captain! My Captain!

O CAPTAIN! my Captain! our fearful trip is done;
The ship has weather'd every rack, the prize we sought is won;
The port is near, the bells I hear, the people all exulting,
While follow eyes the steady keel, the vessel grim and daring:
But O heart! heart! heart!
O the bleeding drops of red,
Where on the deck my Captain lies,
Fallen cold and dead.

O Captain! my Captain! rise up and hear the bells;
Rise up-;for you the flag is flung-;for you the bugle trills;
For you bouquets and ribbon'd wreaths-;for you the shores a-crowding;
For you they call, the swaying mass, their eager faces turning;
Here Captain! dear father!
This arm beneath your head;
It is some dream that on the deck,
You've fallen cold and dead.

My Captain does not answer, his lips are pale and still;
My father does not feel my arm, he has no pulse nor will;
The ship is anchor'd safe and sound, its voyage closed and done;
From fearful trip, the victor ship, comes in with object won;
Exult, O shores, and ring, O bells!
But I, with mournful tread,
Walk the deck my Captain lies,
Fallen cold and dead.

Walt Whitman

=

If

If you can keep your head when all about you
Are losing theirs and blaming it on you,
If you can trust yourself when all men doubt you,
But make allowance for their doubting too;
If you can wait and not be tired by waiting,
Or being lied about, don't deal in lies,
Or being hated, don't give way to hating,
And yet don't look too good, nor talk too wise:

If you can dream - and not make dreams your master;
If you can think - and not make thoughts your aim;
If you can meet with Triumph and Disaster
And treat those two impostors just the same;
If you can bear to hear the truth you've spoken
Twisted by knaves to make a trap for fools,
Or watch the things you gave your life to, broken,
And stoop and build 'em up with worn-out tools:

If you can make one heap of all your winnings
And risk it on one turn of pitch-and-toss,
And lose, and start again at your beginnings
And never breathe a word about your loss;
If you can force your heart and nerve and sinew
To serve your turn long after they are gone,
And so hold on when there is nothing in you
Except the Will which says to them: 'Hold on!'

If you can talk with crowds and keep your virtue,
Or walk with Kings - nor lose the common touch,
if neither foes nor loving friends can hurt you,
If all men count with you, but none too much;
If you can fill the unforgiving minute
With sixty seconds' worth of distance run,
Yours is the Earth and everything that's in it,
And - which is more - you'll be a Man, my son!

Rudyard Kipling

=

Would I Were a Careless Child

I would I were a careless child,
Still dwelling in my Highland cave,
Or roaming through the dusky wild,
Or bounding o'er the dark blue wave;
The cumbrous pomp of Saxon pride
Accords not with the freeborn soul,
Which loves the mountain's craggy side,
And seeks the rocks where billows roll.

Fortune! take back these cultured lands,
Take back this name of splendid sound!
I hate the touch of servile hands,
I hate the slaves that cringe around.
Place me among the rocks I love,
Which sound to Ocean's wildest roar;
I ask but this - again to rove
Through scenes my youth hath known before.

Few are my years, and yet I feel
The world was ne'er designed for me:
Ah! why do dark'ning shades conceal
The hour when man must cease to be?
Once I beheld a splendid dream,
A visionary scene of bliss:
Truth! - wherefore did thy hated beam
Awake me to a world like this?

I loves - but those I love are gone;
Had friends - my early friends are fled:
How cheerless feels the heart alone,
When all its former hopes are dead!
Though gay companions o'er the bowl
Dispel awhile the sense of ill'
Though pleasure stirs the maddening soul,
The heart - the heart - is lonely still.

How dull! to hear the voice of those
Whom rank or chance, whom wealth or power,
Have made, though neither friends nor foes,
Associates of the festive hour.
Give me again a faithful few,
In years and feelings still the same,
And I will fly the midnight crew,
Where boist'rous joy is but a name.

And woman, lovely woman! thou,
My hope, my comforter, my all!
How cold must be my bosom now,
When e'en thy smiles begin to pall!
Without a sigh would I resign
This busy scene of splendid woe,
To make that calm contentment mine,
Which virtue know, or seems to know.

Fain would I fly the haunts of men -
I seek to shun, not hate mankind;
My breast requires the sullen glen,
Whose gloom may suit a darken'd mind.
Oh! that to me the wings were given
Which bear the turtle to her nest!
Then would I cleave the vault of heaven,
To flee away, and be at rest.

Elizabeth Barrett Browning

=

The raven

ONCE upon a midnight dreary, while I pondered, weak and weary,
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore,-;
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping,
As of some one gently rapping, rapping at my chamber door.
"'T is some visitor," I muttered, "tapping at my chamber door;
Only this and nothing more."

Ah, distinctly I remember it was in the bleak December
And each separate dying ember wrought its ghost upon the floor.
Eagerly I wished the morrow;-;vainly I had sought to borrow
From my books surcease of sorrow-;sorrow for the lost Lenore,
For the rare and radiant maiden whom the angels name Lenore:
Nameless here for evermore.

And the silken sad uncertain rustling of each purple curtain
Thrilled me-;filled me with fantastic terrors never felt before;
So that now, to still the beating of my heart, I stood repeating
"'T is some visitor entreating entrance at my chamber door,
Some late visitor entreating entrance at my chamber door:
This it is and nothing more."

Presently my soul grew stronger; hesitating then no longer,
"Sir," said I, "or Madam, truly your forgiveness I implore;
But the fact is I was napping, and so gently you came rapping,
And so faintly you came tapping, tapping at my chamber door,
That I scarce was sure I heard you"-;here I opened wide the door:-;
Darkness there and nothing more.

Deep into that darkness peering, long I stood there wondering, fearing,
Doubting, dreaming dreams no mortals ever dared to dream before;
But the silence was unbroken, and the stillness gave no token,
And the only word there spoken was the whispered word, "Lenore?"
This I whispered, and an echo murmured back the word, "Lenore:"
Merely this and nothing more.

Back into the chamber turning, all my soul within me burning,
Soon again I heard a tapping somewhat louder than before.
"Surely," said I, "surely that is something at my window lattice;
Let me see, then, what thereat is, and this mystery explore;
Let my heart be still a moment and this mystery explore:
T is the wind and nothing more."

Open here I flung the shutter, when, with many a flirt and flutter,
In there stepped a stately Raven of the saintly days of yore.
Not the least obeisance made he; not a minute stopped or stayed he;
But, with mien of lord or lady, perched above my chamber door,
Perched upon a bust of Pallas just above my chamber door:
Perched, and sat, and nothing more.

Then this ebony bird beguiling my sad fancy into smiling
By the grave and stern decorum of the countenance it wore,-;
"Though thy crest be shorn and shaven, thou," I said, "art sure no craven,
Ghastly grim and ancient Raven wandering from the Nightly shore:
Tell me what thy lordly name is on the Night's Plutonian shore!"
Quoth the Raven, "Nevermore."

Much I marvelled this ungainly fowl to hear discourse so plainly,
Though its answer little meaning-;little relevancy bore;
For we cannot help agreeing that no living human being
Ever yet was blessed with seeing bird above his chamber door,
Bird or beast upon the sculptured bust above his chamber door,
With such name as "Nevermore."

But the Raven, sitting lonely on the placid bust, spoke only
That one word, as if his soul in that one word he did outpour.
Nothing further then he uttered, not a feather then he fluttered,
Till I scarcely more than muttered,-;"Other friends have flown before;
On the morrow he will leave me, as my Hopes have flown before."
Then the bird said, "Nevermore."

Startled at the stillness broken by reply so aptly spoken,
"Doubtless," said I, "what it utters is its only stock and store,
Caught from some unhappy master whom unmerciful Disaster
Followed fast and followed faster till his songs one burden bore:
Till the dirges of his Hope that melancholy burden bore
Of 'Never-;nevermore.'

But the Raven still beguiling all my fancy into smiling,
Straight I wheeled a cushioned seat in front of bird and bust and door;
Then, upon the velvet sinking, I betook myself to linking
Fancy unto fancy, thinking what this ominous bird of yore,
What this grim, ungainly, ghastly, gaunt, and ominous bird of yore
Meant in croaking "Nevermore."

This I sat engaged in guessing, but no syllable expressing
To the fowl whose fiery eyes now burned into my bosom's core;
This and more I sat divining, with my head at ease reclining
On the cushion's velvet lining that the lamplight gloated o'er,
But whose velvet violet lining with the lamp-light gloating o'er
She shall press, ah, nevermore!

Then, methought, the air grew denser, perfumed from an unseen censer
Swung by seraphim whose foot-falls tinkled on the tufted floor.
"Wretch," I cried, "thy God hath lent thee-;by these angels he hath sent thee
Respite-;respite and nepenthe from thy memories of Lenore!"
Quaff, oh quaff this kind nepenthe, and forget this lost Lenore."
Quoth the Raven, "Nevermore."

"Prophet!" said I, "thing of evil! prophet still, if bird or devil!
Whether Tempter sent, or whether tempest tossed thee here ashore,
Desolate yet all undaunted, on this desert land enchanted-;
On this home by Horror haunted-;tell me truly, I implore:
Is there-;is there balm in Gilead?-;tell me-;tell me, I implore!"
Quoth the Raven, "Nevermore."

"Prophet!" said I, "thing of evil-;prophet still, if bird or devil!
By that Heaven that bends above us, by that God we both adore,
Tell this soul with sorrow laden if, within the distant Aidenn,
It shall clasp a sainted maiden whom the angels name Lenore:
Clasp a rare and radiant maiden whom the angels name Lenore!"
Quoth the Raven, "Nevermore."

"Be that word our sign of parting, bird or fiend!" I shrieked, upstarting:
"Get thee back into the tempest and the Night's Plutonian shore!
Leave no black plume as a token of that lie thy soul hath spoken!
Leave my loneliness unbroken! quit the bust above my door!
Take thy beak from out my heart, and take thy form from off my door!"
Quoth the Raven, "Nevermore."

And the Raven, never flitting, still is sitting, still is sitting
On the pallid bust of Pallas just above my chamber door;
And his eyes have all the seeming of a demon's that is dreaming,
And the lamp-light o'er him streaming throws his shadow on the floor:
And my soul from out that shadow that lies floating on the floor
Shall be lifted - nevermore!

Edgar Allan Poe

=

My Friend

I love you not only for what you are, but for
what I am when I am with you.

I love you not only for what you have made of
yourself, but for what you are making of me.

I love you because you have done more than
any creed could have done to make me good,
and more than any fate could have done to make me happy.

You have done it without a touch, without a
word, without a sign.

You have done it by being yourself. Perhaps
that is what being a friend means, after all.

?

=

Ode on a Grecian Urn

Thou still unravish'd bride of quietness,
Thou foster-child of Silence and slow Time,
Sylvan historian, who canst thus express
A flowery tale more sweetly than our rhyme:
What leaf-fringed legend haunts about thy shape
Of deities or mortals, or of both,
In Tempe or the dales of Arcady?
What men or gods are these? What maidens loth?
What mad pursuit? What struggle to escape?
What pipes and timbrels? What wild ecstasy?

Heard melodies are sweet, but those unheard
Are sweeter; therefore, ye soft pipes, play on;
Not to the sensual ear, but, more endear'd,
Pipe to the spirit ditties of no tone:
Fair youth, beneath the trees, thou canst not leave
Thy song, nor ever can those trees be bare;
Bold Lover, never, never canst thou kiss,
Though winning near the goal-;yet, do not grieve;
She cannot fade, though thou hast not thy bliss,
For ever wilt thou love, and she be fair!

Ah, happy, happy boughs! that cannot shed
Your leaves, nor ever bid the Spring adieu;
And, happy melodist, unwearièd,
For ever piping songs for ever new;
More happy love! more happy, happy love!
For ever warm and still to be enjoy'd,
For ever panting, and for ever young;
All breathing human passion far above,
That leaves a heart high-sorrowful and cloy'd,
A burning forehead, and a parching tongue.

Who are these coming to the sacrifice?
To what green altar, O mysterious priest,
Lead'st thou that heifer lowing at the skies,
And all her silken flanks with garlands drest?
What little town by river or sea-shore,
Or mountain-built with peaceful citadel,
Is emptied of its folk, this pious morn?
And, little town, thy streets for evermore
Will silent be; and not a soul, to tell
Why thou art desolate, can e'er return.

O Attic shape! fair attitude! with brede
Of marble men and maidens overwrought,
With forest branches and the trodden weed;
Thou, silent form! dost tease us out of thought
As doth eternity: Cold Pastoral!
When old age shall this generation waste,
Thou shalt remain, in midst of other woe
Than ours, a friend to man, to whom thou say'st,
'Beauty is truth, truth beauty,-;that is all
Ye know on earth, and all ye need to know.'

John Keats

=

Creed or Christ

No man loves God who hates his kind,
Who tramples on his brother's heart and soul;
Who seeks to shackle, cloud, or fog the mind
By fears of hell has not perceived our goal.

God-sent are all religions blest;
And Christ, the Way, the Truth, the Life,
To give the heavy laden rest
And peace from sorrow, sin, and strife.

Behold the Universal Spirit came
To all the churches, not to one alone;
On Pentecostal morn a tongue of flame
Round each apostle as a halo shone.

Since then, as vultures ravenous with greed,
We oft have battled for an empty name,
And sought by dogma, edict, cult, or creed,
To send each other to the quenchless flame.

Is Christ then twain? Was Cephas, Paul,
To save the world, nailed to the tree?
Then why divisions here at all?
Christ's love enfolds both you and me.

His pure sweet love is not confined
By creed which segregate and raise a wall.
His love enfolds, embraces human kind,
No matter what ourselves or Him we call.

Then why not take Him at His word?
Why hold to creeds which tear apart?
But one thing matters, be it heard
That brother love fill every heart.

There's but one thing the world has need to know.
There's but one balm for all our human woe:
There's but one way that leads to heaven above--
That way is human sympathy and love.

Max Heindel

=

Our generation will be known for nothing

Our generation will be known for nothing.
Never will anybody say,
We were the peak of mankind.
That is wrong, the truth is
Our generation was a failure.
Thinking that
We actually succeeded
Is a waste. And we know
Living only for money and power
Is the way to go.
Being loving, respectful, and kind
Is a dumb thing to do.
Forgetting about that time,
Will not be easy, but we will try.
Changing our world for the better
Is something we never did.
Giving up
Was how we handled our problems.
Working hard
Was a joke.
We knew that
People thought we couldn't come back
That might be true,
Unless we turn things around

↓ ↑

Unless we turn things around
That might be true,
People thought we couldn't come back
We knew that
Was a joke.
Working hard
Was how we handled our problems.
Giving up
Is something we never did.
Changing our world for the better
Will not be easy, but we will try.
Forgetting about that time,
Is a dumb thing to do.
Being loving, respectful, and kind
Is the way to go.
Living only for money and power
Is a waste. And we know
We actually succeeded
Thinking that
Our generation was a failure.
That is wrong, the truth is
We were the peak of mankind.
Never will anybody say,
Our generation will be known for nothing.

Jordan Nichols

=

I Long to Hold Some Lady

I long to hold some lady
For my love is far away,
And will not come tomorrow
And was not here today.

There is no flesh so perfect
As on my lady's bone,
And yet it seems so distant
When I am all alone:

As though she were a masterpiece
In some castled town,
That pilgrims come to visit
And priests to copy down.

Alas, I cannot travel
To a love I have so deep
Or sleep too close beside
A love I want to keep.

But I long to hold some lady,
For flesh is warm and sweet.
Cold skeletons go marching
Each night beside my feet.

Leonard Cohen

=

Ozymandias of Egypt

I met a traveller from an antique land
Who said:-;Two vast and trunkless legs of stone
Stand in the desert. Near them on the sand,
Half sunk, a shatter'd visage lies, whose frown
And wrinkled lip and sneer of cold command
Tell that its sculptor well those passions read
Which yet survive, stamp'd on these lifeless things,
The hand that mock'd them and the heart that fed.
And on the pedestal these words appear:
"My name is Ozymandias, king of kings:
Look on my works, ye mighty, and despair!"
Nothing beside remains: round the decay
Of that colossal wreck, boundless and bare,
The lone and level sands stretch far away.

Percy Bysshe Shelley

=

Ode to Autumn

Season of mists and mellow fruitfulness,
Close bosom-friend of the maturing sun;
Conspiring with him how to load and bless
With fruit the vines that round the thatch-eaves run;
To bend with apples the moss'd cottage-trees,
And fill all fruit with ripeness to the core;
To swell the gourd, and plump the hazel shells
With a sweet kernel; to set budding more,
And still more, later flowers for the bees,
Until they think warm days will never cease;
For Summer has o'erbrimm'd their clammy cells.

Who hath not seen thee oft amid thy store?
Sometimes whoever seeks abroad may find
Thee sitting careless on a granary floor,
Thy hair soft-lifted by the winnowing wind;
Or on a half-reap'd furrow sound asleep,
Drowsed with the fume of poppies, while thy hook
Spares the next swath and all its twinèd flowers:
And sometimes like a gleaner thou dost keep
Steady thy laden head across a brook;
Or by a cyder-press, with patient look,
Thou watchest the last oozings, hours by hours.

Where are the songs of Spring? Ay, where are they?
Think not of them, thou hast thy music too,-;
While barrèd clouds bloom the soft-dying day
And touch the stubble-plains with rosy hue;
Then in a wailful choir the small gnats mourn
Among the river-sallows, borne aloft
Or sinking as the light wind lives or dies;
And full-grown lambs loud bleat from hilly bourn;
Hedge-crickets sing; and now with treble soft
The redbreast whistles from a garden-croft;
And gathering swallows twitter in the skies.

John Keats

=

Winds of May

Winds of May, that dance on the sea,
Dancing a ring-around in glee
From furrow to furrow, while overhead
The foam flies up to be garlanded,
In silvery arches spanning the air,
Saw you my true love anywhere?
Welladay! Welladay!
For the winds of May!
Love is unhappy when love is away!

James Joyce

=

The New Colossus

Not like the brazen giant of Greek fame,
With conquering limbs astride from land to land;
Here at our sea-washed, sunset gates shall stand
A mighty woman with a torch, whose flame
Is the imprisoned lightning, and her name
Mother of Exiles. From her beacon-hand
Glows world-wide welcome; her mild eyes command
The air-bridged harbor that twin cities frame.
"Keep, ancient lands, your storied pomp!" cries she
With silent lips. "Give me your tired, your poor,
Your huddled masses yearning to breathe free,
The wretched refuse of your teeming shore.
Send these, the homeless, tempest-tost to me,
I lift my lamp beside the golden door!"

Emma Lazarus

=

The road not taken

Two roads diverged in a yellow wood,
And sorry I could not travel both
And be one traveler, long I stood
And looked down one as far as I could
To where it bent in the undergrowth;
Then took the other, as just as fair,
And having perhaps the better claim,
Because it was grassy and wanted wear;
Though as for that the passing there
Had worn them really about the same,
And both that morning equally lay
In leaves no step had trodden black.
Oh, I kept the first for another day!
Yet knowing how way leads on to way,
I doubted if I should ever come back.
I shall be telling this with a sigh
Somewhere ages and ages hence:
Two roads diverged in a wood, and I-
I took the one less traveled by,
And that has made all the difference.

Robert Frost

=

Wild nights! Wild nights!

Wild nights! Wild nights!
Were I with thee,
Wild nights should be
Our luxury!

Futile the winds
To a heart in port,
Done with the compass,
Done with the chart.
Rowing in Eden!
Ah! the sea!
Might I but moor
To-night in thee!

Emily Dickinson

=

In Flanders Fields

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row,
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.

We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders Fields.

Take up our quarrel with the foe:
To you from failings hand we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.

John McCrae

=

Kubla Khan

IN Xanadu did Kubla Khan
A stately pleasure-dome decree:
Where Alph, the sacred river, ran
Through caverns measureless to man
Down to a sunless sea.
So twice five miles of fertile ground
With walls and towers were girdled round:
And there were gardens bright with sinuous rills
Where blossom'd many an incense-bearing tree;
And here were forests ancient as the hills,
Enfolding sunny spots of greenery.

But O, that deep romantic chasm which slanted
Down the green hill athwart a cedarn cover!
A savage place! as holy and enchanted
As e'er beneath a waning moon was haunted
By woman wailing for her demon-lover!
And from this chasm, with ceaseless turmoil seething,
As if this earth in fast thick pants were breathing,
A mighty fountain momently was forced;
Amid whose swift half-intermitted burst
Huge fragments vaulted like rebounding hail,
Or chaffy grain beneath the thresher's flail:
And 'mid these dancing rocks at once and ever
It flung up momently the sacred river.
Five miles meandering with a mazy motion
Through wood and dale the sacred river ran,
Then reach'd the caverns measureless to man,
And sank in tumult to a lifeless ocean:
And 'mid this tumult Kubla heard from far
Ancestral voices prophesying war!

The shadow of the dome of pleasure
Floated midway on the waves;
Where was heard the mingled measure
From the fountain and the caves.
It was a miracle of rare device,
A sunny pleasure-dome with caves of ice!

A damsel with a dulcimer
In a vision once I saw:
It was an Abyssinian maid,
And on her dulcimer she play'd,
Singing of Mount Abora.
Could I revive within me,
Her symphony and song,
To such a deep delight 'twould win me,
That with music loud and long,
I would build that dome in air,
That sunny dome! those caves of ice!
And all who heard should see them there,
And all should cry, Beware! Beware!
His flashing eyes, his floating hair!
Weave a circle round him thrice,
And close your eyes with holy dread,
For he on honey-dew hath fed,
And drunk the milk of Paradise.

Samuel Taylor Coleridge

=

Death

Death be not proud, though some have called thee
Mighty and dreadfull, for, thou art not so,
For, those, whom thou think'st, thou dost overthrow,
Die not, poore death, nor yet canst thou kill me.
From rest and sleepe, which but thy pictures bee,
Much pleasure, then from thee, much more must flow,
And soonest our best men with thee doe goe,
Rest of their bones, and soules deliverie.
Thou art slave to Fate, Chance, kings, and desperate men,
And dost with poyson, warre, and sicknesse dwell,
And poppie, or charmes can make us sleepe as well,
And better then thy stroake; why swell'st thou then;
One short sleepe past, wee wake eternally,
And death shall be no more; death, thou shalt die.

John Donne

=

Funeral Blues

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He is Dead.
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last forever: I was wrong.

The stars are not wanted now; put out every one,
Pack up the moon and dismantle the sun,
Pour away the ocean and sweep up the woods;
For nothing now can ever come to any good.

W. H. Auden

=

Madonna of the Evening Flowers

All day long I have been working
Now I am tired.
I call: "Where are you?"
But there is only the oak tree rustling in the wind.
The house is very quiet,
The sun shines in on your books,
On your scissors and thimble just put down,
But you are not there.
Suddenly I am lonely:
Where are you?
I go about searching.

Then I see you,
Standing under a spire of pale blue larkspur,
With a basket of roses on your arm.
You are cool, like silver,
And you smile.
I think the Canterbury bells are playing little tunes,
You tell me that the peonies need spraying,
That the columbines have overrun all bounds,
That the pyrus japonica should be cut back and rounded.
You tell me these things.
But I look at you, heart of silver,
White heart-flame of polished silver,
Burning beneath the blue steeples of the larkspur,
And I long to kneel instantly at your feet,
While all about us peal the loud, sweet Te Deums of the Canterbury bells.

Amy Lowell

=

One Perfect Rose

A single flow'r he sent me, since we met.
All tenderly his messenger he chose;
Deep-hearted, pure, with scented dew still wet -
One perfect rose.

I knew the language of the floweret;
'My fragile leaves,' it said, 'his heart enclose.'
Love long has taken for his amulet
One perfect rose.

Why is it no one ever sent me yet
One perfect limousine, do you suppose?
Ah no, it's always just my luck to get
One perfect rose.

Dorothy Parker

=

Stopping by Woods on a Snowy Evening

Whose woods these are I think I know.
His house is in the village, though;
He will not see me stopping here
To watch his woods fill up with snow.
My little horse must think it queer
To stop without a farmhouse near
Between the woods and frozen lake
The darkest evening of the year.

He gives his harness bells a shake
To ask if there is some mistake.
The only other sound's the sweep
Of easy wind and downy flake.
The woods are lovely, dark and deep,
But I have promises to keep,
And miles to go before I sleep,
And miles to go before I sleep.

Robert Frost

=

I saw a jolly hunter

I saw a jolly hunter
With a jolly gun
Walking in the country
In the jolly sun.
In the jolly meadow
Sat a jolly hare.
Saw the jolly hunter.
Took jolly care.
Hunter jolly eager-
Sight of jolly prey.
Forgot gun pointing
Wrong jolly way.
Jolly hunter jolly head
Over heels gone.
Jolly old safety catch
Not jolly on.
Bang went the jolly gun.
Hunter jolly dead.
Jolly hare got clean away.
Jolly good, I said.

Charles Causley

=

A dream within a dream

Take this kiss upon the brow!
And, in parting from you now,
Thus much let me avow--
You are not wrong, who deem
That my days have been a dream;
Yet if hope has flown away
In a night, or in a day,
In a vision, or in none,
Is it therefore the less gone?
All that we see or seem
Is but a dream within a dream.

I stand amid the roar
Of a surf-tormented shore,
And I hold within my hand
Grains of the golden sand--
How few! yet how they creep
Through my fingers to the deep,
While I weep--while I weep!
O God! can I not grasp
Them with a tighter clasp?
O God! can I not save
One from the pitiless wave?
Is all that we see or seem
But a dream within a dream?

Edgar Allan Poe

=

Life is fine

I went down to the river,
I set down on the bank.
I tried to think but couldn't,
So I jumped in and sank.

I came up once and hollered!
I came up twice and cried!
If that water hadn't a-been so cold
I might've sunk and died.

But it was Cold in that water! It was cold!

I took the elevator
Sixteen floors above the ground.
I thought about my baby
And thought I would jump down.

I stood there and I hollered!
I stood there and I cried!
If it hadn't a-been so high
I might've jumped and died.

But it was High up there! It was high!

So since I'm still here livin',
I guess I will live on.
I could've died for love--
But for livin' I was born

Though you may hear me holler,
And you may see me cry--
I'll be dogged, sweet baby,
If you gonna see me die.

Life is fine! Fine as wine! Life is fine!

Langston Hughes

=

Interrelationship

You are me, and I am you.
Isn't it obvious that we "inter-are"?
You cultivate the flower in yourself,
so that I will be beautiful.
I transform the garbage in myself,
so that you will not have to suffer.

I support you;
you support me.
I am in this world to offer you peace;
you are in this world to bring me joy.

Nhat Thich Hanh

=

Annabel Lee

It was many and many a year ago,
In a kingdom by the sea,
That a maiden there lived whom you may know
By the name of Annabel Lee;--
And this maiden she lived with no other thought
Than to love and be loved by me.

I was a child and she was a child,
In this kingdom by the sea;
But we loved with a love that was more than love--
I and my Annabel Lee--
With a love that the wingéd seraphs in Heaven
Coveted her and me.

And this was the reason that, long ago,
In this kingdom by the sea,
A wind blew out of a cloud, chilling
My beautiful Annabel Lee;
So that her high-born kinsmen came
And bore her away from me,
To shut her up in a sepulchre,
In this kingdom by the sea.

The angels, not half so happy in Heaven,
Went envying her and me--
Yes!--that was the reason (as all men know,
In this kingdom by the sea)
That the wind came out of the cloud by night,
Chilling and killing my Annabel Lee.

But our love it was stronger by far than the love
Of those who were older than we--
Of many far wiser than we--
And neither the angels in Heaven above,
Nor the demons down under the sea,
Can ever dissever my soul from the soul
Of the beautiful Annabel Lee:--

For the moon never beams, without bringing me dreams
Of the beautiful Annabel Lee;
And the stars never rise, but I feel the bright eyes
Of the beautiful Annabel Lee:--
And so, all the night-tide, I lie down by the side
Of my darling--my darling--my life and my bride,
In her sepulchre there by the sea--
In her tomb by the sounding sea.

Edgar Allan Poe

=

Weep not too much

Weep not too much, my darling;
Sigh not too oft for me;
Say not the face of Nature
Has lost its charm for thee.
I have enough of anguish
In my own breast alone;
Thou canst not ease the burden, Love,
By adding still thine own.
I know the faith and fervour
Of that true heart of thine;
But I would have it hopeful
As thou wouldst render mine.
At night, when I lie waking,
More soothing it will be
To say 'She slumbers calmly now,'
Than say 'She weeps for me.'

When through the prison grating
The holy moonbeams shine,
And I am wildly longing
To see the orb divine
Not crossed, deformed, and sullied
By those relentless bars
That will not show the crescent moon,
And scarce the twinkling stars,

It is my only comfort
To think, that unto thee
The sight is not forbidden -
The face of heaven is free.
If I could think Zerona
Is gazing upward now -
Is gazing with a tearless eye
A calm unruffled brow;

That moon upon her spirit
Sheds sweet, celestial balm, -
The thought, like Angel's whisper,
My misery would calm.
And when, at early morning,
A faint flush comes to me,
Reflected from those glowing skies
I almost weep to see;

Or when I catch the murmur
Of gently swaying trees,
Or hear the louder swelling
Of the soul-inspiring breeze,
And pant to feel its freshness
Upon my burning brow,
Or sigh to see the twinkling leaf,
And watch the waving bough;

If, from these fruitless yearnings
Thou wouldst deliver me,
Say that the charms of Nature
Are lovely still to thee;
While I am thus repining,
O! let me but believe,
'These pleasures are not lost to her,'
And I will cease to grieve.

O, scorn not Nature's bounties!
My soul partakes with thee.
Drink bliss from all her fountains,
Drink for thyself and me!
Say not, 'My soul is buried
In dungeon gloom with thine;'
But say, 'His heart is here with me;
His spirit drinks with mine.

Anne Bronte

=

I start skipping like a child

And
For no reason
I turn into a leaf
That is carried so high
I kiss the sun's mouth
And dissolve.

And
For no reason
A thousand birds
Choose my head for a conference table,
Start passing their
Cups of wine
And their wild songbooks all around.

And
For every reason in existence
I begin to eternally,
To eternally laugh and love!

When I turn into a leaf
And start dancing,
I run to kiss our beautiful Friend
And I dissolve in the Truth
That I Am.

Hafiz

=

'The Human Seasons'

Four Seasons fill the measure of the year;
There are four seasons in the mind of man:
He has his lusty Spring, when fancy clear
Takes in all beauty with an easy span:

He has his Summer, when luxuriously
Spring's honied cud of youthful thought he loves
To ruminate, and by such dreaming high
Is nearest unto heaven: quiet coves

His soul has in its Autumn, when his wings
He furleth close; contented so to look
On mists in idleness--to let fair things
Pass by unheeded as a threshold brook.

He has his Winter too of pale misfeature,
Or else he would forego his mortal nature.

John Keats

=

A daughter of Eve

A fool I was to sleep at noon,
And wake when night is chilly
Beneath the comfortless cold moon;
A fool to pluck my rose too soon,
A fool to snap my lily.

My garden-plot I have not kept;
Faded and all-forsaken,
I weep as I have never wept:
Oh it was summer when I slept,
It's winter now I waken.

Talk what you please of future spring
And sun-warm'd sweet to-morrow:
Stripp'd bare of hope and everything,
No more to laugh, no more to sing,
I sit alone with sorrow.

Christina Georgina Rossetti

=

The deserted garden

I MIND me in the days departed,
How often underneath the sun
With childish bounds I used to run
To a garden long deserted.

The beds and walks were vanish'd quite;
And wheresoe'er had struck the spade,
The greenest grasses Nature laid,
To sanctify her right.

I call'd the place my wilderness,
For no one enter'd there but I.
The sheep look'd in, the grass to espy,
And pass'd it ne'ertheless.

The trees were interwoven wild,
And spread their boughs enough about
To keep both sheep and shepherd out,
But not a happy child.

Adventurous joy it was for me!
I crept beneath the boughs, and found
A circle smooth of mossy ground
Beneath a poplar-tree.

Old garden rose-trees hedged it in,
Bedropt with roses waxen-white,
Well satisfied with dew and light,
And careless to be seen.

Long years ago, it might befall,
When all the garden flowers were trim,
The grave old gardener prided him
On these the most of all.

Some Lady, stately overmuch,
Here moving with a silken noise,
Has blush'd beside them at the voice
That liken'd her to such.

Or these, to make a diadem,
She often may have pluck'd and twined;
Half-smiling as it came to mind,
That few would look at them.

O, little thought that Lady proud,
A child would watch her fair white rose,
When buried lay her whiter brows,
And silk was changed for shroud!

Nor thought that gardener (full of scorns
For men unlearn'd and simple phrase)
A child would bring it all its praise,
By creeping through the thorns!

To me upon my low moss seat,
Though never a dream the roses sent
Of science or love's compliment,
I ween they smelt as sweet.

It did not move my grief to see
The trace of human step departed:
Because the garden was deserted,
The blither place for me!

Friends, blame me not! a narrow ken
Hath childhood 'twixt the sun and sward:
We draw the moral afterward¡
We feel the gladness then.

And gladdest hours for me did glide
In silence at the rose-tree wall:
A thrush made gladness musical
Upon the other side.

Nor he nor I did e'er incline
To peck or pluck the blossoms white:
How should I know but that they might
Lead lives as glad as mine?

To make my hermit-home complete,
I brought clear water from the spring
Praised in its own low murmuring,
And cresses glossy wet.

And so, I thought, my likeness grew
(Without the melancholy tale)
To 'gentle hermit of the dale,'
And Angelina too.

For oft I read within my nook
Such minstrel stories; till the breeze
Made sounds poetic in the trees,
And then I shut the book.

If I shut this wherein I write,
I hear no more the wind athwart
Those trees, nor feel that childish heart
Delighting in delight.

My childhood from my life is parted,
My footstep from the moss which drew
Its fairy circle round: anew
The garden is deserted.

Another thrush may there rehearse
The madrigals which sweetest are;
No more for me!¡ myself afar
Do sing a sadder verse.

Ah me! ah me! when erst I lay
In that child's-nest so greenly wrought,
I laugh'd unto myself and thought,
'The time will pass away.'

And still I laugh'd, and did not fear
But that, whene'er was pass'd away
The childish time, some happier play
My womanhood would cheer.

I knew the time would pass away;
And yet, beside the rose-tree wall,
Dear God, how seldom, if at all,
Did I look up to pray!

The time is past: and now that grows
The cypress high among the trees,
And I behold white sepulchres
As well as the white rose,

When wiser, meeker thoughts are given,
And I have learnt to lift my face,
Reminded how earth's greenest place
The colour draws from heaven,

It something saith for earthly pain,
But more for heavenly promise free,
That I who was, would shrink to be
That happy child again.

Elizabeth Barrett Browning

=

Death Wants More Death

death wants more death, and its webs are full:
I remember my father’s garage, how child-like
I would brush the corpses of flies
from the windows they thought were escape-
their sticky, ugly, vibrant bodies
shouting like dumb crazy dogs against the glass
only to spin and flit
in that second larger than hell or heaven
onto the edge of the ledge,
and then the spider from his dank hole
nervous and exposed
the puff of body swelling
hanging there
not really quite knowing,
and then knowing-
something sending it down its string,
the wet web,
toward the weak shield of buzzing,
the pulsing;
a last desperate moving hair-leg
there against the glass
there alive in the sun,
spun in white;
and almost like love:
the closing over,
the first hushed spider-sucking:
filling its sack
upon this thing that lived;
crouching there upon its back
drawing its certain blood
as the world goes by outside
and my temples scream
and I hurl the broom against them:
the spider dull with spider-anger
still thinking of its prey
and waving an amazed broken leg;
the fly very still,
a dirty speck stranded to straw;
I shake the killer loose
and he walks lame and peeved
towards some dark corner
but I intercept his dawdling
his crawling like some broken hero,
and the straws smash his legs
now waving
above his head
and looking
looking for the enemy
and somewhat valiant,
dying without apparent pain
simply crawling backward
piece by piece
leaving nothing there
until at last the red gut sack
splashes
its secrets,
and I run child-like
with God’s anger a step behind,
back to simple sunlight,
wondering
as the world goes by
with curled smile
if anyone else
saw or sensed my crime

Charles Bukowski

=

The Humblebee

Burly dozing humblebee!
Where thou art is clime for me.
Let them sail for Porto Rique,
Far-off heats through seas to seek,
I will follow thee alone,
Thou animated torrid zone!
Zig-zag steerer, desert-cheerer,
Let me chase thy waving lines,
Keep me nearer, me thy hearer,
Singing over shrubs and vines.

Insect lover of the sun,
Joy of thy dominion!
Sailor of the atmosphere,
Swimmer through the waves of air,
Voyager of light and noon,
Epicurean of June,
Wait I prithee, till I come
Within ear-shot of thy hum,--
All without is martyrdom.

When the south wind, in May days,
With a net of shining haze,
Silvers the horizon wall,
And, with softness touching all,
Tints the human countenance
With a color of romance,
And, infusing subtle heats,
Turns the sod to violets,
Thou in sunny solitudes,
Rover of the underwoods,
The green silence dost displace,
With thy mellow breezy bass.

Hot midsummer's petted crone,
Sweet to me thy drowsy tune,
Telling of countless sunny hours,
Long days, and solid banks of flowers,
Of gulfs of sweetness without bound
In Indian wildernesses found,
Of Syrian peace, immortal leisure,
Firmest cheer and bird-like pleasure.

Aught unsavory or unclean,
Hath my insect never seen,
But violets and bilberry bells,
Maple sap and daffodels,
Grass with green flag half-mast high,
Succory to match the sky,
Columbine with horn of honey,
Scented fern, and agrimony,
Clover, catch fly, adders-tongue,
And brier-roses dwelt among;
All beside was unknown waste,
All was picture as he passed.

Wiser far than human seer,
Yellow-breeched philosopher!
Seeing only what is fair,
Sipping only what is sweet,
Thou dost mock at fate and care,
Leave the chaff and take the wheat,
When the fierce north-western blast
Cools sea and land so far and fast,
Thou already slumberest deep,--
Woe and want thou canst out-sleep,--
Want and woe which torture us,
Thy sleep makes ridiculous.

Ralph Waldo Emerson

=

Please Call Me by My True Names

Don't say that I will depart tomorrow --
even today I am still arriving.

Look deeply: every second I am arriving
to be a bud on a Spring branch,
to be a tiny bird, with still-fragile wings,
learning to sing in my new nest,
to be a caterpillar in the heart of a flower,
to be a jewel hiding itself in a stone.

I still arrive, in order to laugh and to cry,
to fear and to hope.

The rhythm of my heart is the birth and death
of all that is alive.

I am the mayfly metamorphosing
on the surface of the river.
And I am the bird
that swoops down to swallow the mayfly.

I am the frog swimming happily
in the clear water of a pond.
And I am the grass-snake
that silently feeds itself on the frog.

I am the child in Uganda, all skin and bones,
my legs as thin as bamboo sticks.
And I am the arms merchant,
selling deadly weapons to Uganda.

I am the twelve-year-old girl,
refugee on a small boat,
who throws herself into the ocean
after being raped by a sea pirate.
And I am the pirate,
my heart not yet capable
of seeing and loving.

I am a member of the politburo,
with plenty of power in my hands.
And I am the man who has to pay
his "debt of blood" to my people
dying slowly in a forced-labor camp.

My joy is like Spring, so warm
it makes flowers bloom all over the Earth.
My pain is like a river of tears,
so vast it fills the four oceans.

Please call me by my true names,
so I can hear all my cries and my laughter at once,
so I can see that my joy and pain are one.

Please call me by my true names,
so I can wake up,
and so the door of my heart
can be left open,
the door of compassion.

Nhat Thich Hanh

=

If thou must love me

If thou must love me, let it be for nought
Except for love's sake only. Do not say
'I love her for her smile-;her look-;her way
Of speaking gently,-;for a trick of thought
That falls in well with mine, and certes brought
A sense of pleasant ease on such a day'-;
For these things in themselves, Beloved, may
Be changed, or change for thee,-;and love, so wrought,
May be unwrought so. Neither love me for
Thine own dear pity's wiping my cheeks dry,-;
A creature might forget to weep, who bore
Thy comfort long, and lose thy love thereby!
But love me for love's sake, that evermore
Thou mayst love on, through love's eternity

Elizabeth Barrett Browning

=

When I am dead

When I am dead, my dearest,
Sing no sad songs for me:
Plant thou no roses at my head,
Nor shady cypress tree:
Be the green grass above me
With showers and dewdrops wet;
And if thou wilt, remember,
And if thou wilt, forget.

I shall not see the shadows,
I shall not feel the rain;
I shall not hear the nightingale
Sing on, as if in pain;
And dreaming through the twilight
That doth not rise nor set,
Haply I may remember,
And haply may forget.

Christina Georgina Rossetti

=

Anne Rutledge

OUT of me unworthy and unknown
The vibrations of deathless music;
"With malice toward none, with charity for all."
Out of me the forgiveness of millions toward millions,
And the beneficent face of a nation
Shining with justice and truth.
I am Anne Rutledge who sleep beneath these weeds,
Beloved in life of Abraham Lincoln,
Wedded to him, not through union,
But through separation.
Bloom forever, O Republic,
From the dust of my bosom!

Edgar Lee Masters

=

Arab Love-Song

The hunchèd camels of the night
Trouble the bright
And silver waters of the moon.
The Maiden of the Morn will soon
Through Heaven stray and sing,
Star gathering.

Now while the dark about our loves is strewn,
Light of my dark, blood of my heart, O come!
And night will catch her breath up, and be dumb.

Leave thy father, leave thy mother
And thy brother;
Leave the black tents of thy tribe apart!
Am I not thy father and thy brother,
And thy mother?
And thou -- what needest with thy tribe's black tents
Who hast the red pavilion of my heart?

Francis Thompson

=

To a butterfly

Stay near me--do not take thy flight!
A little longer stay in sight!
Much converse do I find in thee,
Historian of my infancy!

Float near me; do not yet depart!
Dead times revive in thee:
Thou bring'st, gay creature as thou art!
A solemn image to my heart,
My father's family!

Oh! pleasant, pleasant were the days,
The time, when, in our childish plays,
My sister Emmeline and I
Together chased the butterfly!

A very hunter did I rush
Upon the prey:--with leaps and springs
I followed on from brake to bush;
But she, God love her, feared to brush
The dust from off its wings.

William Wordsworth

=

Wind on the Hill

No one can tell me,
Nobody knows,
Where the wind comes from,
Where the wind goes.

It's flying from somewhere
As fast as it can,
I couldn't keep up with it,
Not if I ran.

But if I stopped holding
The string of my kite,
It would blow with the wind
For a day and a night.

And then when I found it,
Wherever it blew,
I should know that the wind
Had been going there too.

So then I could tell them
Where the wind goes...
But where the wind comes from
Nobody knows.

A. A. Milne

=

All the World's a Stage

All the world's a stage,
And all the men and women merely players;
They have their exits and their entrances,
And one man in his time plays many parts,
His acts being seven ages. At first, the infant,
Mewling and puking in the nurse's arms.

Then the whining schoolboy, with his satchel
And shining morning face, creeping like snail
Unwillingly to school. And then the lover,
Sighing like furnace, with a woeful ballad
Made to his mistress' eyebrow. Then a soldier,
Full of strange oaths and bearded like the pard,
Jealous in honor, sudden and quick in quarrel,
Seeking the bubble reputation
Even in the cannon's mouth. And then the justice,
In fair round belly with good capon lined,
With eyes severe and beard of formal cut,
Full of wise saws and modern instances;
And so he plays his part. The sixth age shifts
Into the lean and slippered pantaloon,
With spectacles on nose and pouch on side;
His youthful hose, well saved, a world too wide
For his shrunk shank, and his big manly voice,
Turning again toward childish treble, pipes
And whistles in his sound. Last scene of all,
That ends this strange eventful history,
Is second childishness and mere oblivion,
Sans teeth, sans eyes, sans taste, sans everything.

William Shakespeare

=

Ballatetta

The light became her grace and dwelt among
Blind eyes and shadows that are formed as men;
Lo, how the light doth melt us into song:

The broken sunlight for a healm she beareth
Who has my heart in jurisdiction.
In wild-wood never fawn nor allow fareth
So silent light; no gossamer is spun
So delicate as she is, when the sun
Drives the clear emeralds from the bended grasses
Lest they should parch too swiftly, where she passes.

Ezra Pound

=

When the cows come home the milk is coming

When the cows come home the milk is coming,
Honey's made while the bees are humming;
Duck and drake on the rushy lake,
And the deer live safe in the breezy brake;
And timid, funny, brisk little bunny,
Winks his nose and sits all sunny.

Christina Georgina Rossetti

=

The Way Through The Woods

They shut the road through the woods
Seventy years ago.
Weather and rain have undone it again,
And now you would never know
There was once a path through the woods
Before they planted the trees:
It is underneath the coppice and heath,
And the thin anemones.
Only the keeper sees
That, where the ring-dove broods
And the badgers roll at ease,
There was once a road through the woods.

Yet, if you enter the woods
Of a summer evening late,
When the night-air cools on the trout-ring'd pools
Where the otter whistles his mate
(They fear not men in the woods
Because they see so few),
You will hear the beat of a horse’s feet
And the swish of a skirt in the dew,
Steadily cantering through
The misty solitudes,
As though they perfectly knew
The old lost road through the woods ...
But there is no road through the woods.

Rudyard Kipling

=

God The Artist

God, when you thought of a pine tree,
How did you think of a star?
How did you dream of the Milky Way
To guide us from afar.
How did you think of a clean brown pool
Where flecks of shadows are?

God, when you thought of a cobweb,
How did you think of dew?
How did you know a spider's house
Had shingles bright and new?
How did you know the human folk
Would love them like they do?

God, when you patterned a bird song,
Flung on a silver string,
How did you know the ecstasy
That crystal call would bring?
How did you think of a bubbling throat
And a darling speckled wing?

God, when you chiseled a raindrop,
How did you think of a stem,
Bearing a lovely satin leaf
To hold the tiny gem?
How did you know a million drops
Would deck the morning's hem?

Why did you mate the moonlit night
With the honeysuckle vines?
How did you know Madeira bloom
Distilled ecstatic wines?
How did you weave the velvet disk
Where tangled perfumes are?
God, when you thought of a pine tree,
How did you think of a star?

Angela Morgan

=

The Darkling Thrush

I leant upon a coppice gate,
When Frost was spectre-gray,
And Winter's dregs made desolate
The weakening eye of day.
The tangled bine-stems scored the sky
Like strings of broken lyres,
And all mankind that haunted nigh
Had sought their household fires.

The land's sharp features seemed to me
The Century's corpse outleant,
Its crypt the cloudy canopy,
The wind its death-lament.
The ancient pulse of germ and birth
Was shrunken hard and dry,
And every spirit upon earth
Seemed fervorless as I.

At once a voice arose among
The bleak twigs overhead,
In a full-hearted evensong
Of joy illimited.
An aged thrush, frail, gaunt and small,
With blast-beruffled plume,
Had chosen thus to fling his soul
Upon the growing gloom.

So little cause for carolings
Of such ecstatic sound
Was written on terrestrial things
Afar or nigh around,
That I could think there trembled through
His happy good-night air
Some blessed Hope, whereof he knew,
And I was unaware.

Thomas Hardy

=

Song of Nature

Mine are the night and morning,
The pits of air, the gulf of space,
The sportive sun, the gibbous moon,
The innumerable days.

I hid in the solar glory,
I am dumb in the pealing song,
I rest on the pitch of the torrent,
In slumber I am strong.

No numbers have counted my tallies,
No tribes my house can fill,
I sit by the shining Fount of Life,
And pour the deluge still;

And ever by delicate powers
Gathering along the centuries
From race on race the rarest flowers,
My wreath shall nothing miss.

And many a thousand summers
My apples ripened well,
And light from meliorating stars
With firmer glory fell.

I wrote the past in characters
Of rock and fire the scroll,
The building in the coral sea,
The planting of the coal.

And thefts from satellites and rings
And broken stars I drew,
And out of spent and aged things
I formed the world anew;

What time the gods kept carnival,
Tricked out in star and flower,
And in cramp elf and saurian forms
They swathed their too much power.

Time and Thought were my surveyors,
They laid their courses well,
They boiled the sea, and baked the layers
Or granite, marl, and shell.

But he, the man-child glorious,--
Where tarries he the while?
The rainbow shines his harbinger,
The sunset gleams his smile.

My boreal lights leap upward,
Forthright my planets roll,
And still the man-child is not born,
The summit of the whole.

Must time and tide forever run?
Will never my winds go sleep in the west?
Will never my wheels which whirl the sun
And satellites have rest?

Too much of donning and doffing,
Too slow the rainbow fades,
I weary of my robe of snow,
My leaves and my cascades;

I tire of globes and races,
Too long the game is played;
What without him is summer's pomp,
Or winter's frozen shade?

I travail in pain for him,
My creatures travail and wait;
His couriers come by squadrons,
He comes not to the gate.

Twice I have moulded an image,
And thrice outstretched my hand,
Made one of day, and one of night,
And one of the salt sea-sand.

One in a Judaean manger,
And one by Avon stream,
One over against the mouths of Nile,
And one in the Academe.

I moulded kings and saviours,
And bards o'er kings to rule;--
But fell the starry influence short,
The cup was never full.

Yet whirl the glowing wheels once more,
And mix the bowl again;
Seethe, fate! the ancient elements,
Heat, cold, wet, dry, and peace, and pain.

Let war and trade and creeds and song
Blend, ripen race on race,
The sunburnt world a man shall breed
Of all the zones, and countless days.

No ray is dimmed, no atom worn,
My oldest force is good as new,
And the fresh rose on yonder thorn
Gives back the bending heavens in dew.

Ralph Waldo Emerson

=

October

Is it winter again, is it cold again,
didn't Frank just slip on the ice,
didn't he heal, weren't the spring seeds planted

didn't the night end,
didn't the melting ice
flood the narrow gutters

wasn't my body
rescued, wasn't it safe

didn't the scar form, invisible
above the injury

terror and cold,
didn't they just end, wasn't the back garden
harrowed and planted-

I remember how the earth felt, red and dense,
in stiff rows, weren't the seeds planted,
didn't vines climb the south wall

I can't hear your voice
for the wind's cries, whistling over the bare ground

I no longer care
what sound it makes

when was I silenced, when did it first seem
pointless to describe that sound

what it sounds like can't change what it is-

didn't the night end, wasn't the earth
safe when it was planted

didn't we plant the seeds,
weren't we necessary to the earth,

the vines, were they harvested?

Louise Gluck

=

There is another sky

There is another sky,
Ever serene and fair,
And there is another sunshine,
Though it be darkness there;
Never mind faded forests, Austin,
Never mind silent fields-
Here is a little forest,
Whose leaf is ever green;
Here is a brighter garden,
Where not a frost has been;
In its unfading flowers
I hear the bright bee hum:
Prithee, my brother,
Into my garden come!

Emily Dickinson

=

Peace

The steadfast coursing of the stars,
The waves that ripple to the shore,
The vigorous trees which year by year
Spread upwards more and more;

The jewel forming in the mine,
The snow that falls so soft and light,
The rising and the setting sun,
The growing glooms of night;

All natural things both live and move
In natural peace that is their own;
Only in our disordered life
Almost is she unknown.

She is not rest, nor sleep, nor death;
Order and motion ever stand
To carry out her firm behests
As guards at her right hand.

And something of her living force
Fashions the lips when Christians say
To Him Whose strength sustains the world,
"Give us Thy Peace, we pray!"

Bessie Rayner Parkes

=

The Garden of Love

I went to the Garden of Love,
And saw what I never had seen:
A Chapel was built in the midst,
Where I used to play on the green.

And the gates of this Chapel were shut,
And "Thou shalt not'' writ over the door;
So I turn'd to the Garden of Love
That so many sweet flowers bore;

And I saw it was filled with graves
And tomb-stones, where flowers should be;
And Priests in black gowns were walking their rounds,
And binding with briars my joys and desires.

William Blake

=

How Do I Love Thee?

How do I love thee? Let me count the ways.
I love thee to the depth and breadth and height
My soul can reach, when feeling out of sight
For the ends of Being and ideal Grace.
I love thee to the level of everyday's
Most quiet need, by sun and candle-light.
I love thee freely, as men strive for Right;
I love thee purely, as they turn from Praise.
I love thee with the passion put to use
In my old griefs, and with my childhood's faith.
I love thee with a love I seemed to lose
With my lost saints,-;I love thee with the breath,
Smiles, tears, of all my life!-;and, if God choose,
I shall but love thee better after death.

Elizabeth Barrett Browning

=

Songs In A Cornfield

A song in a cornfield
Where corn begins to fall,
Where reapers are reaping,
Reaping one, reaping all.
Sing pretty Lettice,
Sing Rachel, sing May;
Only Marian cannot sing
While her sweetheart's away.

Where is he gone to
And why does he stay?
He came across the green sea
But for a day,
Across the deep green sea
To help with the hay.

His hair was curly yellow
And his eyes were grey,
He laughed a merry laugh
And said a sweet say.
Where is he gone to
That he comes not home?
To-day or to-morrow
He surely will come.
Let him haste to joy
Lest he lag for sorrow,
For one weeps to-day
Who'll not weep to-morrow:
To-day she must weep
For gnawing sorrow,
To-night she may sleep
And not wake to-morrow.

May sang with Rachel
In the waxing warm weather,
Lettice sang with them,
They sang all together:—

'Take the wheat in your arm
Whilst day is broad above,
Take the wheat to your bosom,
But not a false love.
Out in the fields
Summer heat gloweth,
Out in the fields
Summer wind bloweth,
Out in the fields
Summer friend showeth,
Out in the fields
Summer wheat groweth;
But in the winter
When summer heat is dead
And summer wind has veered
And summer friend has fled,
Only summer wheat remaineth,
White cakes and bread.
Take the wheat, clasp the wheat
That's food for maid and dove;
Take the wheat to your bosom,
But not a false false love.'

A silence of full noontide heat
Grew on them at their toil:
The farmer's dog woke up from sleep,
The green snake hid her coil.
Where grass stood thickest, bird and beast
Sought shadows as they could,
The reaping men and women paused
And sat down where they stood;
They ate and drank and were refreshed,
For rest from toil is good.

While the reapers took their ease,
Their sickles lying by,
Rachel sang a second strain,
And singing seemed to sigh:—

'There goes the swallow—
Could we but follow!
Hasty swallow stay,
Point us out the way;
Look back swallow, turn back swallow, stop swallow.

'There went the swallow—
Too late to follow:
Lost our note of way,
Lost our chance to-day;
Good bye swallow, sunny swallow, wise swallow.

'After the swallow
All sweet things follow:
All things go their way,
Only we must stay,
Must not follow; good bye swallow, good swallow.'

Then listless Marian raised her head
Among the nodding sheaves;
Her voice was sweeter than that voice;
She sang like one who grieves:
Her voice was sweeter than its wont
Among the nodding sheaves;
All wondered while they heard her sing
Like one who hopes and grieves:—

'Deeper than the hail can smite,
Deeper than the frost can bite,
Deep asleep through day and night,
Our delight.

'Now thy sleep no pang can break,
No to-morrow bid thee wake,
Not our sobs who sit and ache
For thy sake.

'Is it dark or light below?
Oh, but is it cold like snow?
Dost thou feel the green things grow
Fast or slow?

'Is it warm or cold beneath,
Oh, but is it cold like death?
Cold like death, without a breath,
Cold like death?'

If he comes to-day
He will find her weeping;
If he comes to-morrow
He will find her sleeping;
If he comes the next day
He'll not find her at all,
He may tear his curling hair,
Beat his breast and call.

Christina Georgina Rossetti

=

A thing of beauty is a joy for ever

A thing of beauty is a joy for ever:
Its lovliness increases; it will never
Pass into nothingness; but still will keep
A bower quiet for us, and a sleep
Full of sweet dreams, and health, and quiet breathing.
Therefore, on every morrow, are we wreathing
A flowery band to bind us to the earth,
Spite of despondence, of the inhuman dearth
Of noble natures, of the gloomy days,
Of all the unhealthy and o'er-darkn'd ways
Made for our searching: yes, in spite of all,
Some shape of beauty moves away the pall
From our dark spirits. Such the sun, the moon,
Trees old and young, sprouting a shady boon
For simple sheep; and such are daffodils
With the green world they live in; and clear rills
That for themselves a cooling covert make
'Gainst the hot season; the mid-forest brake,
Rich with a sprinkling of fair musk-rose blooms:
And such too is the grandeur of the dooms
We have imagined for the mighty dead;
An endless fountain of immortal drink,
Pouring unto us from the heaven's brink.

John Keats

=

The lily has an air

The lily has an air,
And the snowdrop a grace,
And the sweetpea a way,
And the heartsease a face, -
Yet there's nothing like the rose
When she blows.

Christina Georgina Rossetti

=

Shall I compare thee to a summer's day?

Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date:

Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimm'd:
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature's changing course untrimm'd;

But thy eternal summer shall not fade,
Nor lose possession of that fair thou ow'st,
Nor shall death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou grow'st;

So long as men can breathe, or eyes can see,
So long lives this, and gives life to thee.

William Shakespeare

=

A green cornfield

The earth was green, the sky was blue:
I saw and heard one sunny morn
A skylark hang betweent he two,
A singing speck above the corn;

A stage below, in gay accord,
White butterflies danced on the wing,
And still the singing skylark soared,
And silent sank and soared to sing.

The cornfield stretched a tender green
To right and left beside my walks;
I knew he had a nest unseen
Somewhere among the million stalks.

And as I paused to hear his song
While swift the sunny moments slid,
Perhaps his mate sat listening long,
And listened longer than I did.

Christina Georgina Rossetti

=

There are little eyes upon you

There are little eyes upon you,
And they are watching night and day;
There are little ears that quickly
Take in every word you say.
There are little hands all eager
To do everything you do;
and a little boy who's dreaming
Of the day he'll be like you.
You're the little fellow's idol;
You're the wisest of the wise;
In his little mind, about you
No suspicions ever rise.
He believes in you devotedlly,
Holds that all you say and do,
He will say and do in your way
When he's grown up like you.
There's a wide-eyed little fellow
Who believes you're always right;
And his ears are always open,
And he watches day and night.
You are setting an example
Every day in all you do;
For the little boy who's waiting
To grow up to be just like you.

Avleek Dhiman

=

Anthem for Doomed Youth

What passing-bells for these who die as cattle?
Only the monstrous anger of the guns.
Only the stuttering rifles' rapid rattle
Can patter out their hasty orisons.
No mockeries for them from prayers or bells,
Nor any voice of mourning save the choirs-
The shrill, demented choirs of wailing shells;
And bugles calling for them from sad shires.

What candles may be held to speed them all?
Not in the hands of boys, but in their eyes
Shall shine the holy glimmers of good-byes.
The pallor of girls' brows shall be their pall;
Their flowers the tenderness of patient minds,
And each slow dusk a drawing-down of blinds.

Wilfred Owen

=

She dwelt among the untrodden ways

She dwelt among the untrodden ways
Beside the springs of Dove,
Maid whom there were none to praise
And very few to love:

A violet by a mossy tone
Half hidden from the eye!
-- Fair as a star, when only one
Is shining in the sky.

She lived unknown, and few could know
When Lucy ceased to be;
But she is in her grave, and, oh,
The difference to me!

William Wordsworth

=

The Chambered Nautilus

This is the ship of pearl, which, poets feign,
Sails the unshadowed main,
The venturous bark that flings
On the sweet summer wind its purpled wings
In gulfs enchanted, where the Siren sings,
And coral reefs lie bare,
Where the cold sea-maids rise to sun their streaming hair.

Its webs of living gauze no more unfurl;
Wrecked is the ship of pearl!
And every chambered cell,
Where its dim dreaming life was wont to dwell,
As the frail tenant shaped his growing shell,
Before thee lies revealed,
Its irised ceiling rent, its sunless crypt unsealed!

Year after year beheld the silent toil
That spread his lustrous coil;
Still, as the spiral grew,
He left the past year's dwelling for the new,
Stole with soft steps its shining archway through,
Built up its idle door,
Stretched in his last-found home, and knew the old no more.

Thanks for the heavenly message brought by thee,
Child of the wandering sea,
Cast from her lap, forlorn!
From thy dead lips a clearer note is born
Than ever Triton blew from wreathèd horn!
While on mine ear it rings,
Through the deep caves of thought I hear a voice that sings:

Build thee more stately mansions, O my soul,
As the swift seasons roll!
Leave thy low-vaulted past!
Let each new temple, nobler than the last,
Shut thee from heaven with a dome more vast,
Till thou at length art free,
Leaving thine outgrown shell by life's unresting sea!

Oliver Wendell Holmes

=

When a mountain skylark sings

When a mounting skylark sings
In the sunlit summer morn,
I know that heaven is up on high,
And on earth are fields of corn.
But when a nightingale sings
In the moonlit summer even,
I know not if earth is merely earth,
Only that heaven is heaven.

Christina Georgina Rossetti

=

When the Eternal first made Sound

When the Eternal first made Sound
A myriad ears sprang out to hear,
And throughout all the Universe
There rolled an echo deep and clear:
'All Glory to the God of Sound!'

When the Eternal first made Light
A myriad eyes sprang out to look,
And hearing ears and seeing eyes,
Once more a mighty choral took:
'All Glory to the God of Light!'

When the Eternal first gave Love,
A myriad hearts sprang into life;
Ears filled with music, eyes with light,
Pealed forth with hearts with love all rife:
'All Glory to the God of Love!'

Miss Frank Miller

=

I loved you first: but afterwards your love

I loved you first: but afterwards your love,
Outsoaring mine, sang such a loftier song
As drowned the friendly cooings of my dove.
Which owes the other most? My love was long,
And yours one moment seemed to wax more strong;
I loved and guessed at you, you contrued me
And loved me for what might or might not be—
Nay, weights and measures do us both a wrong.
For verily love knows not ‘mine' or ‘thine';
With separate ‘I' and ‘thou' free love has done,
For one is both and both are one in love:
Rich love knows nought of ‘thine that is not mine';
Both have the strength and both the length thereof,
Both of us, of the love which makes us one.

Christina Georgina Rossetti

=

Be thou as chaste as ice, ...

Be thou as chaste as ice, as pure as snow, thou shalt not escape calumny.

William Shakespeare

=

..., for there is only one thing in the world worse than ...

(It is silly of you, for) there is only one thing in the world
worse than being talked about, and that is not being talked about.

Oscar Wilde

=

All the world loves a lover

All the world loves a lover

Ralph Waldo Emerson

=

The world will not be destroyed by ...

The world will not be destroyed by those who do evil,
but by those who watch them without doing anything.

Albert Einstein

Look around and you'll see

Look around and you'll see
everywhere there's me

?

= = =

Poèmes

naar de index van de Gedichten (1)  Vlag van Nederland  Vlag van Duitsland  Vlag van Engeland  Vlag van Frankrijk  naar de index van de Gedichten (2)

A une fleur

Que me veux-tu, chère fleurette,
Aimable et charmant souvenir ?
Demi-morte et demi-coquette,
Jusqu'à moi qui te fait venir ?

Sous ce cachet enveloppée,
Tu viens de faire un long chemin.
Qu'as-tu vu ? que t'a dit la main
Qui sur le buisson t'a coupée ?

N'es-tu qu'une herbe desséchée
Qui vient achever de mourir ?
Ou ton sein, prêt à refleurir,
Renferme-t-il une pensée ?

Ta fleur, hélas ! a la blancheur
De la désolante innocence ;
Mais de la craintive espérance
Ta feuille porte la couleur.

As-tu pour moi quelque message ?
Tu peux parler, je suis discret.
Ta verdure est-elle un secret ?
Ton parfum est-il un langage ?

S'il en est ainsi, parle bas,
Mystérieuse messagère ;
S'il n'en est rien, ne réponds pas ;
Dors sur mon cœur, fraîche et légère.

Je connais trop bien cette main,
Pleine de grâce et de caprice,
Qui d'un brin de fil souple et fin
A noué ton pâle calice.

Cette main-là, petite fleur,
Ni Phidias ni Praxitèle
N'en auraient pu trouver la sœur
Qu'en prenant Vénus pour modèle.

Elle est blanche, elle est douce et belle,
Franche, dit-on, et plus encor ;
A qui saurait s'emparer d'elle
Elle peut ouvrir un trésor.

Mais elle est sage, elle est sévère ;
Quelque mal pourrait m'arriver.
Fleurette, craignons sa colère.
Ne dis rien, laisse-moi rêver.

Alfred de Musset

=

Le Printemps

Regardez les branches
Comme elles sont blanches,
Il neige des fleurs.

Riant de la pluie
Le soleil essuie
les saules en pleurs.

Et le ciel reflète
Dans la violette
Ses pures couleurs...

La mouche ouvre l’aile
Et la demoiselle
Aux prunelles d’or,
Au corset de guêpe
Dépliant son crêpe,
A repris l’essor.

L’eau gaiement babille,
Le goujon frétille
Un printemps encore!

Théophile Gautier

=

Ballade des dames du temps jadis

Dictes-moy où, n’en quel pays,
Est Flora, la belle Romaine;
Archipiada, ne Thaïs,
Qui fut sa cousine germaine;
Echo, parlant quand bruyt on maine
Dessus rivière ou sus estan,
Qui beauté eut trop plus qu’humaine?
Mais où sont les neiges d’antan !

Où est la très sage Heloïs,
Pour qui chastré fut et puis moyne
Pierre Esbaillart à Sainct-Denys?
Pour son amour eut cest essoyne.
Semblablement, où est la royne
Qui commanda que Buridan
Fust gecté en ung sac en Seine?
Mais où sont les neiges d’antan!

La royne Blanche comme ung lys,
Qui chantoit à voix de sereine,
Berthe au grand pied, Bietris, Allys;
Harembourgis, qui tint le Mayne,
Et Jehanne, la bonne Lorraine,
Qu’Anglois bruslèrent à Rouen;
Où sont-ils, Vierge souveraine ?...
Mais où sont les neiges d’antan!

Prince, n’enquerez de sepmaine
Où elles sont, ne de cest an,
Que ce refrain ne vous remaine:
Mais où sont les neiges d’antan!

François Villon

=

Elle était pâle, et pourtant rose...

Elle était pâle, et pourtant rose,
Petite avec de grands cheveux.
Elle disait souvent : je n'ose,
Et ne disait jamais : je veux.

Le soir, elle prenait ma Bible
Pour y faire épeler sa sœur,
Et, comme une lampe paisible,
Elle éclairait ce jeune cœur.

Sur le saint livre que j'admire
Leurs yeux purs venaient se fixer ;
Livre où l'une apprenait à lire,
Où l'autre apprenait à penser !

Sur l'enfant, qui n'eût pas lu seule,
Elle penchait son front charmant,
Et l'on aurait dit une aïeule,
Tant elle parlait doucement !

Elle lui disait: Sois bien sage!
Sans jamais nommer le démon ;
Leurs mains erraient de page en page
Sur Moïse et sur Salomon,

Sur Cyrus qui vint de la Perse,
Sur Moloch et Léviathan,
Sur l'enfer que Jésus traverse,
Sur l'éden où rampe Satan.

Moi, j'écoutais... - Ô joie immense
De voir la sœur près de la sœur!
Mes yeux s'enivraient en silence
De cette ineffable douceur.

Et, dans la chambre humble et déserte,
Où nous sentions, cachés tous trois,
Entrer par la fenêtre ouverte
Les souffles des nuits et des bois,

Tandis que, dans le texte auguste,
Leurs cœurs, lisant avec ferveur,
Puisaient le beau, le vrai, le juste,
Il me semblait, à moi rêveur,

Entendre chanter des louanges
Autour de nous, comme au saint lieu,
Et voir sous les doigts de ces anges
Tressaillir le livre de Dieu !

Victor Hugo

=

Noël

Le ciel est noir, la terre est blanche;
- Cloches, carillonnez gaîment! -
Jésus est né ; - la Vierge penche
Sur lui son visage charmant.

Pas de courtines festonnées
Pour préserver l'enfant du froid;
Rien que les toiles d'araignées
Qui pendent des poutres du toit.

Il tremble sur la paille fraîche,
Ce cher petit enfant Jésus,
Et pour l'échauffer dans sa crèche
L'âne et le boeuf soufflent dessus.

La neige au chaume coud ses franges,
Mais sur le toit s'ouvre le ciel
Et, tout en blanc, le choeur des anges
Chante aux bergers : " Noël! Noël! "

Théophile Gautier

=

En la forest de Longue Attente

En la forest de Longue Attente
Entrée suis en une sente
Dont oster je ne puis mon cueur,
Pour quoy je vis en grant langueur,
Par Fortune qui me tourmente.

Souvent Espoir chacun contente,
Excepté moy, povre dolente,
Qui nuit et jour suis en douleur
En la forest de Longue Attente.

Ay je dont tort, se je garmente*
Plus que nulle qui soit vivante ?
Par Dieu, nannil, veu mon malheur,
Car ainsi m'aid mon Createur
Qu'il n'est peine que je ne sente
En la forest de Longue Attente.

*je me lamente

Marie de Clèves

=

Eve et Marie

Homme, qui que tu sois, regarde Eve et Marie,
Et comparant ta mère à celle du Sauveur,
Vois laquelle des deux en est le plus chérie,
Et du Père Eternel gagne mieux la faveur.

L'une a toute sa race au démon asservie,
L'autre rompt l'esclavage où furent ses aïeux
Par l'une vient la mort et par l'autre la vie,
L'une ouvre les enfers et l'autre ouvre les cieux.

Cette Ève cependant qui nous engage aux flammes
Au point qu'elle est bornée est sans corruption
Et la Vierge "bénie entre toutes les femmes"
Serait-elle moins pure en sa conception ?

Non, non, n'en croyez rien, et tous tant que nous sommes
Publions le contraire à toute heure, en tout lieu :
Ce que Dieu donne bien à la mère des hommes,
Ne le refusons pas à la Mère de Dieu.

Pierre Corneille

=

La lampe dans la chambre...

La lampe dans la chambre est une rose blanche
Qui s'ouvre tout à coup au jardin gris du soir ;
Son reflet au plafond dilate un halo noir
Et c'est assez pour croire un peu que c'est dimanche.

La lampe dans la chambre est une lune blanche
Qui fait fleurir dans les miroirs des nénuphars ;
On ne sait plus quel jour il est, ni s'il est tard,
Sauf qu'on est doux comme à la fin d'un beau dimanche.

Sourire de la lampe en sa dentelle blanche
Qu'on dirait une coiffe où dorment des cheveux ;
Lampe amicale aux lents regards d'un calme feu
Qui donne à l'air de chaque soir l'air du dimanche.

Georges Rodenbach

=

La cité natale

Heureux qui dans sa ville, hôte de sa maison,
Dès le matin joyeux et doré de la vie
Goûte aux mêmes endroits le retour des saisons
Et voit ses matinées d'un calme soir suivies.

Fidèles et naïfs comme de beaux pigeons
La lune et le soleil viennent sur sa demeure,
Et, pareille au rosier qui s'accroît de bourgeons,
Sa vie douce fleurit aux rayons de chaque heure.

Il va, nouant entre eux les surgeons du destin,
Mêlant l'âpre ramure et les plus tôt venues,
Et son coeur ordonné est comme son jardin
Plein de nouvelles fleurs sur l'écorce chenue.

Heureux celui qui sait goûter l'ombre et l'amour,
De l'ardente cité à ses coteaux fertiles,
Et qui peut, dans la suite innombrable des jours,
Désaltérer son rêve au fleuve de sa ville...

Anna de Noailles

=

La Feuille Blanche

En vérité, une feuille blanche
Nous déclare par le vide
Qu'il n'est rien de si beau
Que ce qui n'existe pas.
Sur le miroir magique de sa blanche étendue,
L'âme voit devant elle le lieu des miracles
Que l'on ferait naître avec des signes et des lignes.
Cette présence d'absence surexcite
Et paralyse à la fois l'acte sans retour de la plume.
Il y a dans toute beauté une interdiction de toucher,
Il en émane je ne sais quoi de sacré
Qui suspend le geste, et fait l'homme
Sur le point d'agir se craindre soi-même.

Paul Valéry

=

Amour, divin rôdeur

Amour, divin rôdeur, glissant entre les âmes,
Sans te voir de mes yeux, je reconnais tes flammes.
Inquiets des lueurs qui brûlent dans les airs,
Tous les regards errants sont pleins de tes éclairs...

C'est lui ! Sauve qui peut ! Voici venir les larmes!...
Ce n'est pas tout d'aimer, l'amour porte des armes.
C'est le roi, c'est le maître, et, pour le désarmer,
Il faut plaire à l'Amour : ce n'est pas tout d'aimer!

Marceline Desbordes-Valmore

=

L'hirondelle

Ô petite hirondelle
Qui bats de l'aile,
Et viens contre mon mur,
Comme abri sûr,
Bâtir d'un bec agile
Un nid fragile,
Dis-moi, pour vivre ainsi
Sans nul souci,
Comment fait l'hirondelle
Qui bat de l'aile?

Moi, sous le même toit, je trouve tour à tour
Trop prompt, trop long, le temps que peut durer un jour.
J'ai l'heure des regrets et l'heure du sourire,
J'ai des rêves divers que je ne puis redire;
Et, roseau qui se courbe aux caprices du vent,
L'esprit calme ou troublé, je marche en hésitant.
Mais, du chemin je prends moins la fleur que l'épine,
Mon front se lève moins, hélas ! qu'il ne s'incline;
Mon coeur, pesant la vie à des poids différents,
Souffre plus des hivers qu'il ne rit des printemps.

Ô petite hirondelle
Qui bats de l'aile,
Et viens contre mon mur,
Comme abri sûr,
Bâtir d'un bec agile
Un nid fragile,
Dis-moi, pour vivre ainsi
Sans nul souci,
Comment fait l'hirondelle
Qui bat de l'aile?

J'évoque du passé le lointain souvenir;
Aux jours qui ne sont plus je voudrais revenir.
De mes bonheurs enfuis, il me semble au jeune agi
N'avoir pas à loisir savouré le passage,
Car la jeunesse croit qu'elle est un long trésor,
Et, si l'on a reçu, l'on attend plus encor.
L'avenir nous parait l'espérance éternelle,
Promettant, et restant aux promesses fidèle;
On gaspille des biens que l'on rêve sans fin...
Mais, qu'on voudrait, le soir, revenir au matin!

Ô petite hirondelle
Qui bats de l'aile,
Et viens contre mon mur,
Comme abri sûr,
Bâtir d'un bec agile
Un nid fragile,
Dis-moi, pour vivre ainsi
Sans nul souci,
Comment fait l'hirondelle
Qui bat de l'aile?

De mes jours les plus doux je crains le lendemain,
Je pose sur mes yeux une tremblante main.
L'avenir est pour nous un mensonge, un mystère;
N'y jetons pas trop tôt un regard téméraire.
Quand le soleil est pur, sur les épis fauchés
Dormons, et reposons longtemps nos fronts penchés;
Et ne demandons pas si les moissons futures
Auront des champs féconds, des gerbes aussi mûres.
Bornons notre horizon.... Mais l'esprit insoumis
Repousse et rompt le frein que lui-même avait mis.

Ô petite hirondelle
Qui bats de l'aile,
Et viens contre mon mur,
Comme abri sûr,
Bâtir d'un bec agile
Un nid fragile,
Dis-moi, pour vivre ainsi
Sans nul souci,
Comment fait l'hirondelle
Qui bat de l'aile?

Souvent de mes amis j'imagine l'oubli:
C'est le soir, au printemps, quand le jour affaibli
Jette l'ombre en mon coeur ainsi que sur la terre;
Emportant avec lui l'espoir et la lumière;
Rêveuse, je me dis : « Pourquoi m'aimeraient-ils?
De nos affections les invisibles fils
Se brisent chaque jour au moindre vent qui passe,
Comme on voit que la brise enlève au loin et casse
Ces fils blancs de la Vierge, errants au sein des cieux;
Tout amour sur la terre est incertain comme eux! »

Ô petite hirondelle
Qui bats de l'aile,
Et viens contre mon mur,
Comme abri sûr,
Bâtir d'un bec agile
Un nid fragile,
Dis-moi, pour vivre ainsi
Sans nul souci,
Comment fait l'hirondelle
Qui bat de l'aile?

C'est que, petit oiseau, tu voles loin de nous;
L'air qu'on respire au ciel est plus pur et plus doux.
Ce n'est qu'avec regret que ton aile légère,
Lorsque les cieux sont noirs, vient effleurer la terre.
Ah ! que ne pouvons-nous, te suivant dans ton vol,
Oubliant que nos pieds sont attachés au sol,
Élever notre coeur vers la voûte éternelle,
Y chercher le printemps comme fait l'hirondelle,
Détourner nos regards d'un monde malheureux,
Et, vivant ici-bas, donner notre âme aux cieux!

Ô petite hirondelle
Qui bats de l'aile,
Et viens contre mon mur,
Comme abri sûr,
Bâtir d'un bec agile
Un nid fragile,
Dis-moi, pour vivre ainsi
Sans nul souci,
Comment fait l'hirondelle
Qui bat de l'aile?

Sophie d'Arbouville

=

Aveu d'une femme

Savez-vous pourquoi, madame,
Je refusais de vous voir?
J'aime ! Et je sens qu'une femme
Des femmes craint le pouvoir.
Le vôtre est tout dans vos charmes,
Qu'il faut, par force, adorer.
L'inquiétude a des larmes:
Je ne voulais pas pleurer.

Quelque part que je me trouve,
Mon seul ami va venir;
Je vis de ce qu'il éprouve,
J'en fais tout mon avenir.
Se souvient-on d'humbles flammes
Quand on voit vos yeux brûler?
Ils font trembler bien des âmes:
Je ne voulais pas trembler.

Dans cette foule asservie,
Dont vous respirez l'encens,
Où j'aurais senti ma vie
S'en aller à vos accents,
Celui qui me rend peureuse,
Moins tendre, sans repentir,
M'eût dit: « N'es-tu plus heureuse? »
Je ne voulais pas mentir.

Dans l'éclat de vos conquêtes
Si votre coeur s'est donné,
Triste et fier au sein des fêtes,
N'a-t-il jamais frissonné?
La plus tendre, ou la plus belle,
Aiment-elles sans souffrir?
On meurt pour un infidèle:
Je ne voulais pas mourir.

Marceline Desbordes-Valmore

=

Le chemin de la vie

La vie est le chemin de la mort. Le chemin
N'est d'abord qu'un sentier fuyant par la prairie,
Où la mère conduit son enfant par la main,
En priant la Vierge Marie.

Aux abords du vallon, le sentier des enfants
Passe dans un jardin. Rêveur et solitaire,
L'adolescent effeuille et jette à tous les vents
Les roses blanches du parterre.

Quand l'amoureux s'égare en ce bosquet charmant,
Il voit s'évanouir ses chimères lointaines,
Et le démon du mal l'entraîne indolemment
Au bord des impures fontaines.

Plus loin, c'est l'arbre noir - détourne-toi toujours,
L'arbre de la science où flottent les mensonges:
Garde que ses rameaux ne voilent tes beaux jours,
Et n'effarouchent tes beaux songes.

En quittant le jardin, la fleur et la chanson,
La Jeunesse et l'Amour qui s'endorment sur l'herbe,
Le voyageur aborde au champ de la moisson,
Où son bras étreint une gerbe.

De sa moisson il va bientôt se reposer
Sur la blonde colline où les raisins mûrissent;
Pour la coupe enivrante il retrouve un baiser
À ses lèvres qui se flétrissent.

Plus loin, c'est le désert, le désert nébuleux,
Parsemé de cyprès et de bouquets funèbres ;
Enfin, c'est la montagne aux rochers anguleux,
D'où vont descendre les ténèbres.

Pour la gravir, passant, Dieu te laissera seul.
Un ami te restait, mais le voilà qui tombe;
Adieu ; l'oubli de tous t'a couvert du linceul,
Et tes enfants creusent ta tombe!

Ô pauvre pèlerin ! il s'arrête en montant;
Et, se voyant si loin du sentier où sa mère
L'endormait tous les soirs sur son sein palpitant,
Il essuie une larme amère.

Se voyant loin de vous, paradis regrettés,
Dans un doux souvenir son coeur se réfugie:
Se voyant loin de vous, ô jeunes voluptés!
Il chante une vieille élégie.

En vain il tend les bras vers la belle saison,
Il jette des sanglots au vent d'hiver qui brame;
Il a vu près de lui le dernier horizon,
Déjà Dieu rappelle son âme.

Quand il s'est épuisé dans le mauvais chemin,
Quand ses pieds ont laissé du sang à chaque pierre,
La mort passe à propos pour lui tendre la main
Et pour lui clore la paupière.

Arsène Houssaye

=

Avec le même amour

Avec le même amour que tu me fus jadis
Un jardin de splendeur dont les mouvants taillis
Ombraient les longs gazons et les roses dociles,
Tu m'es en ces temps noirs un calme et sûr asile.

Tout s'y concentre, et ta ferveur et ta clarté
Et tes gestes groupant les fleurs de ta bonté,
Mais tout y est serré dans une paix profonde
Contre les vents aigus trouant l'hiver du monde.

Mon bonheur s'y réchauffe en tes bras repliés
Tes jolis mots naïfs et familiers,
Chantent toujours, aussi charmants à mon oreille
Qu'aux temps des lilas blancs et des rouges groseilles.

Ta bonne humeur allègre et claire, oh ! je la sens
Triompher jour à jour de la douleur des ans,
Et tu souris toi-même aux fils d'argent qui glissent
Leur onduleux réseau parmi tes cheveux lisses.

Quant ta tête s'incline à mon baiser profond,
Que m'importe que des rides marquent ton front
Et que tes mains se sillonnent de veines dures
Alors que je les tiens entre mes deux mains sûres!

Tu ne te plains jamais et tu crois fermement
Que rien de vrai ne meurt quand on s'aime dûment,
Et que le feu vivant dont se nourrit notre âme
Consume jusqu'au deuil pour en grandir sa flamme.

Émile Verhaeren

=

La nuit, lorsque je dors

La nuit, lorsque je dors et qu'un ciel inutile
Arrondit sur le monde une vaine beauté,
Quand les hautes maisons obscures de la ville
Ont la paix des tombeaux d'où le souffle est ôté,

Il n'est plus, morts dissous, d'inique différence
Entre mon front sans âme et vos corps abolis,
Et la même suprême et morne tolérance
Apparente au néant le silence des lits!

Anna de Noailles

=

La Gitana

J'ai mendié seize ans le pain de chaque jour,
Ce pain noir, accordé, refusé tour à tour;
Je bois l'eau du torrent, je couche sur la terre;
Sur le bord d'un chemin j'ai vu mourir ma mère!
Et seule désormais, au loin portant mes pas,
Je souris à la foule et je pleure tout bas.

Je poursuis en tous lieux ma course vagabonde,
Avançant au hasard, je traverse le monde.
- C'est que, dans l'univers, nul pays n'est le mien;
C'est que j'erre ici-bas, sans amis, sans lien.
Dieu me déshérita dans le commun partage
Des biens qu'il donne à tous pour les jours du voyage;
Je n'ai reçu du ciel, depuis mes jeunes ans,
Que ma place au soleil, comme la fleur des champs!
Pour nous deux au printemps s'arrêtera la vie,
L'hiver est loin encore... et je tombe flétrie!

Dans ma peuplade errante on citait ma beauté,
Mais pour moi, parmi vous, nul coeur n'a palpité;
Aux yeux des hommes blancs, je ne puis être belle:
Je ressemble à la nuit, je suis sombre comme elle.
Mon âme est à jamais vouée à la douleur,
Et je n'ai des heureux pas même la couleur!...
Si j'ose quelquefois approcher de leur fête,
C'est qu'aux pieds des passants je viens courber ma tête,
Je viens tendre vers eux une tremblante main;
Je demande le soir le pain du lendemain,
Et quand, sur les pavés, une légère aumône
Retentit en glissant de la main qui la donne,
Je pars - sûre du moins d'un jour pour avenir!
Puis, lorsqu'à l'horizon la lune va venir,
Comme l'oiseau courbant sa tête sous son aile,
J'attends auprès de lui l'heure où son chant m'appelle.
Si de ma vie, hélas ! je remonte le cours,
Pas un seul souvenir ne marque un de mes jours...

Qu'ai-je dit ! - Au milieu des ennuis que je pleure,
Le passé m'a laissé le souvenir... d'une heure!
Triste et rapide éclair d'un seul instant d'espoir,
Qui laissait en fuyant le ciel encor plus noir.
J'aimai !... croyant l'amour une divine aumône,
Que Dieu réserve à ceux que le monde abandonne!

C'était un soir, je crois, que passant par hasard,
Il arrêta sur moi son triste et doux regard.
« Ce ciel brûlant, » dit-il, « annonce la tempête;
« Va chercher, jeune fille, un abri pour ta tête.»
Sa main en se baissant s'approcha de mes mains...
Et je ne souffris plus des maux qu'il avait plaints!
- Depuis lors, chaque jour, j'allais, sur son passage,
Attendre son regard. À ce muet langage
Tout mon coeur répondait, et ce coeur isolé
Se trouvait, d'un sourire, heureux et consolé!
Je fuyais devant lui ; pour mon sort plein d'alarmes,
Je craignais son argent, ne voulant que ses larmes.
Sans doute, il l'a compris ; par un léger effort,
Un jour, il prit ma main sans y laisser de l'or!
Il la serra. - Voilà, pour le cours de ma vie,
La somme de bonheur que Dieu m'a répartie.

Un soir, près d'une femme, il marchait, parlait bas;
J'attendis son regard.... son regard ne vint pas!...

J'ai repris, depuis lors, ma course monotone;
Mais le sol est jonché des feuilles de l'automne;
Comme elles, m'inclinant sous le souffle de l'air,
Sur l'herbe du coteau, je tombe avant l'hiver!

Sophie d'Arbouville

=

Le Dormeur du Val

C'est un trou de verdure où chante une rivière
Accrochant follement aux herbes des haillons
D'argent; où le soleil, de la montagne fière,
Luit: c'est un petit val qui mousse de rayons.

Un soldat jeune, bouche ouverte, tête nue,
Et la nuque baignant dans le frais cresson bleu,
Dort; il est étendu dans l'herbe, sous la nue,
Pâle dans son lit vert où la lumière pleut.

Les pieds dans les glaïeuls, il dort. Souriant comme
Sourirait un enfant malade, il fait un somme:
Nature, berce-le chaudement: il a froid.

Les parfums ne font pas frissonner sa narine;
Il dort dans le soleil, la main sur sa poitrine
Tranquille. Il a deux trous rouges au côté droit.

Arthur Rimbaud

=

Petit sonnet sauce Coppée

Entre les deux bocaux, ces phares du codex,
Près d'un ver solitaire accordéoniforme,
Long comme un jour sans pain, long comme Hugues Delorme,
Le Potard a surgi, solennel pontifex.

De ses doigts fuselés tachés d'iodoforme,
Pieusement entre son pouce et son index,
Il saisit dans la montre un clysopompe énorme
Et le remplit jusques au bord d' "aqua simplex".

Narquois observateur, aussitôt je devine
Qu'une femme, là-bas, au fond de l'officine,
Rougissante, retrousse un coin de son jupon

Et découvre l'envers de son minois fripon
Pour l'offrir au baiser pointu de la canule,
Et je n'ai pas trouvé cela si ridicule.

Dominique Bonnaud

=

L' albatros

Souvent, pour s'amuser, les hommes d'équipage
Prennent des albatros, vastes oiseaux des mers,
Qui suivent, indolents compagnons de voyage,
Le navire glissant sur les gouffres amers.

A peine les ont-ils déposés sur les planches,
Que ces rois de l'azur, maladroits et honteux,
Laissent piteusement leurs grandes ailes blanches
Comme des avirons traîner à côté d'eux.

Ce voyageur ailé, comme il est gauche et veule!
Lui, naguère si beau, qu'il est comique et laid!
L'un agace son bec avec un brûle-gueule,
L'autre mime, en boitant, l'infirme qui volait!

Le Poëte est semblable au prince des nuées
Qui hante la tempête et se rit de l'archer;
Exilé sur le sol au milieu des huées,
Ses ailes de géant l'empêchent de marcher.

Charles Baudelaire

=

Ô de mon bien futur le frêle fondement

Ô de mon bien futur le frêle fondement !
Ô mes désirs semés en la déserte arène !
Ô que j'éprouve bien mon espérance vaine !
Ô combien mon tourment reçoit d'accroissement !

Ô douloureux regrets ! ô triste pensement
Qui avez mes deux yeux convertis en fontaine !
Ô trop soudain départ ! ô cause de la peine
Qui me fait lamenter inconsolablement !

Ô perte sans retour du fruit de mon attente !
Ô époux tant aimé qui me rendais contente ;
Que ta perte me donne un furieux remords !

Las ! puisque je ne puis demeurer veuve et vive,
J'impètre du grand Dieu que bientôt je te suive,
Finissant mes ennuis par une douce mort.

Madeleine des Roches

=

Le Corbeau et le Renard

Maître Corbeau, sur un arbre perché,
Tenait en son bec un fromage.
Maître Renard, par l'odeur alléché,
Lui tint à peu près ce langage :
"Hé ! bonjour, Monsieur du Corbeau.
Que vous êtes joli ! que vous me semblez beau !
Sans mentir, si votre ramage
Se rapporte à votre plumage,
Vous êtes le Phénix des hôtes de ces bois. "
A ces mots le Corbeau ne se sent pas de joie ;
Et pour montrer sa belle voix,
Il ouvre un large bec, laisse tomber sa proie.
Le Renard s'en saisit, et dit : "Mon bon Monsieur,
Apprenez que tout flatteur
Vit aux dépens de celui qui l'écoute :
Cette leçon vaut bien un fromage, sans doute. "
Le Corbeau, honteux et confus,
Jura, mais un peu tard, qu'on ne l'y prendrait plus.

Jean de la Fontaine

=

La mort

Si la vierge vers toi jette sous les ramures
Le rire par sa mère à ses lèvres appris ;
Si, tiède dans son corps dont elle sait le prix,
Le désir a gonflé ses formes demi-mûres ;

Le soir, dans la forêt pleine de frais murmures,
Si, méditant d'unir vos chairs et vos esprits,
Vous mêlez, de sang jeune et de baisers fleuris,
Vos lèvres, en jouant, teintes du suc des mûres ;

Si le besoin d'aimer vous caresse et vous mord,
Amants, c'est que déjà plane sur vous la Mort :
Son aiguillon fait seul d'un couple un dieu qui crée.

Le sein d'un immortel ne saurait s'embraser.
Louez, vierges, amants, louez la Mort sacrée,
Puisque vous lui devez l'ivresse du baiser.

Anatole France

=

Elevation

Au-dessus des étangs, au-dessus des vallées,
Des montagnes, des bois, des nuages, des mers,
Par delà le soleil, par delà les éthers,
Par delà les confins des sphères étoilées,

Mon esprit, tu te meus avec agilité,
Et, comme un bon nageur qui se pâme dans l'onde,
Tu sillonnes gaiement l'immensité profonde
Avec une indicible et mâle volupté.

Envole-toi bien loin de ces miasmes morbides;
Va te purifier dans l'air supérieur,
Et bois, comme une pure et divine liqueur,
Le feu clair qui remplit les espaces limpides.

Derrière les ennuis et les vastes chagrins
Qui chargent de leur poids l'existence brumeuse,
Heureux celui qui peut d'une aile vigoureuse
S'élancer vers les champs lumineux et sereins;

Celui dont les pensers, comme des alouettes,
Vers les cieux le matin prennent un libre essor,
- Qui plane sur la vie, et comprend sans effort
Le langage des fleurs et des choses muettes !

Charles Baudelaire

=

Barbara

Rappelle-toi Barbara
Il pleuvait sans cesse sur Brest ce jour-là
Et tu marchais souriante
Épanouie ravie ruisselante
Sous la pluie
Rappelle-toi Barabara
Il pleuvait sans cesse sur Brest
Et je t'ai croisée rue de Siam
Tu souriais
Et moi je souriais de même

Rappelle-toi Barbara
Toi que je ne connaissais pas
Toi qui ne me connaissais pas
Rappelle-toi
Rappelle-toi quand même jour-là
N'oublie pas
Un homme sous un porche s'abritait
Et il a crié ton nom
Barbara

Et tu as couru vers lui sous la pluie
Ruisselante ravie épanouie
Et tu t'es jetée dans ses bras
Rappelle-toi cela Barbara
Et ne m'en veux pas si je te tutoie
Je dis tu à tous ceux que j'aime
Même si je ne les ai vus qu'une seule fois
Je dis tu à tous ceux qui s'aiment
Même si je ne les connais pas

Rappelle-toi Barbara
N'oublie pas
Cette pluie sage et heureuse
Sur ton visage heureux
Sur cette ville heureuse
Cette pluie sur la mer
Sur l'arsenal
Sur le bateau d'Ouessant

Oh Barbara
Quelle connerie la guerre
Qu'es-tu devenue maintenant
Sous cette pluie de fer
De feu d'acier de sang
Et celui qui te serrait dans ses bras
Amoureusement
Est-il mort disparu ou bien encore vivant

Oh Barbara
Il pleut sans cesse sur Brest
Comme il pleuvait avant
Mais ce n'est plus pareil et tout est abimé
C'est une pluie de deuil terrible et désolée
Ce n'est même plus l'orage
De fer d'acier de sang
Tout simplement des nuages
Qui crèvent comme des chiens
Des chiens qui disparaissent
Au fil de l'eau sur Brest
Et vont pourrir au loin
Au loin très loin de Brest
Dont il ne reste rien.

Jacques Prevert

=

J'aime ces doux oiseaux...

J'aime ces doux oiseaux, qui promènent dans l'air
Leur vie et leur amour, et plus prompts que l'éclair,
Qui s'envolent ensemble !
J'aime la fleur des champs, que l'on cueille au matin,
Et que le soir, au bal, on pose sur son sein
Qui d'enivrement tremble !

J'aime les tourbillons des danses, des plaisirs,
Les fêtes, la toilette, et les tendres désirs
Qui s'éveillent dans l'âme !
J'aime l'ange gardien qui dirige mes pas,
Qui me presse la main, et me donne tout bas
Pour les maux un dictame !

J'aime du triste saule, au soir muet du jour,
La tête chaude encor, pleine d'ombre et d'amour,
Qui se penche et qui pense !
J'aime la main de Dieu, laissant sur notre coeur
Tomber en souriant cette amoureuse fleur
Qu'on nomme l'espérance !

J'aime le doux orchestre, en larmes, gémissant
Qui verse sur mon âme un langoureux accent,
Une triste harmonie !
J'aime seule écouter le langage des cieux
Qui parlent à la terre, et l'emplissent de feux
De soleil et de vie.

J'aime aux bords de la mer, regardant le ciel bleu,
Qui renferme en son sein la puissance de Dieu,
M'asseoir toute pensive !
J'aime à suivre parfois en des rêves dorés
Mon âme qui va perdre en des flots azurés
Sa pensée inactive !

J'aime l'effort secret du coeur, qui doucement
S'agite, la pensée au doux tressaillement,
Que l'on sent en soi-même !
Mieux que l'arbre, l'oiseau, la fleur qui plaît aux yeux,
Le saule tout en pleurs, l'espérance des Cieux...
J'aime celui qui m'aime.

Jules Verne

=

Dors à mes pieds

Dors à mes pieds !... Rêve d'amour
Mon souffle, comme une caresse,
Glissera sur le pur contour
De ce beau front qu'avec paresse
Tu reposes sur mes genoux.
Dors à mes pieds, tout fait silence,
Hors la branche qui se balance,
Souple et frêle, au-dessus de nous;
Dors à mes pieds, tout fait silence.

Sous mes baisers clos tes yeux noirs,
Tes yeux où brillent tant de flammes,
Qu'on les croirait les deux miroirs
Où se reflètent nos deux âmes.
Dors à mes pieds !... Rêve d'amour;
Je suis jalouse de tes rêves,
Comme du temps que tu m'enlèves
Avec le monde chaque jour...
Je suis jalouse de tes rêves !...

Le soleil glisse à l'horizon.
Pas un souffle, pas un nuage...
Un rayon d'or, sur le gazon,
Reste comme un heureux présage !
Nos riches tapis ne sont pas
Aussi doux que ce lit de mousse
Où, folâtre, ta main repousse
Le brin d'herbe effleurant mon bras.
Dors sur l'herbe, les fleurs, la mousse...

Dors à mes pieds !... Rêve d'amour:
Mon souffle, comme une caresse,
Glissera sur le pur contour
De ce beau front qu'avec paresse
Tu reposes sur mes genoux.
Dors à mes pieds, tout fait silence,
Hors la branche qui se balance,
Souple et frêle, au-dessus de nous;
Dors à mes pieds, tout fait silence.

Mélanie Waldor

=

Ophélie

1
Sur l'onde calme et noire où dorment les étoiles
La blanche Ophélia flotte comme un grand lys,
Flotte très lentement, couchée en ses longs voiles...
- On entend dans les bois lointains des hallalis.

Voici plus de mille ans que la triste Ophélie
Passe, fantôme blanc, sur le long fleuve noir.
Voici plus de mille ans que sa douce folie
Murmure sa romance à la brise du soir.

Le vent baise ses seins et déploie en corolle
Ses grands voiles bercés mollement par les eaux ;
Les saules frissonnants pleurent sur son épaule,
Sur son grand front rêveur s'inclinent les roseaux.

Les nénuphars froissés soupirent autour d'elle ;
Elle éveille parfois, dans un aune qui dort,
Quelque nid, d'où s'échappe un petit frisson d'aile :
- Un chant mystérieux tombe des astres d'or.

2
Ô pâle Ophélia ! belle comme la neige !
Oui tu mourus, enfant, par un fleuve emporté !
- C'est que les vents tombant des grands monts de Norvège
T'avaient parlé tout bas de l'âpre liberté ;

C'est qu'un souffle, tordant ta grande chevelure,
A ton esprit rêveur portait d'étranges bruits ;
Que ton cœur écoutait le chant de la Nature
Dans les plaintes de l'arbre et les soupirs des nuits ;

C'est que la voix des mers folles, immense râle,
Brisait ton sein d'enfant, trop humain et trop doux ;
C'est qu'un matin d'avril, un beau cavalier pâle,
Un pauvre fou, s'assit muet à tes genoux !

Ciel ! Amour ! Liberté ! Quel rêve, ô pauvre Folle !
Tu te fondais à lui comme une neige au feu :
Tes grandes visions étranglaient ta parole
- Et l'Infini terrible effara ton œil bleu !

3
- Et le Poète dit qu'aux rayons des étoiles
Tu viens chercher, la nuit, les fleurs que tu cueillis ;
Et qu'il a vu sur l'eau, couchée en ses longs voiles,
La blanche Ophélia flotter, comme un grand lys.

Arthur Rimbaud

=

Clotilde

L'anémone et l'ancolie
Ont poussé dans le jardin
Où dort la mélancolie
Entre l'amour et le dédain

Il y vient aussi nos ombres
Que la nuit dissipera
Le soleil qui les rend sombres
Avec elles disparaîtra

Les déités des eaux vives
Laissent couler leurs cheveux
Passe il faut que tu poursuives
Cette belle ombre que tu veux

Guillaume Apollinaire

=

Voyelles

A noir, E blanc, I rouge, U vert, O bleu, voyelles,
Je dirai quelque jour vos naissances latentes.
A, noir corset velu des mouches éclatantes
Qui bombillent autour des puanteurs cruelles,

Golfe d'ombre; E, candeur des vapeurs et des tentes,
Lance des glaciers fiers, rois blancs, frissons d'ombeilles;
I, pourpres, sang craché, rire des lèvres belles
Dans la colère ou les ivresses pénitentes;

U, cycles, vibrements divins des mers virides,
Paix des pâtis semés d'animaux, paix des rides
Que l'alchimie imprime aux grands fronts studieux;

O, suprême clairon plein de strideurs étranges,
Silences traversés des Mondes et des Anges:
- O l'Oméga, rayon violet de Ses Yeux!

Arthur Rimbaud

=

Chanson d'Automne

Les sanglots longs
Des violons
De l'automne
Blessent mon cœur
D'une langueur monotone.

Tout suffocant
Et blême, quand
Sonne l'heure,
Je me souviens
Des jours anciens
Et je pleure;

Et je m'en vais
Au vent mauvais
Qui m'emporte
Deçà, delà,
Pareil à la
Feuille morte

Paul Verlaine

=

Nuit de neige

La grande plaine est blanche, immobile et sans voix.
Pas un bruit, pas un son ; toute vie est éteinte.
Mais on entend parfois, comme une morne plainte,
Quelque chien sans abri qui hurle au coin d'un bois.

Plus de chansons dans l'air, sous nos pieds plus de chaumes.
L'hiver s'est abattu sur toute floraison ;
Des arbres dépouillés dressent à l'horizon
Leurs squelettes blanchis ainsi que des fantômes.

La lune est large et pâle et semble se hâter.
On dirait qu'elle a froid dans le grand ciel austère.
De son morne regard elle parcourt la terre,
Et, voyant tout désert, s'empresse à nous quitter.

Et froids tombent sur nous les rayons qu'elle darde,
Fantastiques lueurs qu'elle s'en va semant ;
Et la neige s'éclaire au loin, sinistrement,
Aux étranges reflets de la clarté blafarde.

Oh ! la terrible nuit pour les petits oiseaux !
Un vent glacé frissonne et court par les allées ;
Eux, n'ayant plus l'asile ombragé des berceaux,
Ne peuvent pas dormir sur leurs pattes gelées.

Dans les grands arbres nus que couvre le verglas
Ils sont là, tout tremblants, sans rien qui les protège ;
De leur œil inquiet ils regardent la neige,
Attendant jusqu'au jour la nuit qui ne vient pas.

Guy de Maupassant

= = =

Index van de gedichten
Snel vinden? Ctrl + F en type naam dichter(es) of titel gedicht

naar de index van de Gedichten (1)  Vlag van Nederland  Vlag van Duitsland  Vlag van Engeland  Vlag van Frankrijk  naar de index van de Gedichten (2)

Bertus Aafjes













Nex van Aarssen
Gerrit Achterberg








Carel Steven Adama van Scheltema


Wilfried Adams
Alfred Adler
Adwaita





Hieronymus van Alphen

Th. van Ameide
Hans Andreus

Guillaume Apollinaire
Sophie d'Arbouville

Jan Arends
Riny Assink
W. H. Auden
A. B. (?)
Van B.
Frans Babylon


Ingeborg Bachmann
H. H. ter Balkt



Maria Barnas
Frans Bastiaanse


Charles Baudelaire

Menno van der Beek
Hester van Beers
Ludwig von Beethoven
Nicolaas Beets
Jacobus Bellamy
Nel Benschop
Jana Beranová

Marcel Berendsen

H. C. ten Berge
Peter Berger
Herman van den Bergh


J. H. Bergmans-Beins
J. Bernlef


Ad den Besten
Gerti Bierenbroodspot
Willem Bilderdijk



K .W. Bilderdijk-Schweickhardt
Anna Bijns
J. Blaauw

William Blake

Anna Blaman

Dop Bles
Lut de Block
J. C. Bloem











Jan Blokker jr.
Boccarossa
Marie Boddaert
Jannie Boerema
Look J. Boden
Frans Boenders
Jan Boer
Eugénie Boeye-Willems
S. Bonn

Dominique Bonnaud
G. H. J. E. Boswel
P. C. Boutens







Gerard den Brabander

Willem Brakman
Willem Brandt




Gerbrandt Adriaensz. Brederode


Breyten Breytenbach
Gré S. Broekhuizen




Anne Bronte
Ellen de Brouwer
Roel Brouwer

Elizabeth Barrett Browning



Nic van Bruggen
Hein de Bruin
Henri Bruning
Pieter G. Buckinx

C. Buddingh'



Charles Bukowski
Gaston Burssens



George Gordon Byron, Lord Byron
Remco Campert

Jan Camperts
Lady Cath
Jacob Cats

Charles Causley
J. B. Charles
Ada Christen
Hugo Claus


René de Clercq




Marie de Clèves
Leonard Cohen
Samuel Taylor Coleridge
A. Van Collem
Herman de Coninck


Pierre Corneille
Louis Couperus

J. G. Danser
Max Dauthendey
Cola Debrot


Bert Decorte
Max Dendermonde

Frits Deubel

Lodewijk van Deyssel
Avleek Dhiman
Emily Dickinson


Gerard Diels
Hilde Domin
Anthonie Donker



John Donne
Johnny van Doorn
Anne Doornbos
Hans Dorrestijn
Anton van Duinkerken

Marchien Duker
Gaston Durnez
Prudens van Duyse
Frederik van Eeden






Clara Eggink









Joseph Freiherr von Eichendorff

Albert Einstein
Max Ehrmann
J. Eijkelboom
Jan G. Elburg
H. van Elro
Willem Elsschot


Marchinus Elting
Ralph Waldo Emerson


Jan Engelman



Anna Enquist





Margriet van Essen
Elisabeth Eybers

P. N. van Eyck


Henriette Faas
Gustav Falke
Hans Faverey
Henk Fedder
Rhijnvis Feith
Jean de la Fontaine
Yge Foppema

P. Forret
Janet Frame
Anatole France
Alwin Freudenberg
Erich Fried
Robert Frost

Rodaan Al Galidi
Théophile Gautier

Chr. J. van Geel

Koos Geerds
Petrus Augustus de Génestet



Ida Gerhardt















Eva Gerlach
Guido Gezelle







Marnix Gijsen
Edith de Gilde
Maurice Gilliams

Jan Gloudemans
Louise Gluck
Johann Wolfgang von Goethe





Cita Golterman-van Dijk
Herman Gorter











Geerten Gossaert








J. J. A. Gouverneur
August Graf von Platen
Guillaume van der Graft
N. J. Storm van 's Gravesande
Jan Greshoff
Jan H. de Groot


Andreas Gryphius
Jacob Israël de Haan

Hella Haasse
Hadewych
Christine D'Haen
Liesbeth V. Hafenrichter
Hafiz
Ulla Hahn
Nhat Thich Hanh


Jan Hanlo
Thomas Hardy
Elma van Haren
Willem van Haren
Fritzi ten Harmsen van der Beek



Jac. van Hattum


Friedrich Hebbel
Alfred Hegenscheidt
Max Heindel
Heinrich Heine




Youp van 't Hek
Frederik Leonardus Hemkes



Herwig Hensen
Raymond Herreman
Judith Herzberg



Hermann Hesse



W. Hessels
Jolies Heij
Maria van Heyst
Ingmar Heytze




Karel H. Hille
D. Hillenius
Han G. Hoekstra



Laurens Hoevenaren
August H. Hoffmann von Fallersleben
Hugo von Hofmannsthal
Oliver Wendell Holmes
Adriaan Roland Holst









Henriëtte Roland Holst - v. der Schalk












Arno Holz
Pieter Cornelisz. Hooft

Eduard Hoornik





Arsène Houssaye
Hielke Houtsma
Egbert Hovenamp
Constantijn Huygens
Langston Hughes
Victor Hugo
Annette von Droste-Hülshoff

Willem van Iependaal
Muus Jacobse
Esther Jansma
Karel Jonckheere

Ingrid Jonker
James Joyce
Franz Kafka
Jan Kal

Piet Kalteren
Joke Kaviaar
John Keats



Pierre Kemp

Else Kemps
Mensje van Keulen
H. W. J. M. Keuls

Rudyard Kipling

Klabund
J. J. Klant

Willem Kloos












Geert De Kockere
Manuel Kneepkens
Simon Knepper
Hester Knibbe
Helen Knoppe
Gerrit Komrij
Halbo C. Kool
Marga Kool
Marjolein Kool
Rutger Kopland




Alfred Kossmann
Edward B. Koster
Petra Kottman
G. Kouwenaar
Antjie Krog

Johanna Kruit


Frans Kuipers
Albert Kuyle
Sjoerd Kuyper
Manfred Kyber

Jo Landheer
Prosper van Langendonck



Patricia Lasoen
Ruth Lasters
Harriët Laurey
Emma Lazarus
Edward Lear
Aart van der Leeuw

Auke de Leeuw
Joke van Leeuwen
L. Th. Lehmann
Nikolaus Lenau
Jacob van Lennep
J. H. Leopold


Semjon Lipkin


Gerry van der Linden

Hans Lodeizen

Henk van Loenen
Hermann Löns
Jac. van Looy

Louise
Rosalie Loveling
Virginie Loveling
Amy Lowell
Lucebert




J. Luyken

Cathy Mara

Eugene Marais
A. Marja

H. Marsman








Edgar Lee Masters
Guy de Maupassant
John McCrae
Koos Meinderts
Willem de Mérode







Jeroen van Merwijk
Marcel Messing

J. Meulenbelt
Conrad Ferdinand Meyer


Hanny Michaelis






Agnes Miegel

Dunya Mikhail
Miss Frank Miller
A. A. Milne
Neeltje Maria Min




Richard Minne



Wies Moens
P. H. van Moerkerken

Maurits Mok



Angela Morgan
Christian Morgenstern
Adriaan Morriën




Alfred de Musset
Alice Nahon


Nescio
Jordan Nichols
Derrel Niemeijer

Friedrich Nietzsche
Martinus Nijhoff














Jan van Nijlen




Anna de Noailles

Nel Noordzij
Jan van der Noot
Cees Nooteboom


L. de Nooyer
Novalis
Nuhr
Karel van den Oever
Edmond van Offel
Huub Oosterhuis

Paul van Ostaijen







Willem Jan Otten
Kees Ouwens

Wilfred Owen
Drs. P
Piet Paaltjens


Dorothy Parker

P. Parson
Augusta Peaux










Hagar Peeters
Willem Levinus Penning
Ester Naomi Perquin
Jaques Perk










Edgar du Perron
Eduard du Perron
Ankie Peypers
Edgar Allan Poe


Hubert Cornelisz. Poot
E. J. Potgieter

Ezra Pound
Jacques Prevert
Jan Prins
Sonja Prins
Mien Proost
H. M. van Randwijk
Jean Pierre Rawie





Bessie Rayner Parkes
Gerard Reve
Jacobus Revius
Rainer Maria Rilke




Arthur Rimbaud



Michael Symmons Roberts
Madeleine des Roches
Albrecht Rodenbach
Georges Rodenbach
Paul Rodenko

Maurice Roelants
Louis A. Roessingh
Bas Rompa
Adriaan de Roover
Leo Ross
Christina Georgina Rossetti









Hannie Rouweler
Roel Reijntjes
Herman Russchenberg
Suze Sanders





Rim Sartori

J. C. van Schagen


Bert Schierbeek
Patty Scholten
Annie M. G. Schmidt

Gabriël Schmidt

Jacques Schreurs

Tom Schrijer
J. W. Schulte Nordholt
Nico Scheepmaker
Mathias Schneider
Koos Schuur


Gustav Schwab
William Shakespeare


Percy Bysshe Shelley
Marnix van Sint Aldegonde (?)
Jan Jacob Slauerhoff











Hans Sleutelaar

B. W. A. E. Sloet tot Oldhuis
Agnès Snitker
Paul Snoek
Karel Soudijn


Koos Speenhoff
Edmund Spenser
Johannes Stalpaert van der Wiele
A. C. W. Staring


J. J. Starter
Eric van der Steen
Helen Steiner Rice
Kees Stip
Mustafa Stitou
Theodor Storm
Edna St. Vincent Millay
Nico van Suchtelen
Lill Swaen

Hélène Swarth













Jotie T'Hooft
TeJo
Sara Teasdale

Toon Tellegen



Katinka Terborst
Nes Tergast

Hendrik van Teylingen
Francis Thompson
Felix Timmermans

Henricus Franci... (Carolusz.) Tollens

Marten Toonder


Willem van Toorn
Georg Trakl

David Troch

Tymen Trolsky
Julia Tulkens
Johann Ludwig Uhland
Maurits Uyldert
C. B. Vaandrager
Harry Vaandrager
Paul Valéry
Marceline Desbordes-Valmore

Wivan Vandevyvere
Miriam Van hee

Maria Vasalis










Jabik Veenbaas

Bart Veenstra
Rein-Hilde Verbruggen
Émile Verhaeren
Hans Verhagen

N. Verhoeven
Paul Verlaine
Bram Vermeulen
Jan Vermeulen
August Vermeylen
Jules Verne
Albert Verwey








Simon Vestdijk



François Villon
Simon Vinkenoog

Hans Vlek

Eddy van Vliet
Bert Voeten

Joost van den Vondel

Urbain van de Voorde
Ida Vos

Margot Vos

Marjoleine de Vos
Milou Voskuilen
Carel Vosmaer
Mischa de Vreede

Hendrik de Vries


Victor E. van Vriesland

Leo Vroman



Victor Vroomskoning
Jacqueline E van der Waals









Elly de Waard

Mélanie Waldor
Ellen Warmond




Hans Warren
Karel Wasch
Saskia Waterman
Simon van Wattum
Marcel Weemaes
Lévi Weemoedt
Frans Weerts
J. W. F. Werumeus Buning





Ria Westerhuis
Walt Whitman
Gerard Wijdeveld
M. A. de Wijs - Mouton
Oscar Wilde
Anton van Wilderode


Riet Wille
Willem Wilmink



Kees Winkler
Antony Winkler Prins

Driek van Wissen
Karel van de Woestijne







Betje Wolff-Bekker
Jan Wolkers
William Wordsworth

W. J. van Zeggelen
Harry Zevenbergen
Jan Zitman
Mieke van Zonneveld
Cilja Zuyderwyk
Joost Zwagerman
? Anoniem
Bij het horen van een fluitconcert van Bach
Borsten
De laatste brief
De wrede god
En die dag lazen wij niet verder
En zij daalden
Halfnaakte Nubische
Het koningsgraf
Hoer
Je hart
Kamelen
Maria Sibylla Merian
Naar de natuur
Soms
Tijd
Beau lieu
Dryade
Eben Haëzer
En Jezus schreef in 't zand
Horeb
Jachtopziener
Onland
Thebe
Werkster
De daad
De stilte
Het edele leven
gaver agave: geen
Eine Lüge hätte keinen Sinn, wenn ...
'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid
Blond kindje speelt piano
'k Hoor ruischen ons moeras - zoo noemden wij 't
Lang rolt, een bol van klank, de knal van 't schot
Nog hoorbaar, heel heel ver, is de avondtrein
Wit hing en stil de dauw over de weiden
De bedelaar
Winterzang
Maannacht
Liggen in de zon
November
Clotilde
La Gitana
L'hirondelle
Ik ben een arme man
Een vogelaar
Funeral Blues
Herfstmorgen
Schemering
Geruïneerde baronesse
Herfstelijk
Poëet en melkboer
Dunkles zu sagen
Aquarium
De hooikeerder
Hoera! de herfst komt
Zang van de menigten
Twee zonnen
Kupris in 't woud
Naar huis toe
Nachtlied
L' albatros
Elevation
Jael
Ik trek mijn jas uit en mijn woorden ook
Ode an die Freude
De moerbeitoppen ruischten
Aan Fillis
Scheepje onder Jezus' hoede
Liefde op het veld
Zonder bagage
Gesloten lelie
Wat ik voor je voel
Winterzin
De dood is de ring en het zingende
Avondgang
Nocturne
Toen klommen...
Wilde jacht
Modern times
Strandlijn
Vrede
Ichthus
Een draaimolen van veel gesponnen woorden
De rozen
Het tabakrooken
Misbruik
Uitvaart
Het goede voornemen
Refereyn
Een loden hart
Ik mis iets
A Poison Tree
The Garden of Love
De spin
Zij kwam, verschrikt, uitdagend, onverwacht
Le pont de Caulaincourt
Hortus conclusus
Aan een verloren vriend
De dapperstraat
De gelatene
De nachtegalen
Herfstdag
In memoriam
Men leert alleen uit de ondervinding
Na de bevrijding
Najaarsmist
November
Quando ver venit meum
Voorjaarsavond
Mon oncle
Onbekend en ongezien de avond van de moord
Maanlicht
Viefschaftsnei
Hij had eens gelezen
Japanse beelden
Ons volk is bròkkel, stroef en kold
De bomen
't Meisje
Ritje
Petit sonnet sauce Coppée
Lenteliedje
Avondwandeling
Beatrys
De maan is al boven de seringen
Dertigste strofe
Goede Dood
Lethe
Morgenlijk verwachten
Sponsae aeternae
De steenen minnaar
Herfstnacht in de Tuilerieën
De dood dat is het tijdeloze
Aalgrondels
De keerkringvogel
Dialoog
Namen
Vaarwel
Aendachtig gebed
Liedeken CXLVII
Vroegh in den dageraet
Allerliefste, ek stuur vir jou 'n rooiborsduif
Bijenbietertien
De gieteling
Mongooltien
Oerkenblatties
Toezebolten
Weep not too much
En als je mij zou vragen Wijs me de weg
Deurze aovond
Oude venen
How Do I Love Thee?
If thou must love me
The deserted garden
Would I Were a Careless Child
Het huis
Tot mijzelf
Het kind
Ballade
Er is iets in de dingen dat ontroert
De blauwbilgorgel
laatste sonnet aan mathilde
Meisjes
Motjes
Death Wants More Death
De spinnen
Gij hebt gezegd dat sterven moeilijk is
Jespers
Venus
She walks in Beauty
Toen ik uit het raam keek
Verzet begint niet met grote woorden
Het lied der achttien dooden
Twee handen op uw damesbloes
Een rijk van dwangh en duurt niet langh
Het minnen is een zeldzaam spel
I saw a jolly hunter
Een Pools meisje staande op een stoel
Ein Aufatmen
Een morgen als altijd...
Een vrouw
Onbetamelijk gedicht
De witte kaproen
Een vinkske
Jonge terwe
Lentelach
Scheurlucht
En la forest de Longue Attente
I Long to Hold Some Lady
Kubla Khan
Gebed te Waalwijk
De lenige liefde
Februari
Je truitjes en je witte en rode
Eve et Marie
Baadster
Narcis
Het beloofde land
An deinen Brüsten die Stunden
Evacuatie der gekken
Venus Kalipygos
Witte bloesems
De morte
Herfst
Kleine vriendinnen
Een stralend licht!
Schuil maar veilig
Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen
There are little eyes upon you
Nobody knows this little Rose
There is another sky
Wild nights! Wild nights!
Zij liggen aan den stootkant van de huizen
Voorbijtrekkend landschap
De eenige
Kleuterklas
Lied
Spectacle coupé
Death
De jasmijn
Lest geluk
Eendjes voeren
Concentratiekamp
De stillen
De schötteldoek
Ballade
De bie en de roos
Avond in de stad
Bij 't verwachten der Liefste
De lente
De waterlelie
Het middagmaal
Schemering in 't woud
Voor H.
De heks
De regenboog
De verlaten tuin
Dodenmars voor Rotterdam
Gebonden
Liedje
Schaatsenrijden
Van lieverlede
Verloren
Voorgevoel
Der Isegrim
Weihnachten
The world will not be destroyed by ...
Desiderata
Egidius
Heks heks
Lente-morgen
De Bult spreekt
De zee
Moeder
onzichtbaore muren
All the world loves a lover
Song of Nature
The Humblebee
Adieu
Klein air
Twee kinderen
Vera Janacopoulos
De zolder; echtelijke neurologie
Eindexamen
Fantoom
Ineens
Je onbedekt huis
Verzoek aan de schilder
Aangename herinnering
Die ontmoeting
Mislukte afspraak
De genezende
De tuinman en de dood
Wie zijn lijden eeuwge noodzaak heeft bevonden
Oktober
Hasenjagd
Melkalbast
Joodsch Kind
Aan ene beek
Le Corbeau et le Renard
De ballade van de ter dood veroordeelden
Herinnering aan Foxhol
Rood
The Suicides
La mort
Vom Riesen Timpetu
Was es ist
Stopping by Woods on a Snowy Evening
The road not taken
's Ochtends
Le Printemps
Noël
Bomen
Tussen seizoenen
Gemengd bedrijf: aardappels, knollen, graan
Egoïsmus
Liefde
O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen
Onrust
A en Ω
Christus als hovenier
De erfvijand
De gestorvene
De grassen
De lichtbak
De schrijver
De veerpont
De verstotene
Het carillon
Het kengetal
In droefenis
Keltisch Grafschrift
Met volstrekte eer
Thasos
Winter
De dorpelen en de gesloten vensters
De rave
Dien avond en die rooze
Duiven
Het Schrijverke
Kerstdag
Mijn hert is als een blomgewas
't Er viel ne keer
Weet gij?
Met mijn erfoom in de bankkluis
Heesterbuurt
Herfst
Tristitia ante
De avond valt
October
Das Heidenröslein
Elfenlied
Erlkönig
Gefunden
Ginkgo Biloba
Wandrers Nachtlied
Ongerept
Daar ligt dat water – dat schitterende water
De bomen waren stil
De heide is maar stil
De stille weg
De zon
In de zwarte nacht is een mensch aangetreden
Maar is er dan geen licht in het donker?
Mei (fragment)
Reeds is de winter
Toen de tijden bladstil waren
Van uit een nieuwe wereld treedt
Zie ik hou van je
Cadente Lucifero
De bloeiende amandeltak
De Moeder
De stervende pelgrim
Eén ding heb ik begeerd
Eis daimona
Encore
Libera nos, domine!
Thalassa
Het sterkste
Die Liebe hat gelogen
Schrijvenderwijs
De dove orgeltrapper
Een bezoeker afgewezen
Het kalf
Het uitwijkbos
Ik zie een man
Es ist alles eitel
Berusting
Doodsangst
In deze zeeën die ik mij verkoos
Minne
De ledematen van uw lichaam
Ik doe maar alsof
I start skipping like a child
Bildlich gesprochen
Interrelationship
Please Call Me by My True Names
Vogels
Zo meen ik ook dat jij bent
The Darkling Thrush
Op stap met Edvard Munch
Op den moord gepleegd aan de Chineezen te Batavia
Geachte Muizenpoot
Goedemorgen, hemelse mevrouw Ping
Honderd jaar
Humorloos Gedicht
Alleen thuis
Pond
Sterfgeval
An die Jünglinge
De Elyzese velden
Creed or Christ
Die heiligen drei Könige...
Die Welt ist dumm
Du bist wie eine Blume
In welche soll ich mich verlieben
Verdrossnen Sinn im kalten Herzen hegend
Meneer Alzheimer
Het Kindeke van den Dood
's Molenaars dochter
Slaap en dood
Stille getuigen
Baat het dat wij 't al herwaarden?
Vrouw en kind
Begraven
De zee
Ik fint
Je zoenen zijn zoeter dan...
Beim Schlafengehen
Bücher
Das Leben, das ich selbst gewählt
Gestutzte Eiche
Van de duisternis der schepping
Altijd lente in de ogen van
Nieuwjaars wensch
Agatha
Dichter groet 's morgens de dingen
Hoor eens ik haat je
Jongenswraak
Love bug
Waarheen, waarvoor
De vrouw huilde, mateloos
De ceder
Een winterdag
Ochtend in Hoorn
Polshoogsprong
De zotte Charlotte
Der Uhu
Die Beiden
The Chambered Nautilus
De ploeger
Drie dichters en drie vrouwen
Eens in een woud liep ik en dacht in dromen
Einde
Herinnering
Het onweer
Het stille huisje
Wedergeboorte
Weldra
Zwerversliefde
Begeerlijkheid, 't willen proeve' alle dingen
De geuren van den zomer zijn herboren
De herfst talmt nog tusschen de blauwe lande
De stilte der natuur heeft veel geluiden
Gij dan, vul uw hart uit het stille bekken
Het schoonste, wat ik weet in de natuur
Hoe vredig is het sterve in de natuur
Ik dank u voor de Waarheid, - voor den drang
Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten
Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
Op de kentering der tijden geboren
Schemering is het doodgaan
Te loopen in het jonge lentelicht
Erste Lerche
Rey van Jofferen
V E heeft hier haere muilen gelaeten
Op school stonden ze...
Pogrom
Te Middelharnis is een kind verdronken
Wat onmeedeelbaar is je mee te delen
Weer strijkt de vogel op mijn hand
Zondagsmiddags
Le chemin de la vie
Het hoekhuis
Braandbaor
Cupido dissolvi. Op de dood van Sterre
Life is fine
Elle était pâle, et pourtant rose...
Abschied von der Jugend
Blumentod
Lotus
1914
Alles is nieuw
Fabel van de bloedtransfusie
Misverstand
Windliedjie
Winds of May
Die Bedeutung des Lebens ist, dass es aufhört
Marie-Jeanne
Voortplanting
Het onze auto
Hoog, Hoger Hoogst
A thing of beauty is a joy for ever
Ode on a Grecian Urn
Ode to Autumn
'The Human Seasons'
Als de hortensia's hun sfeer spannen
Stadsgezicht
En of het zo door kan gaan
Laura
De regen spint zijn dunne draden
Ik ben u na uw sterven gaan beminnen
If
The Way Through The Woods
Das erste Spiel
Monument voor Bart Visse
Zwaan van Zijpe
Als 't latere geslacht dees woorden leest
Avond
De blâren vallen zacht...
De boomen dorren in het laat seizoen
Doodgaan
Gij zijt niet slecht geweest: gij waart slechts zwak
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten
Ik denk altoos aan u, als aan die droomen
Ik ween om bloemen
Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
Van de zee
Zelfverandering
Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht
Blinde liefde
Moesman
Wat me nu is overkomen!
Vannacht
Vanuit God is alles god
Twee koningskinderen
Nocturne
Nei-jaor
School
De moeder het water
Gedicht over een landschap
Ik had met je door de weiden willen gaan
Onder de appelboom
Weggaan
Aria van de volwassene
Ophelia
De rustende jager
Links bovenaan met frisse moed
Ek staan op 'n moerse rots by Paternoster
jy
Een droom
Voor jou
Weglopen
Kwallen
De afstand
Boom, roos, vis
Abendlied
Das andere Ufer
Dit is het bitterste op aarde...
Circe
O weest mij goed, gij die mijn vrienden zijt
'k Zag steeds een bleke Christus
Zomeravond
Landschap met roze hoed
Witlof
De oester
The New Colossus
The Owl and the Pussycat
De dieren
De pottenbakker
Foute Keuze
Vier manieren om op iemand te wachten
Enfance
Das Gewitter
Winternacht
Duizend en één nacht
Jezus die door de wereld ging
Laat de luiken geloken zijn
Laatste wil van Alexander
Om mijn oud woonhuis peppels staan
Gedenkplaats
Als
The Fittest
De buigzaamheid van het verdriet
Ik ben het zuiverste dier op aarde
Onder de Sterren
Frühling im Dom
Een liedje van Zebedeus
Papaver-bed
Die kringloop van ons lewe
De genezing
Het buitenmeisje
Madonna of the Evening Flowers
Het proefondervindelijke gedicht
Het zelfbedrog
Sonnet
Visser van Ma Yuan
vrede
De verganklijkheid
Lucella
Het sneeuwt
Ontmoeting
Winternag
Het huwelijk
Nieuwbouw
De overtocht
De vreemde bloem
Herinnering aan Holland
Ik die bij sterren sliep en 't haar der ruimten droeg ...
Invocatio
Paradise regained
Twee meeuwen
Vlam
Vrees
Anne Rutledge
Nuit de neige
In Flanders Fields
De man in de wolken
Begrafenis
De moordenaar
De oude naaister
Geboorte
Ik heb u lief
Vitellus
Voorbereiding
Voorbij
Een oorlog tegelijk
Bladeren van tijd
vrede
Landelijke rust
Fülle
Mein Stern
Stapfen
Als ik je aan zie komen
Herfst
Het meisje
Onbekommerd toont Amsterdam
Onder water
Op een weg tussen de weiden
Vanavond toen ik naar het raam
Die Karyatiden
Heimweh
The war works hard
When the Eternal first made Sound
Wind on the Hill
De ander is in mij...
Een duinpan
In de put
Mijn moeder is mijn naam vergeten
Rancune
De wereld is een fluit met zoveel duizend monden
Gebed voor de galg
Gezelliana
Verordening
Laat mij mijn ziel dragen in het gedrang
Als vlerken van nachtvooglen...
Oude legende
Avond aan avond
Begrafenis
Melkweg
Waar gaat haar licht nog om...
God The Artist
Nachts im Wald
Afscheid
Ars amandi
Het park
Idioot
Sneeuw
A une fleur
Eenvoud
Vondelingskens
Wintergepeinzen
... en toen dachten wij aan 't voorjaar dat zou komen ...
Our generation will be known for nothing
Het heilige in haar
Stervend
Dem unbekannten Gotte
Aan een graf
De moeder de vrouw
De soldaat die Jezus kruisigde
De wandelaar
Fuguette
Het derde land
Het kind en ik
Het lied der dwaze bijen
Het souper
Impasse
Liedje
Maria magdalena
Memlinc
Na een jaar
Wolken
Bericht aan de reizigers
DE TORTEL Zijn lied klinkt dof van uit de hoge linde
Eenzaamheid
Het wonder van de kermis
Somber voorjaar
La cité natale
La nuit, lorsque je dors
Morgen
En ist de liefde niet, wat ist dan dat my quelt?
Duizend nachten en dagen
Romantische herfst
Zoals regen...
Ik zag een kruis, 't stond in het volle licht
Sehnsucht nach dem Tode
Man van momenten
Dinska Bronska
Oogstland
U eeuwige
Uit uw hemel zonder grenzen
Avondgeluiden
De oude man
Gedichtje van Sint Niklaas
Marc groet 's morgens de dingen
Oppervlakkige charleston
Polderlandse arkadia
Wiegeliedje voor de geliefde
Melopee
De intiemste zichtlijn
In het donker
Uit verveling
Anthem for Doomed Youth
Begin eens bijvoorbeeld met twaalf lettergrepen
Aan Betsy
Aan Rika
O, spreek mij niet van liefde
A Certain Lady
One Perfect Rose
Vragen en antwoorden
Dagen voorbij
Een verbena
Eenzaam kerkhof
Koud landschap
In het oerwoud
Najaarswandeling
Oorlogszomer
Verlaten weg
Verwoesting
Voorjaarslandschap
Zomer
Vertweezaming
Anna voor den spiegel
Michael van W.
De schietbeek
Eerste aanblik
Erato
Harmonie
Hemelvaart
In 't woud
Iris
Kalliope
Sanctissima virgo
Storm
Zomer
Het kind dat wij waren
De vrouw op mijn schoorsteen
Met de rozen
A dream within a dream
Annabel Lee
The raven
Op de doot van myn dochtertje
Dieuwertjen
Holland
Ballatetta
Barbara
De bruid
Voorwoord
Literatuur-les
Een volk dat voor tirannen zwicht
Herfstwandeling
Kerkhof
Kringloop
Nadat we meer dan tweeënhalf jaar samen waren
Uitvaart
Wij die elkaar tot bloedens toe
Peace
Eind goed, al goed
Hy droech onse smerten
Der Panther
Herbsttag
Liebeslied
Lösch mir die Augen aus...
Vorfrühling
Ascension day
Le Dormeur du Val
Ophélie
Voyelles
Ascension day
Ô de mon bien futur le frêle fondement
Klokke Roeland
La lampe dans la chambre...
Bommen
Februarizon
Strofen op lente en herfst
Gien tied
Oude eik
Avonduur
Kleine ballade
A daughter of Eve
A green cornfield
Dream Land
I loved you first: but afterwards your love
Songs In A Cornfield
The lily has an air
The Poor Ghost
When I am dead
When a mountain skylark sings
When the cows come home the milk is coming
Geen schuld
Echtpaar in de trein
onland
Echo
En komp de dag
Neijaor
Tussen Goes en Grunning
Van een vis die as een hekel an naokt har
Zaacht dwingend
Herfstgeuren
Mijn moeder is een roodborstje
Kleine nocturne
Werkelijkheid
Zee
De standaardmolen in Sellingen
Sneeuwbui
De achteraffers
Meneer Van Dalen
Bijna
Dominus regit me
Bethlehem
Piëta
Polder
Landschap
Landschapsschoon
Sarkasmus oder Apfelmus
een landweg vol plassen en hard zwart zand
Het woord
Zonenlied
Der Reiter und der Bodensee
All the World's a Stage
Be thou as chaste as ice, ...
Shall I compare thee to a summer's day?
Ozymandias of Egypt
Het Wilhelmus
Arcadia
Dame seule
De ontdekker
De schalmei
De vriendinnen
Fado
Herfst
Het einde
Japansche danseres
Jeugdherinneringen
Volkswijze
Woninglooze
Elegie
Ochtendstad
Karrekiet
kom
Als ik geen rood meer heb
De rozen
Pastorale
Schoonmaak
De ontslagen tuchthuisboef
One day I wrote her name upon the strand
Ignatiuslied
Aan een navolger
Het stoomtuig
Oogstlied
Angenietje!
Achterkamer
Friendship's flowers
Een egel
Twee halve gezichten heb ik
Am grauen Strand, am grauen Meer
Only until this cigarette is ended
Hoogste liefde
Druppel
Eens
De bolle winden blazen blauwe kuilen
December
De straatzanger
De weg in 't woud
De wel
De zon bestrooit den blauwen vijverplas
En die afgrond, zoo donker daaronder
God is zo ver!
Het Allerdroefste
Ik vond een vogel, stervende in de tuin
Liefde en zonde
Nebo
Tehuiskeer
Zwaar in mijn borst
Eenhoorn
Bladblazer
Christmas Carol
Wild Asters
Hoe meer zielen
Men moet
Te laat
Verdrietig kind, verdrietig gedicht
Getijde
Afscheid
Wandeling
Een hard gelag
Arab Love-Song
De Herfst blaast op den horen
God rolt de zonnen door zijn handen
Bij het lijkje van een kind
Wien Neêrlandsch bloed
Barlemanje
Immervoort en nimmerpoos
Tierelier
Auto
Die Ratten
Verfall
lichaamstaal
wij waren geen jongens
Eindelijk
Het naadren van de avond komt mijn wangen rozer ...
Frühlingsglaube
De blauwe reiger
Hier gaat het om
Meisjes
La Feuille Blanche
Amour, divin rôdeur
Aveu d'une femme
Aandacht voor onze koekoek
Er zijn geen argumenten
reeën
Angst
Begrafenis van mevrouw T
De idioot in het bad
Een witte ochtend
Fanfare-corps
In de herfst
Herfst
Luchtspiegeling
Onweer in het moeras
Sotto voce
Tijd
De gave
Slapend meisje in de trein
Neijbouw
September
Avec le même amour
Bleek dat hij haar helemaal niet kende
Lied van de Aarde
Als ik het tijd acht en de lange benen spreid
Chanson d'Automne
De steen
De terugtocht
Misanthropie
J'aime ces doux oiseaux...
Baders hartewens
De crocus
De Noordzee
Een zomeravond
Het bliksemvuur
Liefde is meer dan alle dingen
Naar alle zijden ligt nu als een tuin
O Man van Smarte met de doornenkroon
Sta op, mijn lief, de zon schijnt door de bomen
De getrooste dood
Kerkuil
Semele's dood
Zelfkant
Ballade des dames du temps jadis
Daarom weet ik
Ver als de horizon ben je
Geranium
Hongerwinter
Wij gingen uit stelen
Horizon-taal
Weekeinde
Kinder-lyck
Vitvaert van mijn Dochterken
De nacht gloort koud als gepolijst zwart marmer
aardrijkskunde
naar buiten
De nachtstorm
Regendag
Zeehond graag
Kroost
Melancolia
boom
Thuiskomen
Mijn broer
Koorts
Ziek en moe naar mijn bedje gebracht
De drievoudige dood
Gedragslijn
Bloemen
Jeldican en het woord
Voor wie dit leest
Vrede
Vuilniszakken
Annunciatie
De aarde
De bladeren
In het hooi
Nachtelijke overval
Najaarslaan
Sinds ik het weet...
Vreemd, dat boom en tak zoo stil staan
Wat de toekomst brengen moge
Winterstilte
Winter
Vier naakte vragen uitgeschud op een papier
Dors à mes pieds
Beginnend profeet
Bijna om niets
Changement de décor
Warmte, een woonplaats
Weg van de snelweg
Onweer
Achter schermbloemhagen lag het landje
Meisje van papier
Sunter Meerten
Indien ik je dragen kon
Liefde is
Er zijn mensen die als ongelezen boeken
Ballade van den merel
De tuin
Droefenis is gegaan en 't hart zal niet meer vragen
Een oud vers
Onweer
Zoo teedere schade als de bloemen vreezen
Dwoas
O Captain! My Captain!
Lied
De schaatsenrijder
..., for there is only one thing in the world worse ...
Bij avondschemer is hij uitgedragen...
De akker
Het land der mensen
Bloemenknoppen
Het lied van Mustafa
Opa
Op doorreis door Vlaanderen
Vader
Inzicht
Bui
Sentimentele poëzij
Middelbaar onderwijs
'k Ben eenzaam droef
'k Ben hier geweest, 'k ben daar geweest
'k Zit met mijn lamme beenen
Gij zult mij allen, allen kennen
Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren
Koorts-deun
Van alle reis terug
Wijding aan mijn vader
Het naaimeisje
Wie slaat de bloesem uit dit dode hout?
To a butterfly
She dwelt among the untrodden ways
Grietjes verzuchting
De was moet schoon
Ansicht
Nee
Smeltwater
Zag jij misschien dat ik naar jou
Bei einem Gewitter
Der Habicht
Egidius, waer bestu bleven?
Es ist der Jagd die Liebe gleich
Hebban olla uogala nestas hagunnan
Het lied van Heer Halewyn
Het waren twee koninghs kindren
Inferno
Klein drama
Look around and you'll see
Morgenland
My Friend
Te mei haddic een bloemken
Wie altijd in den spiegel ziet

naar de index van de Gedichten (1)  Vlag van Nederland  Vlag van Duitsland  Vlag van Engeland  Vlag van Frankrijk  naar de index van de Gedichten (2)